PANEM ET CIRCENSES.

In Diamante wijst men den vreemdelingen twee paleizen, die op het

punt staan tot ruïnes te vervallen, zonder ooit voltooid geweest te

zijn. Zij hebben groote vensteropeningen zonder ramen, hooge muren

zonder dak en groote poorten, die met planken en stroo gesloten zijn.

Die twee paleizen liggen tegenover elkaar aan beide zijden der straat,

beide even onvoltooid en even vervallen. Rondom hen staan geen andere

gebouwen en geen mensch kan er in komen. Zij schijnen slechts gebouwd

te zijn voor de duiven. Hoor nu, wat men daarvan vertelt:

Wat is een vrouw, o signori? Haar voet is zoo klein, dat zij over de

wereld gaat zonder een spoor achter te laten. Voor den man is zij

gelijk zijn schaduw. Zij heeft hem gevolgd gedurende zijn gansche

leven, zonder dat hij haar opgemerkt heeft.

Men kan niet veel verlangen van een vrouw. Zij moet immers den geheelen

dag opgesloten zitten als een gevangene. Zij kan niet eens leeren

een minnebrief goed te spellen. Zij kan niets tot stand brengen,

dat duurzaamheid bezit.

Als zij gestorven is, valt er niets op haar grafsteen te

vermelden. Alle vrouwen zijn van gelijke hoogte.

Maar eens kwam in Diamante een vrouw, die zoo hoog boven alle andere

uitstak, als de honderdjarige palm zich verheft boven het grasveld.

Zij bezat lira bij duizenden en kon die wegschenken of behouden,

gelijk zij verkoos. Zij ging voor niemand uit den weg. Zij vreesde

niet gehaat te worden. Zij was het grootste wonder, dat de oogen ooit

aanschouwd hadden.

't Spreekt immers vanzelf dat zij geen Siciliaansche vrouw was. Zij was

een Engelsche. En het eerste, dat zij deed toen zij in Diamante kwam,

was de geheele eerste verdieping van het hotel alleen voor haar zelf

te huren. Wat was dat voor haar? Gansch Diamante was haar niet groot

genoeg. Maar zoodra zij daar was, begon zij over de stad te heerschen

als een koningin.

De sindaco moest haar gehoorzamen. Was zij het niet, die hem dwong

steenen banken op de markt te plaatsen? Was het niet op haar bevel,

dat de straten der stad iederen dag geveegd werden?

Als zij 's morgens ontwaakte, stonden alle jonge mannen van Diamante

voor haar deur te wachten om haar te vergezellen op een uitstapje. Zij

hadden de schoenmakersleest en de schaafbank verlaten om haar als

gids te dienen. Zij hadden hun moeders zijden kleed verkocht om een

dameszadel voor hun ezel te koopen, waarop zij kon rijden naar het

kasteel of naar 'Tre Castagni. Zij hadden zich ontdaan van huis en

haard om een paard en wagen te koopen, opdat zij haar naar Randozzo

of Nicolosi konden rijden.

En allen waren zij haar slaven. De kinderen begonnen in het Engelsch

te bedelen en de blinde vrouwtjes bij de hotelpoort, donna Pepa en

donna Tura, drapeerden zich in witte doeken om haar te behagen!

Alles bewoog zich om haar; handwerk en nijverheid bloeiden

op rondom haar. Zij, die niets anders doen konden, groeven in

den grond naar munten en leemen kruiken om haar die te kunnen

aanbieden. Photografen vestigden zich in de stad en begonnen voor

haar te werken. Koraalhandelaars en kooplieden in schildpad schoten

rondom haar op uit de aarde. De priesters van Santa Agnese groeven

om harentwille het oude Dionysius-theater op dat achter hun kerk

lag. En elk die een vervallen villa bezat, groef uit de duisternis

der kelders overblijfselen op van een mozaïekvloer en noodigde haar

uit deze te komen zien.

Wel waren er ook vroeger vreemdelingen geweest in Diamante, maar zij

waren gekomen en gegaan en niemand had zulk een macht bezeten als

zij. Spoedig was er geen enkele man in de stad, die niet al zijn hoop

op de Engelsche signorina vestigde.

