Lord Lister, alias John C. Raffles, de Groote Onbekende, legde de
„Times” neer, nadat hij bijna een half uur lang de laatste nieuwtjes
uit Engeland had zitten lezen.
En terwijl hij zijn kop koffie aan den mond bracht, sprak hij tot
Charly Brand, zijn vriend en secretaris:
„Willy Montglad heeft weer eens tienduizend pond in zijn club
verloren.”
„Willy Montglad,” antwoordde zijn metgezel aan de ontbijttafel, die
inmiddels zijn derde sneedje geroosterd brood boterde en met een lachje
opzag naar zijn knappen overbuurman, „was altijd door den speelduivel
bezeten. Hij zal zichzelf en zijn ouden vader geheel ruïneeren.”
„Als de oude man dat tenminste niet reeds lang is,” voegde lord Lister
eraan toe.
„Ik geloof niet,” meende Charly, „dat hier in Holland zoo grof gespeeld
wordt. Na Monte Carlo geloof ik wel, dat in de Londensche clubs......”
Hij voltooide zijn zin niet, want na een bescheiden tikken op de deur
was James, de vertrouwde huisknecht, binnengekomen en bracht op een
zilveren blad de pas aangekomen brieven.
Eén daarvan, gesloten in een groote gele enveloppe, was gericht aan
Charly, de andere waren bestemd voor graaf Van Haaren, onder welken
naam Raffles eenige maanden geleden een prachtige villa in een der
buitenwijken van Amsterdam had gehuurd.
Met een smal pennemesje sneed Charly voorzichtig het couvert open en
nadat hij den brief, dien het bevatte, vluchtig had doorgelezen, riep
hij op vroolijken toon uit:
„Goed nieuws, Edward! Raad eens wat?”
Glimlachend keek lord Lister zijn jongen vriend aan.
„Dat is moeilijk te raden, zelfs voor mij. Een erfenis soms?”
„Ja, waarempel, een erfenis! Ik ben erfgenaam van een oudoom, van oom
Willibald Brand!”
Dit zeggende overhandigde Charly den brief aan zijn vriend en terwijl
hij vol grappigen trots, de beide handen in de broekzakken en het
blonde, jongensachtige hoofd eenigszins achterovergeworpen, voor lord
Lister ging staan, vervolgde hij:
„Ik wist het wel, Edward, dat ik nog eenmaal schatrijk zou worden!
Vijfduizend pond heeft de oude baronet mij nagelaten; denk eens,
Edward, vijf duizend pond! Dat is in Hollandsche munt de kapitale som
van zestigduizend gulden! Ik weet niet, wat ik met al dat geld zal
doen!”
Glimlachend keek de Groote Onbekende op en zijn vriend de blanke,
smalle hand toestekende, antwoordde hij:
„Ik wensch je geluk met dat buitenkansje, boy! Allereerst zul je nu, om
aan de noodige formaliteiten te voldoen, even naar Engeland moeten
oversteken. Onderweg kunnen we dan eens overleggen, op welke wijze jij
je onmetelijke rijkdommen het best kunt besteden.”
Charly lachte hartelijk.
„Dus je bent van plan om mij te vergezellen?”
„Ja, ik verlang er naar, mijn geliefkoosde Londen weer eens terug te
zien. Het is nu ruim een half jaar sinds we er voor het laatst een paar
weken waren.”
„Goed, Edward, wanneer zullen we gaan?” vroeg Charly, „dan kan ik James
alvast de noodige bevelen geven. Nemen we hem mee?”
„Laat hem nog vandaag vertrekken. Hij kan dan zorgen, dat we ons
vossenhol in Regentstreet een beetje behaaglijk vinden.
„Maar vertel eens, boy, had die oom zooveel geld, dat-ie jou een
kapitaaltje kon nalaten?”
„Ja zeker, Edward. Het was oom Willibald, de scheepskapitein. Heb ik je
nooit verteld van de merkwaardige weddenschap, waaraan oom Willibald
zijn kapitaal te danken heeft gehad?”
