DE THUISKOMST.

't Is een wonderlijk gevoel thuis te komen. Terwijl ge nog op reis

zijt, kunt ge niet denken, dat het zoo wonderlijk zal zijn.

Wanneer ge komt bij Reggio aan de straat van Messina en Sicilië uit

de zee ziet opduiken als een nevelland, wordt ge haast ongeduldig.

"Is het niets anders?" zegt ge. "Dat is immers een land zooals alle

andere."

En als ge bij Messina aan land stapt, zijt ge nog steeds ongeduldig. Er

moest iets gebeurd zijn, er moest iets geschied zijn, terwijl ge weg

waart. Ge hadt niet dezelfde ellende, dezelfde lompen, denzelfden

nood moeten terugvinden, die ge bij uw vertrek verlaten hebt. Wel ziet

ge dat de lente gekomen is. De vijgeboomen dragen reeds bladeren, de

wijnstokken zenden ranken uit, die in een paar uur zichtbaar groeien,

en een menigte erwten en boonen liggen op de kade.

Slaat ge een blik op de heuvelen rondom de stad, dan ziet ge dat de

grauwe cactusplanten, die langs de rotshellingen groeien, bedekt zijn

met vuurroode bloemen, die schitteren als kleine, vurige vlammen. 't

Schijnt alsof de fichedenda's vol vuur zijn, dat nu is uitgebroken.

Maar hoewel de cactus in vollen bloei staat, is hij nog even grauw,

stoffig en met spinnewebben bedekt als altijd. En ge zegt tot u zelf,

dat Sicilië gelijkt op den cactus. Hoe vele lenten er ook over het

eiland gegaan zijn, het blijft toch altijd het land der grauwe armoede.

Ge kunt niet begrijpen, dat alles precies gelijk is gebleven. De

Scylla en de Charybdis hadden moeten bruisen gelijk in vroeger

dagen. De steenen reuzen in den Girgentitempel moesten opgestaan

zijn met geboeide leden. Selinunts tempel moest verrezen zijn uit

zijn puinhoopen. Heel Sicilië moest ontwaakt zijn.

Als ge nu van Messina langs de kust reist, zijt ge nog steeds

ongeduldig. Ge ziet, dat de boeren nog steeds het land bewerken met

houten ploegen en dat hun paarden er nog even mager, ellendig en

uitgehongerd uitzien, als vóór uw vertrek.

Ja, alles is precies gelijk gebleven. De zonneschijn valt neer op

de aarde als een regen van kleuren, de pelagonia's bloeien aan den

wegkant, de zee ligt zacht blauw en streelt het strand.

Woeste bergen met hooge kruinen verheffen zich langs de kust. Het

hooggebergte van den Etna verrijst aan den horizon. Plotseling

bemerkt ge, dat er iets wonderbaarlijks geschied is. Ge zijt niet

meer ongeduldig, integendeel, ge verheugt u over de bloeiende velden,

de bergen en de blauwe zee.

Ge wordt teruggevoerd tot de schoone aarde als een van haar verloren

bezittingen. Ge hebt geen tijd aan iets anders dan aan haar te

denken. Eindelijk komt ge in de nabijheid van uw echt thuis, waar ge

uw kindsheid hebt doorgebracht.

Hoe hebt ge zulke goddelooze gedachten kunnen hebben, terwijl ge weg

waart? Dit arme thuis wildet ge nooit weerzien omdat ge daar te veel

geleden hebt?--

Dan aanschouwt ge opeens de oude bergstad op eenigen afstand, en die

ziet er vroolijk lachend uit en voelt zich volkomen onschuldig.

"Kom, heb mij opnieuw lief," zegt ze.

En ge kunt niet anders dan gelukkig en dankbaar zijn, omdat ze uw

liefde wil aannemen.

O, als ge nu komt op den zigzagweg, die naar de stadspoort voert! De

schaduw van een olijfboom valt over u. Wil hij u liefkoozen? Een kleine

hagedis komt te voorschijn op een muur. Ge moet staan blijven om naar

haar te kijken. Kan zij niet een oude kennis zijn, die u goedendag

wil zeggen?