Haar gelukte het zelfs een weinig leven te brengen in Ugo Favara. Gij

weet wel, Ugo Favara, den advocaat, die eens een groot man beloofde te

worden, maar tegenspoed had en thuis kwam als een gebroken man. Zij

gebruikte hem om haar zaken te beheeren. Zij had hem noodig en zij

nam hem.

Er is nooit een vrouw in Diamante geweest, die zulke zaken deed als

zij. Zij breidde zich uit gelijk de brem in de lente. Den eenen dag

weet nog niemand, dat zij er is en den volgenden dag is zij reeds

een groote struik. Spoedig wist men niet waarheen men zou gaan in

Diamante om niet op de velden der Engelsche signorina te loopen. Ze

kocht landgoederen en huizen in de stad, zij kocht amandelbosschen

en lavastroomen. De schoone plekjes, vanwaar men uitzicht genoot op

den Etna, waren haar eigendom en eveneens de drassige grond van het

dal. En in de stad begon zij twee groote paleizen te bouwen. 't Was

daarin, dat zij wonen en over haar koninkrijk heerschen wilde.

Nooit zal men weer een vrouw als zij vinden.

Dat alles was haar nog niet genoeg. Zij wilde ook den strijd aanbinden

tegen de armoede. O, signori, tegen de Siciliaansche armoede! Wat

gaf zij niet iederen dag weg! en wat deelde zij niet uit op feestdagen!

Wagens, getrokken door twee paar ossen, gingen naar Catania en

kwamen terug hoog beladen met allerlei kleedingstukken. Zij had zich

voorgenomen dat een ieder heele kleeren zou dragen in de stad, waar

zij regeerde.

Maar hoor nu, hoe het haar ging, hoe het eindigde met den strijd

tegen de armoede, met het koninkrijk en de paleizen.

Zij gaf een feestmaal aan de armen in Diamante en na den maaltijd

een tooneelspel in het Grieksche theater. Dat was hetgeen een der

oude keizers gedaan zou hebben.

Maar wie heeft ooit gehoord, dat een vrouw op dergelijke gedachten

kwam!

Zij noodigde alle armen uit. Daar waren de twee blinde vrouwen van

de hotelpoort en de oude Assunta van de domtrap. Daar was de man van

het postkantoor die zijn kin bedekt had met een rooden doek om zijn

gelaatskanker te verbergen en dan was er de idioot, die de ijzeren

deuren van het Grieksche theater openschuift.

Alle ezeldrijvers waren er, ook de beide broeders zonder handen,

die in hun jeugd een bom hadden laten ontploffen en toen alle vingers

hadden verloren; en dan was er de invalide met het houten been en de

oude stoelenmatter, die te oud was geworden om te werken.

Het was wonderlijk hen allen uit hun holen te voorschijn te zien

kruipen, al deze armen van Diamante. Oude vrouwtjes die haar gansche

leven hadden zitten spinnen in donkere steegjes, waren op 't feest

en ook de positiefspeler, die een instrument heeft, zoo groot als

een kerkorgel, en een jonge, rondtrekkende mandolinista van Napels,

met zijn hoofd vol alle mogelijke dolle streken. Al de ooglijders

en ouden van dagen, die geen dak boven hun hoofd hadden, en zij die

wortelen aan den wegkant zochten voor het middagmaal, de steenhouwer

die een lire per dag verdiende en zes kinderen had om te verzorgen,

allen waren zij uitgenoodigd en aanwezig op het feest.

De armoede zond haar troepen uit tegen de Engelsche signorina. Wie

bezit zulk een leger als de armoede? Maar eens gelukte het de Engelsche

signorina haar te overwinnen.

Zij had ook iets om mee te strijden en te overwinnen. De geheele markt

stond vol gedekte tafels. En zij had wijnvaten laten stapelen langs

de steenen bank, die langs den geheelen muur der domkerk loopt. Zij

had het uitgestorven nonnenklooster herschapen in een provisiekamer en

keuken. Ze had de geheele vreemdelingenkolonie in Diamante, gekleed in

witte boezelaars, om de spijzen rond te deelen. En als toeschouwers bij

haar feestmaal had zij heel Diamante dat pleegt zich verzadigd te eten.

Toeschouwers! wie had zij niet tot toeschouwers! Den grooten Etna,

de stralende zon, den rooden berg en den ouden Vulcanitempel, die nu

aan San Pasquale gewijd was.

