Lena was nauwelijks in de voorgalerij, of haar vader kwam haar
tegemoet, met een gezicht vol uitdrukking van plezier en lustigheid;
hij riep haar niets toe, dan een „Wel?” met een stemintonatie waaruit
de verwachting van ’n aangename tijding sprak. Hij schrikte toen hij in
’t licht der lamp, die juist ontstoken werd, haar gezicht zag; nu bleek
en boos; zoo boos als hij niet gemeend had dat het ooit had kunnen
staan. Zij deed hem verwijten, harde ernstige verwijten; zij sprak
fatsoenlijk en zonder op meer te zinspelen dan strikt noodzakelijk was,
maar even scherp en onbewimpeld als zij het gedaan had tegen Vermey: en
hij had er al even weinig tegen in te brengen, nu hij alles hoorde,
zooals het was. Hij kon alleen zeggen, dat hij het goed had bedoeld,
wat hij verder zeggen wou, verzweeg hij maar, omdat ze zoo boos was en
hij haar opgewondenheid bijna aangenaam begon te vinden, wijl die licht
bracht in haar fletse oogen en gloed op haar matbleeke wangen; wijl
hij, voor het eerst van z’n leven den vleienden indruk kreeg dat hij ’n
dochter had, die mooi kon wezen ook al was ’t dan maar in sommige juist
niet verkieslijke oogenblikken.
Lena ging nu haar eigen kamer binnen, waarin zij niet sliep, maar die
ze als ’n soort boudoir had ingericht, niet erg kostbaar, want dat
strookte noch met de ideeën van mama, noch met haar eigen
wenschen,—maar netjes en met goeden smaak.—Zij was er neêrgevallen op
een laag stoeltje, en had zóó ’n heelen tijd stil gezeten, turend in
het schemerlicht der laag neêrgedraaide lamp, met een krachtig pogen om
bedaard te zijn, om haar zenuwen te bedwingen, om de groote beweging te
onderdrukken, die met geweld in haar was opgekomen, die haar ademhaling
versnelde en verdiepte en haar borst onder ’t licht grijs kleedje hoog
op en neer deed gaan; die een gevoel over haar had gebracht alsof er
iets ontzettends was gebeurd, een groot feit, dat een ongeluk was of
ermeê gelijk stond. Zij vocht tegen dat dwaas oppermachtig gevoel. Wat
zij gedaan had was goed, en verder beteekende het heele voorval niets;
het praatje dat volgen zou, moest geheel in haar voordeel zijn, en zou
binnen korten tijd doodbloeden, als alle praatjes, verdrongen door
opvolgers. Zij had immers gelijk; zij had immers gehandeld, als een
meisje, dat door opvoeding, door persoonlijk karakter, door
levensgedrag aanspraak heeft op fatsoenlijke bejegening; dat niet
behandeld wil worden als de aanstaande materieele andere helft zonder
meer, maar dat een hoog standpunt vraagt van onderscheiding, van liefde
en toewijding, om later haar volle, groote plaats te bekleeden in het
gezin; om er meer te zijn dan een levend werktuig met wettig patent. En
al drukte zij het niet uit in haar zelve door woorden, zoodat elke
gedachte een denkbeeld werd, zij dacht het toch en ze streed met dat
wapen tegen die sterke onverklaarbare aandoening, tot ze haar hoofd
liet zinken op haar arm en huilde, alsof ze diep, diep ongelukkig was.
Er kwam geen ongewenschte inmenging: Geen stumperd van ’n vader of
moeder of broer of zuster kwam haar kamer binnen met een welgemeende
poging tot troosten; zij kon gerust uithuilen zonder tekst of uitleg;
zonder dat men haar aan het verstand wilde brengen hoe goed het was,
dat de zon scheen, het water stroomde en de mensch leed. In het
verhakte en onverschillige milieu van dit huisgezin had ze ten minste
geen overlast van misplaatste deelneming.
Het was haar voorbijgegaan, het had zich aangeboden! De groote
gelegenheid om den anderen kant van het leven te leeren kennen langs
den geoorloofden weg, had zich opgedaan; zij had haar kunnen grijpen;
het had slechts de moeite gekost één woordje te zeggen; en iedereen had
het natuurlijk gevonden en goed als zij ’t had gezegd; geen sterveling
had er zich een aanmerking op veroorloofd; zij had geld, Vermey had een
positie; er was geen beletsel, geen hindernis, noch maatschappelijk,
noch huishoudelijk.... Zij had het geweigerd, zij had uit hoogheid van
opvatting de natuur versmaad, de ruwe machtige, wreede natuur, die zijn
plompe vuist binnen in den mensch houdt als een onweerstaanbare motor,
en hem schudt....
