Hij was heen en ze was alleen, wachtende de kinderen. Zij vergat te
bellen, om de lamp te laten aansteken, en de schemering van den laten
namiddag duisterde naar binnen. Zij zat roerloos en keek voor zich uit,
naar de dorre boomen.
--Waarom ben ik dan niet gelukkig? dacht ze. Hij voelt zich gelukkig bij
mij; bij mij alleen is hij zichzelve, wat hij in de wereld niet zijn
kan. Waarom kan _ik_ dan niet gelukkig zijn.
Zij had pijn, hare ziel leed, en het scheen haar toe, dat hare ziel leed
voor het éerst, misschien omdat, voor het eerst, die ziel niet zichzelve
was geweest maar een ander. Het scheen haar toe, dat eene andere vrouw
te voren met hem, Quaerts, gesproken had. Eene hooge vrouw: eene vrouw
van illuzie--de vrouw, die hij in haar zag;--en niet de vrouw, die zij
wàs: eene nederige vrouw, eene vrouw van liefde. O, zij had zich moeten
beheerschen, om hem niet te vragen: Waarom spreek je zoo tot mij? Waarom
voer je je mooie gedachten zoo òp tot mij, en waarom laat je ze niet
neêrdauwen òver me, want zie, ik sta niet zoo hoog als je meent, en zie,
ik lig aan je voeten en mijn blik zoekt je boven me!
Had zij hem moeten zeggen, dat hij zich bedroog? Had zij hem moeten
vragen: Waarom verlaag ik me door me te mengen met andere menschen? Wie
dan toch zie je in me? Zie, ik ben alleen eene vrouw, eene vrouw van
zachtheid en gedroom, en zie, ik heb je lief gekregen, ik weet niet
waarom! Had zij dan zijne oogen moeten openen en hem moeten zeggen: zie
in een spiegel je eigen ziel en zie jezelven en zie, dat je een god bent
op aarde: een god, die alles weet, omdat hij het voelt, voelt, omdat hij
het weet ... Alles!... Neen ... niet alles, want hij bedroog zich, die god
en hij meende in haar, die slechts schepsel was van hem, zijne gelijke
te zien. Had zij dit alles moeten verklaren, zoo ten koste van hare
schuchterheid als van zijn geluk? Want zijn geluk--ze wist dat nu--was
haar te zien, zooals hij haar zag.
--Bij mij voelt hij zich gelukkig! dacht ze. En hij heeft sympathie met
me gesloten ... Geen vriendschap sloot hij, en hij sprak niet van liefde,
maar hij noemde dat: sympathie ... Bij mij voelt hij alleen zijn
eigenlijke mensch en niet dat andere ... zijn beest! Zijn beest...!!
Toen kwam iets over haar drijven als eene somberheid van wolken en zij
huiverde voor wat eensklaps door haar heen klotste: een breede stroom
van zwartheid, als lag er veel modder op de bedding van dien stroom, als
borrelde die modder naar boven in troebele kringen, die grooter werden
en grooter! En zij schrikte voor dien stroom en wilde hem niet zien,
maar hij gulpte over hare landschappen--vroeger zoo helder met kimmen
van licht!--nu, met een lucht van inkt daarboven gesmeerd als vuile
nacht.
--Wat denkt hij hoog, en wat is zijn gedachte edel! dwong Cecile zich
nog te verbeelden, ondanks dat alles ...
Maar het ging niet meer: ùit haar heen duizelde de bewondering van de
hoogheid zijner gedachte weg in een afgrond en toen, in eens, als met
een bliksem door den nacht van die inktlucht heen, zag ze duidelijk, dat
zij die hoogheid van gedachte betreurde, betreurde in hèm!
Het was geheel donker in de kamer geworden. Cecile had zich, ontzet voor
het weêrlicht, dat haar aan zichzelve openbaarde, achterover gegooid in
de kussens der bank. Zij verborg haar gelaat in hare handen, persende
hare oogen, als wenschte zij nu, na die zelfopenbaring, blind te worden.
Maar demonisch woedde het door haar heen als een orkaan van de hel,
stormvlaag van zinnenpassie, die opblies uit de donkerte van het
landschap en de troebele golven van den stroom zweepte òp naar die lucht
van inkt.
--Oh! kreunde zij. Ik ben hem onwaardig...!
* * * * *