JEUGD EN KINDERDROOMEN

Er bestaat een innig verband tusschen het innerlijk leven van den

volwassene en het gemoedsleven van het kind. Het zieleleven van den

kinderleeftijd is de voedingsbodem van latere geestelijke ontwikkeling.

Vele kunstenaars en denkers met een diep en rijk gemoedsleven en een

sterke verbeelding hebben fijne, zuivere schetsen en opmerkingen

over het kinderleven gegeven, welke getuigen hoe sterk ervaringen

uit eigen kinderjaren doorwerken in het gemoed.

Zoo leeren we uit het werk van den volwassene het kind kennen,

en uit deze openbaringen den mensen beter verstaan. Kennis van het

kinderlijk gemoedsleven is van groote beteekenis om de persoonlijkheid

van denkers en dichters te doorgronden.

Niet de kennis van de uiterlijke omstandigheden is van het grootste

belang, maar het inzicht in het innerlijk leven van het kind: de

ontwikkeling zijner fantasie, het aanvoelen zijner omgeving, het

reageeren op zijn opvoeding. Dit laatste heeft Douwes Dekker onthuld

in de _Geschiedenis van Woutertje Pieterse_, terwijl ook in de brieven

aan Tine, in den verlovingstijd geschreven, vele herinneringen aan

het kinderleven zijn opgehaald.

Eduard Douwes Dekker was de vierde spruit uit een gelukkig en degelijk

Hollandsch burgergezin.

Zijn vader was kapitein ter koopvaardij; een goedhartig, zeer

beschaafd, welbespraakt man, maar bij al zijne goedhartigheid was hij

een man, die gehoorzaamd wilde worden en die zijne jongens eenigszins

Spartaansch opvoedde. De moeder daarentegen moet eene liefdevolle,

verstandige, maar zeer nerveuse vrouw zijn geweest. Doordat zij veel

aan hoofdpijnen leed, moederde de oudste zuster mee over de vier

jongere broertjes. Van deze zuster heeft Eduard veel gehouden. Pieter,

zijn zeven jaar oudere broeder, een bedaarde, ijverige jongen, die

in alles het tegenovergestelde was van den ondeugenden Eduard, viel

minder in diens smaak. Pieter bracht het tot Doopsgezind predikant

en achtte het zijn plicht, onjuistheden in het spraakgebruik zijner

familieleden te corrigeeren en in 't bizonder placht hij Eduard zijne

gebreken op meesterachtigen toon onder het oog te brengen. Uit de

geweldige antipathie tegen dezen braven broeder is dan later de figuur

van _Stoffel Pieterse_ geboren: Wouters van kan niet toevallig zijn:

de familie Pieterse is naar broeder Pieter genoemd!

Met beide andere broeders was hij goede vrienden. Vooral met Jan, die

drie jaar ouder was, met hem naar Indië ging en hem in zijn moeilijk

leven meermalen trouw steunde.

De kinderen kregen een eenvoudige, maar goede en godsdienstige

opvoeding. Voor luxe-uitgaven, als muziekonderwijs, was echter geen

geld beschikbaar. Jan werd zeeman, later landheer in Indië, Pieter

studeerde en ook Eduard werd voor de studie bestemd.

Eduard was het eenige kind, dat uit den band sprong; dat hij met

zijn broers guitenstreken uithaalde, was zeer normaal. Maar in huis

en school was hij een moeilijk kind.

