VERLOVING EN HUWELIJKSJAREN IN INDIË

Kort na zijn benoeming te Krawang, in September 1845 haalt hij

voor zijn gastheer Van der Hucht, die in de Preanger een landgoed

bezat, Hollandsche meisjes te Batavia van de boot: dit waren de

drie baronesjes Van Wijnbergen. Deze meisjes waren arme weezen,

door familieleden opgevoed. De oudste, Everdine, was bij tantes te

Wageningen opgegroeid en was eenigen tijd op een kostschool geweest,

waar zij als secondante haar kost en inwoning verdiende. Dekker

bracht de meisjes naar Parkan Salak. Tot Everdine voelde hij zich

sterk aangetrokken: na enkele weken verloofden zij zich. Hare familie

was niet zeer ingenomen met het engagement; zijn carrière was niet

schitterend, hij had schulden, en zijn luchthartige wijze om over geld

te spreken, stelde hen niet gerust. Toen Everdine haar klein ouderlijk

erfdeel opvroeg om te kunnen trouwen, waarschuwde de familie haar. Zij

bleef haren verloofde trouw, ze geloofde in hem en vertrok naar een

kennis te Tjanjor, waar ze na enkele maanden trouwden.

In de verlovingsmaanden heeft Dekker zijn gemoedsleven, zijn

levenservaringen in zijn brieven aan Everdine opengelegd. Na de

beproevingen van de laatste jaren verlangt hij naar stil huiselijk

geluk: dan eerst zal hij zijn innerlijke onrust, zijn reikhalzen

naar macht verliezen. Hij kan er naar verlangen "dat eene degelijke,

stevige werkelijkheid het vliegend, huppelend, afmattend genot zijner

onstoffelijke droomen vervangen moge." Maar toch komen telkens de

oude machtsdroomen weer boven; de onevenredigheid tusschen wil en

macht maakt hem verdrietig. Als hij een jong meisje in moeilijke

omstandigheden ontmoet, zou hij haar ridderlijk willen helpen, maar

hij weet niet hoe en compromitteert haar door zijn ridderlijkheid! "Ik

zoude geld en magt willen hebben om te helpen waar mijn gevoel mij

dwingt om te ondersteunen en te redden waar smart is."--"Ik geloof

opregt, dat het jammer is, dat ik niet hoog in de wereld sta. Ik

zoude kunnen klimmen, ja--maar de tijd, dien wij beleven is te

kort na 1790-1812. Er zullen nog jaren verloopen eer het onderste

weer boven komt. Ik had tachtig jaar vroeger of zooveel later willen

geboren zijn. En toch 2-1/2 jaar geleden had ik plannen, gewelddadige,

misschien onuitvoerbare plannen waarvan het hoofd mij duizelt. Thans

heeft zich alles opgelost in de begeerte om stil gelukkig te wezen. Ik

geloof, dat ik het verstandigste gekozen heb."

Maar het opgaan in zijn droomen maakte hem vaak onbekwaam voor het

dagelijksche leven. Nu hij na ruim twee jaren non-actief te zijn

geweest, weer geregeld werk had gekregen, werkt hij met vlagen. Soms

voert hij halve, soms heele dagen niets uit. Dan weer is hij hard aan

het werk; als de gegevens, de bouwstoffen ontbreken, verschaft zijne

fantasie hem stof voor ambtelijke rapporten. En als zijn meisje zich

over zijn werk ongerust maakt verzekert hij haar, dat hij zal zorgen

er met eer af te komen, "voor zoover aan de Krawangsche knoeiboel

eer te behalen is. Het is nog al gelukkig dat die officieele rommel

met een half hoofd geklaard kan worden."

Everdine werkt verzachtend, verzoenend in op de tegenstrijdigheden van

zijn karakter: gelijkmatiger gaat hij werken; hij tracht zijn lust tot

redetwisten te beheerschen. "Ik ben met ieder wel en disputeer niet,

niet alleen omdat het zoo uw bevel is maar ook omdat hier ieder mij

gelijk geeft, hetgeen zeer gemakkelijk is, maar niet amusant." Hij

biecht haar dan ook eerlijk op, dat hij zich dikwijls amuseert "door

alles juist anders te zeggen dan ik meen, ik heb nog dienzelfden

avond beweerd dat liefde zotternij was." Dit was ook een geliefde

ontspanning van Lafontaine's held, Hermann Lange!

