Aan de Woutergeschiedenis, het rijkste werk van zijn rijken geest,
heeft M. jaren gearbeid. Het is een van de honderd boeken, die hij na
't schrijven van _Max Havelaar_ in het hoofd had. Het begin is al
vóór 1862 geschreven: in de _Minnebrieven_ gewaagt hij van _Fancy_,
die in een koffer te Laeken ligt.
In den eersten bundel _Ideën_ is deze Fancy-geschiedenis opgenomen;
geërgerd door de bekrompenheid, domheid en kwaadaardigheid zijner
landgenooten slaakt de ideënschrijver den kreet: "Wat poëzie,
mijn God, opdat ik niet verga van walging over zooveel walgelijks
om mij! Lieve Fancy wilt ge mij een sprookje voorzeggen?" Zoo is de
Woutergeschiedenis een vlucht uit de werkelijkheid: inplaats van ideën
_over_ de werkelijkheid geeft hij nu een beeld van de moeitevolle
worsteling der idee, om zich in een menschenkind te ontwikkelen. Hij
geeft zijn ideën als een sprookje, gekleurd door Fancy's schoone
schijn. Maar de beelden hem door Fancy voorgetooverd wekken telkens
den kritischen geest van den schrijver: dan onderbreekt hij 't verhaal
van Wouters wederwaardigheden om fouten in onderwijs en opvoeding,
onrecht en bekrompenheid in leven en kunst aan te wijzen. En deze
uitweidingen dijen herhaaldelijk tot verhandelingen uit.
Zoo is de Woutergeschiedenis ten nauwste verbonden met de _Ideën_;
maar al staat ze verspreid in verschillende bundels (n.l. in bundel 1,
2, 5, 6, 7) toch is ze een gehéél van groote schoonheid. [12]
Met de _Woutergeschiedenis_ doet het _kind_ zijn intrede in de
Hollandsche literatuur: geen Hollandsch dichter heeft vóór hem de
wonderwereld der kinderziel ontsloten. Toch waren de Hollanders
dier dagen niet ongevoelig voor de charmes van het kind, getuige hun
versjes op de eerste tandjes en stapjes. Maar het waren uitingen van
oudervreugde over voorspoedige groei, het was nog niet het liefdevol
zich verdiepen in de kinderziel. Ook hierin was Holland verre ten
achter: sinds de dagen van Rousseau hadden Europeesche kunstenaars en
paedagogen het kind bestudeerd. Rousseau gaf zijn _Emile_, Bernardin
de St. Pierre _Paul et Virginie_ en Duitsche romantici als Hoffman en
von Sallet beeldden in _Das fremde Kind_ en _Contraste und Paradoxe_
het zieleleven van het kind uit.
Deze lijn heeft Multatuli in onze letteren voortgezet, later hierin
gevolgd door Van Eeden met zijn _Kleine Johannes_.
Al deze romantische kindergeschiedenissen zijn gebouwd op de
tegenstelling tusschen het geestelooze groote-menschenbestaan en de
dichterlijke aspiraties van de kinderziel, tusschen doode beschaving
en levende natuur. Rousseau ging uit van het dogma dat de beschaving
den mensch heeft bedorven, dat teruggang tot de natuur redding
beteekent. Emile wordt daarom opgevoed in strenge afzondering; zoo
opgevoed kan zich een nieuw geslacht ontwikkelen, vrij van de smetten
der beschaving. Paul en Virginie groeien op in de tropische natuur,
bewaakt en geleid door twee hoogstaande moeders: het beste der oude
cultuur, ontdaan van schadelijke invloeden, werkt hier dus mede aan
de natuurlijke ontwikkeling. In deze idyllische omgeving ontwaakt het
zinnenleven op zijn zuiverst: aandoenlijk is de schildering van de
ontwakende liefde in deze twee reine kinderharten. Het conventioneele
is in strijd met den aard van het kind. Deze ontplooit zich op zijn
schoonst temidden der natuur: de Duitsche romanticus von Sallet [13]
laat bovendien in zijn Julius den dichter ontwaken. Het romantisch
aangelegde kind groeit op in een conventioneel bankiersgezin: de meest
krasse tegenstelling tusschen dorre deftigheid en ontwakende poëzie is
hier geteekend. Van een zonderlingen oom krijgt hij een wonderglas: als
Julius verrukt thuiskomt met romantische verhalen over de heerlijkheden
door zijn glas in 't bosch gezien, krijgt hij een braakmiddel, daar
zijn moeder vreest, dat hij giftige bessen heeft gegeten, maar als hij
rijmende regels schrijft wordt hij als een wonderkind bewierookt. Zijn
fantasieën grijpen hem zóó aan dat hij in ijlende koortsen valt: aan
zijn romantisch fantasieleven gaat hij te gronde. Het wonderglas,
de fee, die hem verschijnt, en hem een rozetak meegeeft, die het
heele kantoor van den bankier met rozengroei overwoekert,--dat zijn
sprookjesmotieven, door de Duitsche romantiek bij voorkeur gebruikt
om de tegenstelling tusschen de nuchtere werkelijkheid en de wereld
van den droom te symboliseeren.
