IN DE STERFKAMER.

Op den hoek van Parklane en Onslow Gardens stapten twee donkere

gedaanten uit een kleine auto.

Een van het tweetal, die gehuld was in een lange, wijde jas, die bijna

tot den grond reikte, gaf den chauffeur op fluisterenden toon een kort

bevel en toen reed de bestuurder naar den kant van den weg, waar het

voertuig in de pikdonkere schaduw van een hoogen muur verdween.

De lichten van de auto waren uitgedoofd.

De kragen hunner jassen hoog opgeslagen, de petten over het voorhoofd

getrokken en de handen in de zakken hunner jassen verborgen, liepen de

beide mannen Onslow Gardens in.

Toen ze het huis, dat nummer twintig droeg, hadden bereikt, liet Hoper

een zacht gefluit hooren.

Het scheen een overeengekomen teeken te zijn, drie tonen, die tweemaal

op eigenaardige wijze werden uitgestooten.

Bijna op hetzelfde oogenblik werd de huisdeur van de woning ten deele

geopend en een vrouwelijke gedaante verscheen op den drempel.

„Alles veilig!” sprak ze op zachten toon, toen ze bij het zwakke licht

van een verwijderden lantaarn Arthur Hoper herkende.

„Niemand thuis?” informeerde de „chef van het vak,” die Raffles eenige

schreden achter zich had gelaten en nu vlak voor den ingang der woning

stond.

„Naar den schouwburg, komen eerst laat thuis. Wie heb je bij je?”

„Een voorname! ’t Is een graaf!” haastte Hoper zich op fluisterenden

toon te antwoorden.

Toen vroeg hij, nadat hij een blik had geworpen in de pikdonkere

vestibule:

„Heb je ’t overal donker?”

„Natuurlijk!”

„Nou, vooruit dan maar!”

En met een wenk naar Raffles, welke door dezen dadelijk werd begrepen,

volgde hij het meisje in het huis van haar meesters.

Ook Raffles was de ruime vestibule binnengegaan en sloot onhoorbaar de

zware huisdeur achter zich dicht.

Zwijgend volgden de beide mannen de kamenier een breede trap op, die

naar de eerste verdieping leidde, en vandaar door een vrij lange,

breede gang naar een kamer aan de achterzijde van het huis.

Overal heerschte volslagen duisternis, want op aanraden van Hoper had

zijn handlangster door het geheele huis de electrische lichten

uitgedoofd.

Toen het meisje de deur van de kamer voor de beide mannen had geopend,

liet Raffles een oogenblik het licht van zijn electrische zaklantaarn

door het vertrek schijnen.

Hij zag, dat het een tamelijk ruime, vierkante kamer was, blijkbaar als

studeervertrek ingericht.

Tegenover de deur, door welke zij waren binnengekomen, scheen zich een

breed raam te bevinden, waarvoor de zware, donkere overgordijnen waren

dichtgetrokken.

De kamenier tastte naar het koord en een oogenblik later zag Raffles,

dat achter de gordijnen twee glazen deuren waren, voorzien van fijn

geplooide vitrages.

In een oogenblik had het meisje door het opheffen van een koperen kruk

de glasdeuren geopend en Raffles zag, dat hierachter zich het zinken

plat uitstrekte, waarvan Arthur Hoper hem had verteld.

„Weet gij ook, of in het huis van hertog Silverton de kamer

overeenkomend met deze, evenals hier tot studeerkamer is ingericht?”

vroeg Raffles op fluisterenden toon.

„Neen, sir, die kamer was de slaapkamer van den hertog. De hertog is

daar gestorven. Ik weet dit zeker, want zoodra het lijk naar beneden

was overgebracht, naar het praalbed, is de geheele kamer schoongemaakt

en hebben de meubelen urenlang op het plat gestaan.”

Een glans van voldoening en tevredenheid gleed over het gelaat van lord

Lister.

Dit was alles wat hij op het oogenblik noodig had te weten.

„Gij kunt alles nu weer afsluiten,” sprak de Groote Onbekende tot de

kamenier, toen de beide mannen naar buiten waren gestapt. „Steek de

lichten weer op, voor zoover zij ’s avonds branden wanneer uw meesters

afwezig zijn en maak u verder over niets ongerust. Gij zult in geen

geval in moeilijkheden komen. Wacht hier, over een uur zullen wij wel

terug zijn.”

Toen drukte hij haar een goudstuk in de hand.

Een paar minuten later waren de roodpluchen overgordijnen weer

dichtgehaald voor de goed gesloten glazen deuren van de studeerkamer.