Toen ze haar gezicht droogde met haar zakdoek, stond er een scherpe
trek op, die er òf niet geweest òf althans niet zoo uitgedrukt. Zij
draaide de lamp op, keek in een handspiegel, en zag hem, dien trek. Ze
kende hem niet; zóó goed had ze de menschen nooit bekeken; ze kende hem
niet als het onderdeel van een samenstel, dat een taal spreekt op
zichzelf, tot.... de ambtenaar van den burgerlijken stand er de spons
over haalt en hem wegveegt!—
De tafelschel boven had al tweemaal zijn rinkelenden metaalklank door
kamers en galerijen gezonden. Lena had ’t wel gehoord, doch zij was
niet gegaan; het zou dacht ze, wel niet anders wezen, dan een herkauwen
van dat geval met Vermey. Dáárvoor was nog tijd genoeg! Het kon wel
niet anders zijn, want nauwelijks was ze in haar kamer of ze hoorde den
harden stap van haar vader op de houten trap naar boven. Nu, nu ze
bedaard was, en zich in haar huiskleeding had gestoken, in sarong en
kabaai, zocht ze haar moeder op, die reeds weêr in ’t bed zat tegen den
stapel kussens en om het felle licht te weren, het lampje ook achter
het schutsel had laten zetten.
„Heb je het toch gedaan?” vroeg de doffe, vermoeide stem haast
onverstaanbaar zacht.
„Zeker ma?”
„En wat zeid-ie wel?”
Het was, vond Lena, verwonderlijk. Er toonde in de vraag iets door van
groote vrouwelijke nieuwsgierigheid. Zoo ziek haar moeder was, zoo
moeilijk haar de ademhaling viel, zoo schor en bijna klankloos de
benauwde stem was—toch scheen het dat bij dit belangwekkend geval de
oude mensch naar de oppervlakte kwam dringen, geprikkeld door het
bijzonder pikante, en dol nieuwsgierig om te hooren, hoe een man, die
zich van achter brandt, zich houdt bij het zitten op de blaren.
„O, hij was erg afgebluft, geloof ik. Hij heeft eerst nog zoo wat
geprotesteerd. Verbeeld u, dat hij brutaal genoeg was om me: lieve
Lena! te noemen. Dat heb ik hem anders verteld. Daarna wilde hij zich
nog verdedigen toen ik hem verweet, dat hij me alleen vroeg om ons
geld.”
Mevrouw Bruce zweeg en keek rechtuit naar het donker ornament van ’t
ijzeren ledikant. Haar zwak lichaam bleef al de bewegingen meêmaken van
het moeilijk spel harer longen; zij was meer dan ooit ingezonken en
luider klonk het klagend geluid der piepende ademhaling. Maar op haar
smal, afgetobd gezicht kwam een uitdrukking van weemoed en
teerhartigheid. Had hij dat gezegd? dacht ze. O, ze herinnerde zich zoo
goed dien knappen, netten jongen, bon-vivant, ’n beetje scharrelaar,
wat heel erg zelfs, maar toch zoo’n gezonden kranigen boy, altijd even
in de puntjes. En ze glimlachte tegen de figuur in haar herinnering,
die ze niet meer had gezien de vele maanden dat ze boven zat, ziek
opgesloten in haar kamer. Hij had haar Leentje „lieve” genoemd; dat
trof haar. Zou hij ’t misschien toch gemeend hebben? Zou hij.... wie
weet of hij niet werkelijk veel van ’t meisje had gehouden. Kasian!
„Hield je heusch niet van hem, Leentje?” vroeg ze, haar droge warme
hand op die van haar dochter leggend.
„O neen, ma!” zei Lena met ’n diepen zucht, „als dat waar was
geweest....”
„Zou je geen „neen” hebben gezegd.”
„Dat niet. Maar dan zou ik hier niet zoo rustig staan. Ik ga nu naar
beneden, ma. Het is tijd voor de kinderen. Zal ik u iets sturen?”
Met ’n afwerend gebaar stak haar moeder de knokkels op. „’n Bordje
soep, Leentje. Anders niet.”
In het hoofd der zieke spookte nog het beeld van Vermey, in de gratie
thans omdat hij Lena „lieve” had genoemd; en ze schudde in haar eentje
weer meêlijdend het hoofd en zei nog eens zachtjes: „Kasian!”
Lena sliep dien nacht, zooals ze het in langen tijd niet had gedaan.
Zij werd wakker op den vasten tijd en was verbaasd over haar
uitgeslapenheid in den gewonen zin van het woord. Maar dadelijk zag zij
om naar haar moeder, in wier reusachtig groote bed zij thans lag.