Plotseling wordt ge angstig. Uw hart begint te kloppen en te

hameren. Ge herinnert u, dat ge niet weet wat ge zult hooren,

als ge thuis komt. Geen brief hebt ge geschreven, niemand hebt ge

ontvangen. Alles wat u aan uw thuis kon herinneren, hebt ge van u

gewezen. Dat was het verstandigste nu ge toch nooit weer thuis zoudt

komen. En tot dit oogenblik was alles wat uw huis betrof, dood voor u.

Maar nu weet ge niet, hoe ge het leven zult kunnen uithouden indien er

thuis iets veranderd is. 't Zal u zulk een groot verdriet veroorzaken,

indien de Monte Chiaro slechts één palm verloren heeft, indien er

slechts één enkele steen losgeraakt is uit den stadsmuur.

Zou de groote agave nog op het vooruitspringende rotsblok staan? Neen,

de agave is er niet meer, die is omvergehakt. En de steenen bank aan

den weg is gebroken. Die bank zult ge missen, het was altijd zulk een

heerlijk rustpunt. En zie, op het groene veld onder den amandelboom

is een schuur gebouwd. Nu kunt ge u nooit meer uitstrekken op dat

bloeiende klaverveld.

Ge wordt angstig bij elke schrede. Wat zult ge nu zien? Zoo ontroerd

zijt ge, dat ge voelt dat ge in tranen zoudt uitbarsten, indien ge

slechts hoordet, dat er een der oude bedelaarsters gestorven is,

terwijl ge afwezig waart.

Neen, ge wist niet dat het zoo wonderlijk is, thuis te komen. Ge

kwaamt eenige weken geleden uit de gevangenis, en de lusteloosheid

der gevangenis lag nog over u. Ge wist nauwelijks of ge wel naar

huis zoudt reizen. De geliefde was dood, 't was al te vreeselijk

de oude wonde opnieuw open te rijten. Zoo liept ge lusteloos rond,

maar eindelijk vermandet gij u. Gij moest toch naar uw oude, arme

moeder. En nu ge daar gaat, voelt ge, dat ge hebt verlangd naar elken

steen, iederen grashalm.

Dadelijk nadat Gaetano in den winkel kwam, heeft donna Elisa zich

voorgenomen: "Nu zal ik met hem spreken over Micaela. Misschien weet

hij nog niet eens dat zij leeft." Maar zij stelt dat minuut na minuut

uit, niet alleen omdat zij hem een tijdje voor zich alleen wil houden,

maar ook omdat hij, zoodra hij Micaela's naam hoort, liefdesmart en

pijn zal gevoelen. Want Micaela wil niet met hem trouwen, dat heeft

ze donna Elisa duizenden malen gezegd.

Zij wil hem bevrijden uit de gevangenis, maar ze wil niet de vrouw

van een vrijdenker worden.

Slechts een half uur wil donna Elisa Gaetano voor zich zelf behouden,

slechts een enkel half uurtje.

Maar zoo lang zal zij zeker niet kunnen zitten met zijn hand in de hare

en hem duizenden vragen doen, want het volk heeft zijn komst reeds

vernomen. Opeens staat de straat vol menschen, die hem allen willen

zien. Donna Elisa heeft den grendel voor de winkeldeur geschoven,

want zij wist immers, dat zij geen oogenblik rust zou hebben, zoodra

men Gaetano ontdekt heeft. Maar het baat haar heel weinig.

De menschen kloppen op de ramen en rammelen aan de deur.

"Don Gaetano," roepen ze. "Don Gaetano!"

Gaetano verschijnt lachend op de trap. Ze zwaaien met hun mutsen en

roepen luid hoera. Hij ijlt tusschen de menschenmenigte en omhelst

den een na den ander. Maar dat is niet alles wat ze verlangen. Hij

moet op de trap een toespraak tot hen houden; hij moet hun vertellen

hoe hard de regeering voor hem geweest is en hoe hij geleden heeft

in de gevangenis.

Gaetano lacht nog steeds en gaat op de trap staan.

"De gevangenis," zegt hij, "wat zal ik u daarvan vertellen? Ik heb

elken dag mijn soep gehad, elken middag, dat is meer dan velen van

u kunnen zeggen."

De kleine Gandolfo zwaait zijn muts en roept:

"Nu zijn er heel wat meer socialisten in Diamante, dan toen ge

weggingt, don Gaetano."

"Hoe zou dat anders kunnen zijn," lachte hij. "Alle menschen

moeten socialist worden. Is het socialisme dan iets gevaarlijks,

iets afschuwelijks? Het socialisme is een idylle. 't Is een idylle

van een eigen thuis, van gezegenden arbeid, zooals iedere mensch dat

droomt in zijn jeugd. Een heele aarde vervuld van...."

