I.

Toen wist zij het, den volgenden dag, toen zij alleen zat en nadacht,

dat de sfeer van het geluk, van het hoogste en lichtste, niet betreden,

mag worden, dat ze slechts tot ons stralen mag als eene zon en dat wij

er niet in mogen gaan, in hare heilige zonnekern. Zij hadden dat

gedaan ...

Lusteloos zat zij; de kinderen waren bij haar, Christie hing en zag

bleek. O ja, ze verweekte ze, maar wat kon ze aan zich veranderen?

Weken gingen er voorbij en Cecile hoorde niets van Quaerts; dat was

altijd zoo: nadat ze hem gezien had, gingen er zoo, slepend, weken

voorbij, dat ze hem niet zag. Hij was immers tè gelukkig bij haar, dat

verwende hem te veel. Hij beschouwde haar als een zeldzaam genot,

waarvan men maar weinig genoeg heeft ... En zij, ze had hem eenvoudig

lief, met de innigste essence harer ziel, gewoon lief als eene vrouw een

man lief heeft ... Zij had hem altijd noodig, iederen dag, ieder uur, bij

iederen ademtocht van haar leven.

Bij toeval ontmoette zij hem toen, te Scheveningen, waar zij op een

avond was met Amélie en Suzette. Toen weêr eens, bij toeval, op eene

receptie, van Mevrouw Hoze. Hij had iets verlegens tegenover haar en zij

gevoelde eenigen trots en vroeg hem niet te komen. Ja, er was iets

veranderd in wat zich tusschen hen had geweven. Maar zij leed zeer, ook

om dien dwazen trots, en dat zij hem niet met nederigheid smeekte, dat

hij komen zoû. Hij was immers haar god: wat hij deed was goed.

Zoo zag zij hem niet gedurende weken, weken. Het leven ging voort; zij

had iederen dag kleine bezigheden, in haar huishouden, voor heure

kinderen; mevrouw Hoze berispte haar om hare afsterving van de wereld en

zij dacht voortaan meer aan hare visites, terwille van mevrouw Hoze, die

dat gevraagd had. In hare herinnering waren stralen; in die stralen zag

zij het diner, hunne gesprekken en wandelingen, geheel hare liefde,

geheel zijn opzien tot haar, die hij madonna noemde; hunnen laatsten

avond van licht en extaze. Dan glimlachte zij en die glimlach zelve

straalde over hare smart heen; hare smart, dat zij hem niet meer zag, en

zich trotsch gevoelde en wat bitterheid in zich had. Alles moest immers

goed zijn, zooals hij het wilde.

O, de avonden, de zomeravonden, die koelden na warme dagen, de avonden,

die zij alleen zat, turende van uit hare kamer, waar de onyxen lamp met

halve vlam brandde, turende van uit de open vensterdeuren naar de

trammen, die, rinkelend met bellen, kwamen en gingen naar Scheveningen,

vol, vol menschen! Het wachten, het eindeloos lange wachten avonden,

avonden lang, in eenzaamheid, als de kinderen waren gaan slapen! Het

wachten, als zij maar stil zat, de oogen strak voor zich uit, kijkende

naar de trammen, die eindelooze, die vervelende trammen. Waar was haar

vroegere gelijkmatige zachtheid van droomend geluk? En waar, waar was

haar zonnestralend geluk? En waar was haar strijd in zichzelve tusschen

wat zij was en wat hij in haar zag? Ook die strijd was niet meer,

overwonnen was die strijd; ze voelde niet meer die hevigheid van

hartstocht; zij verlangde alleen naar hem, zooals hij altijd gekomen

was, zooals hij nu niet meer kwam. Waarom kwam hij niet? Het geluk

verwende, de menschen spraken over hen ... Het was niet goed, dat zij

veel elkaâr zagen--hij had dat gezegd op den vooravond van hun hoogste

geluk--niet goed voor hem en niet goed voor haar.

Zoo zat zij en dacht zij, en stille groote tranen vielen haar uit de

oogen, want zij wist, dat al kwam hij ook een beetje om zichzelven niet

bij haar, hij vooral niet kwam om haar. Wat had zij niet gezegd, 's

avonds op die bank in de Boschjes, met haar armen om zijn hals! O, zij

had moeten zwijgen, dat voelde ze nu. Zij had hare verrukking niet

moeten uiten, maar ze stil in zichzelve moeten genieten, als een geheim;

zij had hèm zich moeten laten uiten: zijzelve had madonna moeten

gebleven zijn. Maar het was haar toen te vol, te gelukkig geweest en,

in die overmate van geluk, had zij niet anders kunnen zijn dan waar en

klaar als een heldere spiegel. Hij had in haar geblikt, hij had haar

geheel gezien: zij wist dat, ze was daar zeker van.

Hij wist nu, hòe zij hem liefhad; zij had hem dat zelve geopenbaard.

Maar zij had hem immers ook geopenbaard, dat dit alles het verleden was,

dat zij _nu_ was, die hij wilde! Toen, toen was dat óók waar geweest,

klaar en waar ... Maar nu? Duurt extaze dan maar één oogenblik en wist

hij dat? Wist hij, dat hare zielevlucht heur hoogste bereikt had en nu

weêr dalen moest tot gewonere sfeer? Wist hij, dat zij hem nu weêr

liefhad, gewoon weg, met alles, geheel en al, niet zoo wijd meer als de

hemelen, en nu weêr zoo wijd maar als hare armen konden uitslaan en

omvademen? En kon hij haar die liefde zoo klein niet teruggeven en kwam

hij daarom niet bij haar?

Extaze: Een Boek van Geluk · 第 37 / 40 题