Hij legde daarna de roode domino af die hem met lappen aan het lichaam
hing, nam hoed en stok en hing zijn jas om de schouders.
In datzelfde oogenblik stond de rechercheur voor hem, die door zijn
verschijning het gezelschap uit elkaar had gejaagd.
„Je kunt nog niet naar beneden, Raffles, ze zoeken nog naar je.”
„Je hebt je goed van je plicht gekweten, Charly”, sprak Raffles.
„Ik zal nu wachten tot de dag aanbreekt om dan hier vandaan te gaan.
„Tot zoo lang behoor ik ook tot de orde van den Kouseband. Ik heet lord
Westminster, beste Charly, is dat niet deftig?”
Charly Brand moest hartelijk lachen.
Hij ging naar beneden, waar Baxter nog steeds op post stond.
„Hebt ge den vluchteling gezien, rechercheur?”
„Neen inspecteur, ik denk dat hij er van door is gegaan en zoolang in
de Jockey Club onderkomen heeft gezocht!”
Maar inspecteur Baxter stoorde zich niet aan deze woorden en rende de
trap weer op.
Charly Brand keek hem hoofdschuddend na.
„Als de boel nu maar niet in het honderd loopt”, sprak hij op bezorgden
toon.