Nu hadden de blinde zangers week na week gezongen van Diamante's
spoorweg, en de groote collectebus in San Pasquale's kerk was iederen
avond vol gaven.
Signor Alfredo mat en bakende den weg af op den Etna en de spinnende
vrouwtjes in de donkere stegen vertelden van de heerlijke wonderen,
die het kleine Christusbeeld in de verachte kerk verrichtte.
Van de rijke en machtige mannen, die grond bezaten op den Etna, kwam
brief na brief, dat zij land wilden afstaan voor het gezegende plan.
In de laatste weken waren geschenken van alle kanten
toegestroomd. Eenige menschen gaven steenen voor de stations,
anderen schonken kruit om de lavablokken te doen springen, terwijl
weer anderen eten gaven aan de arbeiders.
Maar de arme menschen in Corvaja, die niets hadden om te geven, kwamen
's nachts, als zij hun werk gedaan hadden, met spaden en kruiwagens
en bestegen den Etna, om grond uit te graven en den weg te leggen.
Zoodat als signor Alfredo en zijn arbeiders 's morgens opkwamen,
zij moesten gelooven, dat de toovenaar van den Etna zich losgerukt
had uit zijn lavastroomen om hen bij hun arbeid te helpen.
Maar zoolang men aan den spoorweg werkte, had men gevraagd:
Waar blijft toch de koning van den Etna, Falco Falcone?
Waar is de machtige Falco, die gedurende vijf en twintig jaar over
den Etna geregeerd heeft?
Hij schreef aan de weduwe van don Ferrante, dat zij dezen spoorweg
niet moest aanleggen. Wat meende hij met zijn bedreiging?
Waarom houdt hij zich stil, nu men zijn gebod trotseert?
Waarom schiet hij de mannen van Corvaja niet neer als ze 's nachts
met spaden en houweelen komen aangeslopen?
Waarom sleept hij de blinde zangers niet in de steengroeve om hen
te geeselen? Waarom laat hij donna Micaela niet schaken uit het
zomerpaleis om haar op deze wijze te dwingen den aanleg te staken van
dezen spoorweg, die het doel haars levens is geworden? Donna Micaela
zei tot zichzelf: "Heeft Falco Falcone zijn woord vergeten of wacht
hij, tot hij ons het zekerst kan treffen?"
Terwijl men angstig wachtte, dat Falco den spoorweg zou verwoesten,
sprak men over niets anders dan over hem.
Vooral de arbeiders, die signor Alfredo volgden. Juist tegenover
den ingang van de kerk San Pasquale staat een klein huis tegen den
naakten rotswand.
't Huis is smal en hoog, zoodat het gelijkt op een schoorsteen, die
is blijven staan, nadat het huis is afgebrand. 't Is zoo klein, dat
er geen plaats voor de trappen binnenshuis is, maar die zich buiten
tegen den muur moeten opslingeren.
Hier en daar hangen balkons en andere uitbouwsels die met niet meer
symmetrie geordend zijn dan de vogelnestjes in een boom.
In dit huis werd Falco Falcone geboren, zijn ouders waren slechts
arme arbeidslieden. Maar in deze armoedige woning had de hoogmoed
zich ontwikkeld bij Falco.
Zijn moeder was een ongelukkige vrouw, die in de eerste jaren van
haar huwelijk slechts dochters ter wereld bracht. Haar man en haar
buren verachtten haar.
Deze vrouw smachtte naar een zoon. Toen zij haar vijfde kind
verwachtte, strooide zij iederen dag zout op den drempel, en wachtte
wie dien het eerst zou betreden.
Zou er eerst een man of een vrouw komen? Zou zij een zoon of een
dochter baren?
Iederen dag zat zij te tellen. Ze telde de letters van de maand,
waarin het kind geboren zou worden. Ze telde de letters van den naam
van haar man en van haar zelf. Ze telde de cijfers op en trok ze af,
het bleef een even getal.
Zij zou dus een zoon baren.
Den volgenden dag telde zij weer opnieuw.
"Misschien heb ik mij gisteren vergist," zei ze.
Toen Falco geboren werd, genoot zijn moeder zooveel eer, dat ze hem
om die reden meer beminde dan haar andere kinderen. Als de vader
binnenkwam om naar het kind te zien, nam hij zijn muts af en boog
diep. Boven de poort van het huis zette hij een hoed tot eereteeken
en men wierp het badwater van het kind over den drempel en liet het
over de straat vloeien.
Falco lag op den rechterarm van zijn peetmoeder, toen hij naar de kerk
gedragen werd, en als de buurvrouwen naar zijn moeder kwamen kijken,
bogen zij voor het kind, dat in de wieg sluimerde.
Het was ook grooter en sterker dan kinderen van zijn leeftijd
gewoonlijk zijn. Falco had reeds bij zijn geboorte dik, ruig haar, en
toen hij acht dagen oud was, bezat hij reeds een tand. Maar toen zijn
moeder hem aan de borst legde, was hij zoo wild, dat zij lachend zei:
"Ik geloof dat ik een held het leven geschonken heb."
Zij verwachtte altijd iets groots van hem, en daardoor wekte zij den
hoogmoed in hem. Maar wie anders verwachtte iets van hem? Falco kon
niet eens leeren lezen. Zijn moeder trachtte hem de letters te leeren.
Ze wees op de groote A, dat was een hooge hoed, ze zei dat B een bril
was, en C een slang. Dat kon hij leeren.
Toen zei zijn moeder: als je den bril en den grooten hoed bij elkaar
legt, zeggen ze Ba. Dat kon hij niet leeren. Hij werd boos en sloeg
haar, en zij liet hem met rust.
"Uit jou wordt toch nooit iets anders dan een held," zei ze.
In zijn jeugd was Falco lui en slecht. Als kind wilde hij niet spelen,
als volwassene wilde hij niet dansen, ook had hij geen liefste,
maar hij ging gaarne daarheen, waar hij strijd kon verwachten.
Falco had twee broers, die waren als andere menschen en veel meer
aanzien genoten dan hij. Falco voelde zich gegriefd, omdat hij
achteruitgezet werd bij zijn broeders, maar hij was te trotsch om
dat te toonen.
En zijn moeder was altijd aan zijn zijde; toen zijn vader overleden
was, liet zij hem aan het hoofdeind van de tafel zitten en zij stond
niet toe, dat men hem bespotte.
"Mijn oudste zoon is de voornaamste van u allen," zei ze.
Toen men aan dit alles dacht, zei men: "Falco is hoogmoedig. Hij zal
het zich tot een eer rekenen om den spoorweg te verwoesten." En toen
men bevreesd was geworden door deze herinnering, moest men denken
aan een andere geschiedenis van hem.
