Cecile was alleen: de kinderen waren naar boven, om zich op te knappen
voor het diner. En ze zocht terug te zien hare verre perspectieven met
bleeken horizont; ze zocht zich de zilverige oneindigheid terug, die
door haar heen geschoten was als eene ontvangenis van licht. Maar het
warrelde haar te veel: een caleidoscoop van héel recente herinneringetjes:
de kinderen, Quaerts, Emerson, Jules, Suzette, Amélie. Vreemd, vreemd
was het leven ... Het uiterlijke leven, het komen en gaan van menschen om
ons heen; het klinken van woorden, die zij zeggen met stemmen van
vreemdheid; het eindeloos wisselen der verschijnselen; het schakelen van
die verschijnselen, het een aan het ander vreemd ook, het zijn van de
ziel ergens in ons, als een god _in_ ons, nooit te kennen voor
zichzelven in de essence van hémzelven. Dikwijls, zooals nu, scheen het
Cecile, dat alles, de aller-banaalste dingen, vreemd, zeer vreemd waren,
alsof er in het geheel niets banaals in de wereld was, alsof alles
vreemd was: de vreemde vorm en uiterlijkheid van een dieper leven, dat
in alles school, tot in het minste voorwerp toe, alsof alles zich maar
vertoonde met een schijnsel, masker van voordoen, terwijl daaronder het
eigenlijke was: de waarheid. Vreemd, zoo vreemd het leven ... Want het
scheen haar of ze, onder de heel-gewoonheid van die afternoon-tea, iets
heel ongewoons gezien had; wat, wist ze niet, zoû ze niet kúnnen
uìtdrukken, zelfs niet kunnen uitdènken; het was haar of er onder het
gaan en komen van die menschen iets geschitterd had: het eigenlijke, de
waarheid onder het verschijnsel van hun voordoen om bij haar te komen
thee drinken.
--Wat? Wat is het? dacht ze. Maak ik me dat nu wijs, of is het zoo? Ik
voel het toch ...
Het was heel vaag en toch was het heel duidelijk ... Het was haar of er
een lichtbeeld, een schaduw van licht was achter alles wat zich daar had
voorgedaan. Achter Amélie en Jules en Quaerts en dat gevallen boek, dat
hij even in de hand had gehouden ... Beteekenden die luchtschaduwen iets,
of ...
Maar zij schudde het hoofd.
--Ik droom, ik fantazeer! lachte ze in zichzelve. Het was heel eenvoudig.
Ik maak het maar zoo ingewikkeld, omdat ik daar pleizier in heb.
Maar zoodra ze dit dacht, voelde zij iets, dat die gedachte intens
loochende. Eene intuïtie, die haar de essence der waarheid wilde doen
raden en dit niet geheel en al vermocht. Zeker, er was toch iets. Iets
achter dat alles, verscholen, schuilende als de schaduw school achter
het ding, en die schaduw scheen haar toe van licht ...
Hare gedachte dwaalde nog wat rond over die menschen; toen bleef ze
hangen aan Taco Quaerts. Ze zag hem daar weêr zitten, een beetje zich
buigende naar haar toe, zijne handen in elkaâr gevouwen, hangende
tusschen zijne knieën, terwijl hij tot haar opzag. Eene scheiding van
afkeer was als een staaf van ijzer tusschen hen geweest. Ze zag hem daar
weêr zitten en toch was hij al weg. Dat was al weêr voorbij; wat ging
alles spoedig heen; hoe klein was de stip van het heden!
Ze stond op; ze zette zich voor het schrijftafeltje; ze schreef, in
eens, neêr:
"Onder me vloeit de zee van het verleden, boven me drijft de ether der
toekomst, en ik sta daar tusschen-in als op een stip van werkelijkheid;
een stip zoo klein, dat ik beide voeten pal tegen elkaâr moet drukken,
om staande te blijven. En van af de stip van mijn heden ziet mijn
weemoed neêr naar die zee en mijn verlangen op naar die lucht.
"Ik kan niet veel leven op mijn stip: ze is zoo klein, dat ik ze
nauwlijks zie, ze nauwlijks voel onder mijne voeten en toch is ze mijne
eenige werkelijkheid. Ik geef niet veel om haar: mijne oogen volgen maar
het wegrimpelen dier golven naar verre einders, het glijden dier wolken
naar verre sferen: vage luchtschijnsels van eindelooze verandering,
transparante ongedurigheden, lichaamloosheden, die zichtbaar zijn. Het
heden is het eenige, dat is, of dat ten minste schijnt te zijn. De stap
is; de stip, ten minste, schijnt; de zee niet, en die lucht niet, want
die zee is slechts herinnering en die lucht slechts illuzie. En toch
zijn herinnering en illuzie alles, zijn ze de wijde domeinen der ziel,
die van de stip afvliegt en op de zee afglijdt naar de einders, die
wijken en op de wolken wegdrijft naar de sferen, die wijken en
wijken ..."
Toen dacht ze na. Hoe had ze dat zoo geschreven, waarom? Hoe was ze er
toe gekomen? Ze ging met hare gedachten terug: het heden, de stip van
het heden, die zoo klein was ... Quaerts, Quaerts' houding zoo even voor
haar heropgerezen. Had iets wat hèm betrof, haar die zinnen doen
neêrschrijven? Het verleden, weemoed; de toekomst, illuzie ... Waarom,
waarom, illuzie?
--En Jules, die van hem houdt, dacht ze. En Amélie, die van hem sprak ...
Maar ze wist niets ... Wat is er in hem, wat schuilt er achter hem; zijn
lichtschaduw? Waarom kwam hij hier? Waarom voel ik toch antipathie voor
hem? Voel ik die antipathie wel? Ik kan niet in zijn eigen oogen zien ...
Ze had dat gaarne eens gedaan; ze had gaarne zeker willen zijn van die
antipathie of: niet zeker ... Een van beiden. Ze was nieuwsgierig om hem
nu weêr eens te zien, nieuwsgierig, wat ze dan door hem denken en voelen
zoû ... Zij was opgestaan van hare schrijftafel, ze vlijde zich nu
rechtuit op de chaise-longue, wond hare armen achter heur hoofd. Ze wist
niet meer wat ze droomde maar ze voelde zich stil gelukkig. Zij hoorde
Dolf en Christie de trap afkomen; ze kwamen binnen, het was etenstijd.
--Jules was toch heusch zoo even wel stout, niet waar mama-te? vroeg
Christie nog eens met een bedenkelijk gezicht.
Ze trok het kleine, fijne ventje zacht tot zich, ze nam hem vast tegen
zich aan, in haar armen en zacht kuste ze zijn vochtig mondje van bleek
frambozenrood.
--Neen, heusch niet, liefje! sprak ze. Hij was heusch niet stout ...
* * * * *