Van het zomerpaleis in Diamante werden gedurende dezen tijd
vele brieven verzonden naar Gaetano Alagona, die gevangen zat te
Como. Maar de postbode had in zijn tasch nooit een brief van Gaetano,
die geadresseerd was aan het zomerpaleis. Want Gaetano was in zijn
levenslange gevangenis gegaan, alsof het een graf was. Het eenige dat
hij begeerde en wenschte was, dat het hem de vergetelheid en de rust
van het graf zou schenken.
Hij gevoelde zich als dood en hij zei tot zich zelf, dat hij het
geklaag en gejammer der overlevenden niet wilde hooren. Ook wilde
hij niet verleid worden tot hoop, of door teedere woorden verlokt
worden te verlangen naar bloedverwanten en vrienden. Hij wilde ook
niet hooren wat er geschiedde in de wereld, nu hij geen macht bezat
in te grijpen en te leiden.
Hij verschafte zich werk in de gevangenis en sneed schoone kunstwerken
zooals hij altijd gedaan had.
Maar hij ontving nooit een brief, nooit een bezoek. Hij meende dat
hij op deze wijze niet meer de geheele bitterheid van zijn ongeluk
zou voelen. Hij geloofde, dat hij kon leeren een heel leven te leven
binnen vier muren.
Dit was de reden, dat donna Micaela nooit een brief tot antwoord van
hem ontving.
Eindelijk schreef zij naar den directeur der gevangenis en vroeg of
Gaetano nog leefde. En deze antwoordde, dat de gevangene naar wien
zij vroeg nooit een brief las. Hij wilde geen enkel bericht van de
buitenwereld hooren.
Toen schreef zij hem niet meer, maar werkte des te harder aan haar
spoorweg. Ze waagde het nauwlijks daarover te spreken in Diamante,
maar toch dacht ze aan niets anders. Zij zelf borduurde en naaide,
en ze liet door haar dienaren allerlei goedkoope zaken vervaardigen,
die zij op haar bazaar wilde verkoopen.
Uit den winkel nam zij oude artikelen voor de tombola. Zij liet
Piero, den poortwachter, gekleurde lampions maken. Zij overreedde
haar vader schilden en aanplakbiljetten te schilderen, en zij liet
haar kamenier, Lucia, die van Capri was, kettingen van koraal en
doosjes van schelpen maken.
Zij was evenwel volstrekt niet zeker, dat er een enkel mensch zou komen
op haar feest. Allen waren tegen haar, niemand wilde haar helpen. Ze
vonden het niet eens goed, dat zij zich op straat vertoonde en over
zaken sprak. Zoo iets paste niet voor een voorname dame.
Toen was het, dat de oude fra Felice haar trachtte te helpen, want
hij had haar lief omdat zij hem geholpen had met het beeld.
Eens, toen donna Micaela klaagde, dat zij niemand kon overtuigen,
dat men den spoorweg moest aanleggen, nam hij het kalotje van zijn
hoofd en wees op zijn kalen schedel.
"Zie naar mij, donna Micaela," zei hij. "Zoo kaal zal deze spoorweg
uw hoofd maken, indien gij voortgaat, zooals gij begonnen zijt."
"Wát meent gij, fra Felice?"
"Donna Micaela," zei de grijsaard, "is het geen dwaasheid, een groot
plan te ondernemen zonder een vriend of helper te bezitten?"
"Ik heb dikwijls beproefd vrienden te winnen, fra Felice."
"Ja, menschen," zei de grijsaard. "Maar wat helpen menschen? Als
iemand uit visschen gaat, donna Micaela, weet hij, dat hij San Pietro
moet aanroepen, wanneer iemand een paard wil koopen, kan hij bijstand
begeeren van San Antonio Albate. Maar indien ik wil bidden voor uw
spoorweg, weet ik niet tot wien ik mij zal wenden."