Gedurende dertig jaar, zegt men, leefde Falco gelijk alle andere arme
menschen op den Etna. 's Maandags ging hij met zijn broeders naar
het land. Hij had brood in den zak, voldoende voor een geheele week,
en gelijk ieder ander kookte hij soep van boonen en rijst. En hij was
blijde als hij 's Zaterdagsavonds huiswaarts keerde. Hij verheugde
zich de tafel met wijn en macaroni gedekt, en zijn bed met zachte
kussens gespreid te vinden.
Het was op zulk een Zaterdagavond. Falco en zijn broeders gingen naar
huis, Falco zooals gewoonlijk een weinig achter de anderen, met een
zwaren, langzamen gang. Maar zie, toen zijn broeders thuis kwamen,
wachtte hen geen avondmaal, hun bed was niet gespreid en de stof lag
nog op den deurdrempel.
Hoe, waren allen in huis overleden?
Toen zagen ze hun moeder in een donkeren hoek van de kamer zitten. Heur
haren hingen wanordelijk over haar gelaat en zij teekende met haar
vinger figuren op den grond.
"Wat is er gebeurd?" vroegen de broers. Zij keek op, zij sprak alsof
zij tot den grond sprak.
"Wij zijn tot den bedelstaf gebracht, tot den bedelstaf gebracht."
"Wil men ons het huis ontnemen?" riepen de broeders.
"Zij willen ons eer en brood ontnemen."
Toen vertelde zij: "Je oudste zuster was in dienst bij bakker Gasparo,
en dat was een goede dienst. Signor Gasparo gaf Pepa al het brood,
dat overbleef in den winkel, en dat gaf zij mij. Het was zoo veel,
dat het voor ons allen genoeg was. Ik ben gelukkig geweest, sedert
Pepa dezen dienst had. Nu heb ik een onbezorgden ouden dag, dacht ik.
"Maar den vorigen Maandag kwam Pepa weenend thuis.
"Signora Gasparo had haar weggejaagd."
"Wat had Pepa gedaan?" vroeg Nino, die na Falco de oudste was.
"Signora Gasparo beschuldigde Pepa brood gestolen te hebben.
"Ik ging naar signora Gasparo om haar te smeeken Pepa weer in haar
dienst te nemen.
"Neen," zei ze, "het meisje is niet eerlijk."
"Pepa heeft het brood gekregen van signor Gasparo," zei ik. "Vraag
het hem slechts."
"Ik kan het hem niet vragen," zei de signora. "Hij is weg en komt
niet vóór de volgende maand thuis."
"Signora," zei ik, "we zijn zoo arm! Laat Pepa weer bij u in dienst
komen."
"Neen," zei ze "ik zelf verlaat signor Gasparo, indien hij Pepa weer
in huis neemt."
"Neem u in acht," zei ik toen, "ontneemt gij mij het brood, dan
ontneem ik u 't leven."
"Toen werd ze bang en riep om hulp, zoodat ik moest gaan."
"Wat is er aan te doen?" zei Nino. "Pepa moet een anderen dienst
zoeken."
"Nino," zei moeder Zia, "je weet niet wat die vrouw zei van Pepa en
signor Gasparo."
"Wie kan een vrouw verhinderen te spreken?" zei Nino.
"Indien Pepa niets anders te doen heeft, dan kon zij ten minste het
avondmaal voor ons bereid hebben," zei Toruddo.
"Signora Gasparo heeft gezegd, dat haar man Pepa brood liet stelen,
omdat zij hem...."
"Moeder," viel Nino haar met vuurroode kleur in de rede, "ik ben niet
voornemens mij op de galeien te laten zetten, ter wille van Pepa."
"De galeien verslinden geen Christenen," zei moeder Zia.
"Nino," zei toen Pietro, "we gaan naar de stad om ons eten te
verschaffen."
Toen zij dit zeiden, hoorden zij iemand achter zich lachen. 't
Was Falco.
Eenige oogenblikken later trad Falco den winkel binnen van signora
Gasparo en verzocht om een brood. De arme vrouw werd bang toen zij
Pepa's broer zag, maar zij dacht:
"Hij komt pas van het veld, hij is nog niet thuis geweest, hij weet
nog van niets."
"Bebbo," zei ze, want Falco heette toen nog niet Falco, "gaat het
goed met den wijnbouw?"
Zij geloofde, dat hij haar geen antwoord zou geven.
Maar Falco was spraakzamer dan hij gewoonlijk was, en hij vertelde
haar, hoeveel druiven ze onder de pers hadden gedaan.
"Weet ge," zei hij, "dat onze pachter vermoord is?"
"Ach ja, de arme signor Riego, ja, dat weet ik."
En zij vroeg hem hoe het gebeurd was.
"Salvatore heeft hem vermoord. Maar is het niet te naar voor een
signora om te hooren?"
"O neen, wat gebeurd is, kan ook verteld worden."
"Salvatore heeft het zóó gedaan, signora," en Falco nam zijn mes en
legde zijn hand op het hoofd der vrouw.
"Zóó heeft hij hem de keel doorgesneden van oor tot oor." En
terwijl Falco dit zei, deed hij het. De vrouw had niet eens kunnen
schreeuwen! 't Was meesterlijk gedaan. Falco werd naar de galeien
gezonden, hij bleef daar vijf jaar.
Toen men dit vertelde wies de angst.
"Falco is moedig," zei men. "Niets ter wereld kan hem van zijn
voornemen afbrengen."
Toen herinnerde men zich nog een voorval.
Falco werd naar de galeien in Augusta gezonden en daar leerde hij
Biagio kennen, die hem later zijn gansche leven volgde. Op een dag
kregen hij, Biagio en nog een der gevangenen het bevel om op het
land te werken. Een der opzichters wilde een tuin rondom zijn huis
aanleggen. Terwijl ze in den grond groeven, zwierven hun blikken over
hun omgeving. Ze waren buiten de gevangenismuren en zagen het dal en
den berg, ze konden zelfs den Etna onderscheiden.
"Nu is onze tijd gekomen," zei Falco tot Biagio.
"Ik sterf liever dan dat ik terugga naar de gevangenis," zei Biagio.
Daarna zeiden ze den derden gevangene dat hij hen moest bijstaan.
Hij wilde niet, omdat zijn straftijd bijna om was.
"Dan dooden we je!" dreigden ze hem, toen gaf hij toe.
Maar de soldaat van de wacht stond met een geladen geweer tegenover
hen. Falco en Biagio sprongen, geboeid als ze waren met de ketenen
aan hun voeten, op hem toe, en zij sloegen hem met hun spade. Voordat
hij er aan had kunnen denken te schieten, was hij gebonden; een prop
in den mond belette hem te schreeuwen. Daarna stieten ze hun ketenen
stuk met hun spade, en vluchtten in de bergen.
's Nachts lieten Falco en Biagio den gevangene dien zij meegenomen
hadden, in den steek. Hij was oud en zwak en hinderde hen in hun
vlucht. Den volgenden dag werd hij door de karabiniers gegrepen en
doodgeschoten.
