Het was de dag vóór de begrafenis van hertog Bertie Silverton. De
grootste opwinding heerschte in de Londensche hooge kringen. En allen
bespraken de vreeselijke gebeurtenis, de vreeselijke daad, door de
hertogin bedreven.
In zijn bureau in Scotland Yard zat politie-inspecteur Baxter een
geurigen havanna te rooken. Hij dicteerde zijn secretaris Marholm,
bijgenaamd „de vloo”, een proces-verbaal.
Toen dat werk geëindigd was, zuchtte hij eens diep, geeuwde hoorbaar en
zei toen: „Marholm, we hebben vandaag hard gewerkt—héél hard gewerkt.
Ik zal nu wat gaan rusten.”
„Slaap lekker, inspecteur!”
„Slapen? Wie praat er van slapen?”
„O, vraag excuus inspecteur—ik dacht soms, het zou niet voor den
eersten keer zijn!”
„Wàt zou niet voor den eersten keer zijn!” stoof Baxter op met woedend
gebaar! „Zal ik je eens vertellen, wat voor de laatste maal moet
gebeurd zijn? Dat jij zoo’n grooten, brutalen mond opzet tegen je chef!
Hoor je, Marholm, je chef! Pas op, dat ik je niet voor ontslag
voordraag wegens insubordinatie!”
De „vloo” haalde de schouders op, snoof hoorbaar door zijn neus, blies
zware wolken uit zijn pijpje, dat gestopt was met „Amersfoorter” en zei
op uitdagenden toon, want aan Baxters dreigementen had hij zich nog
nooit gestoord:
„O chef, hoogvereerde chef, wat bent u vandaag bijzonder prikkelbaar.
Ik vond u in den laatsten tijd anders steeds in zoo’n goed humeur! En
ik had die goede luim al in verband gebracht met Raffles’ verdwijning
uit Londen! Dat was een pak van uw hart, inspecteur!”
Inderdaad!
Het was een pak van het hart geweest van den braven inspecteur, toen
hij hoorde, dat de Groote Onbekende, in gezelschap van zijn
onafscheidelijken secretaris zich voor „onbepaalden tijd” naar het
buitenland had begeven.
En ditmaal was het geen grapje!
Baxter had het gehoord uit de meest betrouwbare bronnen, dat hij
vooreerst geen last of overlast zou hebben van den man, die hem
voortdurend een hinderpaal was geweest op zijn levensweg, die zijn
werklust, zóó hij dien al eens had, verlamde, zijn ijver bekoelde.
Want hoe tientallen van keeren was het niet gebeurd, dat Raffles, de
gentleman-dief den een of anderen misdadiger had opgespoord, terwijl
inspecteur Baxter op dwaalwegen zocht naar den vermeenden boef.
Baxter dacht aan dat alles en een zucht van verlichting ontsnapte hem.
Ja, hij was in z’n nopjes, dat die brutale Raffles niet in Londen
woonde.
„Ja, inspecteur,” herhaalde Marholm met een onnoozel gezicht, „dat was
een pak van uw hart, nietwaar?”
„Hou je brutalen mond, of je gaat er op staanden voet uit,” snauwde
Baxter.
„Maar chef!”
„Wat, maar— —”
„M’n mond houden? Ik? Maar als ik niet meer kan praten, dan heb ik
heelemaal niets meer te doen.”
„Je bent de grootste luilak, dien ik ken”, stoof Baxter op.
„Op één na, inspecteur, op één na!”
„En die eene is?”
„Raad eens, inspecteur!”
Marholm had ternauwernood deze woorden gesproken, toen er aan de deur
werd geklopt.
Een kleine jongen, in blauw uniform met zilveren tressen trad binnen.
„Mr. Baxter?”
„Die ben ik!”
„Please, sir!”
De jongen overhandigde een groote, gele enveloppe.
„Van wien?”
„Weet ik niet, sir! Good bye, sir!”
De jongen boog, draaide zich om en verdween.
Baxter, vóór den brief te openen, draaide dien om en om en nog eens om.
Toen, met een gewichtig air, en alsof hem nu te binnen schoot, dat hij
dit gewichtig epistel wachtte, zei hij:
„Juist, dat zal het schrijven zijn van den referendaris van Zijne
Majesteit!”
„Ik zie anders geen koninklijk wapen,” merkte de „vloo” droog op.
Baxter smoorde een vloek en bromde een verwensching tusschen de tanden.
Daarna opende hij de envelop, haalde een groot vel papier te voorschijn
en begon te lezen.
Zijn oogen werden hoe langer hoe grooter, zijn mond viel open,
zweetdroppels parelden op zijn voorhoofd.
„Allemachtig,” steunde hij, „alweer die naam!”
Het papier ontgleed zijn handen en Marholm haastte zich, het op te
rapen.
Het eerste, wat „de vloo” zag, was de naam: