„Edward, ik heb voor vanavond twee plaatsen genomen in het
Empire-theater.
„Het feëen-ballet gaat voor ’t eerst en je zult me toch moeten
toegeven, met al de liefde, die je voor het kikkerlandje koestert, dat
zóó iets ons in Nederland niet wordt geboden.
„De onkosten van zoo’n ballet beloopen zooveel duizenden, dat zelfs het
Circus aan den Amstel die kosten er nooit zou kunnen uithalen.
„Met veel moeite heb ik nog twee logeplaatsen voor jou en mij kunnen
machtig worden.”
Glimlachend keek de Groote Onbekende zijn opgewonden vriend aan.
Toen sprak hij:
„Het spijt mij, Charly, maar ik zal er vanavond geen gebruik van kunnen
maken. Neem een van je Clubvrienden mee, mijn jongen.”
Een uitdrukking van groote teleurstelling verscheen op het blozende
gelaat van den jongen secretaris.
„Om het jou naar den zin te maken, Edward, gaat boven mijn krachten. Nu
verheugde ik er mij reeds den geheelen middag op, jou eens een prettige
verrassing te bezorgen en het loopt weer op niets uit. Waarom ga je
niet mee?”
„Ik heb mijn avond bezet,—dringende bezigheden!” was alles wat Raffles
antwoordde.
Toen zweeg Charly.
Met een zucht nam hij een Havanna van het rooktafeltje en nadat hij
dezen had opgerookt, onder het genot van een kopje koffie, stond hij op
om zich te gaan kleeden.
Vóórdat hij de deur der kamer achter zich sloot, bleef hij nog even
staan, keek zijn vriend met vragenden blik aan en sprak:
„Denk je alweer thuis te zijn als ik terugkom uit het empire-theater?”
„Waarschijnlijk ben ik dan pas vertrokken.
„Haast je dus mijnentwege niet. En nu veel genoegen, mijn jongen!”
Edward Lister bleef alleen achter in het rustige vertrek, waar
boekenrijen de wanden bedekten en het electrische licht getemperd werd
door zachtgroene kappen.
Hij strekte de beenen languit, leunde behaaglijk achterover in den
wijden clubfauteuil en opende de portefeuille, gevuld met kostbare
reproducties, welke zooeven voor hem was aangekomen.
Zoozeer was hij verdiept in het beschouwen van de zeldzaam mooie
kunstwerken, dat hij verbaasd opkeek, toen de Westminster klok op den
schoorsteen met zilveren tonen tien sloeg.
Voorzichtig borg hij de platen weer in de groote portefeuille, wierp
het overblijfsel van zijn sigaret in den brandenden haard en verliet de
studeerkamer.
De deur, door welke lord Lister was verdwenen, gaf toegang tot een
eigenaardig vertrek.
Deze kamer was rechthoekig van vorm en ingericht als een eenvoudige
kleedkamer.
Een wit porseleinen waschbak met warm- en koudwaterkranen was
aangebracht in het midden van een der lange wanden.
Bovenaan in dienzelfden muur bevonden zich twee niet al te groote
vensters, zóó hoog, dat men er onmogelijk van buitenaf door zou kunnen
kijken. Nu, terwijl het licht brandde in de kamer, waren deze vensters
bedekt door dikke donkergroene gordijnen.
Links van het waschbekken aan denzelfden muur stond een breede
toilettafel, waarboven een groote spiegel hing, terwijl de korte wand,
die daaraan grensde en die zich tegenover de toegangsdeur naar de
studeerkamer bevond, door één bijzonder grooten spiegel in zeer smalle
zwarte lijst in beslag werd genomen.
De lange wand tegenover de ramen scheen bij den eersten oogopslag
ongebruikt te zijn gebleven.
Bij nadere beschouwing echter ontdekte men de smalle kieren van deuren
en wanneer deze geopend waren, zag men één doorloopende, reusachtige
kast.
Lord Lister had de eenige deur, die toegang gaf tot deze kleedkamer,
zorgvuldig achter zich gesloten en begaf zich naar de, door twee, aan
weerszijden aangebrachte lampen uitstekend verlichte toilettafel.
Het was een vreemde verzameling, die men daarop zag, als bestemd om
gebruikt te worden door een acteur.
Potjes schmink, stiften Oost-Indische inkt, handen-wit, rouge en poeder
in verschillende tinten, potjes cosmetiek en vaseline,
haarkleurmiddelen en lippen-rood stonden daar in keurige orde bijeen.
