Er was gauw een einde gekomen aan de praatjes over het blauwtje, dat
Lena bezorgd had aan Vermey. Het meest droeg daartoe bij de verergering
der ziekte van mevrouw Bruce, want die was nog denzelfden dag, dat de
dokter „het water” had geconstateerd, bij iedereen bekend! Het heette
al dadelijk dat de dood binnen het etmaal zou volgen.
Vermey hoorde het in ’t kleine logement, waar hij op ’n duizend voet
hoog gelegen plaatsje zijn intrek had genomen; het kon hem niet schelen
hoegenaamd; hij verheugde zich in de kou, verveelde zich omdat er geen
gasten waren, en maakte zich elken dag kwaad om het slechte eten; na
een paar dagen—hij had een week verlof—nam hij op een avond ’n karretje
voor zich en zijn koffertje, betaalde zijn rekening en trok in het
duister om niet gezien te worden weer terug „naar beneden.”
Heel onverwacht stond hij voor het huisje van Yps.
’t Was heldere maneschijn. De krees voor het galerijtje waren dicht, en
hij zag geen ander licht, dan dat flauw door de kijkgaatjes kwam van
het gesloten luik der kamer, waar Yps sliep. Vermey lichtte een der
krees op, deed de deur open, die niet op slot was, en liep regelrecht
naar binnen, met een flauw opkomend vermoeden, dat hij iets gehoord
had, dat niet in den haak was.
Bij ’t schijnsel van het nachtpitje, dat als voor anker lag op ’n laag
klapperolie in een waterglas, zag Vermey een uniformjas op tafel met
glimmende knoopen en een dof schitteren van verguldsel tusschen het
donkerblauwe laken. Maar hij had geen tijd veel op te merken. Een
mansfiguur in allerkleinst toilet sprong op den vloer, rukte een sabel
uit een blinkende scheê, die naast het bed stond en riep vloekend met
een metaalstem gelijk een generaals-commando uit vroeger tijd.
„Als je niet maakt, dat je wegkomt, sla ik je de hersens in.”
Bleek en verstomd stond George een oogenblik deze zonderlinge figuur
aan te zien.
„Maak zelf maar, dat je gauw uit mijn huis komt,” zei hij toen met
gedwongen bedaardheid, „want ik laat de patrouille halen.”
Te gelijk ging hij weg naar achter, zichzelf diets makend, dat hij hier
toch niet kon gaan vechten; feitelijk geïntimideerd door den blinkenden
sabel; in elk geval woedend en vernederd als bedrogene.
Achter vond hij de oude inlandsche vrouw, Yps’ moeder, die hij in
stilte de schuld gaf van alles, maar die volhield, dat zij van niets
wist.
„En zoo’n schurk, zoo’n klaplooper, wilde me de hersens inslaan!”
„Kasian,” zei de oude. „Het was ook zoo erg onplezierig voor hem.”
George Vermey ging weêr naar voren om niet in de verleiding te komen,
zijn onwettige schoonmoeder over de pagger te gooien.
De indringer voor wien het „zoo jammer” was, was verdwenen, en Yps haar
groote verwarring trachtend te verbergen door een ontzettend boos
gezicht, stond voor den spiegel met beide handen haar zwarten haardos
weer in ’t fatsoen te draaien.
„Het is jouw schuld!” riep ze met een schelle inlandsche neusstem, en
een stroom verwijten overstelpte hem nog voor hij een woord kon zeggen.
Er volgde natuurlijk een scène, waaraan Yps zooveel mogelijk
luidruchtigheid trachtte bij te zetten, trotsch dat ze zoo en vogue
was, terwijl Vermey zijn best deed om zacht te spreken en haar den mond
te snoeren, bang, dat de buren er iets van zouden hooren en zijn nieuw
„échec” door de stad zou worden rondgebazuind; dat zou hem eenvoudig
belachelijk maken.
Hij bleef er maar dien nacht; wat zou hij anders doen? Ten slotte was
er voor hem geen reden om zich het leven moeilijk te maken. Zulke
dingen wist men vooruit. Geen grooter pessimist dan hij in dat opzicht.