Geen dezer romantische kindergeschiedenissen heeft M. zonder meer
nagevolgd. Enkele hoofdgedachten, kenmerkende verhoudingen en karakters
vinden we in de geschiedenis van Wouter Pieterse terug. M. weet een
haast wetenschappelijke nauwkeurigheid in de analyse van Wouters
gemoedsleven te paren aan gevoelig weergeven van zijn innerlijk door
de sprookjesachtige Fancy-verschijning. De tegenstelling tusschen
de starre vormelijkheid der groote menschenwereld en de poëzie der
kinderziel is bij M. niet kunstmatig en schematisch gebleven daar 't
hem gelukt is deze tegenstelling in een greep uit 't volle leven uit
te beelden. In dit opzicht zet hij de goede realistische traditie
der Hollandsche kunst voort: de kleinburgerlijke milieus uit de
Woutergeschiedenis zijn verwant met die van Breeroo, Wolff en Deken en
Beets. Emile staat _buiten_ de maatschappij, Julius is als rijkelui's
kind van de maatschappij afgesloten, maar de kleinburgerlijke Wouter
is van kleine jongen af nooit ontzien in de realiteit van gezin, school
en maatschappij. De wisselwerking tusschen den invloed zijner omgeving
en den drang van zijn innerlijk leven is zeer nauwkeurig nagegaan.
Wouter is een kind met dichterlijken aanleg, en met een sterken drang
tot al wat groot en goed is. En daarbij komt een groote eerzucht:
hij vraagt zich af, waarom God zooveel slechts duldt, als _hij_
God was, dan ... En dit kind met zijn bizonderen aanleg is door de
ironie van 't lot geplaatst in een geestelijk-doode omgeving. Fatsoen,
zedelijkheid, onderwijs, godsdienst alles is verburgerlijkt en ontaard
tot geestelooze vormen in de familie Pieterse, in Pennewips school,
bij juffrouw Laps, bij zijn vrienden de Hallemannetjes, "die zoo
bizonder fatsoenlijk waren", en in de handelszaak van Kopperlith op
de Keizersgracht. Wouter wordt hoogst fatsoenlijk en godsdienstig
opgevoed: en die opvoeding is even bekrompen als de woning en de
denkbeelden zijner omgeving.
"Hoe moet de ziel van dien armen Wouter zyn benepen geweest tusschen de
muren zyner woning, en in de sterk toegehaalde banden van z'n geheel
bestaan. De arme jongen was bewinseld en bezwachteld van z'n geboorte
af. Kromme beentjes, bybelsche geschiedenis, engelsche ziekte, met
_twee woorden_ spreken, versjes over deugd en gehoorzame jongetjes,
mooi-handje geven, knielende avendgebedjes, toornige godsgerichten,
zwarte mannen voor stoute kinderen, 'oogjes toe' voor en na 'n
boterham, slapen met opgetrokken knieën, _zonde_ doen, angst over
gescheurde broeken, godsdienstoefeningen met of zonder akkompanjement
van gevoeligheid... arme Wouter!" (I. 405.)
