In den tijd, toen de Noormannen nog op Sicilië heerschten, lang
voordat het geslacht Alagona op het eiland kwam, werden in Diamante
twee heerlijke gebouwen opgetrokken, het palazzo Geraci en het
palazzo Corvaja.
De edele baronnen Geraci kozen hun verblijf bij de markt, hoog op de
kruin van den Monte Chiaro. De baronnen Corvaja daarentegen bouwden
hun paleis aan den voet van den berg en omgaven het met groote parken.
De zwarte lavamuren van het palazzo Geraci werden opgetrokken rondom
een kleinen, vierkanten binnenhof, die louter stemming en heerlijkheid
was. Een hooge trap, onder een eerepoort met wapens versierd, voerde
naar de tweede verdieping.
Niet rondom den hof, maar hier en daar op de meest onverwachte
plaatsen openden de muren zich om plaats te maken voor kleine, met
zuilen versierde loggia's.
De wanden waren bedekt met reliëfs, bonte platen Siciliaansch marmer
en met de wapenschilden der baronnen Geraci. Er waren ook vensters,
maar die waren zeer klein, met prachtig bewerkte vensterkozijnen. Er
waren ronde raampjes met zulke kleine lichtopeningen, dat ze bedekt
konden worden door een druiveblad, of langwerpige, die zoo smal waren,
dat ze niet meer licht doorlieten dan een reet van een gordijn.
De baronnen van Corvaja dachten er niet aan den binnenhof van
hun paleis te versieren, maar ze bouwden een heerlijke zaal op
de benedenverdieping. In den vloer werden groote waterbakken voor
goudvisschen gemetseld, in de muurnissen werden fonteinen met mozaïek
geplaatst, waar helder water neerbruiste in geweldige reuzenschelpen.
Boven deze zaal welfden zich Moorsche bogen, gedragen door slanke
zuilen, omslingerd door ranken van mozaïek. Het was een zaal, waarvan
de weerga slechts te vinden was in het Saracenenslot te Palermo.
Er heerschte een felle wedijver tusschen de beide geslachten gedurende
de gansche bouwperiode.
Wanneer het palazzo Geraci een balkon kreeg, werd het palazzo Corvaja
versierd met hooge Gothische boogvensters; toen het dak van het paleis
Geraci getooid werd met rijk gebeeldhouwde tinnen, werd er op het
palazzo Corvaja een meterhooge fries aangebracht van zwart marmer
met wit ingelegd.
Het huis Geraci had een hoogen toren, maar het paleis Corvaja een
dakterras met hooge vazen op de balustrade.
Toen de paleizen eindelijk voltooid waren, werd de wedstrijd voortgezet
tusschen de families die ze gebouwd hadden.
De vijandschap en de strijd schenen zich van de huizen mee te deelen
aan allen, die daarin woonden.
Een baron Geraci kon nooit gelijk denken met een baron Corvaja.
Als Geraci voor Anjou streed, vocht Corvaja voor Manfred. Veranderde
Geraci van kleur en stond hij Aragonie bij, dan trok Corvaja naar
Napels om voor Robert en Johanna te strijden.
Maar dat alles was nog niet genoeg. Het stond vast, dat wanneer Geraci
een schoonzoon kreeg, ook Corvaja zijn macht moest vermeerderen door
een goed huwelijk.
De beide geslachten konden nooit tot rust komen.
Men moest eten om strijd, zich vermaken om strijd, en werken om
strijd. De Geraci's trokken naar het hof der Bourbons in Napels,
niet uit lust om zich te onderscheiden, maar omdat de Corvaja's daar
ook waren.
De Corvaja's van hun kant moesten wijn verbouwen en zwavelmijnen
bezitten, omdat de Geraci's belangstelden in landbouw en mijnwezen.
Als een Geraci een erfenis gekregen had, moest ook een oude
bloedverwant van Corvaja sterven, opdat de eer van het geslacht niet
overstraald zou worden.
't Palazzo Geraci had voortdurend werk om zijn dienaren te tellen,
opdat het palazzo Corvaja het niet zou overtreffen.