Al wat tot de rubriek inlandsche vrouwen en „huishoudsters” behoorde,
was immers de onbetrouwbaarheid zelf! Hij, George Vermey, had er een
spreekwoord op gemaakt, dat ingang had gevonden en dikwijls werd
herhaald onder de jongelui:
„Wie op de loterij bouwt, wie zijn „meid” vertrouwt, en wie een Chinees
gelooft, is van zijn verstand beroofd.” Dat herhaalde hij nu, terwijl
hij buiten ging zitten om nog ’n sigaar te rooken in den maneschijn.
Yps was weêr naar bed gegaan. Zij lachte in haarzelf. Het feit, dat
Vermey voor den dreigenden sabel van den ander op den loop was gegaan,
vernederde hem niet in haar oogen. Zij zou het bij haar inlandsche
opvatting, krankzinnig hebben gevonden, als hij, ongewapend zelf, tegen
dat wapen was ingestormd, met tien kansen tegen een om ’n houw te
krijgen. Hij was veel „pinterder” geweest, en had het zoo verstandig
aangelegd, door met de patrouille te dreigen, dat de andere zich
haastig had gekleed en was weggeloopen. Die „pinterheid” van Vermey en
zijn afkeer van luidruchtige standjes, deden hem in haar schatting
rijzen, en heel gerust over de toekomst sliep zij in.
Hij rookte de eene sigaar na de andere en raakte bij het gelig
maanlicht en door de fantastische mozaïek van donker bladwerk tegen de
open vaalblauwe lucht in een zwaarmoedige stemming, die altijd hierop
neêrkwam: dat het leven een ellende was; dat het de moeite niet waard
was het mee te maken; dat bij weinig of geen levensvreugde een zware
last.... Hij hoorde Yps snurken. Zoo’n beest, dacht hij, dat is
gelukkig!
Om zich te verzetten—slapen kon hij toch niet—haalde hij uit zijn
koffer een flesch met ’n restant brendy, die hij mee had gehad „naar
boven” omdat daar zoo niets goeds was te krijgen, en zuchtend, schonk
hij zich ’n glas. Daarbij was het ten minste uit te houden, meende hij,
maar terwijl hij voorzichtig turend om bij het weifelachtig schijnsel
niet te morsen, inschonk, hield hij plotseling op en luisterde. Hij had
iets gehoord op den weg; ’t geluid dat schoenen maken op den grond, en
ineens was het stil. Een inlander of ’n Chinees kon het niet wezen. Zou
het die gladakker wellicht zijn met die lat? Nu, in dat geval zou men
eens zien! Hier, buiten, met ruimte om zich te bewegen en een paar
stoelen tot zijn beschikking, zou hij, nu de eerste indruk was geweken,
wel grooten lust hebben dien sabelsleeper te ontmoeten! Hij liep naar
achter, haalde een groot voorsnijmes uit het buffet en ging met een
even ernstige als ongemotiveerde bloeddorstigheid weêr terug. Midden op
het erf stond iemand, maar het was een burger; een donkerkleurige
burger zooals bleek, zelfs in de verte en bij maanlicht, uit het
contrast tusschen zijn gezicht en z’n wit jasje. Toen Vermey vol
wraaklust en met moorddadige plannen naar buiten kwam om van leer te
trekken, nam de burger zijn strooien hoed af en zei op onderdanigen
toon: „Goeien avond, meneer.”
Vermey viel uit de wolken zijner dappere verbeelding. Het was de klerk
van ’t kantoor; de man van zijn boodschappen, zijn bira’s en nog meer.
„Wat duivel, doe jij hier.”
„Ik wou u spreken.”
„Wist je dan dat ik hier was?”
„Neen. Ik kom van ’n partijtje; ik woon daar ginder; ik zag u zitten.”
„Maar is het dan zoo perloe?”
„Dat weet ik niet, meneer. Maar ik moet het u toch zeggen. Hier is het
nu net goed. Over dag en op ’t kantoor zou ik niet durven.”
Vermey deed een langen trek aan zijn sigaar en blies nadenkend den
grijzen rook omhoog naar de blauwe lucht.
„Zoo,” zei hij, „dat is wat anders.”
De klerk naderde hem heel dicht, en fluisterde meer dan hij sprak:
„Het is een geheim.”
De belangstelling van Vermey was niet opgewekt. Hij kende die menschen.