Het is de lectuur van den rooversroman _Gloriozo_ die in hem de
fantasie wakker roept en met den droom den wensch om zèlf ook een
roovers-, een heldenrol te spelen. Het verlangen naar een àndere
omgeving ontwaakt en in zijn droomerijen vermengen zich zijn
droomwenschen met zijn kleine-jongens-ervaringen.
"Een vreemd verschiet had zich voor hem ontsloten. Hy droomde van
dingen waaraan-i geen naam kon geven, maar die hem bitter ontevreden
maakten met z'n werkelyken toestand. Hy wilde graag alles doen wat
voorgeschreven is om in den hemel te komen, maar 't bidden zou zooveel
beter gaan, meende hy in 'n grot met kaarsen. En wat het eeren van z'n
moeder betrof, waarop deze altyd zoo aandrong... waarom had ze geen
sleep zooals die gravin? Hy had z'n bybel niet moeten verkoopen... dat
is waar... ook zou-i 't nooit weerdoen, dit had-i vast beloofd... maar
dan behoorde hy toch ook 'n kistje te hebben met dukaten, en 'n veer op
z'n muts, zooals in 't boek stond. Ook verveelde hem z'n broer Stoffel,
en z'n zusters, en juffrouw Laps, en huisdominee, en alles. En hy
begreep niet waarom de heele familie niet naar Italië ging, om daar
'n behoorlyke roovery op te zetten. Maar Pennewip hoefde niet mee,
dacht-i en Slachterskeesjen ook niet.
't Zou hem benieuwen wat er gebeuren zou met z'n vers...
Alle Woensdagen namelyk leverden de leerlingen die 't minst ondeugend
waren geweest, en daarom waard gekeurd werden mee te dingen naar
den lauwer der eer, een gedicht op 'n onderwerp dat de meester had
opgegeven. Wouter had ditmaal "_de deugd_" tot zyn deel gekregen,
niet zonder toespeling op z'n vroegtydige verdorvenheid, en den
wenk dat die dichtoefening mocht dienstbaar wezen aan z'n zedelyke
verbetering. Maar Wouter had al zoo dikwyls op de deugd gerymd, en
hy vond dit onderwerp zoo droog, zoo uitgeput, zoo vervelend, dat-i
de vryheid had genomen iets anders te behandelen, en wel wat hem
't naast aan 't hart lag, de roovery." (I. 282.)
Dat rooverslied leidde tot een geweldige katastrophe; meester Pennewip
klaagt Wouter ten aanhoore van den heelen vriendenkring van den huize
Pieterse aan: zelfs de huisdominee komt aan zijn zedelijke verbetering
te pas.
Terwijl bij de Pietersens harmonie is tusschen benepen omgeving en
benepen denkbeelden, groeit Wouters ziel juist tegen de verdrukking
in. Hij ontvlucht zijn thuis om bij molens, slooten en greppels te
lezen en te droomen. En daar verschijnt Fancy hem; hare verschijning
steekt hem aan met onmetelijkheid. Hij vindt eene vertrouwde voor zijn
droomen in een eenvoudig, lief waschmeisje, in Femke. Femkes sfeer
is die van natuurlijke naïeviteit, van het zuiver menschelijke, door
geen conventie verwrongen. _Hier_ kan Wouter zich onbelemmerd uiten en
daardoor innerlijk groeien: tegenover de versteende godsdienstigheid
van 't Protestantisme ontmoet hij daar Pastoor Jansen, die met
beminnelijke, eenvoudige vroomheid en goedheid en zonder valsche
verhevenheid zijn wonderlijk geloof aanhangt.
Femke wekt een kinderlijke liefde in Wouter: hij wil haar ridder
zijn--hij verdedigt dan ook haar bleek tegen jongens die met steenen
gooien--hij droomt dat hij haar Koningin van Afrika zal maken.