Hier zwijgt hij plotseling. Toevallig heeft hij een blik geworpen

op het zomerpaleis. Daar staat donna Micaela op een der balkons en

kijkt naar hem.

Hij denkt geen oogenblik, dat zij een visioen of een spookverschijning

is. Hij ziet dadelijk dat zij leeft. Maar juist daarom.... Of het

nu ook kwam omdat de gevangenistijd zijn krachten verzwakt heeft,

en hij zich nu niet beheerschen kan.... hij voelt dat hij zich niet

staande kan houden. Hij grijpt met de handen in de lucht, tracht tegen

den deurpost te leunen, maar 't helpt niets. Zijn beenen dragen hem

niet langer, hij valt van de trap en slaat met een harden bons zijn

hoofd tegen de steenen.

Hij ligt daar als voor dood.

Ze vliegen allen op hem af, dragen hem naar binnen, ijlen naar een

dokter, spreken allen tegelijk en slaan duizenden middeltjes voor om

hem te helpen.

Donna Elisa en Pacifica krijgen hem eindelijk in een der

slaapkamers. Luca jaagt de menschen uit het huis, en stelt zich op

wacht voor de gesloten deur. Donna Micaela, die met de anderen naar

binnen gekomen is, neemt hij het eerst van allen bij de hand en brengt

haar buiten de deur. Zij vooral mag niet binnen blijven. Luca heeft

zelf gezien hoe Gaetano als door den bliksem getroffen neerstortte,

toen hij haar zag.

De dokter doet alle mogelijke moeite om Gaetano weer tot het leven te

roepen. Maar dat gelukt hem niet, Gaetano ligt daar als versteend. De

dokter meent dat hij in een gevaarlijken toestand is, hij weet niet

of hij hem nog kan redden. De bezwijming op zich zelf beteekent immers

niets, maar de slag op de harde steenen....

Binnenshuis heerscht groote drukte, maar de arme buitengeslotenen

kunnen niets anders doen dan wachten en wachten.

Ze staan den geheelen dag voor donna Elisa's deur. Daar staan donna

Emilia en donna Concetta, vroeger bestond er niet veel vriendschap

tusschen haar beiden, maar heden staan ze naast elkaar te treuren.

Vele angstige oogen turen door het winkelraam van donna Elisa's

huis. De kleine Gandolfo en de oude Assunta van de domtrap en de arme

stoelmatter staan daar den heelen namiddag zonder een oogenblik rust

te nemen. 't Is vreeselijk, dat Gaetano zal sterven, nu zij hem juist

weer terug hebben gekregen.

De blinden staan daar te wachten alsof ze hopen, dat hij hun het

gezicht terug zal geven, en arme menschen, zoowel van Geraci als van

Corvaja, wachten in angstige spanning hoe het met hun jongen Heer,

den laatsten Alagona, zal afloopen.

Hij had hen allen lief, en hij had zulk een groote macht en kracht,

indien hij slechts in het leven bleef....

"God heeft zijn hand van Sicilië genomen," zeggen ze. "Allen, die

het volk willen helpen, laat hij sterven."

Den geheelen namiddag, den avond tot middernacht staan de menschen

voor donna Elisa's huis.

Precies klokslag twaalf verschijnt donna Elisa in de winkeldeur,

en daalt van de trap.

"Is hij gered?" roepen ze allen.

"Neen, zijn toestand is nog hetzelfde."

Allen zwijgen, eindelijk vraagt een bevende stem:

"Is het erger?"

"Neen, neen, het is niet erger. Zijn toestand is hetzelfde, de dokter

is bij hem."

Donna Elisa heeft een zwarte sjaal over het hoofd geworpen, ze draagt

een lantaarn in de hand. Zij gaat op straat, waar de menschen dicht

op elkaar gedrongen staan en liggen.

"Is Gandolfo hier?" vraagt ze.

"Ja, donna Elisa." Gandolfo komt te voorschijn.

"Ga met mij mede om je kerk voor me te ontsluiten." Allen die donna

Elisa's woorden verstaan hebben, begrijpen dat ze wil gaan bidden in

San Pasquale om het Christusbeeld te smeeken voor Gaetano's leven. Ze

staan allen op en willen met haar gaan.