En geen van alle had nog ooit een verzadigd Diamante aanschouwd. Geen

van hen alle had er vóór dit oogenblik aan gedacht hoezeer het

hun eigen schoonheid zou verhoogen, indien men hen kon beschouwen,

zonder dat de honger den menschen in de ooren siste en hen op de

hielen volgde.

Maar let nu op één ding! Hoe merkwaardig en groot deze signorina

ook was, schoon was zij niet. En trots al de macht, die zij bezat,

was zij niet vriendelijk of innemend. Zij regeerde niet met scherts,

zij beloonde niet met een glimlach. Zij had een zwaar, plomp lichaam

en een zwaar, plomp gemoed.

Maar dezen dag, dat zij eten gaf aan al de armen, werd zij een geheel

ander mensch.

Er woont een ridderlijk volk op het eiland Sicilië. Van al deze armen

liet geen enkele haar voelen, dat zij liefdadigheid uitoefende. Zij

aanbaden haar, maar zij aanbaden haar als vrouw. Zij namen plaats

aan haar tafel als bij een gelijke. Zij behandelden haar, zooals een

gastvrouw door haar gasten behandeld wordt. Heden doe ik u de eer

bij u te komen, morgen doet ge mij de eer bij mij te komen. Zoo en

niets anders was het!

Zij stond op de hooge trap van het raadhuis en zag neer op de

menigte. En toen men het glas volschonk van den ouden stoelenmatter,

die aan 't boveneinde der tafel zat, richtte hij zich op, boog voor

haar en zei:

"Ik drink op uw welzijn, signorina."

Zoo deden allen. Zij legden de hand op het hart en bogen voor

haar. Het was misschien goed voor haar geweest, indien zij zulk een

ridderlijkheid vroeger in haar leven ontmoet had. Waarom hadden de

mannen in haar vaderland haar doen vergeten, dat de vrouwen bestaan

om te worden aangebeden?

Hier zagen allen er uit of ze gloeiden van een stille vereering. Zoo

worden de vrouwen behandeld op het edele eiland. Wat gaven zij haar

niet terug voor de spijzen en den wijn, die zij hun schonk! Zij gaven

haar en jeugd en vroolijkheid, en de eer om navolgenswaardig te zijn.

Ze hielden toespraken tot haar.

"Edele signorina, gij die over de wijde zee gekomen zijt, gij die

Sicilië bemint"--en zoo voort, en zoo voort.

En zij toonde, dat zij kon blozen, zij schaamde zich niet langer,

dat zij glimlachen kon.

Toen zij gesproken hadden, begon het te beven om den mond der

Engelsche signorina. Zij werd twintig jaar jonger. Dat was hetgeen

zij noodig had.

Op het feest was ook de ezeldrijver, die de Engelsche dames naar

Tre Castagni pleegt te geleiden, en die altijd verliefd op haar

was, vóórdat hij van haar scheidde. Nu viel zijn oog op de groote

weldoenster.

Niet alleen een slank, fijn lichaam en een zachte gelaatstint zijn

waard aangebeden te worden, maar ook sterkte en kracht.

De ezeldrijver liet plotseling mes en vork vallen, leunde met

de ellebogen op de tafel en bleef zoo zitten om naar haar te

kijken. En gelijk hij, deden al de andere ezeldrijvers. Het ging

als een besmetting rond. Het werd rondom de Engelsche signorina

heet van gloeiende blikken. Het waren niet alleen de armen die haar

aanbaden. De advocaat Ugo Favara kwam bij haar en fluisterde haar in

het oor, dat zij een voorzienigheid was voor zijn arm land en voor hem.

"Indien ik slechts vroeger een vrouw gelijk u getroffen had," zei hij.

"Denk u een ouden vogel, die lange jaren in een kooi was opgesloten

en ruig geworden is en den glans zijner veeren verloren heeft. En

plotseling komt er iemand, die hem streelt en den glans opnieuw te

voorschijn roept. Stel u dat voor, signorina!"

En dan was er ook die knaap van Napels. Hij haalde zijn mandoline te

voorschijn en begon te zingen. Gij weet, hoe hij pleegt te zingen,

hoe hij gewoonlijk zijn grooten mond vertrekt en leelijke woorden

zegt. Dikwijls gelijkt hij op een spottend masker. Maar hebt gij

gezien dat hij een engel in zijn oogen heeft?