„Neen, mijn jongen, ik herinner mij niet, daarvan ooit iets te hebben
vernomen. Als het een interessante geschiedenis is, houd ik me zeer
voor dat verhaal aanbevolen.”
„Ja, het is interessant en hoogst grappig tevens,” antwoordde de jonge
secretaris. „Luister maar, Edward! Het is gauw verhaald.”
Lord Lister leunde op zijn gemak in zijn stoel achterover en Charly
begon zijn vertelling:
„Zooals ik je reeds zei, was oom Willibald scheepskapitein en het was
op een zijner reizen, welke hij naar Engelsch-Indië maakte, dat zich
onder zijn passagiers een Londensch geneesheer bevond, die in opdracht
van een vereeniging van zeer geleerde oudheidkundigen zich naar Egypte
begaf.
„De dokter moest daar een mummie zien machtig te worden.
„De vereeniging, die hem had uitgezonden, was samengesteld uit zeer
achtenswaardige mannen, die hun dagen en nachten aan wetenschappelijke
onderzoekingen hadden gewijd en zij hadden hun geleerden broeder
opgedragen om de mummie zoo mogelijk langs eerlijken weg te
bemachtigen.
„Hij mocht zich echter in geen geval door een verkeerde opvatting van
het begrip eerlijkheid in zijn taak laten belemmeren.
„De dokter had een blanco-chèque met de handteekening van den
secretaris er op, in zijn portefeuille en hij had volmacht van de
vereeniging om daar de som op in te vullen, die hem goed dacht.
„Maar ofschoon hij een geleerd man was, was de dokter zeer zuinig van
aard en hij vatte het stoute plan op om een mummie uit Egypte mee te
brengen, die hemzelf niets zou hebben gekost.
„Hij wist zeer goed, dat er een overvloed van mummies in de catacomben
lagen.
„„Niemand heeft iets aan die dingen,” zoo redeneerde hij tot zichzelf,
„en derhalve is het volstrekt geen inbreuk op de wet der eerlijkheid om
er eentje mee te nemen—natuurlijk in het belang der wetenschap.”
„In den loop der jaren had de dokter ook het een en ander van het
Arabisch geleerd en het kostte hem heel weinig moeite om drie Arabieren
over te halen, hem in de berooving van een graftombe bij te staan.
„Op een stikdonkeren nacht begaven zij zich op weg naar de catacombe
van een Pasha en het gelukte hun werkelijk hun plan ten uitvoer te
brengen.
„De mummie, die zij hadden weten te bemachtigen, was geen bijzonder
goed exemplaar.
„Het dreigde elk oogenblik uit elkaar te zullen vallen, als er niet
spoedig iets aan werd gedaan om het bijeen te houden.
„Maar dit was juist een voordeel voor den genialen dokter. Het was een
teeken van buitengewonen ouderdom en hij wreef zich van genoegen de
handen bij de gedachte, aan het aanzienlijke bedrag, dat hij op de
chèque zou invullen.
„„Dit is de mummie van den Pharao,” had een van de Arabieren den dokter
verteld.
„De dokter had te veel gezond verstand om een dergelijk verhaaltje te
gelooven, maar hij overlegde bij zichzelf, dat het hem niet al te veel
moeite zou kosten, zijn collega’s in het vaderland van die gewichtige
waarheid te overtuigen.
„De Arabieren waren zoo handig geweest om tegelijk met de mummie ook de
steenen kist mee te nemen.
„Deze kist was ontegenzeggelijk een prachtig voorbeeld van antieke
kunst en geheel bedekt met geheimzinnige hiëroglyphen.
„Bovenop het deksel van de kist was een ruw gelaat geschilderd—een
afbeelding van den dood.
„De kleur had de tand des tijds weerstaan en het gelaat grijnsde den
Engelschen dokter nog tegen, toen deze met onverholen voldoening op het
resultaat van zijn zonderling avontuur neerzag.
„„Een koningsmummie?” bromde hij in zichzelf, terwijl hij de steenen
kist rechtop zette.
„„Goed, dan zal het ook een echte koningsmummie wezen! Ik zal er een
inscriptie op maken, die in den rook zwart laten worden en er dan in
Engeland mee voor den dag komen.