En men beeft, als men daaraan denkt. Falco is onbarmhartig, zegt
men. Men begrijpt, dat hij den spoorweg niet zal sparen.
En geschiedenis na geschiedenis doet de ronde om de arme menschen
bang te maken, die aan den spoorweg op den Etna werken.
Men denkt aan de zestien moorden die Falco Falcone begaan heeft,
en men verhaalt van zijn plunderingen en rooftochten.
Er is een verhaal, dat de menschen meer dan alle andere verschrikt.
Toen Falco van de galeien kwam, woonde hij in de bosschen en grotten
op den Etna of in de steengroeve bij Diamante. Spoedig had hij een
groote bende om zich verzameld. Hij werd een groote rooverheld.
Zijn familie genoot een heel ander aanzien dan vroeger. Zij werden
als machtigen geëerd, zij behoefden nauwelijks te werken, want Falco
had zijn bloedverwanten lief en was zeer mild jegens hen. Maar hij
was niet toegevend, hij was zeer streng.
Moeder Zia was overleden. Nino was getrouwd en woonde nu in zijn vaders
hut. Toen gebeurde het op een dag, dat Nino geld noodig en hij wist
geen beter middel dan naar den pastoor te gaan, niet naar don Matteo,
maar naar zijn voorganger, den ouden don Giovanni.
"Uw Hoogeerwaarde," zei Nino tot hem, "mijn broer verzoekt u om vijf
honderd lire."
"Waar moet ik vijf honderd lire vandaan halen?" zei don Giovanni.
"Mijn broer heeft ze noodig, dringend noodig," zei Nino.
Toen beloofde de oude don Giovanni het geld te geven, indien hij
slechts tijd kreeg om het bijeen te brengen.
Nino wilde hem nauwelijks die voorwaarde inwilligen.
"Ge kunt toch niet verlangen dat ik vijf honderd lire uit mijn
snuifdoos zal halen," zei don Giovanni.
En Nino stond hem drie dagen uitstel toe.
"Maar neem u in dezen tijd voor mijn broer in acht," zei hij.
Den volgenden dag reed don Giovanni naar Nicolosi om te trachten het
geld te krijgen.
Wien ontmoette hij onderweg? Was dat niet Falco met zijn bende?
Don Giovanni wierp zich op de knieën voor Falco.
"Wat beduidt dit, don Giovanni?"
"Ik heb nog geen geld voor u, Falco, maar ik zal trachten het te
krijgen. Wees barmhartig jegens mij."
Falco vroeg wat dit beteekende en don Giovanni vertelde dat Nino bij
hem geweest was.
"Uw Hoogeerwaarde," zei Falco, "men heeft u willen bedriegen."
Hij verzocht don Giovanni met hem terug te gaan naar Diamante.
Toen ze bij het oude huis op de rots kwamen, riep Falco zijn broer
Nino. Deze verscheen op een der balkons.
"Wel Nino!" zei Falco lachend. "Je hebt den pastoor geld willen
afzetten!"
"Weet je dat al?" vroeg Nino. "Ik wilde het je juist gaan vertellen."
Nu werd Falco strenger.
"Nino," zei hij. "De pastoor is mijn vriend en hij meent nu dat ik
hem had willen plunderen. Je hebt zeer slecht gehandeld." En hij
legde zijn geweer aan en schoot Nino dood.
Toen hij dit gedaan had, wendde hij zich tot don Giovanni, die van
schrik bijna van zijn ezel viel.
"Ziet ge nu, uw Hoogeerwaarde, dat ik geen aandeel had in Nino's
aanslag tegen u?"
En dit geschiedde twintig jaar geleden, toen Falco nog slechts
gedurende vijf jaar roover was geweest.
"Zal Falco den spoorweg sparen?" vraagt men als men deze geschiedenis
hoort; hij, die niet eens zijn eigen broer spaarde?
Men herinnert zich nog een ander voorval.
Na Nino's dood dreigde Falco een vendetta. Nino's vrouw was zoo
verschrikt toen zij haar man dood vond, dat zij aan één zijde verlamd
werd en nooit meer kon loopen. Maar ze nam plaats voor het venster
in de oude hut. Daar heeft ze twintig jaar gezeten met een geweer
naast zich om op Falco te wachten.
En voor haar is de groote roover bang geweest. In twintig jaar is
hij niet voorbij zijn ouderlijk huis gegaan.
De vrouw heeft nooit haar post aan het raam verlaten. Nooit ging
iemand naar de kerk van San Pasquale, of hij zag haar wraakzuchtige
oogen achter de ruiten schitteren.
Heeft iemand haar ooit slapend gezien, heeft iemand haar ooit zien
werken? Zij kon niets anders doen dan wachten op den moordenaar van
haar man.
Als men dit hoort, groeit de vrees.
Falco heeft geluk, denkt men. De vrouw, die hem wil dooden, kan
zich niet van haar plaats bewegen. Hij is een gelukskind. 't Zal hem
stellig gelukken den spoorweg te vernielen. Het geluk had Falco nooit
verlaten. De karabiniers hadden hem vervolgd, maar hem nooit kunnen
pakken. Zij hadden Falco meer gevreesd dan hij hen.
Men herinnert zich ook een geschiedenis van een jongen officier
der karabiniers, die Falco eens vervolgde. Hij had een drijfjacht
georganiseerd en Falco van de eene schuilplaats naar de andere
gejaagd. Eindelijk wist de jonge officier zeker, dat Falco in een
kreupelboschje gevangen was. Het boschje werd omsingeld door zijn
manschappen en de officier liep heen en weer met een geladen geweer
in de hand. Maar hoe hij ook zocht, hij vond Falco niet.
Toen ontmoette hij een boer.
"Heb je Falco Falcone ook gezien?"
"Ja signor, hij ging mij zoo juist voorbij en verzocht me u te
groeten."
"Diavolo!"
"Hij zag u heen en weer loopen in het boschje, en hij stond op het
punt u dood te schieten, maar hij heeft dat niet gedaan omdat hij
dacht, dat het misschien uw plicht was hem te vervolgen."
"Diavolo! Diavolo!"
"Maar indien ge nog eenmaal tracht...."
"Diavolo! Diavolo! Diavolo!"
Denkt ge dat die officier terugkwam? Gelooft ge niet, dat hij naar
een plaats vertrok, waar hij geen roovers behoefde te vervolgen?
En de arbeiders, die op den Etna werken, vragen:
Wie zal ons bijstaan tegen Falco? Hij is oppermachtig, zelfs de
soldaten vreezen hem.