Een engel, die schijnt te weenen over zijn val en vervuld is van een

goddelijken waanzin. En dezen avond was hij slechts engel. Hij hief het

hoofd op als een door God geïnspireerde dichter, zijn gebogen lichaam

werd veerkrachtig en richtte zich op in trotsche levensvreugde. Er

kwam kleur op zijn doodsbleeke wangen. En hij zong, hij zong, zoo dat

men de tonen als vuurvliegen van zijn lippen zag zweven om de lucht

met hun gejubel en gedans te vervullen.

Toen het nacht werd trokken allen naar het Grieksche theater. Dat

was het glanspunt van het feest. En wat had de gastvrouw daar haar

gasten aan te bieden?

Daar was de Russische zangeres en de Duitsche variété-kunstenaar,

de Engelsche clowns en de Amerikaansche goochelaar. Maar wat was dit

alles vergeleken met den zilverwitten maneschijn, met de plaats en al

haar herinneringen! Het was alsof de armen zich voelden als Grieken

en cultuurdragers, toen zij zich neervlijden op de rotsbanken van hun

eigen oud theater, en tusschen de bouwvallige zuilen van het tooneel

het schoone panorama aanschouwden.

De armen zijn niet spaarzaam, ze deelen mild van de vreugde, die ze

krijgen. Ze waren niet zuinig met de toejuichingen, ze waren uitbundig

in hun handgeklap. Zij die op het tooneel optraden, vertrokken met

een schat van lof.

Toen spoorde iemand de Engelsche signorina aan om ook op te treden. Al

deze vereering gold immers haar. Zij moest eens oog in oog met haar

gasten staan. En zij zeiden haar hoe bijval bedwelmt, hoe die vervoert

en bezielt.

Dit voorstel behaagde haar, en zij volgde dezen raad onmiddellijk.

Zij had in haar jeugd dikwijls gezongen en de Engelschen zijn nooit

afkeerig om te zingen. Anders zou zij het zeker niet gedaan hebben,

maar nu was zij goed geluimd, en nu wilde zij zingen voor hen, die

haar liefhadden.

Zij trad het laatst van allen op.

Stel u nu eens voor wat het is op zulk een oud tooneel op te

treden! Daar was het dat Antigone levend begraven was en Iphegenie

geofferd had. Maar de Engelsche signorina trad slechts op om gehuldigd

te worden.

Een storm van bijval barstte los, zoodra zij zich vertoonde. Men

wilde den grond verpletteren om haar te huldigen.

Het was een trotsch oogenblik. Zij stond daar met den Etna tot

achtergrond en de Middellandsche zee tot zijcoulisse. Voor haar op

de met mos begroeide banken strekte zich de overwonnen armoede uit

en zij voelde, dat geheel Diamante aan haar voeten lag.

Ze koos Bellini, hun eigen Bellini. Zij ook wilde beminnelijk zijn

en daarom zong zij een lied van Bellini, die geboren is aan den voet

van den Etna, Bellini, dien zij vanbuiten kenden, noot voor noot.

Natuurlijk, o signora, natuurlijk kon zij niet zingen. Zij was alleen

op het tooneel gekomen om zich te laten huldigen. Zij was opgetreden,

opdat de volksliefde zich uiten kon. Maar nu zong zij valsch en

zwak. En de menschen kenden elken toon.

Het was de mandolinista van Napels, die het eerst met zijn geheele

gezicht lachte en een toon nazong even valsch als de Engelsche

signorina. Later was het de man met kanker in 't gezicht, die zoo

lachte, dat zijn verband afviel. Daarna begon een ezeldrijver in de

handen te klappen, en volgden de anderen zijn voorbeeld. Het was een

krankzinnige daad maar dat begrepen zij niet.

Men kon toch op den grond der oude Grieken geen barbaren dulden,

die valsch zingen.

Donna Pepa en donna Tura lachten, zooals zij nog nooit in haar leven

gedaan hadden.

Geen enkele zuivere toon! Bij de Madonna en San Pasquale, geen enkele

zuivere toon!