't Was fra Felice's bedoeling te zeggen, dat de fout was dat zij geen
schutspatroon gekozen had voor haar spoorweg. Hij wilde, dat zij het
gekroonde kind, dat in zijn oude kerk stond, zou kiezen tot vriend en
beschermer. Hij zeide haar, dat zij zeer zeker geholpen zou worden,
indien zij dit slechts deed.
Zij was zoo getroffen, dat iemand haar wilde bijstaan, dat zij dadelijk
beloofde te bidden voor haar spoorweg tot het kind in San Pasquale.
Maar fra Felice ging heen en schafte zich een groote collectebus aan
en liet daarop met groote duidelijke letters schilderen: "Gaven voor
den Etnaspoorweg." Deze hing hij op in zijn kerk naast het altaar.
't Was niet meer dan een dag later, dat donna Emilia, de echtgenoote
van don Antonio Greco, naar de oude, verlaten kerk ging om San Pasquale
te raadplegen, omdat hij de verstandigste van alle heiligen is.
In den herfst was namelijk don Antonio's theater begonnen achteruit
te gaan, zooals wel te verwachten was in een tijd, dat allen gebrek
aan geld hadden.
Don Antonio was toen op de gedachte gekomen te trachten het theater met
minder groote kosten dan vroeger te exploiteeren. Hij had op de lampen
bezuinigd en de groote, prachtig geschilderde affiches afgeschaft.
Maar dat was een groote dwaasheid geweest. Want als de menschen den
lust verliezen om naar een theater te gaan, is het niet het rechte
oogenblik de slepen der prinsessen te verkorten of zuinig te zijn op
het verguldsel der kronen.
Misschien is het niet zoo gevaarlijk bij een anderen schouwburg, maar
in een marionetten-theater is het meer dan moeilijk veranderingen te
brengen. Dat komt omdat het meest halfvolwassen knapen zijn, die naar
een marionetten-theater gaan. Volwassen menschen kunnen begrijpen,
dat men nu en dan zuinig moet zijn, maar kinderen willen het altijd
op dezelfde wijze hebben.
Al minder en minder toeschouwers kwamen bij don Antonio en hij ging
steeds door met bezuinigen. Toen viel het hem in, dat hij best de
twee blinde vioolspelers kon ontberen, vader Elia en broeder Tommaso,
die gewoonlijk in de tusschenbedrijven en bij krijgstooneelen speelden.
Deze blinden, die veel geld verdienden met het zingen in sterfhuizen,
en die groote sommen wonnen gedurende de feestdagen, verlangden een
zeer hooge betaling.
Don Antonio ontsloeg hen uit zijn dienst en schafte zich een orgel aan.
Maar dit werd zijn ongeluk. De leerjongens en winkelbedienden van
geheel Diamante bleven weg van het theater.
Zij wilden geen orgel dulden in hun theater, en ze beloofden elkaar,
niet naar het theater te gaan, vóórdat don Antonio de blinde muzikanten
weer in zijn dienst genomen had. En zij hielden hun belofte. Don
Antonio's poppen moesten voor leege banken optreden.
En de jonge knapen, die anders liever afstand deden van hun avondbrood
dan van hun theater, lieten avond op avond voorbijgaan, zonder er
heen te gaan.
Ze waren overtuigd, dat zij don Antonio ten slotte konden dwingen,
alles weer zooals vroeger in te richten.
Maar don Antonio stamde van een kunstenaarsgeslacht. Zijn vader en
broeder bezaten een marionetten-theater, zijn zwager en al zijn
familieleden waren menschen van het vak. En don Antonio verstond
zijn kunst. Hij kon zijn stem tot in het oneindige veranderen, hij
kon gelijktijdig manoeuvreeren met een heel leger van poppen, en hij
kende den tekst uit het hoofd van den geheelen cyclus tooneelspelen,
die getrokken zijn uit de kroniek van Carolus Magnus.
En nu was don Antonio's kunstenaarsgevoel beleedigd. Hij wilde niet
gedwongen worden de blinden weer in zijn dienst te nemen. Hij wilde
dat men naar zijn theater zou gaan om zijnentwille en niet om de
muzikanten.