„„De geleerde heeren collega’s zullen verbaasd staan te kijken over
mijn belangrijke vondst.
„„Ha, ik zie den straal van vreugde al, die de gezichten van mijn
vrienden zal verlichten, wanneer zij dit staaltje van antieke kunst en
antiek bederf onder de oogen krijgen.””
Charly zweeg een oogenblik en keek zijn vriend glimlachend aan.
Toen vroeg hij:
„Nu, Edward, boeit mijn verhaal je of zal ik de rest maar liever vóór
mij houden?”
„Ik ben geheel en al aandacht, beste jongen,” antwoordde de Groote
Onbekende, „vertel verder, hoe het afliep met dezen oudheidkundige en
hoe die koningsmummie in verband staat met jouw erfenis?”
„Nog een oogenblik geduld, Edward, ik ben er bijna!” lachte Charly en
toen vervolgde hij:
„De dokter had dien nacht een aangenamen droom. Hij vulde namelijk de
blanco-chèque in voor een bedrag van honderdduizend gulden. Dit was wel
geen geringe prijs, doch hij was er zeker van, dat zijn vrienden dat
bedrag er met vreugde voor zouden betalen.
„Maar, helaas! Op dien aangenamen droom zou een wreed ontwaken volgen.
„Hij nam een passagebiljet voor den terugtocht en verstopte de mummie
veilig in zijn hut.
„Het was wel geen erg pleizierig idee om zoo’n oud lijk in dezelfde
ruimte te hebben, waar hij moest slapen, maar hij was met dat idee
verzoend door de gedachte, dat het al zoo lang een lijk was geweest,
dat zijn macht om onheil te stichten wel niet heel groot meer kon zijn.
„Op een middag had er gedurende het diner een eigenaardig onderhoud
plaats.
„De kapitein—oom Willibald—vertelde van een zijner matrozen en sprak
tot den dokter, die naast hem zat:
„„U kent dien matroos Bilson toch wel, dokter?”
„„Zeker,” antwoordde de Engelsche geleerde.
„„Die kerel heeft een eigenaardigheid,” vervolgde de kapitein, „die men
zelden aantreft in zoo sterke mate als bij hem.”
„„En dat is?”
„„Hij kent absoluut geen vrees. Hij weet letterlijk niet, wat angst
is!”
„„Ik wed met u om een hoog bedrag,” sprak de dokter, terwijl een
geheimzinnige glimlach op zijn gelaat verscheen, „dat ik dien held van
u bang heb gemaakt, eer we een dag verder zijn.”
„„Ik neem de weddenschap aan,” sprak de kapitein, die zeker van zijn
zaak meende te zijn, „maar dan ook om een flink bedrag.”
„„Uitstekend!” klonk het van des dokters lippen. „Laat ons zeggen, dat
we om tienduizend wedden.”
„„Drommels, dat is geen bagatel, maar top! Ik ga de weddenschap met u
aan, dokter. Dus u zult onzen Bilson vrees aanjagen vóór morgen? Ik ben
bang voor uw tienduizend gulden, dokter!”
„„Ik stel echter deze ééne voorwaarde, het moet een gepaste scherts
blijven! Ik weet maar al te goed, hoe dergelijke zoogenaamde
aardigheden soms ontaarden in roekeloosheid of baldadigheid.”
„„Zeker,” zeide de dokter, „ik zal niet te ver gaan, ik zal zelfs niets
tegen hem zeggen.”
„De weddenschap werd dus aangegaan en de belangstelling van alle
passagiers was op den uitslag gericht.
„Te drie uur ’s nachts liep de dokter op het dek rond met een glimlach
op het gelaat. Hij was er zeker van, zijn geld te zullen winnen en hij
maakte het plan om voor zijn vrouw een prachtigen juweelen armband te
koopen.
„Juist toen de maan vol door een dik gordijn van wolken heenbrak,
hoorde hij mijn oom, Bilson bevel geven, om den ankerketting uit het
ruim te halen.