Hoe gelukkig en gunstig de uiterlijke omstandigheden mochten zijn, toch

ging het eigenlijke leven van dit kind buiten het gezin om. Een met

dichterlijke verbeelding begaafd kind, heeft in het gelukkigste gezin

zijn innerlijk leed te dragen, dat uit de tegenstelling voortvloeit

tusschen zijne aspiraties naar al wat groot en heerlijk is en het

eng-begrensde kinderleven. Deze afgetrokkenheid, dit droomen leidt tot

tal van vergrijpen tegen de orde van het dagelijksche leven. Telkens

botst het: knorren, straffen, komt herhaaldelijk voor. En van zijn

kant poogt het kind zich aan het verstoren zijner droombeelden te

onttrekken door leugens. Door vele berispingen is hij verhard, hij

raakt er aan gewend als zondebok te worden gebruikt. Zijne moeder kan

hem vrij goed regeeren, maar met den vader, die op autoriteit gesteld

is, vallen herhaaldelijk verdrietige scènes voor. Ook op school gaat

het slecht. Zijne ouders roepen de toegevelijkheid zijner onderwijzers

in, omdat hij h. i. moeilijk kan leeren. Verdiept in de tooverwereld

zijner fantasie kan hij zijn verstand niet bepalen bij taaloefeningen

en jaartallen.

De school haat hij, het ouderlijk huis benauwt hem: zoo vaak hij kan

zwerft hij buiten de poort--zijne ouders woonden op den Haarlemmerdijk

te Amsterdam--langs de buitenpaden, om daar bij sloten, bruggetjes en

molens te mijmeren. Dit droomleven neemt hem geheel in beslag als de

wereld van ridderen rooverromans voor hem opengaat. De beelden uit zijn

lectuur, de ervaringen uit zijn kinderleven vermengen zich in zijn

fantasieën; en daar speelt hij zelf temidden van zijn romanhelden

en heldinnen de schoonste rol. Peinzende over deze romantische

heerlijkheden wordt in zijn ziel _Fancy_ geboren. Fancy nam hem op

en voerde hem mee, en heeft hem nooit weer losgelaten.

Maar het bleef niet bij droomen en fantaseeren: hij wil zelf de

idealen van ridderlijkheid in praktijk brengen, hij wil zelf boven

anderen uitmunten, hij wil _de eerste_ zijn. Een groote eerzucht

ontwikkelt zich in het kinderlijk gemoed,--een eerzucht, om het

goede en rechte te doen zegevieren. De zucht om zelf de eerste te

zijn wordt geëvenaard door den drang tot weldoen en helpen. Beide

vloeien ineen. Kenmerkend is de geschiedenis van een zijner jeugdige

heldendaden, die hij aan Tine opbiecht:

"Ik wandelde op een Zaterdag met mijn broeder Willem, die helaas niet

meer leeft--hij was een allerliefste jongen en drie jaren jonger dan

ik--op de Hoogesluis te Amsterdam. Ik herinner mij zeer goed, dat

het juist Zaterdag was, omdat er veel Joden op de been waren. Voor

ons uit liepen twee jodenkindertjes, een jongetje en een meisje. Het

waaide hard en het meisje, dat het toezicht over haar broêrtje scheen

te hebben, vermaande hem zijn mutsje goed vast te houden. Ik onthoud

nog al goed kleinigheden, het was een fluweel baretje met schotse

ruiten om den rand. Het mutsje waaide af en rolde over de steenen

tot de wind het naar den kant.... Herinnert ge u die laagte naast de

hooge sluis, daar waar een soort van tuintje is, bijna au niveau van

het water? Daar waaide het mutsje in.

"De jongen, die vergeefs het ding tot bij de leuning was nageloopen,

huilde, en het meisje scheen bang te wezen voor berisping, als zij

thuis kwam, het arme kind wrong de handen en zag zoo bedroefd naar

beneden...

"Men vraagde een man, die in een schuitje de brug doorvoer het aan

te reiken. Hij wilde niet. Wie houdt zich ook op om het mutsje van

een jodenkind,--wie let er op het geschrei van een jodenmeisje!

"Ja men lette er op om eene reden te hebben tot stilstaan bij den weg.

"Gij weet hoe men in Europeesche steden om elke kleinigheid

samenschoolt, hoe ieder vraagt: 'wat is het?' en niemand vraagt:

'kan ik helpen?'

"Toen de laatstaangekomenen eenige oogenblikken later vraagden:

'wat is er?' was het antwoord: 'Daar is een jongeheer naar beneden

geklommen om het mutsje van dat kind terug te halen.' Die jonge heer

was ik, natuurlijk.