In gangen en vestibule van het deftige heerenhuis brandden de

electrische lampen en de jonge kamenier zat in het studeervertrek met

een kostbare kanten kraag van haar meesteres op den schoot. Zij had

mevrouw beloofd, daarin een klein gaatje, dat er ongelukkig in was

gekomen, onzichtbaar te zullen bijwerken.

Arthur Hoper had uit een van zijn zakken een paar wijde viltpantoffels

te voorschijn gehaald, die hij over zijn laarzen trok. Voor Raffles was

een dergelijke voorzorgsmaatregel onnoodig. De zachte, buigzame

schoenen, welke hij droeg, schenen van een soort dof-zwarte zijde

vervaardigd te zijn en zolen van een soortgelijke stof te hebben.

Onhoorbaar liep het tweetal voort over het breede zinken plat, dat zich

inderdaad achter de geheele huizenrij bevond.

Toen zij de achterzijde van het huis, dat hertog Silverton had bewoond,

hadden bereikt, bleef Raffles staan en keek met scherpen blik rond.

In de kamer, die, evenals in de woning, waardoor zij hierheen waren

gekomen, toegang gaf tot het zinken terras, heerschte doodsche stilte

en volslagen duisternis.

De Groote Onbekende ging nu naar de buitenzijde van het platform.

Zoover mogelijk boog hij zich, op de knieën liggende, over den rand

heen. Daarna richtte hij zich weer op en sprak op fluisterenden toon

tot Hoper:

„Ik dacht het wel, beneden wordt gewaakt bij het lijk van den hertog.

De kamer hieronder is verlicht. Laat je naar beneden glijden en houd de

wacht in den tuin. Bij het minste onraad waarschuw je mij.”

En toen Hoper, de geslepen en bekwame „man van het vak” reeds

aanstalten maakte om zich langs een stevige waterbuis te laten

neerzakken, beduidde Raffles hem door een teeken, nog even te wachten.

De Groote Onbekende haalde snel uit een der diepe, ruime zakken van

zijn „dievenjas” een leeren taschje te voorschijn, toen nam hij uit een

anderen zak den kleinen browning, rolde de jas tot een bundeltje samen

en sloeg er een daarvoor ingericht riempje, waaraan zich een haak

bevond, omheen.

„Houdt dit bij je!” beval hij op korten toon.

Arthur Hoper nam het pakje van lord Lister aan, bevestigde het met de

kleine, stevige haak aan zijn eigen overjas en vroeg toen:

„Nog iets, sir?”

„Neen.”

Zonder verder een woord samen te wisselen, liet de „chef van het vak”

zich nu over den rand van het terras neerzakken en behendig als een kat

gleed hij langs de gladde buis naar beneden, waar hij in de schaduw van

eenige hooge struiken zijn observatiepost innam.

Lord Lister had het leeren taschje geopend en haalde daaruit een

oliespuitje te voorschijn. Nauwkeurig spoot hij eenige druppels van de

vloeistof, die zich daarin bevond, in de scharnieren van het rechtsche

raam en lichtte dit toen geheel onhoorbaar en zoo handig, dat geen smid

het hem had kunnen verbeteren, uit de beugels.

Het leeren taschje was zóó ingericht, dat hij het met een enkele

beweging, door middel van een smal riempje, om zijn middel kon

bevestigen en zoo stapte de Groote Onbekende, slechts gewapend met zijn

revolver, de donkere, eenzame kamer binnen.

Zooals hij daar stond in het nauwsluitende, zwarte tricot pak, leek hij

niet meer dan een sombere schaduw, die geheimzinnig en onhoorbaar

voortglijdt.

Raffles bracht de glazen deur, welke hij uit haar hengsels had genomen,

weer in haar normalen toestand terug, sloot toen den toegangsweg naar

het plat weer af, schoof de overgordijnen dicht en ontstak, alsof het

de gewoonste zaak van de wereld betrof, het electrische licht.

Een helder schijnsel viel nu door het vertrek, dat als slaapkamer was

ingericht.

Een breed mahoniehouten ledikant stond tegen een der wanden en de sprei

van witte tulle, gevoerd met goudgeel satijn, bedekte de zijden dekens.

Lord Lister ging naar de eenige deur, welke de slaapkamer verder nog

had.

Voorzichtig schoof hij den kleinen koperen grendel, die boven het slot

was bevestigd, dicht en toen begon hij het bed, waarop hertog Silverton

was gestorven, te onderzoeken.