Mevrouw Bruce sliep nog; zij was, bij haar zittende houding,
onderuitgegleden, en scheen daar geen hinder van te hebben; zij sliep
rustig en ademde met minder moeite en geluid dan anders. Zachtjes
streek Lena het bed uit, en ging baden. Ook toen ze terugkwam om ’n
stukje toilet te maken en ’n schoone kabaja aan te doen, sliep haar
moeder. Zij „deed” het huishouden als altijd. Papa, erg uit zijn humeur
sprak geen woord tegen haar, beknorde de kinderen, en had op alles
aanmerkingen, tot hij Goddank! de deur uitging. Tegen acht uren reed de
coupé van den dokter het erf op.
„Hoe is het?” vroeg hij rechtuit naar achter komend: „Nog altijd
hetzelfde?”
„Ik geloof dat mama wat beter is.”
Hij hief het hoofd ietwat omhoog met ’n kort, snel rukje, en dacht er
’t zijne van.
„Hoe is het vannacht gegaan?”
„Juist dáárom. Mama heeft vannacht zoo goed geslapen, als ze in geen
tijd heeft gedaan.”
„En een van ons tweeën ook! Je zoudt er ’n boel beter uitzien, als je
zelf wat meer en geregelder nachtrust hadt.”
Ze had een bui van grappigheid; dat kon wel tegenover den dokter, die
er al zooveel jaren practiseerende en onder de moeilijkste en intiemste
omstandigheden er gekomen was juist door zijn positie als geneesheer.
„Ik begin anders te gelooven, dat ik er tegenwoordig nog zoo slecht
niet uitzie.”
De dokter, die er niet over had willen beginnen, maar nu dadelijk het
appeltje opving, zei met ’n glimlach, waarin zich verwondering
uitdrukte:
„Dat hoor ik! Maar ik begrijp niet, waarom je hem den bons hebt
gegeven; hij is toch ’n.... geschikte vent.”
„Weet u het dan nu al?”
„Jullie leeft niet achter ’n chineeschen muur!” zei hij luid lachend om
haar verwondering. „Vannacht om twaalf uren werd ik geroepen bij de
Prakke’s—ze hebben tusschen haakjes weêr ’n jongen!—en toen hoorde ik
al, dat je hem in den vooravond hadt afgewezen.”
„Hoe is ’t mogelijk!”
„En hij strooit nu rond, dat hij ervan afziet je te vragen. Maar het
aardigste is, dat niemand hem gelooft. Nu ga ik eens even naar mama
kijken. Heeft ze haar drank op tijd gehad?”
„Natuurlijk niet; zij heeft geslapen en ik durfde haar niet wakker
maken.”
„Hm!”
Terwijl hij naar boven ging, in stilte indische huizen met trappen
verwenschend, stond Lena met de handen op haar machine-tafeltje geleund
in gedachten rechtuit te turen. Van den gang dier geruchten kon zij
zich geen idee maken. Hoe was dat toch mogelijk. Hoe kon het zijn, dat
nu in den vroegen ochtend reeds iedereen alles wist; meer zelfs dan
zij?
„Bent u nog beneden?” riep een stem van boven over de trapleuning.
„Ja dokter, wat is er?”
„O niets! Als u maar niet weggaat. Ik wou u even spreken.”
Toen de dokter de kamer binnenkwam sliep mevrouw Bruce nog. Hij had
haar bekeken en bij zichzelf ’t gezicht getrokken van iemand, die
gebeuren ziet, wat hij verwacht had. Hij had zacht de sarong
weggeschoven en de voeten en beenen onderzocht; hij had nauwlettend
geluisterd met ’t zwarte toestelletje aan zijn oor op de borst van de
slapende. Daar was zij wakker van geworden. Hij had even Lena
toegeroepen; kwam weer binnen, vroeg naar het een en ander, en
behandelde verder zijn patiënte.
Het had ’t meisje aangegrepen, zonder dat ze wist waarom. ’t Was of
haar hart ophield te kloppen, zoo schrikte zij van de enkele
meêdeeling, dat dokter haar nog wilde spreken vóór hij wegging. Zij
stond reeds op de trap om naar boven te gaan, maar ze keerde weer
terug. Het was te gek. Wie weet of ’t niet een kleinigheid was over de
medicijn of zoo. Ze hoorde hem aankomen, en ’t verwonderde haar niet,
dat hij langzaam afdalend langs de breede bruingeverfde treden, met
zijn fachmässige zwarte jas en dito vest en zijn ernstig gezicht,
volkomen den indruk maakte van een jobsbode.
En terwijl zij hem aanzag met angstige oogen, lag de vraag op haar
gezicht, die hij kwam beantwoorden.
„Het is me erg tegengevallen.”
Lena beet op haar onderlip om zich goed te houden.