Maar niet alleen lette men op de bedienden, men hield ook rekening
met de galons der livreien en met het tuig der paarden.
De pluimen van Corvaja's vierspan mochten geen duim hooger zijn dan
die der Geraci's. Hun kudden geiten moesten zich in dezelfde mate
vermenigvuldigen, en de ossen der Geraci's moesten even groote hoornen
hebben als die van Corvaja.
Men zou geloofd hebben, dat in onze dagen de vijandschap tusschen
beide paleizen geëindigd was. Nu woont er noch een der Corvaja's in
het eene paleis, noch een der Geraci's in het andere.
Nu is de binnenhof der Geraci's een vuile plaats, waarop zoowel
ezelstallen als varkenshokken en kippenloopen te vinden zijn. Op de
hooge trap hangen lompen te drogen, en de reliëfs zijn beschadigd
en gebroken.
In een der beide hallen wordt handel in groenten gedreven, in de
andere is een schoenmakerswerkplaats.
De poortwachter ziet er uit als een ellendige bedelaar, en van den
kelder tot den zolder vindt men niets anders dan arme uitgehongerde
menschen.
En met het paleis Corvaja gaat het niet veel beter.
Er is geen spoor meer te vinden van de mozaïekbekleeding in de groote
zaal, nu zijn er nog slechts naakte, kale gewelven.
Daar wonen geen bedelaars, omdat het paleis voor het grootste gedeelte
in puinhoopen ligt. Slechts zijn schoone gevel met de gebeeldhouwde
vensterbogen verheft zich nog naar den blauwen Siciliaanschen hemel.
Maar toch is de vijandschap tusschen Geraci en Corvaja niet
geëindigd. In de oude tijden waren het niet alleen de edele
geslachten zelve, die met elkaar in strijd waren, maar ook hun buren
en onderhoorigen.
Gansch Diamante werd verdeeld tusschen Geraci en Corvaja. Nog loopt
er een hooge, met puntige glasscherven bedekte muur door de stad,
die het deel van Diamante, dat aan de zijde der Geraci's staat,
scheidt van dat, hetwelk zich voor Corvaja verklaard heeft.
Nog in onze dagen wil geen man van Geraci trouwen met een meisje
van Corvaja. En een herder van Corvaja kan zijn schapen niet laten
drinken van de bron van Geraci. Ze hebben niet eens dezelfde heiligen.
San Pasquale wordt aangebeden door Geraci, terwijl de zwarte Madonna
de schutspatrones van Corvaja is.
Een man van Geraci zal nooit iets anders gelooven, dan dat geheel
Corvaja vol is van toovenaars, heksen en weerwolven.
Een man van Corvaja zal bij zijn zaligheid zweren, dat in Geraci
niets anders gevonden worden dan bandieten en gauwdieven.
Donna Micaela woonde op Geraci's gebied, en spoedig waren al de
bewoners van dat stadsdeel aanhangers van haar spoorweg. Maar toen
kon Corvaja natuurlijk niets anders doen dan haar tegenwerken.
Corvaja's bewoners waren bizonder misnoegd over twee zaken. Ze waren
naijverig op de eer der zwarte Madonna en het stond hun dus niet aan,
dat er nog een wonderdoend beeld in Diamante gekomen was.
Dit was het eene; het tweede was, dat zij vreesden dat de Mongibello
geheel Diamante onder asch en vuur zou begraven, indien men hem door
een spoorweg wilde bedwingen.
Eenige dagen na den bazaar, begon het palazzo Corvaja zich vijandig te
gedragen. Donna Micaela vond op een dag op haar dakterras een citroen,
die zoo dicht met spelden bezet was, dat die geleek op een stalen bal.
Die kwam van het palazzo Corvaja, dat zoo vele smarten in haar hoofd
wilde tooveren, als er spelden in den citroen waren.