Het kostbare mahoniehout, waarvan het ledikant was vervaardigd, glom

als een spiegel en weerkaatste het licht van het kleine electrische

kroontje, dat aan het plafond hing.

Zijn nauwkeurig onderzoek leverde echter blijkbaar geen resultaat op,

want nadat de Groote Onbekende de kostbare sprei weer glad had

getrokken, begon hij de wanden van de kamer te bekijken.

Met een kleinen hamer, welke hij ook uit het taschje te voorschijn had

gehaald, beklopte hij bijna elken vierkanten decimeter der muren; op

het bruinleeren behangsel zocht hij naar de mogelijke sporen van een

geheime kast, achter den spiegel en het groote vrouwen portret, dat

waarschijnlijk de moeder van den hertog voorstelde, bekeek hij met

scherpen blik, zoekende naar een kunstig verborgen schuilplaats, maar

niets vond hij, dat zijn moeite loonde.

Maar lord Lister gaf den moed nog niet op.

De slanke, lenige gestalte, gekleed in het gladde tricot, bukte zich nu

voorover, om het sneeuwwitte berenvel, dat vóór het bed een gedeelte

van den gladgewreven parketvloer bedekte, te verwijderen.

En toen keek hij eenige oogenblikken naar den houten vloer, met

massieve blokjes ingelegd.

Weer werd het leeren taschje geopend en daaruit kwamen nu een sterk

vergrootglas en een uiterst fijngeslepen, lang en smal breekbeiteltje

te voorschijn.

En plat op zijn buik liggende, langzaam en als een slangachtig wezen

over den gladden vloer kruipende, onderzocht hij, met het vergrootglas

gewapend, elk houtblokje afzonderlijk.

Telkens weer trachtte hij het vlijmscherpe beiteltje in de uiterst

smalle naden tusschen de stukjes hout te werken, doch telkens weer kwam

hij tot de overtuiging, dat hij nog niet had gevonden, wat hij zocht.

Langzaam, heel langzaam bewoog zich de zwarte gestalte over den vloer.

Raffles was nu de plaats genaderd, waar zooeven de breede kop van de

witte berehuid had gelegen, toen hij plotseling zacht, bijna onhoorbaar

floot.

De oogen van den gentleman-dief schitterden en zijn gelaat vertoonde,

voor zoover het niet achter den rossigen baard en knevel verborgen was,

een uitdrukking van spanning.

Weer werd het dunne beiteltje tusschen de voegen van twee houtblokjes

gestoken en...... zonder eenige moeite lichtte Raffles het blokje uit

den vloer.

Een trek van groote voldoening verscheen op zijn gelaat, nu hij in de

rechthoekige opening, welke er was ontstaan, een precies daarin passend

doosje ontdekte.

Ook dit verwijderde hij van zijn plaats en nu zag hij, dat het losse

blokje slechts half zoo dik was als de andere, die, stevig aan elkaar

sluitend, den bodem bedekten.

Lord Lister stond op uit zijn liggende houding en, met het wit

cartonnen doosje in de hand, nam hij plaats in den fauteuil, die

tegenover het bed stond.

Raffles opende het doosje, dat bijna geen gewicht scheen te bevatten en

haalde er een blauw papieren zakje en een in vieren gevouwen stuk

papier uit te voorschijn.

Eerst bekeek hij het zakje.

Op een klein, ovaal etiquet, dat erop geplakt was, las hij den naam van

een apotheker en diens adres in New-York en daaronder het woord

„morphine.”

„Ik dacht het!” mompelde de Groote Onbekende, „dus toch...”

Toen vouwde hij het papier, dat onder in de doos had gelegen, open en

al dadelijk bemerkte hij, dat het een velletje postpapier van den

overleden hertog was.

In den linkerbovenhoek waren diens initialen aangebracht met daarboven

het hertogelijke kroontje.

En gemakkelijk achterover geleund in den stoel van Bertie Silverton,

las Raffles het volgende:

„Ik hoop, dat dit eerst gevonden zal worden lang na den dood van

mij en mijn echtgenoote, want ik wensch, dat op haar de verdenking

zal rusten van het misdrijf, waaraan ik mijzelf straks zal schuldig

maken.

Een misdrijf, dat erfelijk is in mijn familie, dat van geslacht op

geslacht is overgegaan en... dat ook een eind aan mijn leven zal

maken.

Reeds jaren geleden had ik het vaste voornemen om, zoodra ik

mijzelf totaal geruïneerd zou hebben, het voorbeeld van mijn

familieleden te volgen.