Dekkers opvattingen waren in die jaren al merkwaardig genoeg om

debat uit te lokken, ook zonder dat hij paradoxen opperde! In de

brieven uit den verlovingstijd begint de schrijver van de _Ideen_

zich al af te teekenen. Zijn eigen persoon stelt hij op den voorgrond:

het was dan ook zijn bedoeling zich aan Everdine te doen kennen. En

dat doet hij met zeldzame openhartigheid. Hij wil haar de fouten

van zijn jonge leven opbiechten en haar inwijden in zijn droomen

van macht en grootheid; hij verheelt zijn innige overtuiging niet,

dat het eigenlijk heel jammer is dat hij niet zéér hoog geplaatst is,

maar tevens erkent hij, dat zijn beste daden voor een groot deel uit

ijdelheid geboren zijn. Hij is zich bewust van het tegenstrijdige

in zijn karakter, dat hij jaren later in zijn zelfportret in de _Max

Havelaar_ zoo meesterlijk zal schetsen. In zijn idealisme is hij er

vast van overtuigd in uitwendigen tegenspoed gelukkig te kunnen zijn,

armoede te kunnen verdragen, als hij maar rijk is aan liefde. Toch

bekent hij "een zwak, inconsequent schepsel (te zijn), die fraai

redeneert over de onwaarde van fortuin, en toch niet sterk genoeg

wezen zoude om zonder grieve te zien dat zijne vrouw in een katoenen

japonnetje gekleed ging als eene andere mooi getoiletteerd was!" En

zuchtend erkent hij, "dat de edele mensch onedele oogenblikken heeft!"

Over het huwelijk, over opvoeding, over vrouwenleven spreekt hij reeds

voor dien tijd merkwaardige gedachten uit. Hij komt er tegen op dat

"sommige zaken te zeer omsluyerd" worden, want "reinheid wordt niet

bewaard door onwetendheid."

Over het huwelijk verklaart hij zeer anti-maatschappelijke idées te

hebben. "Blijft men elkander beminnen dan is er geen band noodig. Zoo

niet dan is die band drukkend, onmenschelijk en immoreel." Over

dergelijke onderwerpen schrijft hij, "dat hij nooit uitgesproken

zoude hebben." En als hij over een boek van den Noor Bernard handelt,

schetst hij in eenige fijngevoelde, ietwat sentimenteele zijdjes het

deerniswaardig lot eener oude vrijster.

Over godsdienstige vraagstukken rept hij maar enkele malen. Deze staan

niet in het middelpunt zijner belangstelling. Hoezeer de opvattingen

zijner jeugd zich langzamerhand reeds gewijzigd mochten hebben, is hij

geloovig gebleven. Dogmatische termen als verlossing en verzoening zijn

zinledig voor hem geworden; hij gelooft in God en onsterfelijkheid. In

Natal mag hij "Gods zorg mistrouwd hebben," die twijfelzin berouwt

hem spoedig. Hij is ervan doordrongen, dat godsdienstige waarheden

verstandelijk niet bewezen maar door het gevoel aanvaard worden: "wij

kunnen zoo oneindig meer gevoelen dan begrijpen." Waar het religieuze

louter als gevoelszaak wordt beschouwd, wordt zijn overgang tot de

Roomsche kerk begrijpelijk; hij heeft werkelijk gemeend, dat die

godsdienst _de schoonste_ was. Maar achteraf krijgt hij een tegenzin

in "dat geheel afhankelijk maken van eigen meening van het oordeel

der kerk, zegge van eenige domme, dikwijls slechte priesters." Dit

veroordeelt hij als geestelijke slavernij.