„De dokter glimlachte en hij had al een opwekkend middel gereed, om
Bilson weer bij te brengen, als deze soms flauw mocht vallen van schrik
en angst.
„De matroos ging het ruim in, maar de ketting was nergens te vinden.
Hij zocht er op elke denkbare plaats naar, maar vond hem nergens.
„Toen hij den kapitein dit kwam vertellen, beval deze hem, om in de
raderkas te gaan kijken.
„De matroos opende de deur.
„De maan zond een stroom van zilverlicht naar binnen.
„Wat zag hij daar recht voor zich staan?
„Het was een zonderlinge gestalte, die daar in een soort van kist tegen
den muur stond—zoowaar een mummie.
„„O, ben jij de schurk, die den ankerketting verstopt heeft, zeg?” riep
hij uit.
„Zonder een woord meer te zeggen, of zich een oogenblik te bedenken,
greep hij een groote ijzeren staaf van den grond op en sloeg er met
zooveel geweld op los, dat er van de koningsmummie niets meer
overbleef, dan een hoopje waardeloos stof.
„De dokter had ongeduldig op zijn triomf staan wachten, maar op deze
ontknooping had hij geen oogenblik gerekend.
„Dat was hem toch wel een beetje àl te erg!
„„O, mijn koningsmummie!” riep hij uit, terwijl hij over het dek rende.
„Hij wierp een wanhopigen blik op zijn vernietigden schat.
„Daarop schoot hem de gedachte te binnen, dat hij misschien zijn
tienduizend gulden toch nog wel zou kunnen redden en hij zeide tot den
matroos:
„„Hier heb je wat van mij mijn jongen, veeg dat stof weg!”
„Maar hij had nauwelijks uitgesproken, of de kapitein klopte hem op den
schouder en sprak:
„„Dokter, wilt u mij de tienduizend gulden uitbetalen? U zult moeten
bekennen, dat u de weddenschap verloren hebt!”
„Zeer onwillig gaf de dokter mijn oom een cheque over het aanzienlijke
bedrag en, als een beeld der wanhoop, sloop hij naar zijn hut en bleef
daar den geheelen nacht op den rand van zijn hangmat zitten peinzen,
hoe hij zich uit de moeilijkheid kon redden, waarin hij geraakt was.
„Op welke wijze hij daarin geslaagd is, kan ik je niet vertellen, maar
zeker is het, dat het bedrag van die weddenschap de grondlegger is
geweest tot het aardige kapitaal, dat mijn oom bij zijn dood heeft
nagelaten.
„Zie je, Edward, dat was nu het verhaal van de koningsmummie! En zeg me
nu wanneer we naar Londen gaan, opdat ik de erfenis van oom Willibald
in ontvangst kan nemen.”
„Wel,” antwoordde Lord Lister, „laat ons overmorgen afreizen. James
heeft dan twee dagen om de noodige maatregelen te nemen.”
„Uitstekend, Edward! Dan behoeven wij morgen het avondfeest in hotel de
l’Europe en het bal ook niet te missen. Ik heb reeds verleden week den
eersten dans afgesproken met het jongste freuletje van Verdooren, je
weet wel, Edward, dat slanke meisje met haar prachtige bruine oogen.”
„Waar ik je al eenige keeren mee zag praten in den foyer van den
schouwburg?”
„Ja, ik ben dolgraag in haar gezelschap, hoewel ik ook haar oudere
zuster charmant vind. Maar nu zal ik eerst James zeggen, dat hij zich
reisvaardig maakt.”
Charly drukte op het knopje der electrische bel en toen de oude
getrouwe weer in de kamer was gekomen, deelde hij dezen mede, wat er
voor de eerstvolgende dagen besloten was.
Eenige dagen daarna was de weelderig ingerichte villa in Regent Park,
die geruimen tijd onbewoond was geweest, weer in gebruik genomen door
de beide vrienden.
Gedurende zijn afwezigheid had Raffles de woning eenigszins laten
moderniseeren.
Overal was electrisch licht aangebracht en centrale verwarming bevond
zich nu door het geheele huis, alleen in de studeerkamer van den
Grooten Onbekenden was op diens uitdrukkelijk bevel de breede haard
gebleven.
