IN PALERMO.

Eindelijk, eindelijk is het één uur 's nachts.

Degenen, die bang zijn zich te verslapen, staan op van hun bed,

kleeden zich aan en gaan op straat.

En zij, die opgebleven zijn en tot nu toe over de tafeltjes in de

café's gehangen hebben, rijzen op nu zij schreden hooren op het steenen

plaveisel. Ze schudden den slaap van zich en gaan naar buiten. Zij

sluiten zich aan bij de spoedig aangroeiende menschenmassa, en de

trage tijd begint iets vlugger te gaan.

Menschen, die elkaar slechts oppervlakkig kennen, drukken elkaar

de hand met warme hartelijkheid. Dezelfde blijdschap trilt in alle

harten. En menschen die anders nooit een voet op straat zetten,

zijn hedennacht buiten, oude professoren, voorname edellieden en

fijne dames. Allen zijn even verheugd.

"Mijn God, dat hij nu terugkomt, dat Palermo hem nu weer terugkrijgt,"

zeggen ze.

De studenten, die den geheelen nacht hun lievelingsverblijf in

Quattro Canti niet verlaten hebben, verschijnen nu met fakkels en

gekleurde lampions.

Zij zouden die niet aansteken voor vier uur 's morgens als de verwachte

aan zal komen, maar tegen twee uur begint nu en dan eens een student

te probeeren of zijn fakkel wel branden wil. Dan steken ze allen hun

fakkels aan en begroeten het licht met luid gejuich.

't Is onmogelijk in het donker te staan, als zulk een groote blijdschap

in het hart vlamt.

De vreemdelingen in de hotels worden gewekt.

"Er is hedennacht feest in Palermo, o signori."

"Ter eere van wien is er feest?" vragen de vreemdelingen.

"Ter eere van een der socialisten, dien de regeering in vrijheid

gesteld heeft. Hij komt hedenmorgen met de stoomboot van Napels."

"Wat is hij voor een man?"

"Hij heet Bosco, het volk heeft hem lief."

En er heerscht bedrijvigheid in de gansche stad.

Een der geitenherders op den Monte Pellegrino is ijverig bezig kleine

ruikertjes van bellis te binden, die zijn geiten in den halsband

zullen dragen.

En daar hij honderd geiten heeft en alle halsbanden dragen.... Maar

het moet. Zijn geiten kunnen zich den volgenden dag niet in Palermo

vertoonen, zonder versierd te zijn ter eere van den feestdag.

De naaisters hebben tot middernacht moeten werken om alle nieuwe

kleedingstukken gereed te hebben, die den volgenden dag gedragen zullen

worden. En als zoo'n ijverig naaistertje klaar is met het werk voor

anderen, dan mag ze aan zichzelf denken.

Ze zet een paar veeren op haar hoed en trekt de rozetten wat

hooger. Heden moet zij mooi zijn!

Huis aan huis begint men te illumineeren. Hier en daar ontsteekt men

vuurwerk. Knallers en sissers kronkelen zich omhoog op iederen hoek

der straten.

De bloemenwinkels aan den langen Via Vittorio Emanuele zijn telkens

en telkens geheel uitverkocht.

Steeds meer en meer witte oranjebloemen worden er gevraagd. Geheel

Palermo is vervuld van den zoeten oranjegeur.

De portier van Bosco's huis heeft geen oogenblik rust. Prachtige

taarten en torenhooge bouquetten worden voortdurend langs de trappen

opgedragen. Welkomstgedichten en telegrammen met gelukwenschen stroomen

van alle kanten. Er schijnt geen einde aan te zullen komen. De

arme bronzen keizer op Pazzi Bologna, de leelijke Karel de Vijfde,

die mager en ellendig is als Giovanni in de woestijn, heeft op een

onbegrijpelijke wijze een bloemruiker in de hand gekregen. Als de

studenten, die in de nabijheid in Quattro Canti zijn, dat hooren,

trekken ze in een goed geordenden optocht naar het standbeeld,

verlichten hem met hun fakkels en roepen een "lang zal hij leven"

voor den ouden despoot.