Door mijn huwelijk echter met Lily Ansberg, de schatrijke

Amerikaansche, meende ik, voor mijn verdere leven gevrijwaard te

zullen zijn voor geldzorgen.

Maar ik had geen rekening gehouden met die tweede duivel, die in

mijn familie van het eene geslacht op het andere overgaat en die

zijn slachtoffers langzaam, maar zeker, in het verderf sleept.

De speelduivel!

Hem heb ik niet kunnen ontkomen,—trouwens, ik heb er ook nooit veel

moeite voor gedaan!

Ik heb gespeeld, telkens weer opnieuw, onophoudelijk groote sommen

verloren; een aanzienlijk deel van de millioenen, die mijn vrouw

mee ten huwelijk bracht, aan de groene tafel verdobbeld.

Steeds weer opnieuw verschafte Lily mij de middelen om mij over te

geven aan dien hartstocht, maar ik wensch haar verwijten, haar

terechtwijzingen niet meer te hooren. Ik wensch mij niet te

vernederen voor haar, die, door mij tot hertogin verheven, in mijn

oogen toch altijd is gebleven de juffrouw, die kamers verhuurde in

een burgerlijk pension in Londen!

Zij is mooi, mijn vrouw, dat weet ik en men zegt, dat zij goed is

en lief.

Maar ik haat haar!

Haar vertrouwelijke gesprekken met oude vrienden en kennissen

hebben mijn jaloezie steeds weer geprikkeld en haar groote kalmte

en zelfbeheersching bij de scènes, die ik haar maakte, hebben mij

tot het uiterste gedreven.

Nu ga ik een eind maken aan mijn verloren leven, maar tevens ga ik

mij wreken op de vrouw, die ik bij mijn leven niet heb kunnen

treffen.

Ik zal een gedeelte van de morphine, die ik reeds in Amerika in

mijn bezit had, aanwenden om een eind aan mijn bestaan te maken,

doch een ander deel zal dienen om op haar, die mij gedurende mijn

ziekte verpleegt, de verdenking te laten vallen van moord.

In het drinkwater en het voedsel, dat zich in mijn slaapkamer

bevindt, zal ik morphine mengen en ook in het juweelkistje van mijn

vrouw zal na mijn dood een voorraad morphine worden gevonden.

Zoo zal ik mij wreken op Lily Baker, de kamerverhuurster van

Clandon Street.

BERTIE hertog SILVERTON.”

Eenige oogenblikken keek de Groote Onbekende met starenden blik voor

zich uit.

Toen kwam de energieke uitdrukking weer in zijn groote donkere oogen

terug en als met een ruk stond hij op uit den stoel.

Hij scheen reeds volkomen met zichzelf eens te zijn, hoe hij verder zou

handelen, want zonder een oogenblik te aarzelen vouwde hij de nagelaten

bekentenis van Bertie Silverton weer dicht, borg het papier en het

zakje met de overblijfselen der morphine weer in het cartonnen doosje

en bracht dit terug naar het schuilhoekje onder den houten parketvloer.

„Dat hadt je niet vermoed, hertog,” mompelde hij achter zijn roode

snor, terwijl hij het losse blokje weer kunstig op zijn oude plaats

terugbracht, „dat reeds nu, terwijl hier beneden nog wordt gewaakt bij

je lijk, je geheim is ontmaskerd.

„Jij hadt gehoopt, dat er vele jaren zouden voorbijgaan, voordat, de

smaad werd weggenomen van je vrouw, die rein en onschuldig is als een

engel.”

De slanke man in zijn zwarte kleeding bracht zorgvuldig alles in de

sterfkamer weer in den toestand terug, waarin hij het had gevonden,

toen schoof hij den grendel terug van de deur, draaide het electrische

licht uit en verliet het vertrek door de glazen deuren, die op het

zinken terras uitkwamen.

Geen vijf minuten later hoorde Hoper, die nog steeds in zijn donker

schuilhoekje de wacht hield, een zacht en kort gefluit, het afgesproken

teeken tusschen hem en den „graaf.”

Hij keek naar boven en begreep uit een sein met de hand, dat de ander

hem gaf, dat hij weer terug kon komen.

In een oogwenk had hij zich handig naar boven gewerkt en keek zwijgend

zijn voornamen makker aan.

„Kom mee!” was alles, wat deze hem toefluisterde, terwijl hij zich weer

in zijn „dievenjas” hulde.