Soms waren ze net gek, en zagen in de gewoonste dingen allerlei
verschrikkelijkheden. Het kwam hem ook niet onwaarschijnlijk voor, dat
deze stumperd, hem ziende bij een knaapje bezig met inschenken en
rookende, plotseling door een woesten trek in een sigaar en een
brendytje was overvallen en een geheim had uitgevonden om zich met list
van deze desiderata meester te maken. Nu, dan zou de man zijn moeite
beloond zien! Vermey vond dat hij net van pas kwam om met zijn
kromsprekerij hem ’n beetje te amuseeren.
„Ga zitten,” zei hij. „Wil je ’n sigaar?”
„Het is over den-ouwen,” ging de klerk voort, zonder nog te gaan zitten
of te antwoorden op de vraag.
Een hem zelf verrassend gevoel van levendige belangstelling schoot
Vermey door het hoofd. Zou die kerel het weten? Hij bedwong zijn
gloeiende nieuwsgierigheid.
„Zoo! Nu, ga dan maar vast zitten en steek ’n sigaar op. Wil je ’n glas
cognac?”
Dat alles deed en wilde hij; maar ’t was Vermey toch duidelijk thans,
dat hij dáár niet om gekomen was.
„En vertel me nu je geheim eens.”
„Ssst! Zachtjes praten, meneer; het is een groot geheim. Ik heb ’n
gaatje gemaakt.”
Vermey moest lachen; was de man bijgeval al dronken met zijn
geheimzinnig gaatje?
„In den vloer, boven in de monster-kamer. Ik kan er door zien, naar
beneden, net in het pakhuis, als de ouwe daar is met den mandoer.”
Een glimlach speelde Vermey met zenuwtrekkingen om den mond en zijn
oogen glinsterden. Daar zou het komen! Hij was van het echte ras der
aanbidders van de schandaalkroniek; als hij er maar even de lucht van
kreeg, dan leefde hij, en hij colporteerde het, met vreugde in zijn
hart. Men had hem niet moeten zeggen, dat het slecht was, laag en
gemeen, vooral omdat het laster was van de tienmalen negen; want dat
laatste geloofde hij in ’t geheel niet, en wie het dorst beweren, werd
in zijn oogen een verdachte persoonlijkheid. Hij had onder vrienden de
gewoonte te bluffen op zijn eigen ondeugden, als op een wel wat
beschadigde, maar toch altijd coulant gangbare munt. Wel zeker, hij
dronk nu en dan in de sociëteit een brendy meer, dan goed was; maar hij
betaalde immers den kastelein! hij hield erg veel van de vrouwen, maar
hij was vrijgezel en hij had zich nooit ingelaten met zwijnerij! hij
had beren, doch nog nooit was iemand een cent aan hem te kort gekomen.
Maar die lui, die.... en dan volgde een opsomming van ondeugden,
denkbeeldige en reëele, gebleken en vooronderstelde—op onderscheidingen
kwam het niet aan—waaraan zich, naar zijn met groote overtuiging
uitgesproken meening bepaalde personen schuldig maakten, die half, voor
’t kwaadsprekers-kringetje om de „kletstafel” voldoende, werden
aangeduid, maar die altijd behoorden tot de soort financieel of
maatschappelijk hooger geplaatsten die geen geijkte en conventioneele
rechten hadden, maar „er” gekomen waren door de kracht hunner eigen
persoonlijkheid. En toch die ook weer niet allen; daar waren er
onaantastbaar onder; daar waren er, die men stilzwijgend vond, dat te
hoog stonden in fatsoen om te worden bereikt; maar die anderen, die
niet om bijzondere bekwaamheden of gebleken integriteit werden geacht;
die door hun afstootend karakter niet werden bemind; die om suspecte
allures in de termen van verdenking vielen,—die scheurde men zoo graag
vaneen; die haalde men zoo diep omlaag om ze te trappen onder den
voet....
„Ze knoeien,” zei de klerk.
Nu ja, dat was natuurlijk, meende Vermey; zoover was hij ook wel!
„Maar wat heb je gezien?”
„’t Is een schandaal, meneer! Ze knoeien, ja!”
Vermey liet zijn hand zwaar op het tafeltje vallen, zoodat de flesch en
de glaasjes in trillend rinkelende beweging kwamen.
„Ja, dat geloof ik wel,” zei hij met een zucht, „maar zeg me nu toch in
godsnaam alleen, wat je hebt gezien.”
„Wel, ik zeg u meneer, ze knoeien.”
Het was belachelijk, dacht Vermey, met stillen lust om een zijner lange
beenen uit te steken, en zijn gast van diens stoel af en ’t galerijtje
uit te trappen. Zoo’n kerel was nu maar niet tot ’t geringste besef te
krijgen; dat hield maar vol: ze knoeien, en als je hem vroeg, wat ze nu
eigenlijk deden, en wat hij had gezien, dan luidde het stereotiep: ze
knoeien. Een groote, onbedwingbare zucht om grof te wezen, en ruw en
matroosachtig, kwam bij hem op; instinctmatig voelde hij naar ’t
scheen, dat deze Europeaan niet vatbaar was voor een geregelde
reportage, als hem niet brutaal en haast met geweld de woorden uit de
keel werden gehaald.
„Toen jij voor het eerst met je leelijke bakkes op den grond lag en je
keek door dat smerige gat van je, wat zag je toen?”
De man vond die vraag erg grappig en lachte erom; maar hij zei zoo
dadelijk niets.
„Kom,” vervolgde Vermey, „sla nog ’n brendy in je kraag, dan zal je wel
wakker worden.”
En, altijd lachend, dronk de klerk het tweede glas alsof het water was.
„Vooruit nu, hè!” eindigde Vermey, vloekend. „Denk je dat ik lust heb
om jou hier den heelen nacht te houden en niets te hooren?”
„Waarachtig, meneer, ze knoeien.”
„Maar wat dan? Wat noem je knoeien?”
„Wel meneer,... ze knoeien.”
„Wel gévédé!” riep Vermey; en in zichzelven zuchtte hij, razend van
woede: zou je zoo’n vent niet....
„Goed,” ging hij met gemaakte bedaardheid voort, ’n vaderlijk
vriendschappelijken toon aanslaande. „Ze knoeien dus, maar hoe?”
„Hoe? Dat weet ik niet, meneer.”
„Weet je dat niet? Wat kom je dan eigenlijk hier doen?”
„Ik kom u vertellen, dat ze knoeien?”
„En je weet niet hoe?”
„Neen meneer.”
„En je hebt dus eigenlijk niks gezien?”
„Zeker, meneer. Ik heb gezien.... in de kisten.”
„In de kisten?” herhaalde Vermey met sterk uitgedrukte verbazing, want
„kisten” kwamen eigenlijk bij het schandaal, dat hij vermeende ontdekt
te hebben en nu te hooren bevestigen, in geen geval rechtstreeks te
pas.
„Juist meneer, in de kisten. Zij hebben in de kisten geknoeid; hij, de
ouwe, en de mandoer.”
„In de leege kisten?” vroeg Vermey met ’n flauwe hoop, dat er toch nog
iets aan kon zijn van zijn afschuwlijk vermoeden.
„Massa, meneer!” riep de klerk, die door de brendy wat opgewonden en
familiaar was geworden..... „in de leege kisten! Wat willen zij knoeien
in leege kisten. In de volle, meneer..... in de kisten met wijn.”
„En heb je niets anders gezien?”
„Neen meneer. Wat zou er anders te zien zijn.”
Vermey liet zich achterover neêr in zijn luierstoel. Dat was nu al ’n
heel flauwe ui! Knoeierij in importartikelen! Het was waarachtig de
moeite waard! En dat ging zoo geheimzinnig, alsof niet zoowat
jan-en-alleman in den handel dat klappen kende van die zweep! alsof
vooral zoo’n artikel wijn niet door heel de wereld een eeuwig vloeiende
bron was voor alle mogelijke etiquetten-fopperij! Nota bene! Het was
waarachtig de moeite waard, zoo’n geheim! Daar kwam zoo’n dwaze kerel
zijn brendy voor drinken en z’n sigaren voor helpen oprooken!
„Zeg,” zei hij zich oprichtend, „als jij morgen behoorlijk binnen wilt
wezen, dan is het meer dan tijd voor je om te gaan slapen.”
En de ander, ook teleurgesteld door het geringe succes, groetend af.