De sindaco gaf haar een teeken om te zwijgen.
"Ge moet er wel aan denken," zei hij, "dat fra Felice onmogelijk weten
kon welke nummers den volgenden Zaterdag uit de loterij zullen komen.
"Indien gij op deze cijfers speelt, is het mogelijk dat gij allen
verliest. En wij mogen in Diamante niet armer worden, dan wij reeds
zijn. Ik verzoek u daarom het testament te mogen vernietigen, vóórdat
iemand het gelezen heeft."
"De cijfers," riepen de vrouwen. "Laat ons de cijfers zien!"
"Indien ik het testament mag vernietigen," zei de sindaco, "beloof
ik u, dat de blinden hun kerk mogen behouden."
Het werd stil op de markt. Donna Elisa rees op van haar stoel in
de zaal van het raadhuis en klemde zich met beide handen aan de
leuning vast.
"Hemelsche Vader," zuchtte donna Elisa, "is hij een duivel dat hij
het arme volk op deze wijze in verzoeking brengt?"
"We zijn tot nu toe arm geweest," riep nu een vrouw, "we kunnen ook
in de toekomst de armoede dragen."
"We willen Barabbas niet kiezen in plaats van Christus," riep een
andere.
De sindaco nam een lucifersdoosje uit den zak, stak een lucifer aan
en bracht dien langzaam bij het testament. De vrouwen lieten lijdelijk
toe, dat de sindaco de winnende cijfers van fra Felice vernietigde.
De kerk der blinden was gered.
"Dit is een wonder," fluisterde de oude donna Elisa. "Allen
gelooven aan fra Felice en toch laten ze kalm zijn winnende nummers
verbranden! Dat is een wonder."
's Namiddags zat donna Elisa weer in haar winkel te borduren. Zij
zag er oud uit, het was alsof er iets in haar gebroken en vernietigd
was. Het was niet de gewone donna Elisa, die daar zat, het was een
arme, oude, verlaten vrouw.
Zij trok de naald langzaam op uit haar werk en toen zij die weer
insteken moest, ging dat aarzelend en onwillig. 't Kostte haar
moeite te verhinderen, dat de tranen op haar borduurwerk vielen en
het bedierven.
Donna Elisa had zulk een groot verdriet. Heden had zij Gaetano voor
altijd verloren. Er was geen hoop hem ooit weer te zien.
De heilige was tegen hem en hielp donna Micaela. Niemand kon er aan
twijfelen, dat er nu een wonder was geschied.
De vrouwen van Diamante zouden niet lijdelijk toegestaan hebben,
dat men fra Felice's nummers verbrandde, indien zij niet gebonden
waren door een wonder.
Het deed een arm mensch zoo'n verdriet, dat de goede heilige donna
Micaela hielp, die niet hield van Gaetano. De bel luidde hevig en
donna Elisa stond uit oude gewoonte op. 't Was donna Micaela, die nu
binnenkwam. Zij was verheugd en strekte beide handen uit naar donna
Elisa, maar deze wendde zich af. Zij kon haar hand niet drukken.
Donna Micaela was overgelukkig.
"O, donna Elisa, gij hebt mijn spoorweg geholpen. Hoe zal ik u danken!"
"Gij behoeft mij volstrekt niet te danken, schoonzuster!"
"Donna Elisa!"
"Indien de heiligen ons een spoorweg willen geven, dan is dat
zeker omdat Diamante daaraan behoefte heeft, maar niet omdat ze
u liefhebben."
Donna Micaela deinsde achteruit. Nu eindelijk meende zij te begrijpen
waarom donna Elisa kwaad op haar was.
"Indien Gaetano thuis was," zei zij, terwijl zij haar hand tegen heur
hart drukte:
"Indien Gaetano thuis was, zou hij niet toestaan, dat gij zoo slecht
tegen me waart."
"Gaetano! Zou Gaetano dat niet toestaan?"
"Neen. Zelfs indien gij boos op mij waart, omdat ik hem reeds liefhad,
terwijl mijn man nog leefde, zoudt gij het niet wagen mij dat te
verwijten indien hij thuis was."
Donna Elisa trok de wenkbrauwen een weinig op.
"Ge denkt, dat hij mij zou kunnen dwingen te zwijgen over zulk een
zaak?" en haar stem klonk wonderlijk vreemd.
"Maar donna Elisa," fluisterde donna Micaela nu. "'t Is immers geheel
onmogelijk hem niet lief te hebben.
"Hij is zoo schoon en hij heeft zooveel macht over mij, dat ik bang
voor hem ben.
"Ge moest begrijpen, dat ik hem moest liefhebben."
"Moest ik dat?" Donna Elisa ging zitten en sprak heel kort af.
Donna Micaela geraakte buiten zich zelf.
"En Gaetano heeft ook mij lief," riep zij. "Niet Giannita maar mij
had hij lief. Gij moest mij als een dochter beschouwen en mij helpen,
en gij moest goed jegens mij zijn. Maar in plaats daarvan zijt ge
boos op mij. Gij staat mij niet toe tot u te komen om met u over hem
te spreken. Hoe ik verlang en hoe ik werk, dat mag ik u niet zeggen."
Donna Elisa kon zich niet langer bedwingen. Donna Micaela was immers
nog een echt kind, jong, dwaas en bevend als een vogelhartje. Juist
een wezentje, dat bescherming noodig had. Zij moest haar armen wel
om haar heen slaan.
"Dat wist ik immers niet, jij dom, dwaas kindje," zei zij.