Donna Elisa is zeer getroffen door dit medelijden, ze heeft een gevoel

alsof haar hart grooter wordt.

"Ik zal u iets vertellen," zegt ze met bevende stem.

"Ik heb gedroomd. Ik weet niet hoe het kwam, dat ik opeens in slaap

viel, maar terwijl ik zoo bedroefd bij Gaetano's bed zat, sliep ik

in. Nauweljks had ik mijn oogen gesloten, of ik zag het Christusbeeld

met zijn kroon en gouden schoentjes, zooals hij in San Pasquale's kerk

staat. En hij zei tot mij: "Maak de arme vrouw, die in mijn kerk ligt

te bidden, tot de echtgenoote van uw zoon, dan zal hij genezen."

"Nadat hij dit gezegd had, ontwaakte ik, en toen ik mijn oogen opsloeg,

was het mij alsof ik het Christusbeeld door den muur zag verdwijnen. En

nu moet ik naar de kerk om te zien of er een vrouw is.

"Maar gij hoort allen, dat ik heilig beloof, dat indien er eenige vrouw

in San Pasquale is, ik doen zal wat het beeld mij bevolen heeft. En

indien het ook het armste meisje van de straat is, ik zal haar als

mijn dochter beschouwen en haar maken tot mijn zoons echtgenoote."

Als donna Elisa dit gezegd heeft, gaat ze door allen gevolgd naar

Pasquale. Alle arme menschen zijn in gespannen verwachting. Ze kunnen

zich nauwelijks bedwingen om donna Elisa niet voorbij te snellen om

te zien of er ook iemand in de kerk is.

Denk eens, indien het een zigeunerin was, die daar vannacht beschutting

zocht. Wie anders kan 's nachts in de kerk zijn dan een arme verlaten

stakker?

't Is een vreeselijke gelofte, die donna Elisa gedaan heeft.

Eindelijk hebben ze de Porta Etnea bereikt en nu gaat het vlug

heuvelafwaarts.

Maar zie, de kerkdeur staat open. Er is dus werkelijk iemand. De

lantaarn trilt in donna Elisa's hand.

Gandolfo wil die voor haar dragen, maar zij behoudt die.

"In Godsnaam, in Godsnaam," mompelt zij, terwijl zij de kerk

binnentreedt.

Het volk dringt om binnen te komen. Men drukt elkaar bijna dood, maar

van spanning zwijgen allen. Niemand zegt een woord. Allen staren naar

het hoogaltaar. Is daar iemand? Is daar iemand? De kleine lamp boven

het beeld werpt slechts een zeer zwakken lichtschijn. Is er iemand?

Ja, er is iemand. Er ligt een vrouw voor het altaar geknield. Zij bidt

en heeft het hoofd zoo diep gebogen, dat men niet kan zien, wie zij is.

Nu zij schreden achter zich hoort, richt zij den langen gebogen hals

op, en ziet om. 't Is donna Micaela.

In het eerste oogenblik is zij verschrikt en ziet er uit als wilde

ze vluchten. Donna Elisa is ook verschrikt, ze zien elkaar aan,

alsof ze elkaar nooit tevoren gezien hebben.

Maar nu zegt donna Micaela heel zacht:

"Ge komt om voor hem te bidden, schoonzuster," en ze schuift een

weinig ter zijde, opdat donna Elisa voor het beeld zal kunnen knielen.

Donna Elisa's hand beeft zoo, dat ze de lantaarn op den grond moet

zetten, haar stem is heesch, als zij vraagt:

"Is niemand anders dan gij hier vannacht geweest, Micaela?"

"Neen, niemand anders."

Donna Elisa moet tegen het altaar leunen om niet te vallen, donna

Micaela ziet dat. Zij is dadelijk bij haar en legt den arm om haar

middel.

"Ga zitten, ga zitten!" en donna Micaela knielt neer.

"Is het zoo slecht met hem? Wij zullen voor hem bidden."

"Micaela," zegt Elisa, "ik dacht dat ik hier geholpen zou worden."

"Ja zeker, dat zult ge ook."

"Ik droomde, dat het beeld tot mij kwam, en mij beval hier heen

te gaan."

"Hij heeft ons reeds zoo vele malen geholpen."

"Maar hij zei tot mij: Maak de arme vrouw, die voor mijn altaar ligt,

tot de echtgenoote van uwen zoon, dan zal hij genezen."

