MILLIOENENSTUDIËN

De _Millioenenstudiën_ verschenen in 1870 als feuilleton in het

Dagblad _Het Noorden_. Daar de lezers er niets van begrepen werd het

feuilleton gestaakt; in 1873 werd het werk eerst voltooid.

Het vlijmend sarcasme, de bitterheid en de opstandigheid van

_Minnebrieven_ en _Ideën_ is hier gelouterd tot den waren humor. Deze

zuiverder meer bezonken stemming openbaart zich in meerdere

luchtigheid van vorm, in rijkere fantasie, in wondere fijnheid

en vrijheid van inkleeding. Er is geen uitgesproken strekking in,

't is geen strijdschrift: 't is alsof M. met een fijnen glimlach

op eigen streven neerziet, of hij in de onvermijdelijkheid zijner

teleurstellingen berust.

Geestig gevonden is het begin:

"Ik schryf ditmaal niet voor burgerlui. Zelfs prinsen en genien wier

inkomen iets minder mocht bedragen dan 'n zak guldens per uur, worden

beleefd--of des-noods onbeleefd--verzocht zich niet met myn geschryf

te bemoeien. Willen zy zich beteren... _à la bonne heure!_

_A tout péché miséricorde_, maar eerst... beterschap.

"Ik wil ook burgerlui of arme vorsten en verkeerdgeborenen in de

gelegenheid stellen deeltenemen aan myn feuilleton, door hun den weg

te wyzen die tot beterschap leidt, _i. e._ door hen millionairs te

maken als anderen. Zoodra de allerarmste zóó rijk is, dat hy met z'n

geld geen raad weet, mag ieder my lezen.

Wie er tegen dien tijd zal broodbakken of schoenmaken, jazelfs hoe

"_Het Noorden_" 't zal aanleggen om m'n feuilleton gezet en gedrukt

te krygen... dàt weet ik niet. Maar m'n bekommering daarover is

niet groot, omdat ik in m'n splinternieuwe funktiën van _richard_,

me niet behoef intelaten met staathuishoudkunde. Dat is 'n vak voor

arme drommels."

Hij gaat aan zijn "lieve mede-rijken" de pasverworven schatten toonen,

die hem voor een paar nachten ontsloten werden. Hij was n.l. door een

luik in de ruïne Sonnenberg gevallen en daar terecht gekomen in het

rijk der Gnomen, waar Keizer Adolf van Nassau den schepter zwaait. Hier

hoopt hij de kunst te leeren om aan de speeltafel millioenen te winnen

en hij ontvouwt den keizer zijn hervormingsprogram, waarvoor hij die

schatten noodig heeft.

Deze wijst hem echter terecht over vele aardsche opvattingen, al

erkent hij zelf nog niet lang genoeg _onder_ de aarde te vertoeven

om alle vooroordeelen te hebben overwonnen.

Zij spreken over vorsten en volkeren: tegenover M.'s vorstenverguizing

en volksbewierooking wijst Adolf op de slaafsheid der volkeren als

keerzijde van vorstendwingelandij. Adolf kapittelt hem over zijn te

groote royaliteit: en leert hem de nutteloosheid hiervan inzien. Aan

het luchtige schetsje zijner ontmoetingen met het kellnerinnetje

Staccata ligt een bittere ervaring ten grondslag: de edele idealist,

die belangeloos geeft, wordt zelfs door de beweldadigde niet

gewaardeerd: ze begrijpt beter, wie haar wil bedriegen, dan wie haar

edelmoedig een verlies wil vergoeden.

En onder den grond leert hij Logos kennen: Logos zonder wien niets

tot stand komt en die ook met verbeteringen en hervormingen _den tijd_

heeft. Wat Fancy hem voortoovert, zal Logos verwerkelijken, maar niet

plotseling. "Maar is dan dichterlijkheid 'n leugen, één leugen?

--Zonder Logos, ja! Met Logos, neen!

--Vervloekte fantasie!

--Mens, laster Fancy niet! Ook in 't allerkleinste is ze machtig

boven alles."

Harmonie, eenheid van verstand en verbeelding is de nieuwe

gedachte door M. gegrepen; zoo heeft hij in beginsel overwonnen de

tegenstrijdigheid zijner wereldbeschouwing.

Ook het onredelijke van zijn verlangen om met millioenen de wereld

te verbeteren heeft hij ingezien. Hij ziet Logos aan het werk in de

speelzaal, want "de alles beheerschende rede openbaart zich--gelijk

overal!--op eerbiedwaardige wijze in de speelzaal". En terwijl hij bij

de Gnomen nieuwe wijsheid opdoet, eigen eenzijdigheden leert inzien,

verwerft hij een redelijken kijk op de wereld in de speelzaal. De

speelbank bedriegt niet: ze laat ieder de kans door Logos, door

de noodzakelijkheid hem gegeven. Met fijne ironie brengt M. zijn

lezers aan het verstand dat het bij het zoogenaamde onzedelijke

hazardspel heel wat eerlijker en oprechter toegaat, dan bij vele

handelspraktijken, die zoogenaamd eerlijke en fatsoenlijke burgers

zich veroorloven. Zoo schetst M. een verzamelaar van Vieux-Delft

en een deftig Amsterdams beursbezoeker, die hun schatten verwierven

door zedelijk minderwaardige handelingen; zij staan met hun bedrog

en leugen heel wat lager, dan wie een eerlijke kans aan de roulette

wil wagen. En naast deze sarcastische schetsen ontbreekt ook het

sentimenteele element niet: in Rouge-perd wordt 't vrouwtje geteekend,

dat _moet_ winnen om haar man te redden, en ze wint inderdaad!

Deze losse schetsen boven den grond uit de speelzaal en onder-den-grond

uit 't gnomenrijk vat M. ten slotte samen in één tooneeltje, waar hij

alle personen, die hij door zijn naakte voorstelling hunner zedelijke

waarde beleedigde, laat opkomen, om hierover op te spelen: het is

een soortgelijk motief om de eenheid in de speelsche verscheidenheid

zijner _Millioenenstudiën_ vast te leggen als het koortsvisioen uit

de _Minnebrieven_. Maar de ware eenheid in de grillige, schijnbaar

zoo onmethodische werken van Multatuli is Fancy, die nooit van Logos

verlaten is.

Multatuli Onze groote schrijvers, deel 2 · 第 25 / 29 题