Charly had reeds een conferentie gehad met den notaris, die belast was
met het ten uitvoer brengen van de laatste wilsbeschikkingen van den
overleden baronet en zijn verblijf in Londen zou slechts gedurende
eenige weken noodig zijn.
Dien avond had lord Lister zich naar de „Club of Lords” begeven,
waarvan hij reeds jarenlang lid was.
Hij stond bij de leden bekend als de schatrijke lord Aberdeen en was
zeer gezien bij de heeren, die het prachtig ingerichte clublokaal
geregeld bezochten.
Men wist, dat de knappe, elegante lord bijna de geheele wereld had
doorgereisd, dat hij zoowel Indië als Amerika kende en dat hij ook op
het gebied van litteratuur, muziek en schilderkunst uitmuntte boven
verreweg de meesten van hen.
Lord Lister had aan een der grootere tafels plaats genomen, waar reeds
een zestal heeren omheen zaten, die hem allen met blijdschap hadden
begroet na zijn lange afwezigheid.
De Groote Onbekende vertelde van een groot sportfeest, dat hij eenige
weken te voren in Brussel had bijgewoond en vol belangstelling
luisterden de aanwezigen naar zijn interessant verhaal, toen hun
aandacht werd afgeleid door het verschijnen van een der jongste leden
van de Club, Sir Basil Malwood, die eveneens aan het tafeltje plaats
nam en glimmend van genoegen vertelde, dat hij het allerlaatste
nieuwtje wist, heet uit den oven.
„Hebt gij het groote nieuws al gehoord, omtrent Silverton?” vroeg hij
aan graaf Simkins, dien hij het meest van nabij kende.
„Merkwaardig, wa-blief?”
„Wat is er dan gebeurd? Ik dacht, dat hij goed en wel in Amerika zat,”
luidde het antwoord van den graaf, die nu een en al belangstelling was
geworden, want het gold hier een in de Londensche voorname kringen veel
besproken persoonlijkheid.
„Nu dat is ook zoo,” gaf Basil te kennen, „en daar is het ook gebeurd.
Je weet, dat hij al een jaar of drie heeft rondgekeken naar een
erfdochter, met voldoende fortuin om zijn hart, hand en schulden te
kunnen aanvaarden, maar dat het hem nog niet gelukt was om zoo’n
goudvischje aan den haak te slaan.”
„Ik herinner mij nog,” viel graaf Simkins hem in de rede, „dat hertog
Silverton indertijd een kansje heeft gewaagd bij die rijke Iersche
brouwersdochter, die zoo ordinair spreekt en zulk rood haar heeft, maar
dit dametje kon hem niet bekoren, misschien omdat zij zoo kort
aangebonden was of omdat zij zoo onaangenaam lachte of omdat er iets
niet in den haak was met de huwelijksvoorwaarden.
„Ik weet het rechte niet en ik geloof, dat niemand dit weet, maar een
feit is het, dat er iets in den weg kwam en dat het afraakte.”
„Ja”, vervolgde nu Malwood weer het verhaal, „daarna is hij nog aan het
hengelen geweest naar een fabelachtig rijk Indisch meisje, dat met haar
vader tijdelijk in Birmingham woonde.
„Een neusje, als een vuurspuwende berg. Toen hij haar niet kreeg,
hengelde hij achtereenvolgens naar de dochter van een Sheffieldschen
messenfabrikant; naar een meisje uit Glasgow, wier vader in de reederij
rijk is geworden; naar een dametje uit Zuid-Wales met aandeelen in
steenkolenmijnen en naar nog een half dozijn rijke erfdochters.
„Maar bij geen van allen wilde het goed vlotten.
„Men zegt, dat Silverton te moeilijk was in zijn keuze en te veel geld
verlangde.”
„Dat hij veeleischend was, kan ik constateeren,” sprak de bejaarde lord
Crofton, een heer met een scherpen neus, sterk bijziende oogen en een
glimmenden, kalen schedel.
„Hij hechtte bijvoorbeeld veel aan uiterlijk en manieren,” vervolgde
hij, „en daarom kon hij het nooit met zichzelf eens worden omtrent de
rechte persoon.