Toen wachtte Corvaja eenige dagen om te zien welke uitwerking de
citroen had. Maar toen donna Micaela's arbeiders bleven doorwerken
aan den spoorweg, kwamen de mannen van Corvaja op een nacht om den weg
op te breken. En toen de staven den volgenden dag weer gelegd waren,
sloeg men de ruiten in San Pasquale stuk en wierp het Christusbeeld
met steenen.--
--Het was een langwerpig en smal marktplein aan de Zuidzijde van
den Monte Chiaro. Aan de beide lange zijden stonden donkere, hooge
huizen. Aan een der korte zijden gaapte een afgrond, aan den anderen
kant verhief zich een steile berg. Er waren terrassen uitgehouwen
in de berghelling, maar de trappen waren vervallen en de treden
gebroken. Op het grootste terras verhief zich de statige ruïne van
het paleis Corvaja.
Het voornaamste sieraad van het marktplein was een prachtig, langwerpig
waterbassin, dat onder de terrassen, dicht bij den berg stond. Het
was van sneeuwwit marmer met relief versierd en gevuld met helder,
koel water. Dit was het best bewaard gebleven van al de vroegere
heerlijkheden van Corvaja.
Op een schoonen, vredigen avond kwamen er twee dames, in het zwart
gekleed, op het kleine marktplein. Op dit oogenblik lag het geheel
verlaten. De beide dames keken rond, maar toen zij geen enkel mensch
zagen, namen zij plaats op de bank bij de bron om te wachten.
Spoedig kwamen er eenige nieuwsgierige kinderen te voorschijn en
keken naar haar, en de oudste der beide dames begon met de kinderen
te spreken. Zij vertelde hun sagen.
"Er was eens," zei ze.
Toen vertelde ze den kinderen van het Christuskind, dat zich
in rozen en leliën veranderde, toen de Madonna een van Herodes'
soldaten ontmoette, die het bevel ontvangen hadden alle kinderen te
dooden; en ze luisterden naar de legende van het Christuskind, dat
eens vogelen van leem maakte, en in de handen klapte en den leemen
koekoeken vleugels gaf om weg te vliegen, toen een slechte knaap ze
kapot wilde slaan.
Terwijl de oude dame sprak, verzamelden zich vele kinderen om haar
heen, maar ook volwassen menschen. 't Was juist Zaterdagavond, zoodat
de arbeiders van hun werk op het land terugkeerden. De meesten kwamen
bij Corvaja's bron om een teug koel water te drinken vóórdat zij naar
huis gingen.
Toen zij hoorden dat er sagen verteld werden, bleven zij staan om
te luisteren.
De beide dames waren spoedig omringd door een donkeren muur van grove,
zwarte mantels en slappe hoeden.
Plotseling zei de oude dame tot de kinderen:
"Houdt ge van het Christuskind?"
"Ja, ja," zeiden ze en hun groote, donkere oogen schitterden.
"Zoudt ge het gaarne willen zien?"
"Ja, ja," riepen de kinderen.
De dame sloeg haar mantille op en toonde den kinderen een klein
Christusbeeld, rijk versierd met ringen, en een gouden kroon op het
hoofd en gouden schoentjes aan de voeten.
"Hier is het," zei ze. "Ik heb het meegenomen om het je te toonen."
De kinderen waren opgetogen. Eerst vouwden ze hun handjes voor het
ernstige gezicht van het beeld, toen wierpen zij het kushandjes toe.
"Is hij niet schoon?" zei de oude dame.
"Mogen wij hem hebben, mogen wij hem hebben?" riepen de kinderen.
Maar nu drong een groote, ruwe arbeider, een donkere man met ruigen,
zwarten baard, naar voren. Hij wilde het beeld tot zich rukken.
De oude dame had nauwelijks den tijd om het achter haar rug te
verbergen.
"Geef hier, donna Elisa, geef hier!" zei de man.
De arme donna Elisa wierp een blik op donna Micaela, die den ganschen
tijd stil en misnoegd naast haar gezeten had. Donna Micaela had zich
slechts met moeite laten overreden om mede te gaan naar Corvaja om
het beeld aan het volk te toonen.
"'t Beeld helpt ons, wanneer het wil," zei zij. "Wij moeten het niet
tot wonderen dwingen."