Ze denken er aan, dat Falco Falcone nu een oude man is. Nu plundert hij
geen postwagens, nu berooft hij geen grondbezitters meer. Meesttijds
zit hij rustig in de steengroeve bij Diamante en in plaats van geld en
bezittingen te rooven, neemt hij nu geld en eigendommen in bescherming.
Hij laat de rijke grondbezitters schatting betalen, opdat hij hun
goederen zal beschermen tegen andere roovers en er heerscht nu
veiligheid en vrede op den Etna, want hij staat niemand toe hen te
schaden, die hem schatting betalen.
Maar toch groeit de angst. Nu Falco een vriend is geworden der grooten,
kan hij des te gemakkelijker den spoorweg vernielen.
En ze moeten aan de geschiedenis denken van Nicola Galli, die
opzichter is op het landgoed van den markies de San Stefano. Eens
staakten zijn arbeiders het werk midden in den oogsttijd. Nicola
Galli was wanhopig. Het koren was rijp en hij kon niemand vinden die
het wilde maaien.
Zijn arbeiders wilden niet werken, ze lagen te slapen in het
gras. Nicola trok naar Catania om zijn heer te raadplegen. Onderweg
ontmoette hij twee mannen met een geweer op den schouder.
"Waar rijdt ge heen, Nicola?"
Voordat Nicola nog veel woorden had kunnen zeggen, namen ze zijn ezel
bij de teugels en keerden om.
"Ge zult niet naar den markies rijden, Nicola, ge gaat weer naar huis."
Samen keerden zij nu huiswaarts. Nicola zat te beven op zijn ezel. Toen
zij nu op het landgoed gekomen waren, zeiden de mannen:
"Wijs ons nu de akkers!" En ze gingen naar de arbeiders. "Werken,
jelui lummels! De markies heeft zijn schatting betaald aan Falco
Falcone. Je kunt ergens anders het werk staken, maar hier niet."
De akker werd gemaaid zooals geen andere. Falcone stond aan den eenen
kant en Biagio aan den anderen.
En de oogst gaat wonderlijk vlug, als men zulke opzichters heeft. Als
men denkt aan dit voorval, vermindert de angst niet.
"Falco houdt woord," zegt men. "Hij zal doen, wat hij gedreigd heeft."
Niemand is gedurende zoo langen tijd rooverhoofdman geweest als
Falco. Al de andere beroemde helden zijn gevallen of gevangen
genomen. Hij alleen is met ongelooflijke behendigheid aan alle
gevaren ontsnapt.
Langzamerhand heeft Falco zijn geheele familie tot zich getrokken. Zijn
zwagers en neven, allen volgen hem. De meesten van hen zijn naar de
galeien gezonden; toch bekommert geen van hen zich om gevangenisstraf,
ze vragen er slechts naar of Falco tevreden is over hen.
In de couranten staan Falco's heldendaden dikwijls vermeld. 't Is
bekend dat Engelsche toeristen hun gidsen een biljet van tien lire in
de hand stoppen, als zij hun Falco's steengroeve willen wijzen. Ook
weet men, dat de karabiniers niet meer op hem schieten, omdat hij de
laatste groote roover is.
Falco is zoo weinig bevreesd dat men hem gevangen zal nemen, dat hij
dikwijls naar Messina en Palermo gaat. Hij is zelfs wel over de straat
van Messina getrokken en in Italië geweest.
Hij reisde naar Napels, toen Guglielmo en Umberto daar waren om het
pantserschip te doopen.
Hij trok naar Rome, toen Umberto en Margherita hun zilveren bruiloft
vierden.
Men denkt er aan en beeft. "Falco is bemind en machtig," zeggen de
arbeiders. "Men aanbidt Falco, hij kan doen wat hij wil."
Zij weten ook, dat toen Falco de zilveren bruiloft van koningin
Margherita zag, dit feest hem zóó behaagde dat hij zei:
"Als ik vijf en twintig jaar op den Etna gewoond heb, wil ik mijn
zilveren bruiloft met den Mongibello vieren."
De menschen hadden daarover gelachen en gezegd dat dit een goede
gedachte was. Want hij had nooit een liefste bezeten, maar de
Mongibello met zijn grotten, wouden, kraters en ijsvelden, had hem
beschermd en gediend als een echtgenoote.
Aan niemand is Falco zooveel dankbaarheid verschuldigd als aan den
Mongibello.
En men vraagt, wanneer Falco en de Mongibello hun zilveren bruiloft
zullen vieren, en men rekent na, dat dit in deze lente moet zijn.
Dan denken de arbeiders:
Hij zal den spoorweg vernielen op den dag van den Mongibello. En
er heerscht schrik en angst onder hen. Ze wagen het niet verder te
werken aan den spoorweg. Hoe meer de tijd nadert, dat Falco zijn
verbond met den Mongibello zal vieren, hoe meer arbeiders signor
Alfredo verlaten. Spoedig gaat deze zoo goed als alleen aan den arbeid.
Er zijn niet veel menschen in Diamante, die de groote steengroeve op
den Etna ooit gezien hebben. Ze hebben geleerd die te ontvluchten,
omdat Falco Falcone daar woont; ze wachten zich om binnen het bereik
van zijn geweer te komen.
Ze hebben nooit de groote groeve in den Mongibello gezien, waaruit hun
voorvaderen, de Grieken, in langvervlogen tijden steenen groeven. Zij
hebben nooit de heerlijk van kleuren tintelende wanden aanschouwd en
de machtige rotsblokken, die gelijken op gebroken zuilen.
Zij weten misschien niet eens, dat op den bodem der steengroeve
schooner bloemen bloeien dan in eenige broeikas.
Daar is niet Sicilië, daar is Indië.
In de steengroeve staan mandarijneboomen, zoo geel van vruchten, dat
ze gelijken op reusachtige zonnebloemen. Daar worden de camelia's zoo
groot als tamboerijnen. En tusschen de boomen op den grond liggen
hoopen kostbare koningsvijgen en fluweelen perziken vallen op een
bed van rozeblâren.
Een avond zit Falco eenzaam in de steengroeve. Hij is bezig een krans
te vlechten en heel veel bloemen liggen voor hem. Hij houdt den voet
op het kluwen touw opdat dit niet weg zal rollen; hij heeft een bril
op, maar die glijdt onophoudelijk van zijn krommen neus.
Falco vloekt geweldig, want zijn handen zijn stijf en vol eelt door
het voortdurend afschieten van het geweer, en het valt hem moeilijk
de bloemen vast te houden.
Zijn vingers sluiten met een ijzeren greep om haar teere stengels.
Falco zegt vloekend, dat de leliën en anemonen verwelken, zoodra hij
er slechts naar kijkt.