Als twee zwarte schaduwen liepen zij over het platform, totdat zij het

venster weer hadden bereikt, waar de vriendin van Arthur Hoper op hen

wachtte.

„Alles veilig?” vroeg Hoper haar en op haar bevestigend antwoord

vervolgde hij:

„Ga jij eerst naar beneden Kate en kijk uit of ze nog niet komen.”

„Zoo vroeg komen ze nooit,” klonk het terug, „maar ik zal vooruitgaan.”

Inderdaad bleek het terrein volkomen veilig en geen minuut daarna had

de kamenier de huisdeur gesloten achter de beide geheimzinnige

bezoekers.

Glimlachend borg zij ook het tweede goudstuk, dat de lange heer in de

wijde overjas haar had gegeven weg in haar zilveren beursje.

„Ik heb je hulp niet meer noodig, Hoper,” sprak Raffles tot den „chef

van het vak”.

„Dat was geen zwaar werk voor mij dezen keer,” klonk het terug.

„Ga jij je eigen weg, ik rijd alleen terug,” vervolgde de Groote

Onbekende.

Toen bleef hij even stilstaan en overhandigde den ander een banknoot

van vijftig pond.

„Adieu Hoper, tot een volgenden keer!”

„Dank u wel, graaf! U kunt altijd op mij rekenen! Als meneer de graaf

weer eens een zaakje voor me heeft...”

En beleefd aan zijn pet tikkend, sloeg Hoper de zijstraat in, terwijl

Raffles doorliep naar den hoek van Onslow Gardens en Parklane.

In de donkere schaduw van den hoogen muur wachtte nog steeds de kleine,

zwarte auto.

De chauffeur, gekleed in een zwarte jas, de donkere pet op het hoofd,

had zooeven een versche pruim genomen. Dit was de eenige afleiding, die

hij had op dezen nachtelijken tocht, want het rooken was hem op

dergelijke uitstapjes ten strengste verboden en hij mocht zelfs niet,

om den tijd wat te bekorten, in de buurt van de auto heen en weer

loopen.

Eindelijk zag hij op korten afstand een persoon met vlugge schreden

naderen en reeds had hij in dezen heer den eigenaar van de zwarte auto

herkend.

„Terug naar Regent Park!” beval lord Lister en geruischloos gleed de

„Camera Obscura” voort door de Londensche straten.

Charly Brand was zooeven thuisgekomen. Het feeënballet in Empire

Theatre was hem toch niet meegevallen.

Neen, dat hadden Edward en hij beter gezien in Parijs. Hoe lang was dat

nu al weer geleden? Zeker al drie jaar, het was geweest op hun doorreis

naar Algiers; waarheen Charly zijn vriend had vergezeld en aan welke

reis voor hem tal van aangename herinneringen waren verbonden.

Nu lag Charly languit op den breeden divan, die met een zwaar Perzisch

kleed bedekt was en rookte zijn fijne havanna.

Plotseling werd de deur van de studeerkamer geopend en een man met een

allerongunstigst uiterlijk stond op den drempel. En heel beleefd scheen

de onverwachte bezoeker ook niet te zijn, tenminste hij hield zijn pet

op het hoofd en groette niet eens.

Charly had onmiddellijk de „dievenjas”, die de lange gestalte van den

binnenkomende omsloot herkend en sprak lachend, zich halverwege uit

zijn luie houding oprichtende:

„Kun je niet eerst behoorlijk kloppen, voordat je binnenkomt?”

Het gelaat van den roodharige vertrok zich tot een breeden grijns. Hij

sloot de deur achter zich dicht, ontdeed zich van zijn breedgerande pet

en wijde overjas en stond nu voor zijn jongen vriend in het

nauwsluitende zwarte tricot.

„Mijn hemel Edward, wat zie je er potsierlijk uit! Waar ben jij

geweest?” riep Charly uit en met de elleboog weer geleund in de zijden

kussens van den divan keek hij er naar, hoe lord Lister zijn rossigen

krullenpruik, baard en snor losmaakte en op een klein tafeltje aan zijn

rechterhand legde. „Het lijkt wel of je van een gemaskerd bal komt!

Werd er mooi gedanst?”

En met meer ernst in de stem dan Charly had verwacht, antwoordde de

Groote Onbekende:

„Ja mijn jongen! Den „Danse macabre!” Den doodendans!”

Toen belde hij James en liet zich door dezen een sterke kop koffie

brengen.

Lord Lister No. 0116: Een drama uit de groote wereld · 第 17 / 22 题