Maar donna Elisa had volstrekt willen gaan; ze had gezegd, dat het
beeld slechts wachtte om tot de ontrouwe stakkers in Corvaja gevoerd
te worden.
Na alles, wat hij reeds gedaan had, konden zij wel zooveel vertrouwen
in hem stellen, dat ze geloofden dat hij ook deze menschen voor zich
zou winnen.
Maar nu stond zij daar, donna Elisa, terwijl de woeste man zich over
haar heen boog en zij wist niet hoe zij kon verhinderen, dat hij het
beeld nam.
"Geef het mij goedschiks, donna Elisa," zei de man, "anders, bij God,
neem ik het met geweld. Ik zal het in stukjes, in kleine, kleine
stukjes hakken.
"Ge zult zien hoeveel er overblijft van uw houten pop.
"Ge zult eens zien of 't het zal kunnen volhouden tegen de zwarte
Madonna."
Donna Elisa drukte zich tegen den bergwand, ze zag geen uitweg. Ze
kon noch vluchten, noch zich verzetten.
"Micaela!" riep zij klagend, "Micaela!"
Donna Micaela was zeer bleek. Zij hield de handen tegen het hart
gedrukt, zooals ze placht te doen, als ze heftig bewogen was. Zij vond
het vreeselijk, vijandig te staan tegenover deze donkere mannen. 't
Waren juist deze mannen in korte mantels met slappe hoeden, waarvoor
zij altijd zoo bang was.
Maar nu donna Elisa haar riep, wendde zij zich plotseling om, trok
het beeld naar zich toe en strekte het naar den man uit.
"Neem het," zei zij fier. En zij ging hem zelfs een schrede
tegemoet. "Neem het en doe er mee, wat ge kunt."
Zij hield het beeld voor zich uitgestrekt en trad al dichter op den
donkeren arbeider toe.
Hij wendde zich naar zijn kameraden.
"Zij gelooft dat ik haar pop niets doen kan," zei hij hoonend.
En alle arbeiders sloegen zich op de knieën en lachten.
Hij nam het beeld echter niet, maar greep naar de groote spade,
die hij in de hand hield. Hij week een paar stappen achteruit, hief
de spade boven zijn hoofd, en spande al zijn spieren tot een slag,
die in eens het gehate beeld zou verpletteren.
Donna Micaela schudde waarschuwend het hoofd.
"Je kunt het toch niet," zei ze en ze trok het beeld niet terug.
Hij zag dat zij toch bevreesd was, en hij genoot van haar angst.
Zoo stond hij langer met opgeheven spade dan strikt noodzakelijk was.
"Piero!" klonk het toen luid jammerend. "Piero, Piero!"
"Mijn God, Marcia roept mij," zei hij.
Op hetzelfde oogenblik stormde een schaar menschen uit een kleine hut,
die gebouwd was tusschen de puinhoopen van het palazzo Corvaja. Het
waren ongeveer tien vrouwen, die met een karabinier vochten.
De karabinier hield een kind op den arm, en de vrouwen trachtten hem
dit kind te ontrukken. Maar de politieagent, die een sterke man was,
maakte zich van haar allen los, zette het kind op den schouder,
en sprong de trede van het terras op.
De donkere Piero had er naar gekeken zonder een beweging te maken. Toen
de karabinier zich losrukte, boog hij zich tot donna Micaela en
zei haastig:
"Kan het beeld dit verhinderen, dan zal geheel Corvaja aan zijn
zijde staan."
Nu was de karabinier op de markt. Piero maakte een beweging met
de hand, oogenblikkelijk sloten zijn kameraden een kring om den
vluchtende. Waar deze zich wendde, overal zag hij een dichte rij
mannen om zich heen, die hem dreigden met hun schoppen en spaden.
Er ontstond plotseling een vreeselijke verwarring. De vrouwen,
die met den karabinier gestreden hadden, stortten zich nu gillend
tusschen de mannen. 't Meisje, dat de agent vasthield, schreeuwde
uit al haar macht en trachtte zich los te rukken. Menschen kwamen
van alle kanten aanstormen. Het was een ontzettend getier en geraas.