Falco is in zijn lederen broek en in zijn langen, toegeknoopten mantel
zoo omgeven van bloemen als een heilige op een feestdag. Biagio
en zijn neef Passafiore hebben die voor hem geplukt. Zij hebben
een geheelen Etna van de mooiste bloemen der steengroeve voor hem
opgestapeld. Falco kan kiezen tusschen leliën en cactusbloemen,
rozen en pelargonea's. En hij dreigt de bloemen, dat hij ze tot stof
zal vertrappen onder zijn sandalen, indien zij zich niet naar zijn wil
willen voegen.
Nooit tevoren heeft Falco Falcone zich bekommerd om bloemen. Zoolang
hij leeft, heeft hij nog nooit een bouquet voor een meisje gebonden
of een roos geplukt om in zijn knoopsgat te steken. Hij heeft niet
eens een krans gelegd op het graf van zijn moeder.
Daarom komen de teere bloemen in opstand tegen hem. In zijn haar en
op zijn hoed hechten zich bloemranken vast, en een bloemblad hangt
in zijn ruigen baard. Hij schudt heftig het hoofd en het litteeken
op zijn wang gloeit, zooals in vroeger dagen, toen hij tegen de
karabiniers streed. Toch wordt de krans steeds grooter, en kronkelt
als een slang om Falco's voeten en beenen.
Falco vloekt alsof het de ijzeren boeien waren, die eens vastgeklonken
werden aan zijn voeten.
En hij klaagt luider als hij zich prikt aan een doorn, of brandt aan
een netel, dan hij gedaan heeft, toen de zweep van den opzichter der
galeien zijn rug geeselde.
Biagio en Passafiore, zijn neef, wagen het niet zich te vertoonen. Ze
liggen verborgen in een grot, tot alles gereed is. Ze lachen luidkeels,
want zooveel jammerklachten als Falco nu uit, hebben niet in de
steengroeve weerklonken, sedert ongelukkige krijgsgevangenen daar
aan den arbeid waren.
Maar Biagio ziet op naar den grooten Etna, die gloeit in den
zonsondergang.
"Zie eens naar den Mongibello," zegt hij tegen Passafiore, "zie
eens hoe hij bloost, zeker begrijpt hij, waarmee Falco bezig is in
de steengroeve."
En Passafiore antwoordt: "De Mongibello heeft zeker nooit anders
gedacht dan sneeuw en asch op zijn kruin te krijgen." Maar plotseling
houdt Biagio op met lachen.
"Dat gaat nooit goed, Passafiore," zegt hij, "Falco wordt al te
hoogmoedig. Ik vrees dat de groote Mongibello den spot met hem zal
drijven."
De twee bandieten zien elkaar uitvorschend aan.
"Ware het slechts hoogmoed," zegt Passafiore.
Maar nu wenden zij gelijktijdig hun oogen af en wagen het niet iets
meer te zeggen. Dezelfde gedachte, dezelfde vrees heeft zich van
hen meester gemaakt. Falco staat op het punt krankzinnig te worden,
soms is hij reeds uren lang waanzinnig.
Zoo gaat het met de groote rooverhelden, ze kunnen hun eer en grootheid
niet dragen, ze worden allen waanzinnig.
Passafiore en Biagio hadden het reeds lang gezien, maar ze hadden
beiden gezwegen en elk had gehoopt, dat de andere niets zou merken. Nu
begrijpen ze, dat ze beiden het weten. Ze drukken elkaar de hand
zonder een woord te spreken. Nog heeft Falco zooveel groots.
Zij beiden, Passafiore en Biagio, zullen waken dat niemand merkt,
dat Falco niet meer dezelfde is, die hij was.
Eindelijk is Falco's krans klaar, hij hangt dien aan zijn geweer en
gaat naar de beide anderen. Alle drie treden nu uit de steengroeve
en nemen in de naastbijzijnde boerderij paarden, om zoo vlug mogelijk
op den top van den Mongibello te komen.
Zij rijden in gestrekten draf, zoodat ze geen gelegenheid hebben met
elkaar te spreken, maar als ze voorbij de landhoeve rijden, kunnen
ze zien, hoe het volk danst op de platte daken. En uit de grotten
waar de landarbeiders hun nachtkwartier hebben opgeslagen, hooren ze
gepraat en gelach. Daar zitten vroolijke, vreedzame menschen raadsels
op te lossen en spotversjes te dichten. Maar Falco vliegt verder,
zoo iets is niet voor hem. Falco is een groot man.
Ze stijgen al hooger. Eerst rijden ze onder amandelboomen en cactussen,
dan onder platanen en beuken, en later onder eiken en kastanjes.
Maar de nacht is donker. Zij zien niets van Mongibello's
heerlijkheid. Zij zien niet den met wijnloof omkransten Monte Rossoze,
zien niet de tweehonderd kraters, die in een kring rondom de kruin van
den Etna staan als torens rondom een stad, ze zien niet de heerlijke
dichte wouden.
In Casa del Bosca, waar de weg ophoudt, stijgen ze van hun
paarden. Biagio en Passafiore nemen den krans tusschen hen
beiden. Terwijl zij verder gaan, begint Falco te spreken. Sedert hij
oud is, spreekt hij gaarne.
Falco zegt dat de berg gelijk is aan de vijf en twintig jaren, die
hij daarop doorgebracht heeft. Heldendaden waren rondom hem opgebloeid
gedurende de eerste jaren van zijn grootheid: met hem te leven in dien
tijd was gelijk te wandelen onder een eindelooze pergola, waarboven
citroenen en druiven hangen. Toen waren zijn heldendaden overvloedig
geweest als oranjes, die rondom den voet van den Etna groeien. Hij was
hooger gestegen en zijn daden waren minder in aantal geworden, maar
die hij verricht had, waren machtig als de eike- en kastanjeboomen op
den stijgenden berg. Nu hij op het hoogste punt van zijn grootheid
stond, verachtte hij de daad. Zijn leven was kaal als de bergtop,
hij vergenoegde zich met de wereld aan zijn voeten te zien. Maar men
moest weten, dat indien hij iets ondernam, niets hem weerstaan kon.
Hij was vreeselijk als de vuurspuwende berg.
Falco gaat sprekend vooruit, Passafiore en Biagio volgen hem in stille
ontzetting. Heel vaag zien ze den machtigen Mongibello met zijn steden,
velden en wouden zich uitbreiden onder hun voeten.
En Falco meent even ontzagwekkend te zijn als deze reus.
Hoe hooger zij stijgen, hoe meer ze bevangen worden door een stijgende
ontzetting.
De gapende kloven, de zwaveldamp uit de kraters, te zwaar om dadelijk
in de lucht op te stijgen, het onderaardsche gerommel in den berg, de
voortdurend opstijgende aschwolken, de gladde, hobbelige ijsvelden,
doorsneden van bruisende beken, de bijtende koude, de verstijvende
wind, dit alles maakt den tocht huiveringwekkend.
--En Falco zegt dat deze berg gelijkt op zijn leven. Hoe ziet het er
dan uit in zijn ziel? Heerscht daarin een kilheid en grauwen gelijk
aan die van den Etna?