"Men hielp mij met een touw naar boven, want ik kon niet tegen den

gladden rechten muur op. Ik scheurde mijne kleederen en schaafde

mij de handen, maar niet genoeg naar mijn zin. Ik heb in mijn leven

weinig genot gehad, dat boven de aandoening ging die ik gevoelde

toen ik weder boven stond. Ik wilde mijn portret wel hebben van dat

oogenblik. Twintig of dertig menschen, allen lieden van geringeren

stand en meest joden, juichten mij toe. Een oud man, dezelfde die

het touw had gegeven, gaf mij de hand en zeide: 'Jongeheer, het

zal u goed gaan!' Mijn lieve Willem riep als of hij grootsch was:

'dat is mijn broêr Eduard!' en ik...

"O, die vervloekte ijdelheid! ik gloeide van genot. Ja, ik was

wel blijde om de vreugde van het kind, dat voor knorren der ouders

gevrijwaard was, maar dit was het niet,--als ik daarom alleen verheugd

ware geweest, zoude het voor mijne goedhartigheid pleiten, neen 'ik

had mijn loon weg.' Alles zag op mij, alles noemde mij, alles prees

mij! Die menschen zouden mij op dat oogenblik gehoorzaamd hebben

als ik--kleine jongen--hen iets gelast had. Ik nam de voorspelling

van den ouden man aan als iets natuurlijks en ik liep dien dag op

stelten des hoogmoeds voort, ieder aanziende alsof ik vragen wilde:

'groet gij mij niet, mij...'" [1]

Zulke voorvallen zijn teekenend voor zijn karakter. Maar zulke kleine

heldendaden bevredigen hem niet. Hij droomt als een tweede Josef

van macht en heerschappij: hij wil de uitdeeler zijn van weldaden,

handhaver van het recht. Pijnlijk voelt hij de benauwende tegenstelling

tusschen deze gedroomde heerlijkheid en het leven thuis en op school

met al zijn beperkingen en voorschriften, waarin hij niet alleen

een zeer onbelangrijk, maar ook een alles behalve volmaakt jongetje

is. Maar zijn kritiek richt hij niet op eigen tekortkomingen, maar op

die zijner omgeving. Hij bespeurt alras de onevenredigheid tusschen

woord en daad der volwassenen: dit schokt zijn vertrouwen. En hij

ziet de armoede, die niet wordt gelenigd en het onrecht, dat wordt

geduld. In zijn droomen wil hij dan alles verbeteren, wat hem voorkomt

verkeerd en onrechtvaardig te zijn. En hij begrijpt niet, dat God

zooveel onrecht dulden kan. "De kleine jongen veroorloofde zich Hem

kwalijk te nemen dat niet alles in de wereld overeenkwam met _zijn_

begrippen over 't goede, en hij was dan ook ernstig van plan allerlei

verbeteringen intevoeren, zoodra hij..."

Wanneer? Hoe?

Dit: _wanneer_ en dit: _hoe_ speelden de hoofdrol in z'n gedachten. Het

denken hieraan beheerschte hem, en had den dubbelen invloed, eerst hem

neerslachtig te maken, en ontevreden met het tegenwoordige, vervolgens

kracht te geven tot geduldig dragen van de kleine tegenspoedjes die hem

drukten, omdat-i de hoop koesterde later alles te regelen naar z'n wil.

Ach, er was zoo véél te doen! En hij was zoo ver achter! Wat moest er

nog veel gebeuren voor-i 'n eind kon maken aan al 't verkeerde! En

dit toch was z'n roeping, naar-i meende. De straat was slecht

geplaveid. Daar ginds stond 'n huis op 't instorten. Leentje stak

povertjes in de kleeren. Er was onlangs een arme blindeman in 't water

gevallen en verdronken. Er scheen niemand bij geweest te zijn om te

helpen... ook alweer God niet. Bovendien waarom was die man blind? En,

nu eenmaal blind zijnde, waarom was-i arm? En nu eenmaal arm zijnde,

waarom... och, er was geen eind aan verwijtende vragen.