„Er is toch geen gevaar?” zei ze, niet ontsnappend aan de gewone frase
van menschen, die overtuigd zijn dat er wel gevaar is.
„Voor het oogenblik niet. Maar ik vrees toch, dat we staan voor het
begin van het einde.”
„Waarom, dokter?”
„Ik wil het u nu wel zeggen, en ’t zal bovendien heel gauw erger
blijken. Spreek er nog maar alleen met den ouden heer over. Er is
waterzucht ingetreden.”
Zij keek hem aan en begreep het niet. Er doemden in haar hoofd flauwe
herinneringen op van verhalen, die ze wel eens had gehoord, maar die
haar geen andere voorstelling konden geven, dan van menschen, die naar
het scheen door ziekte in ’n soort van artesische putten ontaardden,
die periodiek van groote hoeveelheden water bevrijd moesten worden.
„Wat is het eigenlijk?” vroeg ze.
Uit de korte inlichtingen begreep ze genoeg. Dat was wezenlijk, zooals
hij gezegd had, in zoo’n geval het begin van het einde. Ze had altijd
nog hoop gehad. Ze had haar arme moeder tusschen de medicijnen van den
dokter door, allerlei inlandsche poespas laten slikken, soms zoo
verwerkt in ander eten of drinken, dat de zieke het niet eens merkte.
Het had alles niets gebaat en nu kwam onverbiddelijk de dood.
Haast alle gemeenschap met de buitenwereld hield voor Lena Bruce op.
Haar moeder had nog slechts weinig vriendinnen; de oude waren naar
elders gegaan of gestorven, en nieuwe had ze in de laatste jaren niet
gemaakt. Op de tijding van het onheilspellend verschijnsel, dat zich
bij de zieke had voorgedaan, was Bruce twee dagen thuis gebleven,
zonder zijn partijtje te maken; toen zijn vrouw den derden dag nog niet
dood was, ging hij naar de sociëteit, en leefde verder op zijn gewone
manier voort; de jongens ook, toen de eerste schrik voor den naderenden
dood bedaard was, maar het feit niet volgde, kwamen zij weêr in hun
oude doen. Enkel Lena bleef haarzelf gelijk, zij wist, wat zij wist;
zij zag het doodelijk verschijnsel opkomen, naar boven; zij kon haast
den dag berekenen, die de sterfdag moest zijn van haar moeder. Soms bad
zij God er een eind aan te maken. Als er weer zoo’n groote benauwdheid
was geweest, waarbij het leven in dat afgetobde lijf een martelenden
strijd om het bestaan had gevoerd, verschrikkelijk om aan te zien, en
als zij het onmogelijke had beproefd tot hulp en verlichting, viel ze
soms, terwijl haar moeder uitgeput in stille verdooving neerlag, voor
een stoel op de knieën, schreiend, zachtjes biddend om verlossing voor
dat arme afgebeulde schepsel, dat altijd zoo alles voor haar was
geweest; waaraan haar heele herinnering hing van kind tot volwassen
meisje; dat alleen altijd voor haar had gezorgd, met zoo’n groote
moederliefde, wie niets te veel is; die eigen dienstbaarheid nooit zag
of voelde tegenover haar kind; die haar naaister was geweest, haar
kindermeid, haar meesteres en haar slavin: haar moeder.
En het bidden hielp ook Lena niet. Wat stoorde zich „de” ziekte in haar
verloop en haar verschijnselen dááraan? Die deed zooals in
geneeskundige boeken geschreven stond, dat zij behoorde te doen om als
een regelmatig physisch proces te mogen aangemerkt worden. De dokter
kon er niet veel meer aan doen, dan de ziekte waarnemen met haar
verschijnselen; de oorzaak viel niet meer te bestrijden; dáár was geen
denken aan. En wat baatte eigenlijk de rest! Toch deed hij het overige,
omdat het moest en gaf hij de zieke verlichting door haar van
aanmerkelijke ophooping van vloeistof te ontlasten, eerst op
natuurlijke, maar toen dat niet meer hielp, op kunstmatige manier. Soms
had zij rust en was vrij van pijn en benauwdheid; dan sprak ze met Lena
en gaf orders voor, tijdens en na haar dood; dan moest het meisje die
opschrijven al beefde haar hand en al kon ze niet zien door haar
tranen. En eens moest de notaris worden gehaald. Toen kwam Bruce, die
anders zich bepaalde tot een korte informatie ’s morgens en ’s avonds,
met groote belangstelling voor het oog, en egoïstische ongerustheid in
het hart naar boven; maar de notaris die den toestand en de
verhoudingen kende, verzocht hem heel beleefd heen te gaan, wat hij
deed onder stil protest tegen zulk een schending van zijn
huismansrecht.