OP DE NIEUW GUINEESCHE KUST.

Met Paradijsvogel-huiden en schildpad, de dertien stukken van de schaal

saamgeregen aan een snoer, zijn de mannen van het paal-dorp om

armringen en sieraad van glas naar het groote schip geroeid, dat

blinkend in den zonsopgang de baai kwam binnenvaren.

De vrouwen zijn allen op de galerij van het groote familie-huis waar de

Ternataansche handelaar zijn kist vol sarongs en stukken fel-gekleurd

sits uitpakt.

IJlings heeft het meisje den kleinen boog en koker vol visch-pijlen van

den wand gegrepen, ijlings langs den gladgespoelden paal zich laten

afglijden in de aangebonden schommelende prauw.

Laat een dier zorgelijk-kijkende getrouwde vrouwen, laat een mompelende

aschgrauwe oude de vonken die in het gebogen stuk boombast smeulen

aanwakkeren tot een vlam, laat haar achtgeven op het roosteren der

brokken schildpadvleesch en der krabben in hun harde schaal! Voor

zichzelve wil het kind dit uur.

Als een aan het net ontsnapte visch zoo snel schiet zij de glinsterende

waterpaden af, tusschen de paalrijen van huizen en bruggen door, over

de ondiepten bij de zandbank heen, het wijde in en den wind van de open

zee. Zij rept haar riem tot voorbij de rotsige eilandjes waarvan het

laurierloof zoo donker en dicht afhangt boven het opstuivende schuim

der branding. Geen speurende blik ontdekt haar, geen gebiedende roep

achterhaalt haar hier!

Zij laat zich drijven. Wiegelend beurt haar de deining. Even, als in

dragenden stroom een visch zijn vinnen, beweegt zij, half-droomend, den

riem.

De vroege zonneschijn is goudig om haar opgeheven gezicht, op haar

borst en lichtjes op en neer gaande armen, op haar knieën, die rustig

tegen elkander leunen. Krinkelige ranken van haar blauwzwart

kroezelhaar drijven op den wind: de schaduwtjes spelen glijdend langs

de ronding van haar donkere wangen. Zij ademt zoo stil de lavende lucht

in van de zee; het snoer van bonte schelpen, kangaroe-tanden en

scherven paarlemoer glanst op en verdoft uit en in het teedere

schaduwkuiltje tusschen haar kleine borsten.

Die vaalgroene plek in het noordwesten, dat is het strandbosch, waar

zij gisteren, met de andere vrouwen en meisjes van het familie-huis, in

de groote prauw met den gebeeldhouwden schildpadkop op den steven, is

heengeroeid om kopal te garen. De Chinees, die in zijn huisje van

kisten-hout en gegolfd zink tusschen balen rood katoen zit te

schrijven, wil altijd meer kopal voor de stukken rood katoen die hij al

korter afsnijdt. Zoo is het bevel, zegt hij, van de blanken in het

verre land van overzee, die veel kopal verlangen om de wagens zonder

paard waarin zij rijden sneller dan de opgejaagde kasuaris rent, met

blinkende kleuren te beschilderen. Hij heeft met vele woorden getracht

hen uit te leggen wat ding een wagen is en wat dier een paard, en wat

wonder dat zonder paard een wagen zoo snel kan rijden. Maar toen een

van de vrouwen vroeg waarom zoodanige haast de blanke menschen hebben,

wat harde meester het is voor wien vrees hen zoozeer voortjaagt, hen

die zeggen de meesters van allen te zijn, gaf de Chinees geen antwoord;

en de zendeling, de man met het tooverboek waaruit hij veel wijsheid

leert, die dikwijls antwoordt wanneer de Chinees geen antwoord weet en

altijd andere dingen zegt hij dan de Chinees—ook hij gaf geen antwoord

toen de vrouwen hem vroegen.

De Chinees is nu op het groote schip, de manden kopal worden hem

nagedragen. Nog meer zeker zal hij morgen eischen dat de vrouwen hem

brengen, langer nog zullen de dagen worden in het bosch, veelvuldiger

de giftige steken der groote muggen, heeter de koorts die het bloed tot

een kruipenden brand in de leden maakt, ondragelijker de last op den

diep gekromden rug, en de mannen die van de lange bruggen uitzien naar

den terugkeer der vrouwen, of de prauw wel diep in het water ligt onder

een zwaarte van kopal, zullen de hand hard terneer slaan op hun vrouw,

indien haar mand zoo vol niet is als de volste onder die van de andere

vrouwen.