„Hij zocht een ideaal meisje, dat alles en alles in zich vereenigde:
jeugd, schoonheid, voorname manieren, uitmuntende opvoeding en een
kapitaal, dat klonk als een klok.”
„En daarom is hij dus naar Amerika overgestoken op jacht naar dollars?”
opperde een der andere heeren.
„Juist,—precies als zijn lotgenooten,—en ik vind, dat hij groot gelijk
gehad heeft. Maar wat meer zegt, hij heeft ten langen laatste ook
gevonden wat hij zocht,—het moet juist iets van zijn gading zijn.”
„Hoe heet zij?” klonk het uit eenige monden tegelijk.
„Miss Ansberg heet zij,—het is de zuster van dien man van den
Ansberg-motor, herinnert ge u niet?—die machine, die zoo’n enormen
opgang heeft gemaakt.”
„Wat! Toch niet die vent van het electrische licht, die Edison zelf, op
zijn eigen terrein, de vliegen voor den neus wegvangt?”
„Ja zeker, die is het! De kerel is schat- en schatrijk geworden.
Syndicaten en meer van die dingen. Op echte Yankee-manier heeft hij
zich in een jaar of vier, vijf er bovenop gewerkt.”
Zonder veel belangstelling te toonen, had lord Aberdeen alias Lord
Lister, naar dit geheele verhaal geluisterd.
Nu echter nam hij den sigaar, dien hij in den mond had, tusschen de
slanke vingers van zijn rechterhand, keek een oogenblik vol aandacht
haar de witte asch, die hij in een kristallen aschbak tipte en richtte
den blik van zijn donkere oogen toen weer op het gelaat van Basil
Malwood, die vervolgde:
„Maar dat doet er minder toe—hij heeft het en dat is voldoende. Zijn
patenten zijn zoo vast en zoo secuur als huizen.
„En het is niet alleen het licht—ofschoon hij daaraan ettelijke
duizenden ponden per jaar verdient.
„Maar hij heeft ook nog zijn motor, een prachtige uitvinding, die op
alle trams in Amerika is ingevoerd.
„En dan de verbetering aan de telefoon, waarvoor ook het
Hoofdtelegraafkantoor hier een contract met hem heeft gesloten.
„Verder zijn er nog een paar mijnen in het Westen, ergens in Arizona of
Colorado, of de hemel weet waar en een stuk of wat oliebronnen,
natuurgas en ik weet niet wat al meer.
„Gij begrijpt, hoe dat gaat.
„Als die lui daar in Amerika er bovenop komen, dan snijdt het mes aan
zooveel kanten tegelijk, dat zij na een maand of zes al niet meer weten
hoe rijk zij zijn.”
„Spreekt gij over Silverton?” vroeg een heer, die zich juist ook bij
het clubje heeren rondom het tafeltje, kwam voegen. „Die zit ditmaal
aan den haak en komt niet zoo gauw weer los.”
„Ja, maar hij behoeft er geen spijt van te hebben,” antwoordde Malwood
met het gewichtige air van iemand, die volkomen op de hoogte is van de
omstandigheden, „zij is schatrijk!”
„Dat hoor ik. Men zegt, dat ze aandeel heeft in alle ondernemingen van
haar broer.
„Zij schijnt al haar hebben en houwen eraan gewaagd te hebben. Die
Yankee-dames zijn geboren speelsters, weet ge. De hartstocht voor
ondernemingen en speculeeren zit ze in het bloed. In Chicago speelt
elke dame aan de beurs en dobbelt mee.
„Dat zit ’m in het ras. Zij moeten geld maken.”
„En Silvertons vrouw heeft dus, evenals de anderen, meegedobbeld?”
mengde nu ook lord Aberdeen, die tot nu toe zwijgend had geluisterd,
zich in het gesprek.
„Meegedobbeld,—net als de anderen,” liet de goed onderrichte jonge man
hooren. „Zij heeft alles wat zij had, in Ansbergs ondernemingen
gestoken en... alles gewonnen. Sapperloot, na een jaar of twee heeft
zij haar troeven kunnen uitspelen en was een millionaire!