Een van hen ontneemt hem den ruiker om dien aan den grooten socialist

te geven.

Daarna trekken de studenten naar de haven.

Lang vóórdat zij daar aankomen, zijn hun fakkels uitgebrand, maar

daar bekommeren zij zich niet om. Zij hebben de armen om elkaars hals

geslagen, en zingen luid. Nu en dan onderbreken zij hun gezang om te

roepen: "Weg met Crispi! Leve Bosco!" Dan valt het gezang opnieuw

in, maar wordt weer afgebroken, omdat zij, die niet zingen kunnen,

de zangers omhelzen.

Gilden en broederschappen komen in optocht uit de stadswijken, waar

hetzelfde handwerk reeds meer dan duizend jaar uitgeoefend wordt. Daar

zijn de metselaars met hun zangkoor en vaandels, de mozaïekwerkers

en de visschers.

Als de vereenigingen elkaar ontmoeten, groeten zij elkaar met de

vaandels. Nu en dan staan ze stil om toespraken te houden. Men spreekt

over de vijf socialisten, de vijf martelaars, die de regeering nu

eindelijk aan Sicilië teruggeschonken heeft.

En de menschenmassa jubelt:

"Leve Bosco! Leve Da Felice! Leve Verro! Leve Barbato! Leve Alagano!"

Maar als iemand, die het rumoer der straten wil ontvluchten, naar de

haven gaat, vraagt hij verbaasd:

"Waar ben ik hier? Madonna Santissima, waar ben ik gekomen?"

Want hij had gedacht, dat het nog rustig en stil zou zijn aan de haven.

Maar alle booten en sloepen in de haven van Palermo zijn in beslag

genomen door verschillende vereenigingen en gezelschappen. Ze drijven

in de haven, heerlijk versierd met gekleurde Venetiaansche lampions,

en ieder oogenblik stijgen er van deze booten groote bundels raketten

omhoog.

Over de ruw houten banken heeft men prachtige kleeden en dekens

gespreid en daarop zitten de dames, de schoone dames van Palermo,

gekleed in lichte zijde en donker fluweel. Kleine ranke bootjes

zweven over het water, nu eens in groote groepen, dan weer elk

afzonderlijk. De masten en raas der groote schepen prijken met wimpels

en lampions, de kleine havenstoombootjes glijden over het water,

met bloemguirlandes om de stoompijpen.

En onderwijl weerkaatst en spiegelt het water al het licht, zoodat

de schijn van een lantaarn tot een heelen vuurstroom wordt, en de

waterdruppels die van de roeispanen vallen, worden gelijk vloeibaar

goud.

Op de kade staan honderdduizenden menschen, uitgelaten van vreugde. Ze

kussen elkaar, ze juichen en zijn gelukkig.

Ze zijn hun vreugde niet meester, velen van hen weenen.

Vuur is vreugde. 't Is goed dat men vuren ontsteekt.

Plotseling vlamt een groot vuur op den Monte Pellegrino en daarna

stijgen hooge vlammen op van de geheele getakte bergketen, die de

stad omringt. Het vlamt op den Monte Falcone, op San Martino, op den

berg der duizenden, waarover Garibaldi trok.--

Maar op zee vaart de groote stoomboot van Napels, en op deze stoomboot

bevindt zich Bosco, de socialist.

Hij kan dien nacht niet slapen. Hij loopt heen en weer op het

dek. Zijn oude moeder, die naar Napels gegaan is om hem te halen,

komt uit haar hut om hem gezelschap te houden. Maar hij kan nu niet

met haar spreken. Spoedig zal hij weer thuis zijn. O, Palermo! Palermo!

Meer dan twee jaar heeft hij gevangen gezeten. Twee lange jaren van

kwelling en verlangen. En zijn die ergens goed voor geweest? Zie,

dat zou hij zoo gaarne willen weten.