"De Fancy-verschijning had hem aangestoken met onmetelijkheid. Hij

onderging onbewust den indruk van 't verhevene en z'n onwetende ziel

doolde rond in 'n oneindige reeks van middelen, die hij te kiezen had,

en van wegen die hij wilde inslaan. Hij was goed, innig goed. Op 't

gebied van het goede wilde hij 't hoogste grijpen, het moeielijkste

tot stand brengen. Z'n weifelen in keus was 'n natuurlijk gevolg van

onwetendheid. Bij elk voorkomend geval greep hij met z'n verbeelding

terstond het uiterste, het hoogste, het beste, of wat z'n ongeoefend

oordeel daarvoor hield. Dat ook bij hem alzoo 'n rol werd gespeeld

door de gewone fout van edele harten--'n zeer ongewone fout dus--om de

zedelijke waarde eener handeling alleen naar de zwaarte van 't gebracht

offer te schatten, spreekt vanzelf. En tevens, dat dit hem verleidde

tot de zucht om offers te brengen waar ze òf niet noodig waren òf

niet verlangd werden, en in beide gevallen niet gewaardeerd. Ach,

hoe gaarne ware hij uitgetogen om hier-en-daar bij bekken- en

schildslag te doen bekend maken dat er 'n ridder was aangekomen,

die om de klandizie verzocht van wat martelarij!

"Later, later!" dacht hij. Later als-i bevrijd zou zijn van schoolsche

en huiselijke banden. Dan zou-i 'n werelddeel gelukkig maken. En nog

een. En nóg een...

"Helaas er stonden er maar vijf in 't boekje van zijn geografie.

"Vijf werelddeelen slechts! 't Is niet de moeite waard om van te

spreken.

"Wat dàn? Wat daarna?

"Hier begon zich z'n fantasie te verliezen in de ruimte, en

't firmament verwarrende met 'n gedroomden onstoffelijken hemel,

naderden zijn gedachten het Wezen dat men hem had opgedrongen als:

God. Maar dit bevredigde hem niet.

"Geen '_weg ter Zaligheid_' en geen katechismus was er in geslaagd

het kind den anderen god te ontrooven, die hij in 't gemoed droeg, en

waarmee hij zich--ziehier z'n hoogmoed!--zonder de minste aanbidding

vereenzelvigde. God, of 'n god, moest noodwendig het _goede_ willen,

het goede zijn. Dit wilde en was Wouter ook. Hij stond dus zoo'n

Wezen zeer na, en beschouwde het in z'n trouwhartigen waan als z'n

natuurlijken bondgenoot, als z'n gezel, als z'n kameraad. Zoo voelde

hij zich prins van geestelijken bloede."

Zoo droomde Woutertje en zoo heeft Multatuli zelf gedroomd. Hij wil

koning van Afrika worden...

Deze kinderdroomen worden jongelingsdroomen, hij wil een tweede

Napoleon zijn--en als man droomt hij van een keizerschap van Insulinde.

In de droomen van het kind teekent het streven van den man zich reeds

af. "Ik wou zorgen dat er in 't heele land geen onrecht geschiedde,"

lezen we in Idee 1063 en omdat hij niet kon dulden, niet in staat

te zijn onrecht te straffen, te verhinderen, nam hij ontslag als

assistent-resident van Lebak.

Op het gymnasium kon hij het niet uithouden: het onderwijs was hem

te dor en te schoolsch. Zijn vader plaatste hem als jongste bediende

op het kantoor bij Van der Velde, die in katoentjes handelde. Hier

kwam hij op zijn vijftiende jaar. Hoe moeilijk deze jaren voor den

intelligenten jongen geweest zijn blijkt uit de satire, die hij op

dit handelshuis in de Woutergeschiedenis leverde. Zich onderdanig

te schikken viel hem uiterst moeilijk: de opgeblazen deftigheid,

de koopmanstrots van de Keizersgracht was hem een gruwel. En dan

voelde hij het pijnlijk maar een heel gewone burgerjongen te zijn,

tot zoo'n uiterst onbelangrijken stand te behooren. Als hij met zijn

vriend op een "buiten" op bezoek is vindt hij het zeer moeilijk om

te bekennen, dat hij op den Haarlemmerdijk woont!

