Toen donna Micaela hoorde hoe de armen miss Tottenham uitgelachen
hadden, haastte zij zich naar het hotel om haar leedwezen daarover
te betuigen.
Zij wilde miss Tottenham smeeken deze stakkers niet te beoordeelen
naar hetgeen zij gedaan hadden, toen zij opgewonden waren van vreugde
en wijn. Zij wilde haar smeeken toch niet haar hand af te trekken van
Diamante. Zelf hield zij niet veel van miss Tottenham, maar terwille
van de armen----Zij wilde al het mogelijke doen om haar over te halen
te blijven.
Toen zij naar het hotel Etna ging, zag zij dat de geheele straat vol
reiswagens stond. Er was dus geen hoop meer. De groote weldoenster
zou vertrekken.
In het hotel heerschte veel droefheid en berouw. De twee blinden,
donna Pepa en donna Tura, die vroeger altijd op de binnenplaats van
het hotel zaten, waren nu buitengesloten en lagen op haar knieën voor
de poort. En de jonge ezeldrijver, die verliefd was op alle Engelsche
signorina's, stond met zijn gezicht tegen den muur te weenen.
Maar in het hotel liep de waard op en neer in de lange gang en hij
was vertoornd op de Voorzienigheid, die hem dit ongeluk toevoegde.
"Signor Dio," mompelde hij, "ik ben geruïneerd. Als gij dit laat
geschieden, neem ik mijn vrouw bij de hand en mijn kinderen op den
arm en werp mij in den Etna."
De waardin was zeer bleek en ootmoedig. Zij waagde het nauwelijks
haar oogen van den grond op te heffen. Zij had wel op haar knieën
willen kruipen om de rijke signorina te bewegen toch te blijven.
"Wilt ge met haar spreken, donna Micaela?" zei ze. "Moge God u kracht
schenken om met haar te spreken! Ach, zeg haar, dat die knaap van
Napels, die de schuld is van het geheele ongeluk, reeds uit de stad
verbannen is. Zeg haar, dat allen boete willen doen. O, spreek met
haar, signora!"
Zij voerde donna Micaela naar de ontvangkamer der Engelsche en ging
met haar kaartje naar het salon. Zij kwam dadelijk terug en verzocht
donna Micaela een paar minuten te willen wachten. Signorina Tottenham
sprak met signor Favara over zaken.
Maar dit was juist het oogenblik dat advocaat Favara aanzoek deed om
de hand van miss Tottenham, en terwijl donna Micaela wachtte, hoorde
zij hem duidelijk zeggen: "Gij moogt niet vertrekken, signorina! Wat
zal er van mij worden, indien gij vertrekt! Ik heb u lief, ik kan
u niet laten vertrekken. Ik zou het niet gewaagd hebben te spreken,
indien ge niet gedreigd hadt te vertrekken. Maar nu------" Hier daalde
zijn stem, maar donna Micaela wilde niets meer hooren, zij verwijderde
zich snel. Zij begreep dat zij hier overbodig was. Indien het signor
Favara niet gelukte de groote weldoenster in Diamante te doen blijven,
zou niemand dat kunnen.
Toen zij weer door de poort ging, stond de waard te twisten met den
ouden Franciscaner, fra Felice. En hij was zoo opgewonden, dat hij
niet slechts twistte met fra Felice, maar hem ook uit zijn huis joeg.
"Fra Felice," riep hij, "gij komt hier om ruzie te maken met de groote
weldoenster. Gij wilt haar nog meer opwinden.
"Ga weg, zeg ik u. Gij wolf, gij menscheneter, ga weg!"
Fra Felice was even vertoornd als de waard, en wilde hem op zij
duwen. Maar toen nam deze hem bij den arm en zette hem de deur uit.
Fra Felice was een man, die een groote gave van zijn Schepper had
ontvangen. Op Sicilië, waar iedereen in de loterij speelt, worden
menschen gevonden, die de gave bezitten te voorspellen welke nummers
bij de volgende trekking uit zullen komen. Degene, die de gave der
helderziendheid ontvangen heeft, wordt polacco genoemd, en men vindt
hen het meest onder de oude bedelmonniken. En zulk een monnik was fra
Felice. Hij was de grootste polacco van den Etna. En daar een ieder
gaarne wilde, dat hij hem zou zeggen op welk lot een prijs zou vallen,
werd fra Felice met veel eerbied behandeld. Hij was niet gewoon,
dat men hem bij den arm nam en op straat zette; neen, dat was fra
Felice zeker niet gewoon.
Hij was ongeveer tachtig jaar en geheel verdroogd en
verschrompeld. Toen hij tusschen de wagens wankelde, struikelde hij,
trapte op zijn pij en stond op het punt te vallen. Maar geen van
de ezeldrijvers of koetsiers, die bij de poort stonden te klagen,
hadden heden tijd om aan fra Felice te denken.
De grijsaard waggelde heen en weer in zijn wijde duffel pij. Hij
was zoo klein en mager, dat er meer kracht in de pij dan in den
monnik scheen te zijn. Het leek alsof de pij den ouden fra Felice
staande hield.