"Wat zei hij?"

"Ik zou de vrouw, die hier bad, tot mijn zoons echtgenoote maken."

"En dat wildet ge? Gij wist immers niet wie gij hier zoudt vinden?"

"Onderweg deed ik de belofte--en zij die mij volgden, hebben het

gehoord--dat wie het ook zou zijn, ik haar in mijn armen zou nemen

en naar mijn huis zou voeren. Ik dacht dat God een arme vrouw wilde

helpen."

"Ja, dat is zeker ook het geval."

"Ik was zoo bedroefd toen ik zag, dat niemand anders hier was dan gij."

Donna Micaela geeft geen antwoord, ze ziet slechts naar het

beeld. "Wilt ge dat? Wilt ge dat?" vraagt ze ontroerd.

Donna Elisa gaat door met klagen. "Ik zag hem zoo duidelijk, en hij

heeft ons nog nooit bedrogen. Ik dacht dat een arm meisje, dat geen

thuis had, om een man gesmeekt had.

"Zoo iets is wel eens vroeger voorgekomen. Wat zal ik nu doen?"

Zij klaagt en jammert, en zij kan de gedachte maar niet uit haar

hoofd zetten, dat het een arme vrouw moet zijn.

Op 't laatst wordt donna Micaela ongeduldig.

Zij grijpt haar bij den arm en schudt dien. "Maar donna Elisa,

donna Elisa."

Donna Elisa hoort haar niet; ze jammert maar steeds.

"Wat zal ik doen, wat zal ik doen?"

"Maar maak dan de arme vrouw, die hier ligt, tot de echtgenoote van

uw zoon, donna Elisa!"

Donna Elisa ziet op en aanschouwt een bekoorlijk stralend gelaat!

Maar slechts een oogenblik, want donna Micaela verbergt het haastig

aan donna Elisa's schouder.

Donna Elisa en donna Micaela gaan te zamen terug naar de stad. De

straat kronkelt zich zoo, dat ze donna Elisa's huis niet kunnen

zien, vóórdat zij er heel dicht bij zijn. Als zij het eindelijk in

het gezicht krijgen, zien ze dat de winkelramen verlicht zijn. Vier

groote waskaarsen branden achter de trossen rozenkransen.

De twee vrouwen drukken elkaar de hand. "Hij leeft, hij leeft,"

fluisteren zij.

"Ge moogt hem niets zeggen van hetgeen het beeld u bevolen heeft,"

zegt donna Micaela.

Voor den winkel omhelzen zij elkaar en gaan elk naar haar huis. Na een

tijdje verschijnt Gaetano op de winkeltrap. Een oogenblik staat hij

stil, terwijl hij de frissche nachtlucht inademt. Dan ziet hij, dat

er nog licht brandt in het zomerpaleis aan de overzij van de straat.

Gaetano ademt diep en heftig, hij schijnt haast bevreesd om verder

te gaan. Plotseling ijlt hij weg als iemand, die een onafweerbaar

ongeluk tegemoet gaat.

De poort van het zomerpaleis is niet gesloten, hij springt de trap

op en rukt de deur der muziekzaal open zonder aan te kloppen.

Donna Micaela zit te denken of hij nog hedennacht zal komen of wachten

zal tot den volgenden morgen.

Dan hoort zij schreden op de galerij.

Een angstig gevoel grijpt haar aan. Hoe zal hij nu zijn? Zij heeft

zoo ongelooflijk naar hem verlangd. Zal hij nu werkelijk zoo zijn,

dat eindelijk al haar verlangen bevredigd wordt?

En zullen er geen nieuwe muren tusschen hen oprijzen? Zullen ze

elkaar één keer alles kunnen zeggen? Zullen ze nu over liefde of over

socialisme spreken?

Als hij de deur openrukt, tracht ze hem tegemoet te gaan, maar zij kan

niet. Heel haar lichaam trilt, ze gaat zitten en bedekt haar oogen

met de handen. Zij verwacht dat hij haar in zijn armen zal sluiten

en haar kussen zal. Maar dat doet hij stellig niet. Gaetano pleegt

niet te doen, wat men van hem verwacht.