Hij veranderde zijn repertoire en begon groote stukken te spelen met
prachtige monteering.
Maar ook dat hielp niets.
Er is een tooneelspel, dat "de dood van den paladijn" genoemd wordt
en Rolands strijd bij Ronceval behandelt. Daarvoor zijn zoovele
machinerieën noodig dat een poppentheater gedurende twee dagen gesloten
moet zijn, voordat het gespeeld kan worden.
Maar het publiek is er zoo op verzot, dat men het gewoonlijk gedurende
een geheele maand speelt voor dubbele prijzen en een uitverkocht huis.
Nu maakte don Antonio alles gereed voor dit tooneelstuk, maar hij
behoefde het niet te spelen, hij had geen toeschouwers.
Toen was don Antonio gebroken. Hij beproefde vader Elia en broeder
Tommaso weer terug te krijgen, maar dezen wisten nu wat zij waard
waren. En zij verlangden zulk een hooge betaling dat het don Antonio
een onmogelijkheid was, hun dat te betalen. Zij konden niet tot een
vergelijk komen.
In de kleine woning achter het marionetten-theater leefde men als in
een belegerde vesting. Men kon niets anders doen dan verhongeren.
Donna Emilia en don Antonio waren beiden jonge vroolijke menschen, maar
nu lachten zij nooit meer. 't Was niet zoozeer de nood, die hen drukte,
maar don Antonio was een trotsche man, en hij kon de gedachte niet
verdragen, dat zijn kunst geen toeschouwers meer vermocht te trekken.
Toen ging donna Emilia naar de kerk van San Pasquale ten einde den
heilige te smeeken om een goeden raad. Zij wilde negen gebeden doen
voor het groote steenen beeld, dat in het portaal der kerk stond. Maar
toen zij begon te bidden, bemerkte zij, dat de kerkdeuren openstonden.
"Waarom staan San Pasquale's kerkdeuren open?" zei donna Emilia. "Dat
heb ik van mijn levensdagen nog nooit gezien." En zij trad de kerk
binnen.
Het eenige, dat daarbinnen te zien was, was fra Felice's geliefd
beeld en de groote collectebus.
En het beeld straalde zoo schoon met zijn kroon en zijn ringen, dat
donna Emilia zich tot hem aangetrokken gevoelde. Maar toen zij hem
in de oogen zag, vond zij hem zoo liefelijk en schoon, dat zij op
haar knieën zonk om te bidden.
En zij beloofde, dat indien hij haar en don Antonio wilde helpen uit
hun nood, zij de opbrengst van een geheelen avond zou leggen in de
groote bus, die naast hem hing.
Nadat zij gebeden had, verborg donna Emilia zich achter de kerkdeuren
en beproefde te verstaan, wat de voorbijgangers zeiden. Want indien
het beeld haar wilde helpen, zou hij haar een woord laten hooren,
dat haar zeide, wat zij doen moest.
Zij had daar nauwelijks twee minuten gestaan, toen Assunta van de
domkerktrap er aankwam in gezelschap van donna Pepa en donna Tura.
En zij hoorde Assunta met haar plechtige stem zeggen:
"Het was in het jaar, dat ik voor de eerste maal het oude Passiespel
hoorde."
Donna Emilia verstond het volkomen duidelijk. Assunta zei werkelijk:
"het Passiespel."
Het was donna Emilia alsof zij nooit zou thuis komen. Haar beenen
konden haar niet vlug genoeg dragen, het was alsof de weg tienvoudig
verlengd was.
Toen zij eindelijk den gevel van het theater zag, met de roode
lantaarns en de groote kleurrijke affiches, scheen het haar dat zij
vele mijlen afgelegd had.
Toen zij binnentrad, zat don Antonio met zijn groot hoofd tusschen zijn
beide handen en staarde naar den grond. 't Was droevig don Antonio
aan te zien. Gedurende deze laatste weken was zijn haar begonnen
uit te vallen. Boven op den schedel was het zoo dun, dat de huid er
door scheen.