Wezenlijke belangstelling heeft hij voor letterkunde. Niet alleen

leest hij graag, hij bestudeert met belangstelling ieder mensch,

dien hij ontmoet; hij analyseert en beschouwt "elke nieuwe kennis

als een nieuw exemplaar voor de verzameling, die ik in mijn hoofd

bewaar, als een nieuw liedje, waarvan ik de wijs wil leeren." Met

belangstelling neemt hij zijn omgeving op: door zijne fantasie kleurt

hij zijn ervaringen: reeds als kind ging er geen week voor hem om

zonder iets, dat betrekkelijk interessant was. En Everdine vindt dat

zijne ontmoetingen te Poerwakarta wel op een roman gelijken. Zijn

grootste genoegen is het, zijn ervaringen op te schrijven. Als jongen

van 15, 16 jaar hield hij een dagboek, en schreef verzen; evenzoo

in Natal. En zijne brieven aan Everdine worden ongemerkt stukjes

literatuur; herinneringen uit zijn kinderjaren, de beschrijving

zijner omgeving te Poerwakarta, zijn omgang met Cateau. Zijn stijl

wordt natuurlijker, losser, zelf vergelijkt hij ze met hutspot. Ook

overweegt hij de mogelijkheid om zich aan letterkundigen arbeid te

wijden: het is nog een verwijderd ideaal. Hij spreekt den wensch uit

dat er eens een tijd zou komen, waarin hij geen ambtsbezigheden zou

hebben en zich niet om den broode hoefde te bekommeren. Dan zou hij

menschen willen bestudeeren en schilderen.

Deze literaire neigingen raken in de volgende jaren wat op den

achtergrond. Den gelukkigsten, evenwichtigsten tijd beleeft Douwes

Dekker in zijn tien eerste huwelijksjaren. Hartelijk en vertrouwend

en vast geloovend in zijn superioriteit heeft Everdine zich aan

hem gegeven. Door hare rust en zachtheid boeit ze hem en weet ze

hem te leiden. Rustige en arbeidzame jaren slijten ze in Bagelen,

in Menado, in Ambon. Vooral in Menado voelden zij zich gelukkig. De

resident Scherius was iemand die Dekker begreep en waardeerde en

zoo werkte deze in een ambtelijke atmosfeer, die het beste in hem

wakker riep, waardoor zijne gaven tot hun recht kwamen. Daar de

resident ongetrouwd was, waren Dekker en zijn vrouw in het gezellig

verkeer de eersten van de plaats. Het mondaine leven werd hun zelfs

te druk, zoodat Dekker even buiten Menado een klein landgoed kocht:

"drie palen afstands slechten weg scheen mij eene geschikte barrière

tusschen mijn denken en hun dansen." Niet alleen om te _denken_, ook

om zijn werk te kunnen doen had hij meer rust noodig. In Menado is

de opeenstapeling van zoowat alle bestuursfuncties nog krasser dan te

Natal. Dekker moet dan ook voortdurend op zijn qui vive zijn om de boel

recht te houden. Daar er ook toezicht op de onafhankelijke rijkjes

gehouden moest worden was de bestuurstaak verre van gemakkelijk:

"men heeft daarvan in Holland geen begrip," schrijft hij aan zijn

broeder Jan. De vertrekkende resident beveelt hem als zijn opvolger

aan, maar tevergeefs. Als de nieuwe resident 't bestuur overneemt,

ontdekte deze weer verscheidene slordigheden in zijn beheer, zoodat

hij met een f 3000 wordt belast. Enkele maanden later wordt Dekker

benoemd tot assistent-resident van Amboina. Hij vond daar een

onrustige bevolking; in de _Max Havelaar_ komt deze klacht voor:

"Ik had te kampen met oproer onder mij, met lauwheid of timiditeit

boven mij. Ergernis over het laatste heeft mij ziek gemaakt. Ik werd

er in 1852 bewusteloos ingescheept naar Europa." Ook op Ambon heeft

hij flink en hard gewerkt en in die weinige maanden bewondering gewekt

door zijn groote werkkracht en innemende eigenschappen.

Nerveus van aanleg had zijn zenuwgestel een geduchten knak gekregen

door zijn ervaringen op Sumatra. Daarna tot rust gekomen begint deze

kwaal in Menado en vooral in Ambon weer te verergeren, zoodat een

verlof naar Europa wordt toegestaan.

Multatuli Onze groote schrijvers, deel 2 · 第 12 / 29 题