I.

Cecile ging den langwerpigen hall, die als eene galerij was, door:

lakeien stonden bij de portière, een gegons van stemmen suisde daar

achter. Haar sleep ruischte even tegen een paar palmblaren aan en dit

geluid gaf haar eene plotselinge trilling in de snaren van heur

sensitivisme. Zij was een beetje zenuwachtig; hare oogleden knipten

lichtjes en haar mond had een zeer ernstigen plooi.

Zij trad binnen; er was veel licht, maar zacht, alleen van kaarsen. Twee

officieren weken voor haar uit, daar zij draalde. Met de oogen zocht ze

mevrouw Hoze; zij bespeurde haar, te midden van enkele gasten, met haar

grijs hoofd, haar vriendelijk en toch hooghartig gezicht, glad rozig,

bijna zonder rimpel. Mevrouw Hoze kwam haar tegemoet.

--Je weet niet, hoe lief ik je vind, dat je me niet gedupeerd hebt!

sprak ze, Cecile's hand drukkend, ontluikend in de wereldsche

minzaamheid van heur gastvrouwschap.

Zij stelde Cecile hier en daar voor: Cecile hoorde namen, waarvan de

klank haar dadelijk weêr ontviel.

--Generaal, mag ik u verzoeken ... Mevrouw Van Even, hoorde zij mevrouw

Hoze fluisteren.

Cecile haalde diep adem, onmerkbaar de hand drukkende op den rand van

haar corsage, alsof zij iets schikte. Mevrouw Hoze verliet haar, ging

eene dame en een heer tegemoet, en Cecile antwoordde vluchtigjes den

generaal. Zij was zeer bleek, en meer en meer knipten hare oogleden.

Haar blik dorst even door den salon te zoeken.

Zij stond naast den generaal, zich dwingend te luisteren om niet iets

heel dwaas te antwoorden; zij was heel lang, rank en recht, hare

schouders blondwit als een marmer, waar zon over schijnt, bloesemend uit

eene sombere vaas van zwart: fijne zwarte tulle, die sleepte, geheel en

al bezaaid met kleine zwarte pailletten, als loovertjes van git: eene

glinstering van zwart op transparant zwart, dat dof was; een koord met

gitten kwasten, die laag afhingen, gestrikt om haar leest. Zoo stond zij

daar blond, blondblank en zwart, een beetje somber in het licht van

andere toiletten, en als eenige helte, in haar ooren een paar diamanten,

die waren als droppelen dauw.

Er was eene trilling in hare dunne Suède vingers, die den waaier

bewogen: eene zwarte tulle transparentheid, waarop dezelfde loovertjes

van git glinsterden als met een spel van glansjes zwart. Zij ademde wat

snel achter den doorschijnenden wiek van den waaier, pratende met den

generaal, mager en kaal, gedistingueerd, niet in uniform, maar bestard

met een paar decoraties.

De gasten van Mevrouw Hoze liepen door elkaâr, begroeteden elkander hier

en daar, in een voortdurend gonzen van stemgeluid. Cecile zag Taco

Quaerts naar haar toekomen; hij boog voor haar; zij boog terug, zonder

hem de hand te geven, met haar kouden blik. Hij bleef even bij haar

dralen met een enkel woord, toen ging hij verder, andere kennissen

begroetend.

Mevrouw Hoze had den arm van een ouden heer genomen; een defilé begon

zich langzaam te formeeren. De lakeien hadden deuren open geschoven; een

tafel glinsterde, half zichtbaar. De generaal boog zijn arm naar Cecile

toe, wier blik achter zich zag met eene loome halswending. Zij sloot

even hare oogleden, om ze niet zoo te laten knippen. Eene teleurstelling

deed hare wenkbrauwen bewegen, maar glimlachend legde zij de tippen

harer vingers op den arm van den generaal en streek met den dichten

waaier een plooi weg uit de tulle van haar sleep.

Extaze: Een Boek van Geluk · 第 15 / 40 题