Was dat te verwonderen, nu hij verteerd werd door zulk een
verdriet? Terwijl zij weg was, had hij al zijn poppen te voorschijn
gehaald om ze te beschouwen. Dat deed hij nu elken dag. Vooral placht
hij lang te staren naar de pop, die voor Aminda speelde. Was zij dan
niet schoon en verleidelijk meer? kon hij vragen. En dan trachtte hij
het zwaard van Roland of de kroon van Karel den Grooten te verbeteren.
Donna Emilia zag, dat hij de keizerskroon opnieuw verguld had, het was
nu zeker wel voor de vijfde maal, dat hij dit deed. Plotseling had
hij echter zijn werk neergelegd en was in gedachten verzonken. Hij
had het zelf wel gevoeld, dat het hem niet aan verguldsel, maar aan
een idee ontbrak.
Toen donna Emilia binnentrad, strekte zij de handen naar haar man uit:
"Zie mij aan, don Antonio Greco," zei ze. "Ik breng u gouden schalen
vol koningsvijgen!"
En zij vertelde hem hoe zij tot het Christuskind gebeden had. Ook
zei ze hem, wat zij beloofd en wat het beeld haar geraden had.
Toen zij don Antonio dit verhaalde, sprong hij op. Zijn armen
vielen slap langs het lichaam, zijn haren rezen te berge. Een
onbeschrijfelijke ontroering maakte zich van hem meester. "Het oude
Passiespel," schreeuwde hij. "Het oude Passiespel." Want het oude
passiespel is een mysterie, dat vroeger op gansch Sicilië gespeeld
werd. Het verdrong alle andere oratoria en mysteriën en werd gedurende
een paar eeuwen elk jaar in iedere stad gespeeld.
Het was de gewichtigste dag van het jaar wanneer het oude passiespel
vertoond werd. Maar nu speelde men het niet meer, nu leefde het nog
slechts als een sage in de herinnering van het volk.
In vroeger dagen werd het ook wel in marionetten-theaters
gespeeld. Maar nu vond men het te oud en te afgezaagd. Misschien was
het sedert dertig jaar niet meer opgevoerd.
Don Antonio begon uit te varen tegen donna Emilia, omdat zij hem kwelde
met dergelijke dwaasheden. Hij streed tegen haar als tegen een demon,
die zich van hem meester wilde maken. Zij wekte slechts ijdele hoop
in hem, die niets dan teleurstelling zou baren, zei hij. Hoe kon
zij met zoo iets bij hem aankomen? Maar donna Emilia liet hem kalm
uitrazen. Zij zeide slechts, dan hetgeen zij gehoord had, Gods wil was.
Don Antonio begon spoedig te twijfelen. De grootsche gedachte maakte
zich langzamerhand van hem meester. Er was niets ter wereld dat op
gansch Sicilië zoo geliefd was als het oude passiespel. En woonde er
niet nog steeds hetzelfde volk op het edele eiland? Beminden zij niet
denzelfden hemel dien hun voorvaderen bemind hadden? Waarom zouden
zij het oude passiespel ook niet liefhebben?
Hij verzette zich zoolang hij kon. Hij zei tot donna Emilia dat het
te kostbaar zou worden. Waar zou hij de apostelen met lang haar en
witten baard vandaan krijgen? Hij bezat geen tafel voor het avondmaal,
en hij had de machinerieën ook niet, die noodig waren voor den intocht
en de kruisiging.
Maar donna Emilia zag wel, dat hij toe zou geven, en vóórdat de avond
viel, ging hij werkelijk naar fra Felice en hernieuwde zijn vrouws
belofte om de opbrengst van een avond in de collectebus te leggen,
als het beeld hen wilde bijstaan.
Fra Felice vertelde dit aan donna Micaela en zij was verheugd en
tegelijkertijd angstig hoe dit zou afloopen.