"Ik had een zucht voor onafhankelijkheid die tot het bespottelijke

ging," bekent hij aan Everdine.

In die jaren had hij een boezemvriend: den jongen Abraham des Amorie

van der Hoeven, dien hij op het gymnasium had leeren kennen. Tot aan

Van der Hoeven's dood toe hebben beide vrienden gecorrespondeerd. Als

jongelui hebben ze gelezen en geredeneerd over alles, wat hun jonge

gemoederen bezig hield. Ze hebben ook druk getheologiseerd: Van der

Hoeven zou theoloog worden, en is in Utrecht Remonstrantsch predikant

geweest.

D. D. heeft een godsdienstige opvoeding genoten en omstreeks 1830

beteekent een godsdienstige een orthodoxe opvoeding. Reeds als kind

zijn de dogmatische voorstellingen geen klanken voor hem: de vrees voor

hel en verdoemenis lééft in hem. En omdat die geloofsvoorstellingen hem

boeien, doet hij kinderlijk-naïeve vragen die soms zeer oneerbiedig

klinken. Zij spruiten geenszins voort uit onbewusten twijfel, maar

integendeel uit een kinderlijk-ernstig godsdienstig gevoel. Zoo

vroeg hij aan de baker of God ooit jong was geweest en of ze Hem

had gekend zonder baard... Maar de baker berispte hem en dreigde

met de verdoemenis, zoodat 't kind zijn zucht naar kennis smoorde

met de vrees, dat de aarde zich voor zijn voet zou openen en hem

zou verzwelgen.

Eens had hij in een speelsche bui op Gods neus een bril geteekend:

en toen heeft hij gesidderd voor de trompet der diligence, die hem

in de ooren klonk als de bazuin der kinderen Assurs, door God te hulp

geroepen om zijn kinderlijke euveldaad te wreken.

Met zijn vragen kan hij het zijn predikant op de catechisatie lastig

genoeg maken; daar hij 't niet met zichzelf eens was heeft hij zich

niet laten doopen--zijn ouders waren Doopsgezind--; maar van twijfel,

van ongeloof was toen nog geen sprake.

Vóór zijn achttiende jaar heeft hij zich al bezondigd aan het maken

van verzen: in een gedicht _De Schaatsen_ bezong hij de genoegens

van wintersport en van vertellingen bij den huiselijken haard om te

eindigen met een sentimenteele aansporing om het leed van den arme

te verzachten met een beroep op... hemelsche vergelding!

Veel vlotter en beter is de berijmde vertaling van _Andrieux' De

Molenaar van Sans-Souci_, een berijming, waaraan hij trouwens later nog

veel verbeterd heeft. De grondgedachte van dit vers vinden we in een

van de fijnste hoofdstukken der _Millioenenstudiën_ terug: _Vieux Delft

en moraal_. Zoo sterk zijn de indrukken van 't geen hij in zijn jonge

jaren las, dat de herinnering er aan in later jaren telkens terugkeert.

De achttienjarige besluit zijn gedicht over de bekende anecdote van

Frederik den Grooten met de regels:

Zie: een landschap wordt gestolen,

En een molen blijft gespaard.

En 35 jaar later schrijft hij: "Zou ook niet hier alweer _alles in

alles_ zijn? Onbeschaamdheid in _pudeur_? Kemels in muggen? Gestolen

landschappen in gespaarde molens?"

Uit deze verzen blijkt, dat de achttienjarige Douwes Dekker, wat

literaire smaak betreft, op een lijn stond met de almanakschrijvers

dier dagen. Dat hij Jean Paul leest is een belofte voor de toekomst.

Zijn moeder en broeder lieten _De Schaatsen_ in een almanak opnemen:

dit deed Eduard, die toen al in Indië was, aangenaam aan. Doch

gelukkig voor zijne ontwikkeling en voor die onzer letterkunde zat

hij in Indië buiten 't bereik van almanakredacties en letterlievende

genootschappen. Zoo is zijn onvaste smaak er voor behoed om door

onbevoegden lof en aanmoediging voor goed bedorven te worden.

Multatuli Onze groote schrijvers, deel 2 · 第 10 / 29 题