Penseelen van velerlei dikte, om de wenkbrauwen en wimpers bij te
werken of rimpels aan te brengen en een glazen stopflesch vol
sneeuwwitte watten bedekten het marmeren blad van de tafel.
Nadat Raffles zich van zijn bovenkleeren had ontdaan, ging hij op den
stoel vóór de toilettafel zitten en keek een oogenblik peinzend in den
spiegel.
Plotseling scheen hij een besluit te hebben genomen. Hij schoof zijn
stoel achteruit, trok de lade van de toilettafel open en haalde er zijn
scheergereedschap uit te voorschijn.
En geen tien minuten later was het intelligente gelaat van den Grooten
Onbekende, waarop zooeven het donkere snorretje de bovenlip nog had
bedekt, geheel kaalgeschoren.
„Het moet maar, over een paar weken is het wel weer aangegroeid,”
glimlachte hij tegen zijn spiegelbeeld.
Toen haalde hij uit een lade van de reusachtige kleerkast een rossigen
baard met snor te voorschijn en bovendien een pruik van vlasblonde
krullen.
Nadat hij deze toiletartikelen op het marmeren blad van de tafel had
neergelegd, begaf hij zich nogmaals naar de kleedkast en thans kwam hij
terug met een zeer klein en zeer zwart pakje kleeren in de rechterhand.
Een half uur later trad een zonderlinge gedaante, lang en smal van
lijn, met een boosaardige uitdrukking om de lippen, het vertrek binnen,
waar oude James zijn avondkrant zat te lezen, terwijl de echtgenoote
van den trouwen bediende ijverig piekerde op een paar huispantoffels,
die zij bezig was te borduren voor haar man.
Een diepe stem vroeg:
„Woont hier de Groote Onbekende Raffles?”
Oude Mary wilde juist verschrikt opspringen en luidkeels om hulp
schreeuwen, toen James met een guitig trekje om zijn ingevallen mond
opstond en een stoel bij de tafel zette.
„Ja,” zei hij en even trilden zijn neusvleugels. „Die woont hier, maar
of hij voor u te spreken is, zou ik niet durven zeggen. U bent zeker
inspecteur Baxter van Scotland Yard?
„Ik heb mijn meester al dikwijls over u hooren spreken en altijd met
den grootsten eerbied. Als hij u van dienst kan zijn, zal hij zeker
niet in gebreke blijven.”
De oude wilde nog voortgaan, maar door een handbeweging van den
roodharige, wiens zwarte oogen glinsterden van ingehouden pret, zweeg
hij.
Terzelfder tijd verdwenen pruik, baard en snor van het gelaat van den
vermeenden indringer en kwam het gladde, jolige gezicht van lord Edward
Lister van onder de vermomming te voorschijn.
„Wel, heb ik van mijn leven!” zuchtte oude Mary en haar angstig gelaat
klaarde heelemaal op. „Al zou het mij mijn leven gekost hebben, ik had
den lord niet herkend! Wat ziet mijnheer er uit! De lord is in dat
pakje zoo glad als een aal!”
„Meneer is altijd een gladekker,” lachte oude James. „Maar,” voegde hij
er bij en zijn gelaat teekende misnoegen, toen hij naar het
nauwsluitende zwart-tricot pak keek, dat zoo glad de slanke leden van
den lord omspande, „had meneer geen mooier pakje kunnen uitzoeken? U
hebt er wel honderd in de kast hangen en nou kiest u dat leelijke
zwarte doodgraverspak.”
„Meneer gaat zeker naar een bal-masqué,” voegde oude Mary erbij.
„Niet precies,” antwoordde lord Lister de oude getrouwe en hij
verheugde zich erover, dat de beide echtelieden in hem, „den
hooghartigen lord,” niets anders zagen dan een goed vriend.
Want inderdaad was lord Lister steeds vol ongenaakbare trots jegens
zijn gelijken, doch minzaam en tegemoetkomend zoowel jegens zijn
ondergeschikten als tegenover hen, die misdeeld door de fortuin, bij
hem troost en hulp kwamen zoeken.
„James,” vroeg de lord, „heb je vanmiddag een slaapje gedaan?”
„Ja, uwe Lordschap,” antwoordde James en Mary voegde er aan toe:
„Hij heeft een uiltje geknapt van meer dan twee uren, de ouwe
slaapkop!”
„Blijf dan op, James, tot één uur en zorg voor een sterk kop koffie.
Tegen dien tijd ben ik wel terug.”
James, die nu weer de correcte, stijve houding had aangenomen, zooals
het den kamerdienaar van een lord past, boog eerbiedig.