Als 't kind ziek wordt en zware koortsen krijgt ten gevolge van
zijn overspannen fantasieleven, ontfermt Dokter Holsma zich over
hem. In het gezin Holsma is de hoogere levenshouding tegenover de
vlakke burgerlijkheid der Pietersens en de naïve menschelijkheid
van vrouw Claus en Femke geteekend. Holsma is de ideale opvoeder en
zielearts. Hij wil Wouter leeren zijn onbeteugelde fantasie, zijn
vage verlangens te beheerschen en te regelen, nu hij de grens van
kind en jongmensch bereikt heeft.
Het gezin Holsma is met voorliefde geschetst; maar het lééft niet
als de Pietersens: het is niet geboren uit de verbeelding van den
kunstenaar, maar uit het brein van den hervormer.
Holsma en de zijnen zijn verheven boven het enge standsgevoel: ze zijn
verwant met de lieve Femke, maar ook met Prinses Erika. Ze bespreken
beide verwantschappen als de natuurlijkste zaak ter wereld. Want
standsverschil valt weg voor ware menschelijkheid. Hiertoe voedt
Holsma zijn kinderen op. Hij leert ze zèlf onderzoeken, zelfstandig
oordeelen. En het klinkt voor Wouter als een openbaring als hij de
doktersvrouw hoort zeggen:
"Ieder moet handelen naar zijn eigen overtuiging." Want het was hem
vroeger nooit in den zin gekomen dat 'n zaak ànders kon worden opgevat,
dan ze door z'n moeder, of door Stoffel, of door wien ook--mits 'n
volwassen persoon!--werd voorgesteld. De geheele kwestie over bidden of
niet-bidden kwam hem niet zóó belangryk voor, als 't vernomen nieuws,
dat _hy_ 'n overtuiging hebben kon. Z'n gemoedje zwol er van...
Wouters beschroomdheid was gedeeltelyk een gevolg van de methode waarop
men hem 't weinigje kennis dat-i bezat, had meegedeeld. Al wat men hem
leeraarde, was steeds in de oogen der sprekers 'n onomstootelyke zaak
geweest. Tweemaal twee is... zóóveel, Prins die of die is 'n held,
brave kinderen komen in den Hemel, God is groot, de Batavieren zyn
byzonder dapper, 't ware geloof is in de Noorderkerk, enz. enz. Hy
wist niet dat er _twyfel_ bestond, en hield dus z'n begeerte om iets
meer van de zaken te weten, voor ongepast en zelfs misdadig. Slechts
enkele malen had-i even beproefd lucht te geven aan z'n weetgierigheid,
maar 't was hem slecht bekomen. Op de katechizatie was z'n rechtsgevoel
gestruikeld over die vuile historie van Jacob en Ezau. Byna voelde hy
'n oogenblik den moed iets aftekeuren in 't gedrag van den aanstaanden
aartsvader, en hy begon reeds met 'n enkel bescheiden woordje... maar
de dominee overlaadde hem met verwyten. "Zulke vragen pasten geen
kind!" heette het. Wouter moest bedenken dat de Heer van-plan was uit
Jacobs stam voorttekomen, en dat alzoo die linzenhistorie volkomen
_fair play_ was. "Men moest niet verstokt zyn." De arme jongen bad
dien avond wel 'n uur lang dat God hem toch niet zoo erg verstokken
zou. En 't hielp. Het duurde vele jaren voor-i zich weer waagde aan
zedekundige analyze van Jacobs handelingen, en van Gods ingenomenheid
met dien schurk.
Zoo ging 't met alles. Uit vromen afschuw van verstoktheid, berustte hy
in alles wat men hem zei. Doch daar hy de aldus opgedrongen denkbeelden
niet verteren kon, werd z'n ziel daarmee niet gevoed. Hy sprak, ook in
z'n binnenste, al de klanken die hem waren voorgepreekt, geloovig na,
en verweet zich z'n ontevredenheid als iets ondankbaars, en als 'n
overblyfsel van de oude verstoktheid die God zeker niet zoo heelemaal
op-eens genezen kon.