"Laten wij nu gaan," zei donna Elisa tot donna Micaela. "Nu denkt
niemand meer aan ons."
Maar donna Micaela's blik was gevallen op een der vrouwen. Zij
schreeuwde niet, maar men zag dadelijk dat haar de zaak aanging. Men
kon het haar aanzien, dat zij op het punt stond het geluk van haar
leven te verliezen.
Het was een vrouw, die eens zeer schoon geweest moest zijn, hoewel
nu alle frischheid van haar geweken was, want zij was niet jong
meer. Maar nog had zij een indrukwekkend en fier gelaat. "Hier is
een ziel, die kan lijden en liefhebben," zei het gezicht.
Donna Micaela voelde zich innig aangetrokken tot deze arme vrouw.
"Neen, nog is het geen tijd om weg te gaan," zei ze tot donna Elisa.
De karabinier vroeg en vroeg of men hem wilde laten gaan.
"Neen, neen. Niet voordat hij het kind losliet!"
't Kind was van Piero en zijn vrouw Marcia, maar zij waren niet de
werkelijke ouders van het kind, daardoor was de twist ontstaan.
De karabinier trachtte door overreding het volk aan zijn zijde te
krijgen. Niet Piero of Marcia, maar de anderen wilde hij overtuigen.
"Ninetta is de moeder van het kind," zei hij, "dat weet ge immers
wel. Zij kon het kind niet bij zich hebben, toen zij ongetrouwd was,
maar nu is zij getrouwd en wil haar kind terughebben. En nu weigert
Marcia Ninetta's zoontje af te staan. 't Is zoo hard voor Ninetta,
die in acht jaar haar kind niet bij zich gehad heeft. Marcia wil het
niet afstaan; zij jaagt Ninetta weg, als zij om haar kind vraagt. Ten
slotte moest Ninetta bij den sindaco om hulp vragen. En de sindaco
heeft ons bevolen, haar het kind terug te bezorgen.
"'t Is toch ook Ninetta's kind," zei hij overredend.
Maar zijn woorden hadden niet veel uitwerking op de mannen van Corvaja.
"Ninetta is een Geraci," riep Piero en de kring bleef rondom den
karabinier gesloten.
"Toen we hier kwamen om het kind te halen," zei deze, "konden we het
niet vinden. Marcia was in den rouw, haar kamer was met zwart doek
bekleed, en vele vrouwen zaten bij haar te treuren. Zij toonden ons
het doodattest van het kind. Wij gingen naar Ninetta om haar te zeggen
dat haar kind op het kerkhof lag.
"Nu goed! Een uur later moest ik hier op de markt op wacht staan. Ik
keek naar de spelende kinderen. Wie was het sterkste en wie riep het
luidst? Was dat niet een der meisjes? "Hoe heet je?" vroeg ik haar.
"Francesco," antwoordde zij dadelijk.
"'t Viel mij in dat dit meisje Francesco Ninetta's knaap kon zijn, en
ik wachtte stil, tot ik Francesco in Marcia's huis zag gaan. Ik trad
binnen en zag het meisje Francesco avondbrood eten bij Marcia. Zij
en al de treurende vrouwen begonnen te schreeuwen, toen zij mij
zagen. Toen greep ik signorina Francesco en vluchtte met haar, want
het kind is niet van Marcia. Begrijp het toch, signori! Het is van
Ninetta. Marcia heeft er geen recht op."
Toen begon Marcia eindelijk te spreken. Zij sprak met een diepe stem,
die de omstanders dwong naar haar te luisteren, en zij maakte slechts
weinige maar edele gebaren.
"Had zij geen recht op het kind? Maar wie had het dan voedsel en
kleeren gegeven? Het was duizend malen gestorven, indien zij het niet
genomen had.
"En bovendien, recht! recht! Wat wilde dat zeggen? Degene, die het
kind liefhad, had recht op het kind. Piero en zij hadden den jongen
lief als hun eigen zoon. Zij konden niet van hem scheiden."
De vrouw was wanhopig, maar misschien de man nog meer. Hij dreigde den
karabinier, zoodra deze zich slechts bewoog. Toch scheen de karabinier
te merken, dat hem de zege zou geworden.