Heeft het zijn zaak iets gebaat, dat hij gevangen gezeten heeft? Heeft

Palermo aan hem gedacht? Heeft zijn lijden der zaak een enkelen

aanhanger doen winnen?

Zijn moeder zit ineengedoken op de kajuittrap te rillen van de

koude. Hij heeft het haar gevraagd, maar zij weet niets. Zij spreekt

over den kleinen Francesco en de kleine Lena, hoe zij gegroeid

zijn. Zij weet niets van hetgeen, waarvoor hij strijdt. Maar nu

nadert hij zijn moeder, grijpt haar bij de hand en voert haar naar de

verschansing. Hij vraagt haar of zij niet iets ziet daar ver in het

zuiden. Zij ziet met haar droeve oogen over de zee en ziet slechts

den nacht, slechts den donkeren nacht op zee. Ze ziet niet dat er

een vuurwolk gloeit aan den horizon.

En hij hervat zijn wandeling en zij kruipt onder de beschermende

tent. Hij behoeft niet met haar te spreken, 't is haar reeds een

geluk hem weer bij zich te hebben na een scheiding van twee lange

jaren. Hij was veroordeeld tot vier en twintig jaar gevangenisstraf,

en zij had niet gedacht hem ooit weer te zien. Maar de koning had hem

genade verleend, de koning was een goede man. Indien hij slechts de

macht had zoo goed te zijn, als hij was.

Bosco wandelt rusteloos op het dek en vraagt den matrozen of ze niet

een vuurgloed daar ginds aan den horizon zien.

"Daar is Palermo," zeggen de zeelieden. "'s Nachts zweeft er altijd

zoo'n lichtschijn boven de stad."

Het kan niets zijn, dat hem aangaat, hij wil zich zelf overtuigen,

dat men niets voor zijn ontvangst doet. Hij kan toch niet verlangen,

dat alle menschen opeens socialisten geworden zijn.

Maar na een tijdje denkt hij: "Er moet toch iets buitengewoons gaande

zijn." Alle matrozen verzamelen zich op het voordek.

"Palermo staat in brand," zegt een matroos.

Ja, dat kon wel het geval zijn.--En hij lijdt vreeselijk, omdat hij

verwacht, dat men iets tot zijn ontvangst zou doen. Maar nu bemerken

de zeelieden de vlammende vuren op de bergen. Neen, het kan toch

geen brand zijn. 't Is zeker een heilige dag. Ze vragen elkaar welk

feest heden gevierd wordt. Hij tracht ook te gelooven dat het zoo is,

en vraagt zijn moeder of het een feestdag is.

Ze komen al nader bij Palermo. Het gedempte feestgeruisch van de

groote stad dringt tot hen door.

"Geheel Palermo zingt en juicht vannacht," zegt een der zeelieden.

"Er is zeker een telegram gekomen van een overwinning in Afrika,"

meent een ander.

Niemand denkt er aan dat het ter eere van Bosco kan zijn. Hij gaat

naar het achterdek, hij wil niets meer zien. Hij wil zichzelf niet

met ijdele verwachtingen kwellen. Zou geheel Palermo illumineeren

voor een armen socialist?

Nu komt zijn moeder bij hem. "Kom mee," zegt ze. "Zie eens hoe Palermo

schittert van licht, 't moet zeker een koning zijn, die heden verwacht

wordt. Kom mee om Palermo te zien."

Hij denkt na. Neen, hij gelooft niet dat de koning Palermo heden

bezoekt. Maar hij waagt het niet iets anders te denken, nu niemand,

zelfs niet zijn moeder....

Opeens schreeuwen allen op de stoomboot luid. 't Klinkt als een

noodkreet. Een groot pleizierjacht stuurt recht op hen aan en glijdt

nu zacht naast de stoomboot.

Het geheele jacht schijnt slechts uit bloemen en licht te

bestaan. Roode en witte draperieën hangen over boord. Bosco staat op

de stoomboot en vraagt zich af welke tijding deze schoone bode zal

brengen. Daar slaat het zeil om en op het witte vlak schittert hem

tegemoet: "Leve Bosco." 't Is zijn naam! Niet die van een koning of

van een zegevierenden generaal! Niemand dan hem geldt deze hulde. Zijn

naam, zijn naam!