Ééns in hun leven waren zij verzadigd. Het stond nu eenmaal geschreven,

dat er waanzin en razernij over hen zou zijn dien avond. En waarom

zouden zij niet lachen? Men had hun toch zeker geen eten gegeven om

hun ooren te pijnigen met vijl en zaag?

Mochten zij zich niet verdedigen door te lachen, moesten zij haar niet

nadoen, sissen en fluiten? Mochten zij zich niet achteroverwerpen om

in een daverend gelach uit te barsten?

Ze waren toch zeker geen slaven der Engelsche signorina!

Het kwam overweldigend voor haar. 't Kwam al te overweldigend

onverwacht, dan dat zij het zou kunnen begrijpen.

Floten zij haar uit? Het was zeker om iets daar beneden, om iets dat

zij niet zien kon.

Zij zong de aria ten einde. Zij was overtuigd, dat dit lachen iets was,

dat haar niet aanging.

Toen zij eindigde, stortte er een stroom van twijfelachtigen bijval

op haar neer. Die was zóó, dat zij eindelijk alles begreep. Fakkels

en maneschijn verlichtten den nacht, zoodat zij de menschenmassa kon

zien schudden van 't lachen.

Zij hoorde den hoon en spot, nu zij niet meer zong. Die gold haar. Toen

vluchtte zij van het tooneel, en het was alsof de groote Etna schudde

van 't lachen en de zee glinsterde van pret.

Maar het werd al erger en erger. Ze hadden zoo gelachen, de armen, zoo

gelachen als nooit tevoren, en zij wilden haar nog éénmaal hooren. Zij

riepen haar terug. "Bravo! Bis! Da capo!" Zulk een genoegen konden

zij zich niet laten ontgaan.

En zij, de Engelsche signorina, zij was bijna bewusteloos.

Een storm verhief zich rondom haar. Het volk schreeuwde, brulde om

haar te dwingen weer op het tooneel te verschijnen. Zij zag hoe zij

de armen ophieven om haar te dreigen; opeens was het tooneel veranderd

in een oud circus, zij werd naar binnen gesleurd om door wilde dieren

verslonden te worden.

En de razernij steeg en steeg. De anderen, die opgetreden waren,

werden bevreesd en smeekten haar toe te geven. En zij zelf werd ook

bang, het was alsof men haar wilde vermoorden, indien zij niet toegaf.

Zij sleepte zich naar het tooneel en stond oog in oog met de tierende

volksmassa. Voor haar was er geen verschooning. Zij moest zingen,

omdat allen lachen wilden. Dat was het ergste. Zij zong, omdat zij

bang was voor hen en niet den moed had het hun te weigeren. Zij was

een weerlooze vreemdelinge en zij had niemand, die haar beschermde

en zij was bang.

En zij lachten en lachten!

Gedurende de geheele aria hoorde men niets anders dan geschreeuw,

gesis, gelach en gefluit. Niemand had medelijden met haar. Het was

misschien de eerste maal in haar leven, dat zij voelde, dat zij

behoefte had aan iemand, die barmhartig jegens haar was....

Den volgenden dag wilde zij vertrekken. Zij kon het niet langer

uithouden in Diamante. Maar toen zij dit zeide tegen advocaat Favara,

bezwoer hij haar om zijnentwille te blijven en hij vroeg haar zijn

vrouw te worden.

Hij had het rechte oogenblik gekozen. Zij nam zijn aanzoek aan en

trouwde met hem.

Maar na dien tijd bouwde zij niet meer aan haar paleizen, zij streed

niet meer tegen de armoede, zij wilde niet meer koningin van Diamante

zijn.

Zoudt gij het willen gelooven? Zij vertoonde zich nooit meer op straat,

maar leefde binnenshuis als een Siciliaansche.

Haar klein huis lag verborgen achter een hooge schutting en van haar

zelf merkte men niets.

Men wist slechts, dat zij geheel was veranderd; maar men wist niet

of zij gelukkig of ongelukkig was, en of zij zich opsloot omdat zij

de menschen haatte, dan of zij wilde zijn zooals een Siciliaansche

huisvrouw behoort te zijn.

Maar eindigt het op deze wijze niet altijd met vrouwen? Als zij

paleizen bouwen, komen zij nooit klaar. Vrouwen kunnen niets tot

stand brengen, dat duurzaamheid bezit.

De Wonderen van den Antichrist · 第 44 / 80 题