Het schynt zonderling dat hy niet dacht aan de mogelykheid van
beredeneerden twyfel. Hy wist toch, dat duizenden en millioenen
menschen veel zaken geheel anders beoordeelden dan z'n moeder en
Pennewip, en dat dus de mogelykheid zich kon voordoen, jazelfs de
noodzakelykheid, dat er soms 'n _keuze_ tusschen meeningen moest
gedaan worden. Welnu, hieraan dacht-i niet! Dit was dom, bekrompen
en--by Wouter in zeer letterlyke zin nog--kinderachtig, maar 't was
zoo." (I. 1060.)
Bij het bezoek van Napoleon ziet Wouter in den Schouwburg en in 't
gedrang in een herberg een meisje met Noord-Hollandsche kap, waarin
hij Femke-Fancy meent te herkennen. Het is de zonderlinge prinses
Erika, die verwant is aan Femke en 't doktersgezin. Dit prinsesje
voelt zich in de stijve, gladde, vorstelijke omgeving niet bevredigd:
zij zoekt in den degelijken eenvoud van vrouw Claus en in de ruwheid
van 't volksleven de ware menschelijkheid. In de herberg ontmoet ze
Wouter en meent in hem haren broeder te herkennen: onbewust spreekt
ze waarheid als ze Wouter als "mein Bruder" betitelt: want beide
kinderen zijn onvoldaan, beiden zoeken het ware leven in de sfeer,
die aan hun eigene tegengesteld is.
Bij de beroepskeuze begaan de Pietersens een nieuwen flater, door
hem in een beruchte zaak op de Zeedijk te plaatsen: sigarenwinkel
en... leesbibliotheek. Het opgaan in een ruimer romanwereld redt
Wouter in deze omgeving en dan komt hij op het deftige kantoor van
Kopperlith op de Keizersgracht. Deze Amsterdamsche deftigheid van de
hooge stoepen heeft M. meesterlijk geteekend, en ook de neerdrukkende
invloed van deze ziellooze omgeving op Wouter.
Maar ook in handelskringen staat tegenover vervlakking en versteening
warm menschelijk gevoel. Tegenover de deftige opgeblazen voornaamheid
van het handelshuis op de Keizersgracht teekent Multatuli de jodenbuurt
met z'n lèvenden handel. Deze beschrijving van de Jodenbuurt, die
van een onderlingen handel in oude prullen en bedorven goed leeft,
is een waardige tegenhanger van die der techniek van den duffen handel
in katoentjes en diemeten.
En in dien jodenhoek ontmoet Wouter de oude grootmoeder met hare
bedorven vijgen en haar kinderen en kleindochtertje. Als Wouter 't
gevallen kindje optilt en troost, worden deze eenvoudige menschen
vriendelijk en welwillend voor hem.
Zoo vindt Wouter in alle kringen de tegenstelling tusschen doode vormen
en zuiver menschelijk gevoel. Bij Holsma die geestelijk boven deze
uitersten staat vindt hij leiding: deze wijst kern op zijn naasten
plicht, om hem van 't vage, doellooze fantaseeren te genezen.
Want onder zijn zoo uiteenloopende ervaringen blijft Wouter droomen:
naast de dogmatiek van kerk en katechisatie bouwt hij zijn eigen
godsgeloof op, peinst hij over 't raadsel hoe een goed en almachtig
God zooveel verkeerds dulden kan... Als hij, Wouter, almachtig
ware, dan... "O Femke, als ik almachtig was, ik zou je... Neen, ik
zou beginnen met alles te begrypen, en alles te doen begrypen! De
engelen moesten 'n katechismus maken met honderdduizend vragen,
en... antwoorden! Goede wezenlyke antwoorden, weetje, en geen
bybelteksten die geen mensen begrypen kan.
Kyk, zóó--maar de antwoorden zet ik er nu niet by, omdat ik ze
niet weet:
_Waarom valt 'n appel?_
_Groeit 'n boom van-boven of van-onder?_
_Waarom ben ik zoo verdrietig?_
_Waarom gaapt men elkaar na?_
_Hoe weet iemand of de pijn die hij in 't hoofd voelt, hoofdpijn is?_
_Waar woonden de vliegen toen de menschen nog geen huizen hadden?_
_Hoe wist Adam dat hij eten moest als-i honger had? En waarom bracht-i
de spys naar den mond, in-plaats van ze tegen de maag te drukken?_
_Hoe verstond-i Gods taal?_
_Zou_ Stoffel _wel eens 'n fout gemaakt hebben?_
_Waarom begryp ik nooit wat juffrouw_ Laps _zegt? Is 't waar dat zy
de genade heeft? Hoe kom_ ik _er aan?_
_Wat moet 'n mensch doen om veel te weten, om... alles te weten?_
Alles? Hm?" (I. 1118).