Donna Micaela ging naar hem toe en schoof zacht den arm van den
grijsaard in den hare. Zij kon het niet aanzien, dat hij stiet tegen
een lantaarn en struikelde over een drempel. Maar fra Felice merkte
niet eens dat zij hem steunde. Hij liep daar in zich zelf te mompelen
en te vloeken en meende dat hij even eenzaam was, alsof hij in zijn
cel zat. Donna Micaela vond het vreemd dat fra Felice zoo vertoornd
was op miss Tottenham. Was zij in zijn klooster geweest en had zij
fresco's van de wanden gehaald, of wat had zij anders gedaan?
Want fra Felice had gedurende zestig jaar gewoond in het groote
Franciscanerklooster, dat buiten de porta Etnea ligt, vlak naast de
kerk van San Pasquale.
Daar had fra Felice reeds dertig jaar gewoond, toen het klooster
opgeheven en aan een koopman verkocht werd.
De andere monniken vertrokken, maar fra Felice bleef, omdat hij
niet kon begrijpen, wat het wil zeggen het huis van San Franciscus
te verkoopen.
Indien de anderen vertrokken, scheen het fra Felice nog des te
noodzakelijker, dat ten minste één monnik in het klooster bleef.
Wie zou anders zorgen voor het luiden der klokken of het bereiden
der geneesmiddelen voor de boerenvrouwen, of wie zou brood geven aan
de armen van het klooster? En fra Felice koos zich een cel in een
verborgen hoekje en bleef in het klooster wonen, zooals hij altijd
gedaan had.
De koopman, die het klooster gekocht had, kwam er nooit. Hij bekommerde
zich niet om het oude klooster, hij had het slechts gekocht om de
groote wijngaarden, die er bij behoorden.
Zoo kwam het dat fra Felice nog steeds regeerde in het oude klooster
en hij was het die de gebroken vensterkozijnen herstelde en de muren
witte. Even vele armen als vroeger die brood van het klooster kregen,
ontvingen dat nog steeds. Voor zijn voorspellingsgave kreeg fra Felice
zulke groote aalmoezen, als hij zwierf door de Etnasteden, dat hij een
rijke man had kunnen zijn; maar hij besteedde alles voor het klooster.
Nog grooter zorg had fra Felice voor de kloosterkerk. Die was in
oorlogstijd ontheiligd geworden door bloedigen strijd en andere
wandaden, zoodat de mis niet meer daarin gelezen mocht worden.
Maar ook dat kon fra Felice niet begrijpen. De kerk waar hij zijn
gelofte had afgelegd, was altijd even heilig voor den ouden monnik.
Het was zijn grootste verdriet, dat de kerk in verval geraakte. Hij had
moeten aanzien dat Engelschen het preekgestoelte, de koorstoelen en het
pulpitum kochten en wegvoerden. En hij had niet kunnen verhinderen,
dat de heeren van het museum te Palermo de kronen, schilderijen
en hostiekelken wegnamen. Hoezeer hij het ook gewenscht had, hij
had niets kunnen doen om zijn kerk te redden. Maar hij haatte deze
kerkplunderaars, en toen donna Micaela hem nu zoo toornig zag, geloofde
zij dat miss Tottenham eenige van zijn schatten had willen wegnemen.
Maar de waarheid was, dat nu fra Felice's kerk zoo leeg was, dat
niemand meer kon komen om te plunderen, hij begonnen was er over
te denken, die opnieuw te versieren en zijn oog was gevallen op de
verzameling heiligenbeelden die de rijke Engelsche dame bezat.
Op haar feest, toen zij goed en mild jegens allen was, had hij gewaagd
haar te verzoeken om haar schoone Madonna, die een kleed van satijn
droeg en oogen had, die straalden gelijk de zon. En zij had zijn
verzoek toegestaan.
Dezen morgen had fra Felice zijn kerk geveegd en gestoft en bloemen
op het altaar gezet vóórdat hij het beeld ging halen.
Maar toen hij in het hotel kwam, was de Engelsche van gedachten
veranderd en zij had hem het kostbare Madonnabeeld niet willen
geven. Daarvoor in plaats had zij hem een klein vuil, in lompen
gehuld beeld van het Christuskind geschonken, waar zij zonder spijt
van scheiden kon.
Ach! de oude fra Felice was zoo vol vreugde en verwachting geweest en
nu was hij zoo teleurgesteld. Hij kon niet berusten in haar besluit,
maar was keer op keer teruggekomen om te bedelen om het andere beeld.
Het was zoo kostbaar, dat hij het niet zou kunnen koopen voor alles
wat hij gedurende een geheel jaar bijeen bedelde.
Ten slotte had de groote weldoenster hem laten wegjagen; het was op
dit oogenblik dat donna Micaela hem gevonden had.
Terwijl zij door de straat liepen, begon zij met den grijsaard te
spreken en hem over te halen haar zijn verdriet te vertellen.
Hij droeg het beeld en midden op de straat bleef hij staan om het haar
te toonen en haar te vragen of zij ooit iets erbarmelijkers had gezien.
Donna Micaela zag een oogenblik ontsteld naar het beeld. Toen
glimlachte zij en zei: "Leen mij het beeld een paar dagen, fra Felice."
