In lang vervlogen dagen woonde de groote wijsgeer Empedokles op
Sicilië. Hij was de schoonste en meest volkomen mensch, zoo heerlijk
en wijs, dat men geloofde, dat hij een tot mensch geworden god was.
Empedokles bezat een landgoed op den Etna; een avond gaf hij een
feest aan zijne vrienden. Op het feest sprak hij zulke wijze woorden,
dat zijn gasten riepen:
"Gij zijt een god, Empedokles, gij zijt een god!"
Toen de feestgenooten vertrokken waren, dacht Empedokles:
"Ik heb het hoogste bereikt, dat men op aarde kan begeeren. Nu moet
ik sterven, voordat tegenspoed of zwakheid mij terneerdrukt."
En hij steeg op tot den top van den Etna en wierp zich in den
brandenden krater.
"Als niemand mijn lijk vindt," dacht hij, "zal men denken, dat ik
levend onder de goden opgenomen ben."
Maar den volgenden dag zochten zijn vrienden hem in de villa en op
den ganschen berg. Zij kwamen ook bij den krater en daar vonden ze
Empedokles' schoenen. En zij begrepen, dat Empedokles den dood in
den krater gezocht had om gerekend te worden tot de onsterflijken.
En dat zou hem gelukt zijn, indien de berg zijn schoenen niet had
opgeworpen.
Toch werd juist door deze sage Empedokles' naam nooit vergeten,
en velen zochten naar de plaats, waar zijn villa eens gestaan heeft.
Geschiedschrijvers en schatgravers hadden er naar gezocht, want de
villa van den wijsgeer was natuurlijk vol van de heerlijkste marmeren
en bronzen beelden en mozaïekwerk.
Donna Micaela's vader, cavaliere Palmeri, had zich vast voorgenomen,
dat hij het probleem van de villa zou oplossen. Iederen morgen
reed hij op zijn ponny Dominico weg om de villa te zoeken. Hij was
toegerust als een geschiedvorscher met een schraapijzer in den gordel,
een spade op zij en een grooten ransel op den rug.
Iederen avond als cavaliere Palmeri thuis kwam, vertelde hij donna
Micaela van Dominico.
Gedurende deze jaren, dat ze samen op den Etna gezocht hadden, had
Dominico zich tot een archeoloog ontwikkeld.
Dominico week af van den weg, zoodra hij een ruïne ontdekte. Hij
stampte op den grond, wanneer hij meende, dat men opgravingen moest
doen. Hij hinnikte verachtelijk en wendde den kop af, wanneer men
hem een nagemaakte oude munt vertoonde.
Donna Micaela hoorde met veel geduld en belangstelling naar haar
vaders verhalen. Zij was overtuigd dat, wanneer de villa eindelijk
gevonden werd, Dominico de eer zou krijgen van de ontdekking.
Maar cavaliere Palmeri vroeg zijn dochter nooit naar haar
onderneming. Nooit toonde hij eenige belangstelling voor haar
spoorweg. 't Was bijna, alsof hij niet eens wist waarvoor zij
werkte. Dat was trouwens zoo vreemd niet, hij toonde nooit eenige
belangstelling voor zijn dochter.
Eens, toen ze 's middags aan den maaltijd zaten, begon donna Micaela
plotseling over den spoorweg te spreken.
Ze had een paar heerlijke overwinningen behaald, zei ze. Eindelijk
had zij overwonnen.
Hij moest hooren welke nieuwtjes zij heden had. Het zou geen
stoomtram worden tusschen Catania en Diamante, zooals zij eerst
gedacht had. Neen, het zou een spoorweg rondom den Etna worden.
Door Falco's dood had zij niet alleen een machtigen vijand minder, maar
nu geloofde het volk ook, dat de groote Mongibello en alle heiligen aan
haar zijde stonden. Daarom was er een beweging onder het volk ontstaan
om geld te verzamelen voor den spoorweg. In alle Etnasteden waren
bijdragen daarvoor geteekend. Er was reeds een maatschappij gevormd.
Heden was de concessie gekomen. Morgen zou men in ernst met den
arbeid aanvangen.
Donna Micaela was opgewonden, zij kon niet eten. Haar hart zwol van
geluk en dankbaarheid. Ze kon niet laten te spreken over de machtige
vervoering, die het volk aangegrepen had. Zij sprak met tranen in de
oogen van het Christuskind in San Pasquale.