Zoodra hij uit zijn bezwijming ontwaakte, heeft hij zich in de kleeren

geworpen om naar haar te gaan. Hij is eigenlijk uitgelaten vroolijk,

hij zou willen, dat ook zij het zoo licht opnam. Hij wil niet ontroerd

zijn. Hij kan nu geen aandoening verdragen, 's voormiddags is hij

toch ook in onmacht gevallen. Hij staat stil naast haar tot zij haar

kalmte herwonnen heeft.

"Gij hebt geen sterke zenuwen," zegt hij.

Dat is alles wat hij zegt.

Zij en donna Elisa en alle menschen in Diamante zijn overtuigd, dat

hij gekomen is om haar in zijn armen te sluiten en haar te zeggen,

dat hij haar liefheeft.

Maar juist daarom is het Gaetano onmogelijk. Sommige menschen hebben

een oppositiegeest, ze kunnen nooit doen, wat men verwacht, dat zij

zullen doen.

Gaetano begint haar van zijn reis te vertellen. Hij spreekt niet

eens over het socialisme. Hij spreekt van den trein, den conducteur

en het eigenaardige reisgezelschap.

Donna Micaela ziet hem aan, haar oogen beginnen al inniger te

smeeken. Gaetano schijnt blij en gelukkig te zijn haar te zien. Maar

waarom kan hij niet zeggen, wat hij moet zeggen?

"Hebt ge met den Etnaspoorweg gereisd?" vraagt zij.

"Ja," antwoordt hij en begint kalm uit te weiden over het nut en de

schoonheid van dezen nieuwen spoorweg. Hij weet in het geheel niet

hoe die tot stand is gekomen.

Gaetano zegt tot zich zelf dat hij een barbaar is. Waarom zegt hij

haar niet de woorden waarnaar zij smacht? Maar waarom zit zij daar

ook zoo onderdanig?

Waarom toont zij, dat hij slechts zijn hand behoeft uit te strekken

om haar te nemen?

Hij is jubelend, stralend gelukkig weer in haar nabijheid te zijn,

maar zij is hem zoo zeker, zoo zeker.--'t Is zoo aardig haar een

weinig te plagen.

Het volk staat nog op straat, en alle menschen voelen zich verheugd

alsof ze een dochter uithuwelijken.

Zij hebben slechts geduld gehad om Gaetano tijd te geven zich te

verklaren.

Maar nu moet hij dat zeker wel gedaan hebben.

En zij beginnen te roepen:

"Leve Gaetano! Leve Micaela!"

Donna Micaela ziet met een onbeschrijflijk gepijnigden blik op. Hij

moet toch begrijpen, dat zij daaraan geen schuld heeft. Zij gaat

naar de galerij en zendt Lucia naar beneden met het verzoek of zij

daarbuiten stil willen zijn.

Als zij weer in de kamer komt, is Gaetano opgestaan. Hij reikt haar

de hand, hij wil gaan.

Donna Micaela geeft hem de hand zonder bijna te weten wat zij

doet. Maar plotseling trekt zij haar hand terug.

"Neen, neen!" zegt zij.

Hij wil gaan en wie weet of hij morgen terugkomt. En zij heeft niet

met hem gesproken, ze heeft geen woord gezegd van hetgeen haar op

het hart ligt.

Het behoefde tusschen hen niet te zijn als tusschen gewone

verliefden. Hij had immers haar leven het leven gegeven, gedurende

zoovele jaren. Of hij haar nu sprak van liefde of niet, dat was haar

onverschillig. Zij wilde hem zeggen wat hij voor haar geweest was.

En juist nu. Men moet den tijd gebruiken waar het Gaetano geldt. Zij

waagt het niet hem te laten gaan.

"Ge moogt nog niet vertrekken," zegt zij. "Ik moet u iets zeggen." Zij

zet een stoel voor hem gereed, zelf neemt zij iets achter hem

plaats. Zijn oogen stralen al te vroolijk hedenavond, die doen haar

pijn. Dan begint zij te spreken. De groote, verborgen schatten

van haar leven legt zij voor hem bloot. Dat waren al de woorden,

die hij tot haar gesproken heeft, al de droomen, die hij haar heeft

doen droomen. Zij heeft niets verloren. Alles heeft zij gespaard en

verzameld; het is de gansche rijkdom van haar arm leven geweest.

In het begin spreekt zij haastig, alsof zij een les opzegt. Zij is bang

voor hem; zij weet niet of het hem aangenaam is dat ze spreekt. Dan

waagt ze het hem aan te zien. Nu is hij ernstig, nu is hij in het

geheel niet vroolijk meer.