"Gij moogt het gaarne behouden," zei de grijsaard. "Moge het mij
nooit weer onder de oogen komen."
Donna Micaela nam het beeld met zich mede naar huis en werkte er
aan, gedurende twee dagen. Toen zij het daarna zond naar fra Felice,
glinsterden de gepoetste sieraden, het droeg een nieuw, helder kleedje,
het was opnieuw geschilderd en in zijn kroon schitterden veelkleurige
steenen.
Hij was zoo schoon, de verworpeling, dat fra Felice hem op het leege
hoogaltaar van zijn kerk plaatste.
Het was zeer vroeg in den morgen. De zon was nog niet opgegaan
en de zee was nauwelijks zichtbaar. Het was werkelijk nog zeer
vroeg. De katten slopen nog over de daken, geen rook steeg op uit de
schoorsteenen en de nevels schoven op elkaar en stapelden zich opeen
boven den bodem van het dal, rondom den steilen Monte Chiaro. In
dezen vroegen ochtend ijlde de oude fra Felice naar de stad.
Hij sprong zoo, dat hij meende te voelen, hoe de berg onder hem
schudde. Hij liep zoo haastig, dat de grashalmen aan den weg niet eens
dauw konden sprenkelen op zijn pij, zóó vlug, dat de schorpioenen
niet eens hun giftangel uit konden steken om hem te wonden. Terwijl
de grijsaard zoo sprong, woei zijn pij los om hem heen en hing het
koord ongebonden op zijn rug.
De wijde mouwen fladderden gelijk vleugels en de zware capuchon
danste op en neer op zijn rug, als wilde die hem tot nog grooter
haast aansporen.
De man in het tolkantoor, die nog zat te slapen, ontwaakte en wreef
zich de oogen uit, toen fra Felice voorbijsnelde, maar hij herkende
hem niet.
De straatsteenen waren glibberig van den dauw, bedelaars lagen bij de
hooge steenen trappen te slapen met hun beenen onachtzaam op straat
uitgestrekt; late domino-spelers keerden van het café huiswaarts,
waggelend van slaap. Maar fra Felice ijlde verder, hij ontweek alle
hinderpalen. En huizen en portalen, markt en straten verdwenen achter
den ouden fra Felice. Hij snelde door de halve corso, vóórdat hij
bleef stilstaan.
Hij stond voor een groot huis met zware balkons. Hij greep een
poortklopper en klopte, totdat een dienaar ontwaakte. Daarna rustte
hij niet vóórdat de knaap een dienstmeisje wekte, en dit dienstmeisje
riep de signora.
"Donna Micaela, fra Felice is beneden. Hij beweert, dat hij u moet
spreken."
Toen donna Micaela eindelijk bij fra Felice kwam, hijgde hij nog naar
adem, maar zijn oogen schitterden en kleine bleeke rozen bloeiden op
zijn wangen.
Het was het beeld, het beeld! Toen fra Felice dien morgen om vier uur
de klokken geluid had, was hij in de kerk gegaan om het te beschouwen.
Toen had hij gezien dat groote steenen losgelaten hadden juist boven
het beeld. Die waren op het altaar gevallen en hadden het verbrijzeld,
maar het beeld was onbeschadigd gebleven.
En van alle steenen en stof, die naar beneden gevallen waren, had
niets het beeld getroffen, maar het stond er nog volkomen ongedeerd.
Fra Felice nam donna Micaela bij de hand en zei tot haar, dat zij hem
naar het klooster moest volgen om het wonder te aanschouwen. Zij moest
het 't eerst van allen zien, omdat zij het beeld in haar bescherming
genomen had.
En donna Micaela volgde hem door den grauwen koelen morgen naar zijn
klooster, terwijl haar hart van spanning en verwachting klopte.
Toen zij daar kwam en zag, dat fra Felice de waarheid had gesproken,
vertelde zij hem dat zij het beeld herkend had, zoodra zij het weerzag,
en dat het een wonderdoener was.
"Hij is de grootste en mildste wonderdoener," zei zij.
Fra Felice ging nu naar het beeld en keek het in de oogen. Want er
bestaat een groot verschil tusschen beeld en beeld, maar de ervaring
van een ouden monnik is er toe noodig om te zien welk beeld macht
heeft en welk niet.
Nu zag fra Felice, dat de oogen van dit beeld diep en stralend waren,
alsof het leven bezat, en dat om zijn lippen een geheimzinnig lachje
speelde.
Toen oude fra Felice dit zag, viel hij op de knieën en strekte zijn
gevouwen handen naar het beeld uit. En zijn oud rimpelig gelaat werd
verhelderd door een groote vreugde. Het scheen fra Felice plotseling,
dat de wanden zijner kerk bedekt waren met schilderijen en purperen
kleeden, licht straalde boven het altaar, gezang klonk van het koor,
en over den geheelen vloer lagen knielende, biddende menschen. Alle
heerlijkheid, die men slechts kon droomen, zou zijn arme oude kerk
ten deel vallen, nu zij een der machtige wonderdoende beelden bezat.