Men had gelachen toen hij sprak van signorina Francesco.
"Dood mij, als ge wilt," zei hij tot Piero. "Maar helpt je dat? Zal
je het kind daardoor mogen behouden? Het is niet van jou maar van
Ninetta."
Piero wendde zich tot donna Micaela.
"Bid hem, dat hij mij helpt!" Hij wees op het beeld.
Donna Micaela ging dadelijk naar Marcia. Zij was vol vrees en beefde
voor hetgeen zij waagde, maar nu was het geen tijd zich te onthouden
van inmenging.
"Marcia," fluisterde zij, "beken! Beken het als je durft."
De vrouw zag haar ontsteld aan.
"Ik zie het immers," fluisterde donna Micaela. "Gij zijt zoo gelijk
als twee appels van denzelfden boom.--Maar ik zal niets zeggen,
als je het niet wilt."
"Hij zal mij dooden," zei Marcia.
"Ik weet, dat er één is, die niet zal toestaan dat hij u doodt,"
zei donna Micaela. "Anders ontneemt men u het kind," vervolgde zij.
Allen zwegen en keken naar de beide vrouwen. Men zag hoe Marcia
met zich zelf streed. Haar gelaatstrekken vertrokken zich in hevige
ontroering. Toen bewoog zij de lippen. "Het is mijn kind," zei zij,
maar haar stem was zoo diep, dat niemand het hoorde. Zij zei het nog
eens, nu klonk het als een doordringende kreet.
"Het kind is van mij."
"Wat zal je mij doen, nu ik het beken?" zei ze tot haar man. "Het
kind is van mij, maar niet van jou. Het werd geboren in het jaar,
dat jij in Messina werkte. Ik bracht het bij La Felucca en daar was
ook het zoontje van Ninetta. Een dag toen ik bij La Felucca kwam,
zei ze: Ninetta's zoontje is dood. Eerst dacht ik slechts: God,
indien het mijn kind was geweest!
"Maar toen zei ik tot La Felucca: Laat mijn jongen dood zijn, en laat
Ninetta's zoontje leven. Ik gaf La Felucca mijn zilveren kam en zij
deed, gelijk ik wilde.
"Toen jij thuis kwam van Messina, zei ik tot je:
"Laten we een kind aannemen. 't Is nooit goed tusschen ons beiden
geweest. Laten we het eens probeeren met een kind." Jij vondt het goed,
en ik nam mijn eigen kind tot mij. En jij kreeg het kind lief en wij
leefden als in een paradijs."
Reeds vóórdat zij uitgesproken had, zette de karabinier het kind op
den grond. De donkere mannen openden zwijgend hun gelederen voor hem
en hij vervolgde stil zijn weg.
Maar een rilling voer donna Micaela door de leden, toen ze den
karabinier zag weggaan. Juist nu moest hij gebleven zijn om de
ongelukkige vrouw te beschermen.
Het was als wilde hij door zijn heengaan zeggen:
Die vrouw staat buiten de wet.
De een na den ander ging weg.
Piero stond roerloos en keek niet op. Maar de beklemming van iets
geweldigs en ontzettends lag op hem; toorn en wanhoop wies in hem
tot toomloozen hartstocht. Zoodra hij en Marcia alleen zouden zijn,
zou er iets ontzettends gebeuren.
En het vreeselijkste was, dat de vrouw geen enkele poging deed om
haar noodlot te ontgaan. Zij stond onbeweeglijk, verlamd door de
zekerheid, dat haar vonnis geveld was en dat niets dit kon doen
veranderen. Zij smeekte noch vluchtte. Zij kromp ineen als een hond
voor zijn toornigen meester.
De Siciliaansche vrouwen weten wat haar wacht, wanneer zij de eer
van haar man beleedigd hebben.