Raffles begaf zich weer naar zijn kleedkamer terug, waar hij den
rossigen pruik, snor en baard weer op zijn hoofd en gelaat bevestigde.
Hij trok een breedgeklepte pet over de blonde krullen naar beneden en
hulde zich toen in de wijden, tot op de enkels reikende „dievenjas.”
Vóór het massieve, ijzeren hek der villa, dat met kunstig smeedwerk was
versierd, wachtte sinds geruimen tijd de kleine zwarte auto, die
Raffles voor speciale tochten zich had aangeschaft.
Dit voertuig had alleen aan den voorkant een raampje van slechts enkele
vierkante decimeters oppervlakte en aan den achterkant een evengroot
gat, waardoor versche lucht ongehinderd kon binnen stroomen.
Alleen voor nachtelijke tochten, werd deze wagen gebruikt, die door
Raffles gedoopt was met den naam „Camera Obscura.”
Door een enkelen greep met een aan den binnenkant der auto
aangebrachten handel, was het den inzittenden persoon mogelijk, de
stralende lichten aan de buitenzijde van het voertuig te dooven, zoodat
bij een vervolging in het nachtelijk duister de vervolgers het spoor
kwijtraakten.
Reeds eenmaal was het voorgekomen, dat Raffles, toen hij in zijn auto
voor een onmetelijke waarde aan juweelen vervoerde, de mannen van
Scotland Yard, die hem op de hielen zaten, was ontkomen, toen eensklaps
over de electrische lichtstralen der autolantaarns een zwarte schijf
was neergevallen en het voertuig geruischloos verdween in den zwarten
Londenschen mist.
Raffles opende, door op een knop te drukken, het portier van de „Camera
Obscura” en liet zich, nadat hij binnen in de donkerrood
gecapittoneerde auto een electrisch lampje had doen ontgloeien,
neervallen in de zijden kussens.
„Black-Nightstreet!” klonk het zachte bevel tot den chauffeur.
De man knikte.
„All right, sir, White-chapel,” antwoordde de man, die even tegen zijn
zwarte pet tikte en daarop het voertuig in beweging zette.
Op den hoek van de Black-Nightstreet en Cherrylane stond een donkere
gedaante, die, toen de auto stilhield en het portier was geopend, met
een enkelen behendigen zwaai in het voertuig verdween.
„Good evening, sir,” klonk Arthur Hopers stem.
Raffles beantwoordde kort den groet van den „chef” en tegelijkertijd
gleed zijn rechterhand naar een der wijde zakken van de dievenjas, waar
hij de geladen browning had geborgen.
„Nog nieuws?” vroeg Raffles.
„Niet anders dan u zeker gehoord zult hebben. De hertogin zit achter
slot en grendel.”
„Zoo!” was alles wat Raffles antwoordde.
Raffles liet het kleine raampje aan de vóórzijde van de auto zakken en
voegde den chauffeur, die zich had omgewend, toe:
„Parklane, hoek Onslow Gardens.”
„Yes Sir,” klonk het terug en de auto gleed weer geruischloos verder
over het plaveisel.
„Hebt u de laatste editie van de „Evening Standard” niet gezien, graaf
Harrison?” vroeg Hoper. „Daar stond het bericht in over de
gevangenneming van hertogin Silverton.”
„Heb je de krant bij je, Hoper?”
„Zeker, graaf, hier is ie!”
En de „chef” haalde uit een van zijn zakken een in vieren gevouwen blad
te voorschijn, dat hij den lord overhandigde.
Bij het licht van het electrische lampje boven zijn hoofd las Raffles
het volgende:
„Gevangenneming van hertogin Silverton.”
Hedenavond om zes uur werd hertogin Lily Silverton overgebracht
naar het parket van den rechter-commissaris, waar zij aan een
streng verhoor werd onderworpen in verband met den raadselachtigen
dood van haar echtgenoot.
Omtrent het resultaat van dit verhoor is niets uitgelekt!”
Later bericht:
„Naar wij vernemen moet de hertogin ten stelligste hebben ontkend,
haar echtgenoot morphine te hebben toegediend.
Hare genade is ten zeerste onder den indruk van de aanhouding.”
Raffles las deze veelzeggende woorden.
Toen vouwde hij het nummer van de „Evening Standard” weer dicht en
overhandigde het aan Arthur Hoper.
En zonder zich uit te laten over het belangwekkende nieuws, dat hij
daar juist had vernomen, leunde hij achterover in de zachte kussens van
de kleine „Camera” en stak de handen in de diepe zakken van de
„dievenjas”.
Zijn rechter omklemde met vasten greep den browning.