Dat zal morgen zijn zoo als het gister was.

Verder roeit het meisje het opene in, zij ziet het strandwoud niet

meer.

De jonge vrouwen in het familie-huis die een kind aan de borst houden,

hoe fier en blij staat hun gezicht! Zij zien glimlachende neer op het

kind, zij laten het niet uit de armen. Als zij bij ebbe door de

ondiepten waden, naar schelpdieren bukkend, als zij met den graafstok

den akker loswoelen voor het zaad, als zij uit den gespleten sago-stam

het merg loshakken, altijd dragen zij het kind mede; ook als het

grooter wordt en zeer zwaar, zij dragen het alsof het licht ware als

een sieraad. Of zij ook honger hebben, zij willen dat eerst het kind

zich verzadige. Als het ziek is slapen zij niet, den geheelen nacht

dragen zij het op en neder, opdat het ophoude met schreien. In de vele

kamertjes van het familie-huis hooren het de wakker-liggenden, hooren

de toornige verwijten van den man, omdat door haar nalatigheid de booze

geesten zijn kind ziek konden maken. Daarvoor zijn de vrouwen op de

wereld om de kinderen der mannen te baren en groot te brengen, dat zij

ouder wordende helpers zullen hebben op de jacht en bij de vischvangst,

en in het Huis der Voorvaderen waartoe geen vrouw naderen mag, een

feestgenoot. Maar zij, de ongetrouwe en verachtelijke, heeft haar mans

eigendom verwaarloosd! Wat straf zal zij verdienen wanneer zijn kind

sterft? Zij echter hoort zijn woorden niet, hoezeer zij hem anders ook

vreest. Alleen het schreien van het kind hoort zij. Als het weder

gezond is zit zij met hem in den schoot, glanzende. De schoonste onder

de jonge meisjes is zoo schoon niet als zij.

De prauw drijft langzaam in de schaduw der eilandboschjes. De groene

duiven koeren lokkend met hun diepe stem.

Niet vele morgens meer zullen zijn zoo als gisteren was.

De oogen van jonge mannen die gister nog waren op het spoor van den

kazuaris in den boschgrond, op de diepe hoef-indrukken van het wilde

zwijn, morgen zullen zij zijn op haar. Het meisje bevoelt het sieraad

op haar borst. Haar oogen reiken naar een glorige, blank en

regenboog-bonte zeeslakken-schelp op den oever.

Plotseling, voor den boeg der prauw, springt een purperen visch omhoog.

Zoo snel heeft het kind haar boog gegrepen, dat terwijl hij weer

wegschiet in de golving de pijl hem treft. Een bloedstreep over wit van

schuim wijst naar de plek waar hij straks boven zal komen drijven.

Zij schiet er heen.

Met driftige vreugde grijpt zij den buit. Zij moet hem met beide armen

beuren, zoo groot en zwaar is de prachtige visch.

Nu hoeft voor geen straf zij te vreezen, bij de thuiskomst! Prijzen

zullen zij haar, allen, voor een overvloedig maal!

Met een beweging zoo zeker en licht dat geen schommeling het wankele

evenwicht van het prauwtje breekt, is zij opgerezen, en tuurt de verten

in naar de stoomboot.

Haar oogen zijn scherp als de oogen van een meeuw. Tusschen den zwerm

van prauwen die het groote schip omdringen, onderscheidt zij, ledig

dobberend, de prauwen van haar familie-huis. Lang nog zal het duren

voor de mannen terug zijn!

De riem ligt aan haar voeten.

Lichtweg draagt haar de golving.

Rank en rechtop staat zij, den boog in de stil afhangende hand, de

oogen in de verte.

De wind omspoelt haar in luchtige golfjes, de zon beschijnt haar van

voorhoofd tot enkels.

Tegen het wijde blauw van zee en lucht staat geheel en al gouden het

meisje,—zoo’n jong gaaf glanzig wezen, voor een wijle, vluchtiger dan

wind en morgenlicht, ongerept gelukkig.

De drie vrouwen in het Heilige Woud · 第 9 / 10 题