Er was een vergadering van het gilde der blinde zangers, in de
Luciakerk. Hoog boven op het koor achter het altaar zaten dertig oude
blinde mannen op de gebeeldhouwde koorstoelen der Jezuïeten. Zij
waren allen arm, de meesten van hen hadden den bedelaarszak en hun
kruk naast zich liggen.
Er heerschte een plechtige, ernstige stemming. De blinden wisten,
wat het wilde zeggen lid te zijn van dit heilige zangersgilde, van
deze heerlijke, oude academie.
Beneden in de kerk klonk nu en dan een dof rumoer. Daar zaten de
geleiders der blinden, kinderen, oude vrouwtjes en honden, te wachten,
maar spoedig was alles weer rustig en stil.
De blinden, die trovatores waren, traden nu de een na den andere op
om nieuwe gedichten voor te dragen.
"Gij menschen, die op den heiligen Etna woont," reciteerde een van
hen. "Gij menschen, die leeft op den berg der wonderen, verheft
u. Schenkt uwe heerscheres een nieuw sieraad. Zij verlangt naar twee
lange linten om haar schoonheid te verhoogen, twee lange smalle linten
van ijzer wil ze vasthechten aan haar mantel.
"Schenk deze aan uwe heerscheres en zij zal u met rijkdom beloonen. Zij
zal u goud geven voor ijzer. Ontelbaar zullen de schatten zijn,
die de machtige u schenken zal, indien gij haar nu geeft, hetgeen
zij verlangt."
"Een milde wonderdoener is in ons midden gekomen," zei een andere. "Hij
staat arm en onbemerkt in de naakte, oude kerk en zijn kroon is van
blik en zijne diamanten zijn van glas.
"Brengt geen offers aan mij, gij armen," zegt hij. "Bouwt geen tempel
voor mij, gij ellendigen.
"Voor uw geluk wil ik werken. En wanneer rijkdom heerscht in uwe
hutten, zal ik stralen in den glans van echte edelgesteenten, en
als de nood gevlucht is uit het land, zullen mijne voeten gouden
schoentjes dragen, met paarlen versierd."
En telkens als er een nieuw gedicht werd voorgedragen, werd het
aangenomen of verworpen.
De blinden gingen met groote strengheid te werk.
Maar den volgenden dag trokken ze over den Etna en zongen den spoorweg
in het hart van het volk.
Na het wonder van fra Felice's testament begonnen de menschen gaven te
geven voor den spoorweg. Donna Micaela had spoedig ongeveer honderd
lire bijeen. Toen reisde zij met donna Elisa naar Messina om de
stoomtram te zien, die tusschen Messina en Pharo loopt. Zij hadden
niet zulke groote wenschen. Zij zouden tevreden zijn met een stoomtram.
"Waarom behoeft een spoorweg zoo duur te zijn?" zei donna Elisa. "'t
Is immers slechts een gewone weg, waarop men ijzeren spoorstaven legt.
"Maar het zijn die ingenieurs en voorname heeren, welke een spoorweg
zoo duur maken! Neem geen ingenieur in je dienst, Micaela! Laat onze
goede wegwerkers Carmelo en Giovanni je spoorweg aanleggen."
Ze bekeken nauwkeurig de stoomtram van Pharo en trachtten alle
inlichtingen te verkrijgen, die zij slechts konden. Ze maten hoeveel
ruimte er tusschen de rails was en donna Micaela teekende op een klein
stuk papier hoe de sporen bij de stations moesten loopen. Dat was niet
zoo moeilijk. Zij waren overtuigd, dat zij zich zelf konden redden.
Dezen dag schenen er in het geheel geen bezwaren te bestaan. 't Was
niets moeielijker een station te bouwen dan een gewoon huis, zeiden
ze. En meer dan een paar stations hadden zij ook niet noodig. Op de
meeste halten was een overdekte wachtplaats voldoende.
Indien zij er slechts geen maatschappij van maakten en geen voorname
heeren in betrokken, want dat alles kostte zooveel geld, dan zou de
spoorweg wel tot stand komen.
Ook zou die niet zoo kostbaar worden. Den grond zouden zij zeker wel
voor niets krijgen. De rijke grondbezitters, die land bezaten op den
Etna, zouden wel begrijpen van hoeveel belang een spoorweg voor hen
was, en hem vrij over hun grond laten gaan.
Zij braken er haar hoofden niet mede om de juiste richting van een
spoorweg vooraf te bepalen. Ze zouden eenvoudig beginnen bij Diamante
en zoo verder gaan naar Catania. Men behoefde slechts een aanvang te
maken, en iederen dag een klein eindje verder aan te leggen. Dat was
niet zoo moeilijk.
Na deze reis begonnen zij te beproeven den spoorweg op eigen hand aan
te leggen. Don Ferrante had geen groot vermogen nagelaten aan donna
Micaela. Maar het was een geluk dat hij een groot stuk woest land op
den Etna bezeten had. Hierop begonnen Giovanni en Carmelo te graven
voor den nieuwen spoorweg.
Toen ze een aanvang maakten met dit werk, bezaten de spoorwegaanleggers
niet meer dan honderd lire. Maar het was het wonder met het testament,
dat hen met heiligen waanzin vervulde.
Welk een spoorweg zou dat worden! welk een spoorweg!
Blinde zangers waren de actiënverzamelaars, het heiligenbeeld gaf de
concessie en de oude koopvrouw, donna Elisa, was de ingenieur.