Ze struikelen over stukken ijs, ze worstelen zich door sneeuwhoopen,
die hier en daar een meter hoog liggen. De bergwind tracht hen
omver te blazen. Ze moeten door moerassen en beken waden, want den
vorigen dag heeft de zon veel sneeuw gesmolten. En ter zelfder tijd,
dat ze verstijven van koude, trilt de bodem onder hen van het eeuwige
vuur. Ze herinneren zich, dat Luciferno en alle verdoemden daar beneden
liggen. Zij rillen omdat Falco hen naar de poort der hel gevoerd heeft.
Maar toch laten ze de ijsvelden achter zich en bereiken den steilen
aschkegel op den top van den berg, en ze kruipen door glijdende asch
en puimsteen. Als zij halverwegen gekomen zijn, neemt Falco den krans
en wenkt de anderen te wachten. Hij wil alleen de hoogte bestijgen.
Het begint op hetzelfde oogenblik te lichten, en als Falco de hoogte
bereikt heeft, breekt de zon door.
De Mongibello en de oude Etnaroover op zijn top worden omstraald door
het heerlijke morgenlicht.
Maar de schaduw van den Etna valt over geheel Sicilië, en het is alsof
Falco, die daar boven op de bergkruin staat, van zee tot zee reikt,
dwars over het gansche eiland.
Falco ziet om zich heen. Hij ziet de kusten van Italië, hij meent
Napels en Rome te onderscheiden. Hij laat zijn blikken over zee dwalen
naar het land der Turken in het Oosten en naar het land der Saracenen
in het Zuiden.
Hij heeft een gevoel alsof de geheele wereld aan zijn voeten ligt en
zijne grootheid erkent.
Falco legt den krans op Mongibello's top.
Als hij terugkomt bij zijn kameraden, drukt hij hun zwijgend de hand,
en als hij van den aschkegel daalt, zien ze dat hij een puimsteen
opneemt en in zijn zak doet.
Falco neemt een herinnering mee aan de schoonste ure van zijn
leven. Zoo groot als daar op Mongibello's top heeft hij zich nooit
tevoren gevoeld.
Maar op dezen feestdag wil Falco niet werken.
Den volgenden dag, zegt hij, zal hij aan den arbeid beginnen om den
Mongibello te bevrijden van den spoorweg.
Er ligt een eenzame landhoeve op den weg van Paterno naar Aderno. Die
is vrij groot, de eigenares daarvan is een weduwe, donna Silvia,
die vele sterke zonen heeft. Dat zijn moedige menschen, die het wagen
eenzaam te wonen.
't Is de dag, nadat Falco den Etna bekranst heeft. Donna Silvia zit
voor haar huis te spinnen. Zij is alleen, niemand anders is op de
hoeve. Een bedelaar sluipt zacht door de tuinpoort.
Hij is een oude man met een langen, krommen neus, die over de bovenlip
hangt, een borsteligen baard en doffe roodgerande oogen. Hij heeft de
leelijkste oogen, die men zich voorstellen kan, het wit daarin gaat
over in geel, en hij ziet daarenboven scheel. De bedelaar is lang
en zeer mager, en wanneer hij loopt, beweegt hij zijn lichaam zoo,
dat men meent dat hij heen en weert slingert.
Hij loopt zoo zacht, dat donna Silvia hem niet hoort. Ze bemerkt hem
eerst, wanneer zijn schaduw zich als een slang voor haar uit kronkelt.
Ze ziet op van haar werk, als zij die schaduw bemerkt. De bedelaar
buigt voor haar en verzoekt om een maal macaroni.
"De macaroni staat op het vuur," zegt donna Silvia. "Ga zitten en
wacht een oogenblik, dan zult ge uw lievelingsgerecht hebben."
De bedelaar neemt plaats naast donna Silvia en ze beginnen te
spreken. Spoedig is Falco Falcone het onderwerp van hun gesprek.
"Is het waar, dat ge uwe zonen laat werken aan donna Micaela's
spoorweg?" vraagt de bedelaar.
Donna Silvia klemt de lippen op elkaar en knikt toestemmend.
"Gij zijt een moedige vrouw, donna Silvia. Falco zou zich op u
kunnen wreken."
"Laat hij zich dan wreken," zegt donna Silvia. "Maar ik wil den
man niet gehoorzamen, die mijn vader gedood heeft. Falco heeft hem
gedwongen te vluchten uit de gevangenis in Augusta, toen werd mijn
vader door de karabiniers gegrepen en doodgeschoten."
Nadat ze dit gezegd heeft, staat ze op om de macaroni te halen. Terwijl
zij in de keuken bezig is, ziet ze door het raam naar den bedelaar,
die op de bank zit heen en weer te wiegelen. Hij zit geen oogenblik
stil. En voor hem uit slingert zijn schaduw, lenig en beweeglijk als
een slang.
Donna Silvia herinnert zich plotseling, wat zij Catherina, die getrouwd
is geweest met Nino, eens heeft hooren zeggen. Men vroeg haar, hoe
zij Falco na twintig jaar zou herkennen.
"Zou ik den man met de slangeschaduw niet herkennen?" had zij
geantwoord. "Die verliest hij niet, zoolang hij leeft."
Donna Silvia drukt de hand tegen het hart. Daar buiten voor haar huis
zit Falco Falcone. Hij is gekomen om zich te wreken, omdat haar zonen
aan den spoorweg werken. Zal hij haar huis in brand steken of zal
hij haar vermoorden? Donna Silvia trilt over haar geheele lichaam,
als zij de macaroni op den schotel doet.
Maar Falco begint de tijd lang te vallen, terwijl hij zit te
wachten. Een kleine hond komt naar hem toe en drukt zich tegen hem
aan. Falco zoekt in zijn zak naar brood, maar hij vindt slechts een
steen, dien hij den hond toewerpt.
De hond haalt den steen en brengt dien naar Falco terug. Falco werpt
dien nog eens weg. De hond haalt dien opnieuw, maar nu springt hij
er mee weg.
Falco herinnert zich plotseling, dat dit de steen is, dien hij van
den tocht op den Mongibello meenam, en hij loopt den hond na om den
steen terug te halen. Hij fluit den hond en deze komt dadelijk.
"Geef hier den steen."
De hond houdt zijn kop op zij en wil den steen niet teruggeven. "Geef
hier den steen, canaille!"
De hond sluit den bek, hij heeft immers geen steen.
"Laat eens zien, laat eens zien!" roept Falco. Hij buigt den kop van
den hond achterover en dwingt hem den bek te openen. De steen ligt
achter zijn kiezen en Falco tracht hem er uit te halen. De hond bijt
hem zoo, dat het bloed uit de wonde stroomt.