't Was roerend te zien, hoe haar gelaat straalde van hoop. 't Was
alsof zij, behalve het geluk waarover zij sprak, nog een heele
wereld van gelukzaligheid te wachten had. Dezen avond voelde ze,
dat een wijze voorzienigheid haar lot bestierde. Zij begreep, dat
Gaetano's gevangenneming Gods werk was om hem terug te voeren tot
zijn oud geloof. Hij zou bevrijd worden door de wonderen van het
kleine beeld en dit zou hem bekeeren, zoodat hij weer een geloovige
als vroeger zou worden. En zij zou hem toebehooren!
O, God was goed.
Terwijl deze groote gelukzaligheid haar vervulde, zat haar vader koel
en onbewogen tegenover haar.
"Dat is heel merkwaardig," zei hij slechts.
"Ge gaat toch zeker morgen mee naar het feest?"
"Ik weet het nog niet, ik moet naar mijn uitgravingen."
Donna Micaela begon haar brood heftig te verkruimelen. Ze begon haar
geduld te verliezen. Hij had geen deel genomen in haar zorgen, maar
in haar vreugde moest hij deelen. Hij moest deelen in haar vreugde!
En plotseling braken de ketenen van onderdanigheid en vrees, die haar
gebonden hadden, sedert haar vaders gevangenistijd.
"Gij, die zooveel tochten op den Etna maakt," zei zij met een zeer
vriendelijke stem, "gij zijt zeker ook wel eens in Gela geweest?"
De cavaliere keek op en scheen in zijn geheugen te zoeken:
"Gela, Gela!"
"Gela is een dorp van ongeveer honderd huizen, dat aan de Zuidzijde
van den Monte-Chiaro ligt, aan den voet van den berg," vervolgde
donna Micaela met het onschuldigste gezicht van de wereld. "Het
ligt ingeklemd tusschen den Simeto en den bergwand, een tak van de
rivier neemt dikwijls zijn weg door de straten van Gela, zoodat het
een zeer ongewone gebeurtenis is, wanneer men met droge voeten door
het dorp komt.
"Het dak der kerk stortte in bij de laatste aardbeving, en men heeft de
kerk niet kunnen herstellen, want Gela is zeer arm. Hebt ge werkelijk
nooit van Gela gehoord?"
Cavaliere Palmeri antwoordde met onbeschrijfelijken ernst:
"Mijn vorschingen hebben me bergopwaarts gevoerd. Ik heb er nooit
aan gedacht de villa van den grooten wijsgeer in Gela te zoeken."
"Maar Gela is een zeer interessant dorp," zei donna Micaela. "Ze
hebben daar geen aparte schuren. De varkens zijn beneden in de huizen,
de menschen wonen een trap hooger. En er zijn heel wat varkens in
Gela. Ze bevinden zich daar beter dan de menschen, want de menschen
zijn er bijna altijd ziek.
"Er heerscht voortdurend koorts, de malaria is er een trouwe gast. Het
is er zoo vochtig, de kelders staan altijd onder water en moerasdampen
drukken als een dichte mist op het dorp. In Gela zijn geen winkels,
ook geen politie, post, dokter of apotheek. Zeshonderd menschen leven
daar geheel vergeten en verlaten.
"Hebt ge nooit gehoord van Gela?"
Zij zag er heel verbaasd uit.
Cavaliere Palmeri schudde het hoofd. "Den naam heb ik wel eens
gehoord...."
Donna Micaela keek haar vader onderzoekend aan. Zij boog zich
haastig voorover en haalde uit zijn borstzak een gebogen klein mes
te voorschijn, zooals gebruikt wordt bij het snoeien der wijnstokken.
"Arme Empedokles," zei ze en plotseling straalde haar geheele gelaat
van schalkscheid.
"Ge waant u opgestegen tot de goden, maar de Etna werpt altijd uw
schoenen op."
Cavaliere Palmeri zonk als door een schot getroffen achterover in
zijn stoel.
"Micaela," zei hij zwak afwerend, als iemand die niet weet hoe hij
zich moet verdedigen.
Maar zij was oogenblikkelijk even ernstig en zoo onschuldig als
tevoren.
"Men heeft mij verteld," zei ze, "dat Gela eenige jaren geleden op het
punt stond geheel te gronde te gaan. Alle menschen daar verbouwen
wijn, en toen nu de phylloxera al hun wijngaarden verwoestte,
dreigden zij geheel te verhongeren. 't Landbouwgenootschap zond hun
toen Amerikaansche planten, die niet door de phylloxera aangetast
worden. De menschen in Gela plantten deze, maar al de wijnstokken
stierven. Hoe zouden de menschen in Gela weten hoe de Amerikaansche
wijndruif gekweekt moet worden.