De Woutergeschiedenis is niet voltooid: we verliezen Wouter uit 't oog
als hij met pastoor Jansen op weg is naar Haarlem om de gevolgen van
een dommen streek goed te maken. Wèl had M. zich voorgenomen Wouter tot
zijn dood toe te volgen: daarom liet hij hem omstreeks 1800 geboren
worden maar de bittere ontstemming, gewekt door Van Vloten's kritiek
in diens brochure _Onkruid onder de Tarwe_ en het uitblijven van de
hervormingen in staat en maatschappij, waarop hij zoo herhaaldelijk
had aangedrongen, hebben voorgoed zijn stemming bedorven en Fancy
uit zijn gemoed verdreven. "Mijn voornemen was in den _Wouter_
'n schets te geven van den strijd tusschen hoog en laag, tusschen
zielenadel en ploerterij. Wouter is een nieuwe--en betere!--Faust,
een Don Quichot naar den geest. Ontevredenheid met mijn publiek--dat
niet lezen kan--belette mij telkens voort te gaan. Ik durf me vleien
met de meening dat het nageslacht dit jammer vinden zal."
Zoo verlaten we Wouter op 't oogenblik dat hij het groote leven in
zal gaan: hij is bezield met goede voornemens om alleen aan zijn
naastbijliggenden plicht te denken--maar de weg naar de hel is ermee
geplaveid, voegt M. er aan toe. En hoe makkelijk hij aan zijn neiging
toegeeft om in 't lot van anderen reddend in te grijpen blijkt weer bij
't standje bij de Haarlemmerschuit, waar hij met 't geld dat Prinses
Erika hem gaf om _eigen_ domheid te herstellen, twee meisjes uit de
handen van een verdacht wijf loskoopt!
Ook dit tafereeltje is naar 't leven geteekend: uit de school
van Jan Steen! En tòch is er een groot verschil tusschen M.'s
werk en de naturalisten na hem: als romantisch humorist stelt hij
zich telkens tusschen den lezer en zijn figuren. Hij geeft in zijn
teekenend proza een levenden indruk van de geschetste milieus, van
Wouters droomleven: maar telkens valt hij met zijn redeneering de
scheppende Fancy in de rede. Kenmerkend is in dit opzicht het tafreel
van de Fancy-verschijning bij de draaiende molens: eerst weet hij de
stemming van Wouter bij die draaiende wieken en de liedjes die ze hem
suggereeren met zijn woordkunst te wekken, om eensklaps nuchter op
te merken, dat die molens net waren als andere molens; hij versterkt
niet den mystieken indruk dier molens maar verstoort ze.
M. vergenoegt zich niet met 't schetsen van Wouters ontwikkeling,
voor hem is de ontwikkeling van dit mensch-exemplaartje, beeld en
gelijkenis van de ontwikkeling der menschheid. Wouters innerlijke
groei geeft dan ook telkens aanleiding om opmerkingen over legende-
en mythevorming, over folklore en psychologie te plaatsen. En door
de heele Woutergeschiedenis loopt als draad de overtuiging, dat de
overgeleverde godsdienstvormen een beletsel zijn om ware religie
in den mensch te doen ontkiemen. Het besef van 't goede in Wouter
is zuiver, terwijl de z.g. godsdienstigheid die men hem in gezin,
kerk en school tracht bij te brengen, een karikatuur is van 't geen
in zijn kinderlijk gemoed leeft.
In de Woutergeschiedenis heeft M. een epopée willen geven, waarin
hij, "den strijd schetsen wilde van het goede in den mensen tegen de
boosheid, den reuzestrijd van ware heilige poëzie tegen 't leugenproza
dat ons de wereld voor waarheid geeft."