Hij zit stil te luisteren alsof hij geen lettergreep wil verloren

laten gaan. Zoo straks was zijn gelaat ziekelijk aschgrauw, maar nu

verandert het plotseling. Zijn aangezicht begint te schitteren als

van een zalige.

Zij vertelt en vertelt. Zij ziet aan hem, dat ook zij nu schoon

is. Hoe zou het ook anders kunnen zijn. Eindelijk, eindelijk kan zij

hem alles zeggen.

Ze mag hem zeggen, hoe de liefde tot haar kwam en haar sedert

nooit weer verliet. Eindelijk mag zij hem zeggen, wat hij voor haar

geweest is.

Woorden kunnen het niet genoeg uitdrukken. Ze grijpt zijn hand en

kust die.

Hij laat dat geschieden zonder zich te verroeren. De kleur van zijn

gelaat wordt niet hooger, maar doorschijnender, klaarder. Zij moet

aan Gandolfo denken, die zei, dat Gaetano's gezicht zoo bleek werd,

dat het lichtte.

Hij valt haar niet in de rede. Zij vertelt hem van den spoorweg,

verhaalt van de wonderen van het Christusbeeld. Nu en dan ziet hij

haar aan. Zijn oogen stralen haar tegemoet. Hij lacht haar volstrekt

niet uit.

Zij zou gaarne willen weten wat hij nu denkt. Hij ziet er uit, alsof

hetgeen zij hem vertelt niet veel nieuws voor hem is. Hij schijnt

alles reeds te weten wat zij zegt.

Kwam het misschien, omdat de liefde, die hij voor haar gevoelt, juist

zoo is als haar liefde voor hem? Wekte die in hem ook het edelste,

dat in zijn ziel sluimerde? Was die ook de verheffende kracht van zijn

leven geweest? Had die vleugels gegeven aan zijn kunstenaarsziel? Had

die hem de armen en onderdrukten doen liefhebben? Bezielt die liefde

hem, zoodat hij voelt dat hij een kunstenaar, een apostel is, en

niets te hoog is voor hem?

Daar hij nog steeds zwijgt, denkt zij, dat hij zich misschien niet

wil binden aan haar. Hij heeft haar lief, maar hij wil misschien

een vrij man blijven. Hij meent misschien, dat zij niet past voor de

vrouw van een socialist.

Haar bloed begint te koken. Zij denkt, dat hij misschien meent,

dat zij bedelt om zijn liefde.

Zij heeft hem bijna alles verhaald, wat gebeurd is in den tijd,

dat hij afwezig was. Nu breekt zij plotseling haar verhaal af.

"Ik heb je liefgehad," zegt zij. "Ik zal je altijd liefhebben en

ik zou gewenscht hebben, dat je mij nog éénmaal zeidet, dat je mij

liefhebt. Dan zou de scheiding gemakkelijker te dragen zijn."

"Werkelijk?" zegt hij.

"Kan ik ooit je vrouw worden?" zegt ze; haar stem beeft van smart. "Ik

vrees niet meer zooals vroeger je leer, ik ben niet meer bang voor je

armen; ook ik wil de aarde herscheppen zooals gij. Maar ik ben een

geloovige. Hoe zou ik met je kunnen leven als je daarin niet gelijk

met mij denkt? Of zou je mij tot ongeloof willen verleiden? Dan

zou de wereld dood voor mij zijn. Alles zou doel en beteekenis voor

mij verloren hebben. Ik zou een rampzalig, ellendig mensch zijn. We

moeten scheiden."

"Werkelijk?" Zijn oogen beginnen te schitteren van ongeduld.

"Nu moet je gaan," zegt ze stil. "Ik heb je alles verteld, wat ik

zeggen wilde. Ik zou gewenscht hebben, dat je mij iets te zeggen hadt

gehad. Maar misschien is het zoo beter voor ons beiden. We moeten de

scheiding niet zwaarder maken, dan zij reeds is."

Gaetano's eene hand grijpt hard om haar handen, met de andere houdt

hij haar hoofd vast, zoo kust hij haar.

Was zij waanzinnig, dat zij kon denken, dat hij door iets, iets ter

wereld zich van haar zou laten scheiden?

De Wonderen van den Antichrist · 第 74 / 80 题