IN DE BAAI VAN TERNATE.

Enkel zonneschijn en licht-bewegende blauwte flonkerde de baai. Groen

en goud stond het kustgebergte in schoonen halfboog te blinken; de piek

van Ternate en de piek van Tidore, tweeling-heerschers over de zee en

de eilanden, gloorden tegen den azuren hemel, bijna doorschijnend, twee

zuivere spitsen van nog dieper azuur.

Toen kwam hij er aan geroeid in zijn prauw.

Met vasten slag hief en velde hij de riemen. Voor zijn voeten stond het

scheepje dat hij zelf had gebouwd van hout met zijn vader te zamen

gekapt in het strandwoud van Halmaheira. Op de ver vooruitspringende

kapen, waar de sterke zeewind de boomen grijpt, en wringende buigt tot

spint en hart naar zijn eigen gedaante zich voegt, gedaante van de

bewegende lucht, gedaante van het bewegende water, golfgedaante,

veerkrachtig krom, daar zoekt de kundige scheepsbouwer den stam uit

waaruit hij de flanken zal houwen van zijn prauw.

Heimelijk legde de knaap spaanders voor deugdelijkst beproefd ter

zijde, terwijl hij zijn vader aan de hand ging bij het bouwen der

groote zeilprauw voor de vaart op Serang en Nieuw Guinea, de kusten der

Geelvinksbaai, de eilanden van De Vier Vorsten. De vader,

half-glimlachend, deed als zage hij het niet. En hij zei: „Laat den

jongen!” als de moeder, een beschaduwende hand boven de oogen die

vergeefs het erf afzochten, naar hem riep voor het middagmaal van

sago-brood en geroosterden visch bedruppeld met citroensap.

Veilig verborgen achter het kruidnagelboschje zat hij te bouwen aan

zijn schip, alles van hem aan het werk, zijn handen, zijn knieën, zijn

lenig grijpende voeten aan het werk, zijn beproevende oogen en hoofd

vol gedachte aan het werk, zijn diepe adem aan het werk, zijn hart aan

het werk. Uit zijn binnenste innigheid maakte met zijn geheele zelf hij

zijn schip.

De kiel werd slank, de lange flanken bogen hun ronding fijn naar het

scherpe van den steven toe; de licht-rood en gouden visschen die met

een zwiependen staartslag opspringen uit de golving, en een

schitterboog maken door de lucht eer zij, flonkerend, weer het blauwe

in schieten, hebben juist zulk een scherpen kop, juist zulke

lenig-gebogen flanken. Als een visch door de golven schieten zou zijn

schip!

Hij klom in de hoogste palmen van het strand om uit de ragge

looverflarden door den wind gescheurd gladde gave bladers te plukken

voor het zeil. En zoo fijn en vast vlocht hij de smalle reepen bij het

fatsoeneeren van het vleugel-vormige driekant, dat het als

sarong-weefsel effen voelde toen hij, beproevend, het rolde tusschen

vinger en duim. Wel mocht hij het liedje neuren, dat na volbrachte

vaart het zeevolk zingt bij het aftuigen van de prauw:

„Wikkelt het zeil, wikkelt het zeil, wikkelt het zeil als een sigaret!”

Toen hij het naar den eisch had vastgesjord aan den mast, met touw van

de getwijnde vezels gedraaid van het warrel-weefsel dat onder de bast

van den arèn groeit, scheen de prauw hem volmaakt. Hij vond niets meer

te verbeteren toen hij, het hoofd op zij, onder gefronste wenkbrauwen

de oogen half dicht, haar betuurde, op armlengte van zich af haar

houdend.

Nu moest de zee haar beproeven en de wind!

Een lichte golving liep over de baai, toen hij van wal stak. Daar waar

zij wijd wordt naar het westen, waar prachtig zij open gaat naar zee,

daar kwam de wind erbinnen geloopen, speelsch en stout, een frissche

bries. De wiegelende golving richtte zich op, met plotselinge

schuimtoppen. Wind en water, golf van de lucht en golf van de zee, te

zamen renden zij den roeier tegemoet.

Hij haalde de riemen in.

Nog eens beproefde hij de spanning van zijn zeil, het spel van zijn

roer. Toen, overbuigend, zette met een bonzend hart hij zijn scheepje

in zee. Hij roeide weg, drie, vier riemslagen ver, hij liet het aan

zichzelven over, hij gaf het ruimte om te varen of te vergaan.

Ademloos, de oogen vastgebrand op het ranke ding, wachtte hij,

vooroverleunend over zijn riemen, van het hoofd tot de voeten als een

boog zoo strak gespannen van hartstochtelijke aandacht. Zijn hart was

in zijn schip.

Een groote golf sloeg het zijdelings, dat het wankelde. Het helde over,

schepte water! Zonk het? Krampachtig omknelden zijn handen de riemen.

Daar, met een siddering, richtte het zich op onder het plotseling den

wind vangende zeil dat bol uitsloeg. Het stond op tegen de golf die het

haast overstelpt had, het dook en rees wederom, het voer. Luchtig

scheerde het over het schuim.

De jongen haalde diep adem.

Een lach van geluk in de oogen zat hij glanzende, de Maker die zijn

maaksel schouwend, ziet dat het wèl in de wereld zich voegt.

De baai die wijd uit lag te flonkeren, de doorluchtige toppen en vèrre

bergen in zuivren boog, de lucht vol wind en zonneschijn omvingen met

schoonheid dit allerschoonste.

De drie vrouwen in het Heilige Woud · 第 7 / 10 题