De eenige, die haar trachtte te verdedigen, was donna Micaela.--Nooit
zou zij Marcia gevraagd hebben het te bekennen, zei zij tot Piero,
indien zij geweten had, hoe hij was. Zij had geloofd dat hij een
edele man was. Een edel mensch zou gezegd hebben: "Ge hebt slecht
gehandeld, maar omdat gij uw misdaad bekend hebt voor allen en ge
u aan mijn toorn blootgesteld hebt om uw kind te redden, schenk ik
u vergiffenis. Ge hebt straf genoeg gehad." Een edele man zou het
kind op den eenen arm genomen hebben, en den anderen om zijns vrouws
middel geslagen hebben, en stil naar huis gegaan zijn. Een signor zou
zoo gehandeld hebben. Maar hij was geen signor, hij was een bloedhond.
Zij kon spreken zoo veel zij wilde, de man hoorde haar niet, de vrouw
hoorde haar niet. Het was alsof haar woorden teruggekaatst werden
door een ondoordringbaren muur.
Het kind ging naar den vader en trachtte zijn hand te grijpen. Hij
keek den knaap toornig aan; nu deze gekleed was in meisjeskleeren en
zijn haar gladgekamd en achter de ooren weggestreken was, zag hij
dadelijk de gelijkenis met Marcia, die hem vroeger nooit getroffen
had. Hij schopte Marcia's zoon van zich weg.
Een drukkende stemming heerschte er op de markt. De menschen trokken
zich langzaam en stil terug. Velen gingen onwillig en aarzelend,
maar zij gingen toch. Piero scheen slechts te wachten tot de laatste
heengegaan was.
Donna Micaela had opgehouden te spreken, ze nam stil het Christusbeeld
en legde het in Marcia's armen.
"Neem hem, zuster Marcia, moge hij u beschermen," zei ze.
De man zag dit en het scheen zijn toorn te vermeerderen. 't Was
alsof hij niet meer op het oogenblik kon wachten, dat zij alleen
zouden zijn. Hij kromde zijn lichaam gelijk een roofdier, dat zich
gereedmaakt tot een sprong.
Maar het beeld rustte niet tevergeefs in Marcia's armen.
De verworpeling bewoog haar tot een handeling van de hoogste liefde.
Wat zal Christus in het paradijs zeggen tot mij, die eerst mijn man
bedrogen en hem later tot een moordenaar gemaakt heb? dacht zij. En
zij herinnerde zich hoe lief ze dien grooten Piero gehad had in de
gelukkige dagen van haar jeugd. Nooit had zij gedacht zulk een ellende
over hem te brengen.
"Neen, Piero, neen, dood mij niet!" schreeuwde zij. "Zij zullen je
naar de galeien zenden. Je behoeft mij nooit meer te zien." Zij ijlde
naar de andere zijde van de markt, waar een diepe afgrond gaapte. Men
begreep wat zij wilde doen. Haar gezicht sprak voor haar.
Verscheidene menschen liepen haar na, maar zij was hun een goed eind
vooruit. Toen gleed het beeld dat zij op de armen droeg op den grond,
juist voor haar voeten. Zij struikelde er over en viel. Daardoor
haalden de anderen haar in. Zij worstelde om los te komen, maar een
paar mannen hielden haar vast.
"Och, laat mij los! 't Is beter voor hem!"
Maar nu kwam ook haar man bij haar. Hij droeg haar kind op den arm. Hij
was diep ontroerd.
"Neen, Marcia, blijf!" zei hij. Hij was verlegen, maar zijn donkere
oogen schitterden van vreugde en spraken duidelijker dan woorden.
"Misschien moest het zoo zijn naar oud gebruik! Maar daaraan stoor ik
mij niet. Kom! 't Zou zonde zijn van zulk een vrouw, als jij, Marcia."
Hij legde den arm om Marcia's middel en ging met haar naar zijn huis
in de ruïnen van 't palazzo Corvaja. 't Was alsof een der vroegere
baronnen daar zijn intocht hield. De menschen van Corvaja stonden
aan beide zijden van den weg en bogen voor hem en Marcia.
Toen ze voorbij donna Micaela gingen, stonden ze stil, bogen diep
voor haar en kusten het beeld, dat ze haar teruggaven. Maar donna
Micaela kuste Marcia.
"Bid voor mij in je geluk, zuster Marcia," zei ze.