VIII.

Cecile was alleen: de kinderen waren naar boven, om zich op te knappen

voor het diner. En ze zocht terug te zien hare verre perspectieven met

bleeken horizont; ze zocht zich de zilverige oneindigheid terug, die

door haar heen geschoten was als eene ontvangenis van licht. Maar het

warrelde haar te veel: een caleidoscoop van héel recente herinneringetjes:

de kinderen, Quaerts, Emerson, Jules, Suzette, Amélie. Vreemd, vreemd

was het leven ... Het uiterlijke leven, het komen en gaan van menschen om

ons heen; het klinken van woorden, die zij zeggen met stemmen van

vreemdheid; het eindeloos wisselen der verschijnselen; het schakelen van

die verschijnselen, het een aan het ander vreemd ook, het zijn van de

ziel ergens in ons, als een god _in_ ons, nooit te kennen voor

zichzelven in de essence van hémzelven. Dikwijls, zooals nu, scheen het

Cecile, dat alles, de aller-banaalste dingen, vreemd, zeer vreemd waren,

alsof er in het geheel niets banaals in de wereld was, alsof alles

vreemd was: de vreemde vorm en uiterlijkheid van een dieper leven, dat

in alles school, tot in het minste voorwerp toe, alsof alles zich maar

vertoonde met een schijnsel, masker van voordoen, terwijl daaronder het

eigenlijke was: de waarheid. Vreemd, zoo vreemd het leven ... Want het

scheen haar of ze, onder de heel-gewoonheid van die afternoon-tea, iets

heel ongewoons gezien had; wat, wist ze niet, zoû ze niet kúnnen

uìtdrukken, zelfs niet kunnen uitdènken; het was haar of er onder het

gaan en komen van die menschen iets geschitterd had: het eigenlijke, de

waarheid onder het verschijnsel van hun voordoen om bij haar te komen

thee drinken.

--Wat? Wat is het? dacht ze. Maak ik me dat nu wijs, of is het zoo? Ik

voel het toch ...

Het was heel vaag en toch was het heel duidelijk ... Het was haar of er

een lichtbeeld, een schaduw van licht was achter alles wat zich daar had

voorgedaan. Achter Amélie en Jules en Quaerts en dat gevallen boek, dat

hij even in de hand had gehouden ... Beteekenden die luchtschaduwen iets,

of ...

Maar zij schudde het hoofd.

--Ik droom, ik fantazeer! lachte ze in zichzelve. Het was heel eenvoudig.

Ik maak het maar zoo ingewikkeld, omdat ik daar pleizier in heb.

Maar zoodra ze dit dacht, voelde zij iets, dat die gedachte intens

loochende. Eene intuïtie, die haar de essence der waarheid wilde doen

raden en dit niet geheel en al vermocht. Zeker, er was toch iets. Iets

achter dat alles, verscholen, schuilende als de schaduw school achter

het ding, en die schaduw scheen haar toe van licht ...

Hare gedachte dwaalde nog wat rond over die menschen; toen bleef ze

hangen aan Taco Quaerts. Ze zag hem daar weêr zitten, een beetje zich

buigende naar haar toe, zijne handen in elkaâr gevouwen, hangende

tusschen zijne knieën, terwijl hij tot haar opzag. Eene scheiding van

afkeer was als een staaf van ijzer tusschen hen geweest. Ze zag hem daar

weêr zitten en toch was hij al weg. Dat was al weêr voorbij; wat ging

alles spoedig heen; hoe klein was de stip van het heden!

Ze stond op; ze zette zich voor het schrijftafeltje; ze schreef, in

eens, neêr:

"Onder me vloeit de zee van het verleden, boven me drijft de ether der

toekomst, en ik sta daar tusschen-in als op een stip van werkelijkheid;

een stip zoo klein, dat ik beide voeten pal tegen elkaâr moet drukken,

om staande te blijven. En van af de stip van mijn heden ziet mijn

weemoed neêr naar die zee en mijn verlangen op naar die lucht.

"Ik kan niet veel leven op mijn stip: ze is zoo klein, dat ik ze

nauwlijks zie, ze nauwlijks voel onder mijne voeten en toch is ze mijne

eenige werkelijkheid. Ik geef niet veel om haar: mijne oogen volgen maar

het wegrimpelen dier golven naar verre einders, het glijden dier wolken

naar verre sferen: vage luchtschijnsels van eindelooze verandering,

transparante ongedurigheden, lichaamloosheden, die zichtbaar zijn. Het

heden is het eenige, dat is, of dat ten minste schijnt te zijn. De stap

is; de stip, ten minste, schijnt; de zee niet, en die lucht niet, want

die zee is slechts herinnering en die lucht slechts illuzie. En toch

zijn herinnering en illuzie alles, zijn ze de wijde domeinen der ziel,

die van de stip afvliegt en op de zee afglijdt naar de einders, die

wijken en op de wolken wegdrijft naar de sferen, die wijken en

wijken ..."

Toen dacht ze na. Hoe had ze dat zoo geschreven, waarom? Hoe was ze er

toe gekomen? Ze ging met hare gedachten terug: het heden, de stip van

het heden, die zoo klein was ... Quaerts, Quaerts' houding zoo even voor

haar heropgerezen. Had iets wat hèm betrof, haar die zinnen doen

neêrschrijven? Het verleden, weemoed; de toekomst, illuzie ... Waarom,

waarom, illuzie?

--En Jules, die van hem houdt, dacht ze. En Amélie, die van hem sprak ...

Maar ze wist niets ... Wat is er in hem, wat schuilt er achter hem; zijn

lichtschaduw? Waarom kwam hij hier? Waarom voel ik toch antipathie voor

hem? Voel ik die antipathie wel? Ik kan niet in zijn eigen oogen zien ...

Ze had dat gaarne eens gedaan; ze had gaarne zeker willen zijn van die

antipathie of: niet zeker ... Een van beiden. Ze was nieuwsgierig om hem

nu weêr eens te zien, nieuwsgierig, wat ze dan door hem denken en voelen

zoû ... Zij was opgestaan van hare schrijftafel, ze vlijde zich nu

rechtuit op de chaise-longue, wond hare armen achter heur hoofd. Ze wist

niet meer wat ze droomde maar ze voelde zich stil gelukkig. Zij hoorde

Dolf en Christie de trap afkomen; ze kwamen binnen, het was etenstijd.

--Jules was toch heusch zoo even wel stout, niet waar mama-te? vroeg

Christie nog eens met een bedenkelijk gezicht.

Ze trok het kleine, fijne ventje zacht tot zich, ze nam hem vast tegen

zich aan, in haar armen en zacht kuste ze zijn vochtig mondje van bleek

frambozenrood.

--Neen, heusch niet, liefje! sprak ze. Hij was heusch niet stout ...

* * * * *

Extaze: Een Boek van Geluk · 第 13 / 40 题