Falco wordt bang, hij gaat naar binnen en zegt tot donna Silvia:
"Uw hond is toch wel gezond?"
"Mijn hond, ik heb geen hond, die is dood."
"Maar die hond dan, die daarbuiten loopt?"
"Ik weet niet welken hond ge meent," zegt ze.
Falco zegt niets meer; ook doet hij donna Silvia geen kwaad. Hij gaat
stil weg, hij is bang. Hij gelooft, dat de hond dol is en dat hij nu
zelf watervrees zal krijgen.
Op een avond zit donna Micaela alleen in de muziekzaal. Ze heeft
het licht uitgedaan en de balkondeuren geopend. Zij houdt er van 's
avonds en 's nachts naar het straatrumoer te luisteren. Dan zwijgt het
gehamer der timmerlieden en 't geschreeuw der uitroepers, dan klinkt
er slechts gezang, gelach, gefluister en het neuriën der mandolines.
Plotseling ziet ze een donkere hand op het balkonhek. Na de hand komt
er een arm en een hoofd te voorschijn en een oogenblik later springt
een geheel mensch op het balkon.
Zij kan hem duidelijk onderscheiden, want de straatlantaarns branden
nog.
't Is een kleine breedgeschouderde man met forschen baard. Hij is als
herder gekleed, met leeren sandalen, slappen hoed en een parapluie,
op zijn rug vastgebonden.
Zoodra hij op zijn voeten staat, neemt hij een geweer uit zijn gordel,
en treedt daarmee de kamer binnen.
Ze zit doodstil zonder eenig teeken van leven te geven, ze heeft geen
tijd om om hulp te roepen, noch om te vluchten.
Zij hoopt, dat de man zal nemen, wat hij begeert en dan weg zal gaan,
zonder haar op te merken, die achter in de donkere kamer zit.
De man zet zijn geweer op den grond en zij hoort hoe hij een lucifer
aansteekt. Zij sluit de oogen, dan zal hij gelooven, dat zij slaapt.
Zoodra de roover licht gemaakt heeft, ontdekt hij haar. Hij hoest om
haar te wekken. Daar zij onbeweeglijk blijft zitten, sluipt hij naar
haar toe en raakt voorzichtig haar arm aan.
"Raak mij niet aan, raak mij niet aan!" gilt zij doodelijk beangst.
De man trekt zich haastig terug.
"Lieve donna Micaela, ik wilde u slechts wekken."
Zij zit te rillen van angst en hij hoort hoe zij snikt.
"Lieve signora, lieve signora!" zegt hij.
"Steek licht op, dat ik kan zien wie ge zijt!" roept zij.
Hij steekt een nieuwen lucifer aan en neemt behendig als een
kamerdienaar het glas en den ballon van de lamp. Daarna keert hij terug
naar de deur, zoover mogelijk van haar verwijderd, maar als hij merkt,
dat haar angst niet vermindert, gaat hij met zijn geweer op het balkon.
"Nu kan de signora toch niet meer bang zijn."
Maar daar zij niet ophoudt met schreien, zegt hij:
"Signora, ik ben Passafiore. Ik breng u een boodschap van Falco. Hij
wil uw spoorweg niet meer vernielen."
"Zijt gij gekomen om mij te bespotten?" zegt zij.
Somber antwoordt de man haar:
"Ware het slechts scherts. Mijn God, indien Falco slechts was, die
hij geweest is."
Hij verhaalt haar nu hoe Falco den Mongibello bestegen en een krans
gelegd heeft op diens top. Maar dit scheen den berg mishaagd te hebben,
want nu had hij Falco ter aarde geworpen. Een klein puimsteentje was
voldoende geweest om den gevreesden rooverhoofdman te vellen.
"Nu is het gedaan met Falco," zegt Passafiore. "Hij loopt rusteloos op
en neer in de steengroeve en wacht slechts op zijn ziekte. Sinds acht
dagen heeft hij noch geslapen, noch gegeten. Hij is niet ziek, maar de
wonde aan zijn hand geneest niet. Hij gelooft, dat hij vergiftigd is."
"Spoedig zal ik een dolle hond zijn," zegt hij. Geen wijn of spijs
ter wereld kan hem verlokken iets te gebruiken. Hij verheugt zich
niet eens, wanneer ik zijn heldendaden prijs.
"Wat geeft het," zegt hij. "Ik eindig mijn leven als een dolle hond."
Donna Micaela ziet Passafiore scherp aan.
"Wat wenscht ge, dat ik doen zal? 't Is toch niet je wensch, dat ik
in de steengroeve zal gaan naar Falco Falcone?"
Passafiore slaat zijn oogen neer en durft niet antwoorden.
Zij vertelt hem, wat Falco haar heeft doen lijden. Hij heeft al de
arbeiders van haar spoorweg door schrik verjaagd. Hij heeft zich
verzet tegen haar liefste wenschen.
Plotseling valt Passafiore op de knieën. Hij waagt het niet een
schrede dichterbij te komen, maar hij knielt voor haar.
Hij smeekt haar te begrijpen wat op het spel staat. Zij weet niet,
zij kan niet begrijpen, wie Falco is.
Falco is een groot man. Reeds toen Passafiore nog een klein kind was,
heeft hij van hem hooren spreken. Zijn gansche leven heeft hij verlangd
in de steengroeve bij Falco te leven. Al zijn neven waren bij hem,
zijn geheele familie was bij hem. Maar de pastoor had zich voorgenomen,
dat Passafiore niet naar Falco zou gaan, en liet hem tot kleermaker
opleiden, denk eens aan, tot kleermaker! De pastoor sprak met hem, en
zei, dat het zulk een vreeselijke zonde was te leven zooals Falco. En
Passafiore had terwille van don Matteo lange jaren tegen zijn begeerte
gestreden. Eindelijk had hij ze niet langer kunnen weerstaan, maar
was stil naar de steengroeve gegaan. En hij was niet meer dan een
jaar bij Falco geweest en nu was deze geheel veranderd. 't Is alsof
de zon aan den hemel gedoofd is, zijn geheele leven is nu verwoest.
Passafiore kijkt naar donna Micaela; hij ziet, dat zij naar hem
luistert en hem begrijpt.
Hij brengt donna Micaela in herinnering, dat zij een jettatore en een
echtbreekster geholpen heeft. Waarom wilde zij dan hard zijn jegens
een roover?
Het Christusbeeld in San Pasquale geeft haar immers alles wat
zij wenscht. Hij was er van overtuigd, dat zij het Christusbeeld
gebeden had, haar spoorweg te beschermen tegen Falco. En het had door
Mongibello's puimsteen Falco's kracht gebroken.
Maar nu wilde zij niet barmhartig zijn en hem helpen, dat Falco zijn
gezondheid terug zou krijgen en weer tot een eer voor het vaderland
zou worden, zooals hij vroeger geweest was.