"Maar toen kwam er iemand die hun dat leerde."
"Micaela," klonk het bijna steunend. Donna Micaela vond, dat haar
vader er reeds als een overwonnen man uitzag, maar toch vervolgde
zij haar verhaal, alsof zij niets gemerkt had.
"Er kwam iemand," zei zij met sterken nadruk, "en hij liet zich nieuwe
planten zenden. Hij begon deze in hun wijngaarden te planten. Ze
lachten hem uit, ze zeiden dat hij zich dwaas aanstelde. Maar zie,
zijn planten groeiden, zij stierven niet. En hij redde Gela."
"Ik vind je verhaal niet zeer amusant, Micaela," zei cavaliere Palmeri
met een poging het af te breken.
"'t Is toch even belangrijk als uw vorschingen," zei ze kalm. "Maar
ik wil u iets vertellen. Op een dag ging ik naar uw kamer om een boek
over archeologie te halen. Toen ik zag dat uw boekenkast vol was met
geschriften over de phylloxera, den wijnbouw en de wijnbereiding."
Cavaliere Palmeri schoof heen en weer op zijn stoel als een op
heeterdaad betrapte misdadiger.
"Zwijg, zwijg!" zei hij zwak. Hij was nu meer beschaamd, dan toen
hij aangeklaagd werd wegens diefstal.
Maar weer schitterde die onderdrukte schalkschheid in haar oogen.
"Ik keek eens naar de brieven, die ge verzendt," vervolgde zij. "Ik
wilde eens zien met welke geleerde mannen ge in briefwisseling
waart. 't Verwonderde mij dat de brieven altijd geadresseerd waren
aan presidenten of secretarissen van landbouwvereenigingen."
Cavaliere Palmeri was niet in staat een woord te spreken.
Donna Micaela genoot onbeschrijfelijk hem zoo machteloos te zien.
Ze keek hem vast in de oogen.
"Ik geloof niet dat Dominico reeds een ruïne weet te onderscheiden,"
zei ze. "De vuile kinderen in Gela spelen elken dag met hem en geven
hem waterkers te eten.
"Dominico wordt als een god in Gela vereerd, om niet te spreken van
zijn-- -- --"
Cavaliere Palmen scheen een idee te krijgen.
"Je spoorweg!" zei hij. "Wat zei je ook weer van je spoorweg?
"Misschien kan ik toch wel morgen meegaan naar je feest."
Donna Micaela luisterde niet naar hem. Zij haalde haar portemonnaie
uit den zak.
"Hier heb ik een nagemaakte oude munt," zei ze. "Een Demarata van
nikkel. Die heb ik gekocht om aan Dominico te toonen."
"Hoor nu eens, kind!"
Ze deed juist alsof zij zijn tegenwerpingen niet hoorde.
Nu had zij hem in haar macht. Nu was er meer noodig om haar te
verzoenen.
"Eens deed ik uw ransel open om uw vondsten te bewonderen. Het eenige,
dat hij bevatte, was een verdroogde wijnstok."
Zij was louter stralende vroolijkheid.
"Maar kind!"
"Wat moet men daarvan denken? 't Is misschien wel geen onderzoek naar
geschiedkundige overblijfselen, misschien is het wel liefdadigheid,
misschien ook wel boete-- --"
Nu sloeg cavaliere Palmeri met de vuist op de tafel, zoodat glazen
en borden rinkelden. Dit was hem te veel; een deftige, ernstige oude
heer kon zoo niet met zich laten spotten.
"Zoo waar als gij mijn dochter zijt, zult ge nu zwijgen."
"Uw dochter!" zei ze en oogenblikkelijk was haar vroolijkheid
verdwenen. "Ben ik werkelijk uw dochter? De kinderen in Gela mogen
Dominico streelen, maar ik-- --"
"Wat meen je, Micaela? Wat wil je?"
Ze keken elkaar aan. Hun oogen vulden zich gelijktijdig met tranen.
"Ik heb niemand anders dan u!" fluisterde zij.
Cavaliere Palmeri opende onwillekeurig zijn armen. Zij stond aarzelend
op, ze wist niet of zij goed zag.
"Ik weet hoe het nu gaan zal," zei hij morrend. "Geen minuut houd ik
nu voor me zelf over."
"Om de villa te ontdekken?"
"Geef mij een kus, Micaela. Vanavond zijt ge voor de eerste maal,
nadat we Catania verlaten hebben, onweerstaanbaar geweest."
En met een heeschen, wilden kreet, die hem bijna verschrikte, vloog
donna Micaela in haars vaders armen.