Het jacht werpt eenige vuurraketten omhoog, een regen van gouden

sterren valt neer.

De boot stoomt de haven binnen. Een donderend gejubel weerklinkt;

de menschen weenen van blijdschap en vervoering.

Maar Bosco voelt, dat hij zulk een hulde niet verdient. Hij zou willen

knielen voor deze menschen, die hem huldigen, en hen smeeken hem te

vergeven, dat hij niets vermag, niets gedaan heeft voor hen allen.

Door een bizonder toeval is donna Micaela dien nacht in Palermo. Ze

is daar voor een van de ondernemingen, die ze meent te moeten beginnen

om het leven te kunnen uithouden. Zij is daar óf voor de marmergroeve

óf voor het moeras, dat zij wil dempen.

Zij staat beneden bij de haven, zij, zooals alle anderen. Men ziet

haar aan, als zij zich een weg baant naar het strand, een hooge,

donkere vrouw, met een voornaam uiterlijk, een bleek gelaat met

sprekende trekken en smeekende, verlangende, hartstochtelijke oogen.

Terwijl het volk jubelt en juicht, voert donna Micaela een hevigen

strijd. "Indien dit nu Gaetano was," denkt zij, kon ik dan, zou

ik dan....

"Indien al deze menschen jubelen om hem, zou ik dan..."

Er heerscht zulk een vreugde in de stad, grooter dan zij ooit gezien

heeft. De menschen hebben elkaar lief als broeders. En dat is niet

alleen omdat een socialist thuis komt, maar omdat ze gelooven,

dat de aarde spoedig gelukkig zal zijn. Indien hij nu kwam, nu deze

blijdschap rondom mij opbruist, denkt zij. Kon ik dan, zou ik dan....

Ze ziet hoe het rijtuig van Bosco door de menschenmenigte tracht te

dringen. Het gaat stap voor stap; langen tijd moet het stilstaan. Er

zullen vele uren noodig zijn, voordat het rijtuig voorbij de haven is.

Indien hij het was, en ik zag hoe alle menschen zich om hem verdrongen,

kon ik het dan laten mij in zijn armen te werpen? Kon ik...

Zoo spoedig zij uit het gedrang komen, neemt ze een wagen en rijdt

door de vlakte van Conca d'oras naar de groote domkerk der Noorsche

koningen te Monreale.

Ze treedt binnen en staat oog in oog met het schoonste Christusbeeld,

dat menschelijke kunst geschapen heeft. Hoog op het koor zit

de gezegende Christus in stralend mozaïek, machtig, mystisch en

majestueus.

Ontelbaar zijn de pelgrims, die naar Monreale trekken om troost te

zoeken in het aanschouwen van zijn aangezicht. Ontelbaar zijn de velen,

die in verre landen naar hem smachten.

De grond trilt onder de voeten van hem die dit Christusbeeld voor

de eerste maal aanschouwt. Zijn oogen dwingen den vreemdeling de

knieën voor hem te buigen. Zonder dat de bezoeker het weet, stamelen

zijn lippen:

"O God! Mijn God!"

Rondom op de tempelwanden stralen de wereldgebeurtenissen in de

mozaïek. Die voeren de gedachten slechts tot hem; zij zijn daar

slechts om te zeggen:

Het gansche verleden behoort hem, het heden is van hem en evenzoo

behoort hem de geheele toekomst.

De mysteriën van leven en dood sluimeren in zijn hoofd.

Daar woont de geest, die het lot der wereld bestuurt.

Daar heerscht de liefde, die de wereld verlossen zal.

En donna Micaela roept hem aan:

"Gij, Gods zoon, verlaat mij niet! Laat geen mensch de macht hebben

mij van u te scheiden!"

De Wonderen van den Antichrist · 第 72 / 80 题