Het gelukte Passafiore donna Micaela te ontroeren.
Plotseling begreep zij hoe de oude roover in de steengroeve moest
lijden. Zij ziet hem wachten op den waanzin. Zij denkt er aan hoe
trotsch hij geweest is en hoe gebroken en vernietigd hij nu is. Neen,
neen, geen mensch mag zoo lijden, dat is te veel, te veel.
"Passafiore," barst zij uit, "zeg, wat je wenscht. Ik zal doen,
wat ik kan. Nu ben ik niet bang meer. Neen, nu ben ik volstrekt niet
bang meer."
"Donna Micaela, wij hebben Falco gesmeekt, dat hij naar het
Christusbeeld zou gaan en om genade bidden. Maar Falco wil niet
gelooven aan het beeld. Hij wil niets anders doen dan wachten op
zijn ondergang. Maar heden, toen ik hem smeekte te gaan, zei hij:
"Je weet wie op mij zit te wachten in het oude huis tegenover de
kerk. Ga naar haar om te vragen of zij mij verlof wil geven dat
ik voorbij haar naar de kerk mag gaan. Geeft zij haar toestemming,
dan zal ik aan het beeld gelooven en hem bidden om redding."
"Nu?" vroeg donna Micaela.
"Ik ben bij de oude Catherina geweest en zij heeft haar toestemming
gegeven. Hij mag in de kerk gaan, zonder dat ik hem dood," zei zij.
Passafiore wringt zijn handen in wanhoop.
"Donna Micaela, Falco is zeer ziek, niet alleen door den beet van
den hond, maar hij was reeds lang ziek."
Passafiore voert een zwaren strijd met zich zelf vóórdat hij het
zeggen kan. Eindelijk bekent hij dat, hoewel Falco een zeer groot
man is, hij soms aanvallen van waanzin heeft.
Falco had niet alleen gesproken van de oude Catherina, maar hij had
gezegd: "Indien Catherina mij wil toestaan naar de kerk te gaan en
donna Micaela Alagona in de steengroeve komt en mij de hand reikt om
mij naar de kerk te voeren, dan zal ik voor het beeld bidden."
En men heeft hem niet kunnen afbrengen van dit besluit.
Donna Micaela, de heiligste en heerlijkste der vrouwen, moest tot
hem komen, anders wilde hij niet gaan.
Toen Passafiore uitgesproken had, hield hij zijn hoofd gebogen,
hij waagt het niet op te zien.
Maar donna Micaela aarzelt geen oogenblik, nu er sprake is van het
Christusbeeld. Zij schijnt er niet aan te denken dat Falco reeds
waanzinnig is. Zij zegt geen woord van haar angst. Haar vertrouwen in
het beeld is zóó groot, dat zij, als een onderworpen, gehoorzaam kind,
stil antwoordt:
"Passafiore, ik zal je volgen."
En zij volgt hem als in slaap. Geen oogenblik aarzelt ze om hem naar
den Etna te volgen. Ze aarzelt niet de steile berghelling naar de
steengroeve te beklimmen.
Doodsbleek, maar met heerlijk glanzende oogen gaat ze naar den
ouden roover in zijn grot en reikt hem de hand. En hij rijst op,
even bleek als zij, en volgt haar. 't Is alsof zij geen menschen maar
geestverschijningen zijn. Doodstil schrijden zij naar hun doel. Hun
eigen ik is dood, een machtiger geest leidt hen.
Reeds den volgenden dag schijnt het donna Micaela een sage, dat zij
zoo iets gedaan heeft. Zij is heilig overtuigd, dat niet haar eigen
barmhartigheid, erbarmen of liefde haar bewogen heeft midden in den
nacht naar het roovershol te gaan, maar dat een vreemde macht haar
geleid heeft.
Terwijl donna Micaela in de steengroeve is, zit de oude Catherina
voor het raam op Falco Falcone te wachten. Zij heeft haar toestemming
gegeven, bijna zonder dat men haar daarom heeft behoeven te vragen.
"Hij mag vrij in de kerk gaan," zegt ze. "Ik heb twintig jaar op hem
gewacht, maar hij zal vrij in de kerk mogen gaan."
Spoedig verschijnt Falco met donna Micaela hand in hand.
Passafiore en Biagio volgen. Falco loopt gebogen, men ziet dat hij
oud en zwak is. Hij gaat alleen in de kerk, de anderen wachten buiten.
De oude Catherina heeft hem zeer duidelijk gezien, maar ze heeft geen
beweging gemaakt. Zoolang Falco in de kerk is, blijft ze roerloos
zitten.
Haar nicht, die bij haar woont, gelooft, dat zij God dankt, omdat
zij haar wraaklust heeft kunnen overwinnen.
Eindelijk verzoekt Catherina haar een raam te openen.
"Ik wil zien of hij nog de slangeschaduw heeft!" zegt zij.
Maar ze is mild en vriendelijk.
"Neem het geweer weg als je wilt," zegt ze. En haar nicht legt het
geweer aan den anderen kant van de tafel.
Eindelijk komt Falco uit de kerk. De maneschijn verlicht zijn gelaat
en Catherina ziet, dat hij niet meer de Falco van vroeger is. De
uitdagende trots en hoogmoed is nu van zijn gezicht geweken. Hij is
gebroken en vernietigd!
Bijna wekt hij haar medelijden op.
"Hij helpt mij," zegt hij luid tot Passafiore en Biagio. "Hij heeft
beloofd mij bij te staan."
De roovers wilden gaan, maar Falco is zoo gelukkig dat hij eerst met
hen over zijn geluk wil spreken.
"Ik gevoel geen gesuis meer in mijn hoofd, geen onrust meer, neen,
niets meer. Hij helpt mij."
De kameraden nemen hem bij de hand om hem weg te voeren. Falco doet
een paar schreden, maar blijft dan opnieuw staan. Hij richt zich
op en beweegt zijn lichaam, zoodat zijn slangeschaduw heen en weer
slingert over den weg.
"Ik zal volkomen genezen, volkomen genezen," zegt hij verheugd.
Passafiore en Biagio willen hem meetrekken, maar 't is reeds te laat.
Catherina heeft de slangeschaduw gezien. Zij kan zich niet meer
beheerschen, maar werpt zich over de tafel om het geweer te grijpen
en schiet het af. Falco stort getroffen ter aarde.
Ze heeft het niet willen doen, maar nu zij hem ziet, is het haar
onmogelijk hem te laten gaan. Gedurende twintig jaar heeft zij de
wraakzucht in zich gevoed.
Nu beheerscht die haar volkomen.
"Catherina, Catherina," gilt haar nicht.
"Hij verzocht mij slechts vrij in de kerk te mogen gaan," antwoordt
zij.
De oude Biagio legt Falco's lijk terecht en zegt somber:
"Hij zou volkomen genezen, volkomen genezen."