In de geheele stad werd het bekend, dat don Antonio bezig was het
oude passiespel op te zetten en men lachte hem uit. Don Antonio had
zijn verstand verloren. Men zou het oude passiespel wel willen zien,
indien het gespeeld werd zooals in vroeger dagen.
Men had het willen zien opvoeren zooals in Aci, waar de edellieden
der stad voor koningen speelden en huurlingen en handwerkslieden de
rollen der Joden en der apostelen vertolkten en waar zoovele scènes
uit het oude testament waren opgevoerd, dat het schouwspel een ganschen
dag duurde.
Ook zou men de heerlijke dagen van Castelbucco willen doen herleven,
toen de gansche stad veranderd was in Jeruzalem. Daar werd het
passiespel zoo opgevoerd, dat Jezus door een met palmen omgeven poort
de stad binnenreed. De kerk stelde den tempel van Jeruzalem voor en
het raadhuis was het paleis van Pilatus. En Petrus warmde zich bij
een vuur op den hof van den pastoor; de kruisiging geschiedde op een
berg bij de stad en Maria zocht het lijk van haar zoon in de grotten
van des sindaco's tuin.
Hoe kon men zich vergenoegen met het groote mysterie te zien spelen in
don Antonio's theater, wanneer men zulke herinneringen bezat? Maar
trots dit alles werkte don Antonio met onvermoeiden ijver om de
tooneelspelers te vervaardigen en de machinerieën in orde te brengen.
En zie, na eenige dagen kwam meester Battesta, die uithangborden
schilderde, bij hem en schonk hem een affiche. 't Had hem zoo verheugd
te hooren, dat don Antonio het oude passiespel wilde vertoonen. Zelf
had hij het in zijn jeugd zien spelen en het had hem zooveel vreugde
gegeven. Nu stond er dus met groote letters op het theater te lezen:
"Het oude passiespel of de wedergeborene Adam, tragedie in drie
bedrijven door cavaliere Filippo Orioles."
Don Antonio was zeer verlangend te weten, hoe de volksstemming
was. Maar de ezeldrijvers en leerjongens, die voorbij zijn theater
gingen en het aanplakbiljet lazen, lachten hoonend. Het zag er heel
duister uit voor don Antonio, maar hij werkte onvermoeid door.
Toen de avond aanbrak, dat het passiespel gespeeld zou worden, was
niemand ongeruster dan donna Micaela.
"Zal het kleine beeld mij helpen?" vroeg zij onophoudelijk. Zij zond
haar kamenier Lucia naar het theater om te spionneeren. Stonden
er reeds groepen jongens? Scheen het of er veel menschen zouden
komen? Lucia kon ook wel eens naar donna Emilia gaan, die bij het
loket zat, om te vragen hoe de zaken stonden.
Maar toen Lucia terugkwam, kon zij donna Micaela volstrekt geen hoop
geven. Voor het theater stonden in het geheel geen menschen. De knapen
hadden besloten don Antonio te ruïneeren.
Tegen acht uur kon donna Micaela het niet langer in huis uithouden. Zij
overreedde haar vader met haar naar het theater te gaan. Zij wist wel
dat nog nooit een signora een voet gezet had in don Antonio's theater,
maar zij moest zien hoe het afliep. Het zou zulk een verbazend groote
vooruitgang voor haar spoorweg zijn, indien don Antonio nu slaagde.
Toen donna Micaela in het theater kwam, was het nog eenige minuten
voor achten, en donna Emilia had nog geen enkel biljet verkocht.
Maar toch was zij niet terneergeslagen. "Treed binnen, donna Micaela,"
zei ze. "We zullen in elk geval spelen. Het is zoo schoon! Don Antonio
zal het spelen voor u, uw vader en voor mij. Het is het schoonste
treurspel dat hij nog ooit opgevoerd heeft."
Donna Micaela kwam in een kleinen schouwburg, die met rouwdoek bekleed
was, zooals de groote theaters altijd geweest waren, wanneer het oude
passiespel opgevoerd werd. Voor het tooneel hingen zwarte gordijnen,
met zilveren franjes omzoomd. En de banken waren met zwart doek
bekleed.