„Ansberg is een man, die zichzelf heeft opgewerkt. Hij is een
Engelschman!”
„Zoo!?” klonk het nu van alle kanten.
„Ja,” ging Basil nadenkend voort. „hij moet een ruwe diamant zijn. Men
vertelt van hem, dat hij St. Louis is komen binnenrijden met zijn
uitvindingen in den zak en meer niet.
„Geen roode cent bezat hij en nu moet hij voor geen veertien millioen
dollars opstaan.”
Even zweeg hij, toen hij dit bedrag had genoemd.
„En zijn zuster is evenveel waard,” vervolgde hij toen zijn
mededeelingen.
„Dan heeft Silverton geen kwaden slag geslagen, dunkt me,” liet graaf
Simkins hooren met een lonkje en lachje, dat van slimheid moest
getuigen.
Het is een aangename bezigheid om over millioenen te spreken, al zijn
ze dan ook maar van andere menschen!
„De jonge hertogin moet er heel goed uitzien bovendien,” vertelde Basil
Malwood verder. Hij voelde zich zeer gewichtig dien avond, nu hij dit
hoogst belangrijke nieuws kon vertellen en daarom rekte hij zijn
verhaal zooveel mogelijk.
En nu hij de blikken der aanwezigen weer vragend op zich gericht zag,
sprak hij:
„Trouwens, als zij dat niet was, zou Silverton haar zeker niet genomen
hebben. Daar staat hij immers voor bekend. Hij hecht bijzonder aan
schoonheid.
„Spelen we straks een partij?” wendde hij zich tot graaf Simkins, met
wien hij gewend was, bijna elken avond te domineeren.
En toen vervolgde hij weer:
„Op een avond, toen wij samen in de „Kaart en Dobbelsteen” waren en ik
tusschen twee haakjes een mooie som aan hem verloor, zei hij: „Weet je
hoe ik erover denk, Malwood? Een meisje, dat er niet goed uitziet, en
dat zich niet voornaam weet te bewegen en in alle opzichten een dame
is, is mij geen lor waard.
„„Ik wil het allerbeste of niets, En als ik niets naar mijn zin kan
krijgen, dan zal ik mij trachten te troosten zonder levensgezellin.”
„Ik geloof, dat het voor Silverton hoog tijd werd om hier of daar wat
klein geld machtig te worden,” liet lord Crofton zich hooren. „Hoe hij
het heeft aangelegd om het zoolang zonder specie te doen, is mij een
raadsel.”
Het gesprek werd op die wijze nog eenigen tijd voortgezet. Alle
aanwezigen kenden den hertog als een zeer oppervlakkig mensch.
„En wanneer komen ze terug?” vroeg graaf Simkins, nadat nog een reeks
van vragen en antwoorden waren gewisseld ten opzichte van de
eigenaardigheden der Silvertons.
„Ze worden elken dag verwacht,” antwoordde Basil gewichtig. „Ja, in den
herfst zal de nieuwe hertogin haar salons openen, naar ik heb gehoord.”
„Dat zal een heele aanwinst zijn,” liet zich nu de stem van lord
Aberdeen hooren, die tot dusverre weinig deel had genomen aan het
belangwekkend onderhoud.
Een zweem van ironie was in die stem te herkennen.
Basil Malwood wendde zich tot den spreker en Basil zou moeilijk kunnen
zeggen waarom, maar er was iets in den blik, in de geheele
gelaats-uitdrukking van den lord, dat hem weerhield om een scherp
antwoord te geven.
En alsof hij het spottende glimlachje van lord Aberdeen niet had
opgemerkt, antwoordde hij:
„Ja, die Amerikaansche erfdochters zijn niet kwaad. En ik geloof, dat
deze al van een bijzonder goed ras is.”
Lord Aberdeen, alias Raffles, de Groote Onbekende, zweeg, maar hij
gevoelde grooten lust om, zoodra de nieuwe hertogin zich in Londen zou
hebben geïnstalleerd, kennis met haar te maken.