Dadelijk nadat donna Micaela binnengetreden was, vertoonde don
Antonio's borstelige wenkbrauw zich voor een kleine opening in de
coulisse.
"Donna Micaela," riep hij, evenals donna Emilia eenige oogenblikken
geleden, "we spelen toch, het is zoo schoon, we hebben geen
toeschouwers noodig."
Op hetzelfde oogenblik kwam donna Emilia binnen en hield diep buigend
de deur wijd open om den geestelijken herder, don Matteo, binnen
te laten.
"Wat zegt ge van mij, donna Micaela?" zei hij lachend. "Maar gij
begrijpt, dat is het oude passiespel. Ik zag het eens in mijn jeugd
in de groote opera te Palermo en ik geloof, dat het dit stuk was,
dat mij tot priester gemaakt heeft."
Den volgenden keer, dat de deur openging, waren het vader Elia en
broeder Tommaso, die met hun violen onder den arm hunne oude plaatsen
opzochten, zoo kalm, alsof zij nooit in twist waren geweest met
don Antonio.
De deur gleed opnieuw open. Het was een oud vrouwtje uit de steeg
tegenover het huis van den kleinen Moor. Zij was in het zwart gekleed
en maakte het teeken des kruises toen zij binnentrad.
Na haar kwamen vier, vijf andere oude vrouwtjes.
Donna Micaela keek verdrietig naar hen, terwijl zij zoo langzamerhand
het theater vulden.
Zij wist, dat don Antonio niet tevreden zou zijn, vóórdat hij weer
zijn eigen publiek had, vóórdat hij weer kon spelen voor zijn geliefde,
eigenzinnige knapen.
Plotseling hoorde zij een vreeselijk geraas. Was het een storm of
een donderslag? De deuren vlogen wijd open, en tegelijk stormden
allen binnen. Dat waren de jongens. Ze vielen met een zekerheid op
hun oude plaatsen neer, alsof ze hun eigen huis binnentrokken.
Ze zagen elkaar aan, een weinig beschaamd. Maar zij hadden het
niet kunnen verdragen, dat het eene oude vrouwtje na het andere in
hun theater ging om te zien wat voor hen gespeeld werd. 't Was hun
onmogelijk geweest te zien, hoe de gansche straat vol oude spinsters
was, die naar hun theater trokken. En toen waren zij naar binnen
gestormd.
Maar nauwelijks waren de jonge menschen op hun plaatsen gezeten,
of zij merkten, dat zij bij een tuchtmeester gekomen waren. O,
het oude passiespel! 't Werd niet opgevoerd zooals in Aci of in
Castelbucco. Het werd niet zoo gespeeld als in de opera te Palermo,
het werd slechts vertoond door armzalige marionetten met onbeweeglijke
gezichten en stijve lichamen. Maar het oude mysterie had zijn macht
nog niet verloren.
Donna Micaela bemerkte dit reeds in het tweede bedrijf bij het
avondmaal. De knapen begonnen Judas te haten.
Ze slingerden hem bedreigingen en scheldwoorden naar het hoofd.
Toen de lijdensgeschiedenis verder gespeeld werd, namen ze hun hoeden
af en vouwden hun handen. Zij zaten roerloos met hun mooie bruine
oogen naar het tooneel gewend. Nu en dan sprongen hun de tranen in
de oogen, nu en dan werd een vuist in toorn opgeheven.
Don Antonio sprak met tranen in zijn stem, donna Emilia lag geknield
op den drempel. Don Matteo zag met een milden glimlach naar de kleine
poppen en dacht aan het heerlijke schouwspel te Palermo, dat hem tot
priester gemaakt had.
Maar toen Jezus gevangengenomen en gepijnigd werd, schaamden de knapen
zich over zich zelf. Zij ook hadden kunnen haten en vervolgen. Zij
waren gelijk deze Farizeërs, gelijk deze Romeinen. Ze schaamden zich
nu zij er aan dachten. Mocht don Antonio het hun vergeven!