Hierna verliepen twee jaren volkomen stil. Het eenige, dat in
Diamante en op geheel Sicilië gebeurde, was dat de menschen al armer
en armer werden.
Toen brak de herfst aan, en het was de tijd, dat de wijn geoogst
moest worden.
In dien tijd plegen de lieflijke canzones van de lippen te stroomen;
in dien tijd springen er nieuwe en schoone melodieën uit de mandoline.
Dan pleegt de jeugd in scharen naar de wijngaarden te trekken, en er
is arbeid en gelach den ganschen dag, dans en gejubel den geheelen
nacht en men weet niet meer wat slaap is.
Dan koepelt de blauwe luchtzee zich schooner dan ooit boven den
berg. Dan tintelt de lucht van vroolijke invallen, dan vliegen
fonkelende blikken als bliksemstralen door de lucht, dan ontvangt
deze niet alleen warmte en licht van de zon, maar ook van de stralende
gezichten der jonge vrouwen van den Etna.
Maar in dezen herfst waren alle wijngaarden verwoest door de
phylloxera. Geen druivenplukker drong zich tusschen de wijnranken,
geen lange rij van vrouwen met volle manden op het hoofd kronkelde zich
naar de wijnpers en 's nachts werd er niet gedanst op de platte daken.
In dezen herfst welfde zich geen klare, heldere Octoberlucht boven den
Etna. En als om de natuur in overeenstemming te brengen met den nood,
kwam de beklemmende verstijvende woestijnwind van Afrika, stof en nevel
met zich voerend, en verdonkerde het gansche luchtruim. Nooit, zoo
lang deze herfst duurde, voelde men een frisschen bergwind. Voortdurend
blies de met ongeluk bezwangerde sirocco.
Soms was die zoo droog en stoffig, en zoo verschroeiend heet, dat
men de deuren en vensters sluiten en in huis moest blijven om niet
te versmachten.
Maar meestal was die lauw, vochtig en drukkend. En de menschen kenden
geen rust, de zorg verliet hen dag noch nacht en de ellende stapelde
zich boven hun hoofd, als de sneeuwlagen op de hooge bergen.
En de onrust kwam ook tot donna Micaela, terwijl zij nog steeds zat
bij haar ouden man, don Ferrante.
Gedurende dezen herfst hoorde zij nooit een lach, nooit een lied. De
menschen slopen elkaar voorbij, zoo vol toorn en vertwijfeling,
dat zij bijkans schenen te bersten.
En zij zeide tot zich zelf, dat zij zeker zonnen op een oproer. Zij
begreep dat zij in opstand moesten komen.
Wel zou het zeker niemand helpen, maar er bleef hun geen ander
middel over.
In het begin van den herfst had zij op haar balkon gezeten en de
menschen op straat hooren spreken. Ze spraken altijd over den nood.
"De oogst van het graan en van den wijn is mislukt, er is
gebrek aan zwavel en aan oranjeappels, al Sicilië's geel goud is
verongelukt. Waarvan moest men dan leven?"
En donna Micaela begreep dat dit vreeselijk was.
Graan, wijn, oranjeappels en zwavel, al hun geel goud! Zij begon ook
te begrijpen, dat de ellende grooter was dan de menschen konden dragen
en zij was wanhopig, dat het leven zoo hard was.
En zij vroeg zich af waarom de menschen gedwongen waren zulke
bovenmatig hooge belastingen te betalen. Waarom moest er accijns op
zout zijn, zoodat een arme vrouw geen recht had naar het strand te
gaan om een emmer zout water te halen, maar het zout tegen hoogen
prijs moest koopen in de winkels der regeering?
En waarom moest er een belasting op de palmboomen zijn? Nu velden de
boeren met toorn in het harte de oude boomen, wier kronen zoo lang
boven het edele eiland gewuifd hadden. En waarom moest er belasting op
de vensters zijn? Wat wilde men toch daarmee? Was het de bedoeling,
dat de arme menschen hun vensters weg zouden nemen en hun kamers
zouden verlaten om in de kelders te gaan wonen?
In de zwavelmijnen waren werkstakingen en woelingen uitgebroken en de
regeering zond troepen om het volk te dwingen weer aan den arbeid te
gaan. Donna Micaela vroeg zich af of de regeering niet wist, dat men in
het geheel geen machines in de mijnen gebruikte. Had zij nooit gehoord,
dat het kinderen waren, die het erts uit de diepe schachten sleepten?
De regeering wist niet, dat deze kinderen slaven waren; zij kon immers
niet weten, dat hun ouders hen verkocht hadden aan de patroons. Of
indien de regeering dit wist, waarom hielp ze dan de mijneigenaars?
Opeens hoorde zij spreken over een ontzettende menigte misdaden. En
opnieuw begon zij te vragen:
Waarom liet men de menschen zoo misdadig worden?
En waarom liet men het volk tot zoo'n groote armoede en ellende
vervallen? Waarom moesten ze allen zoo ellendig zijn? Zij wist, dat
degenen, die in Palermo of Catania woonden, zoo niet behoefden te
vragen. Maar hij, die in Diamante woonde, hij kon niet nalaten te
vreezen en te vragen. Waarom liet men de menschen zoo arm worden,
dat zij stierven van den honger?
De zomer was nauwelijks verstreken en men was nog maar in het einde
van de maand October, toen donna Micaela den dag reeds voor zich zag,
dat het oproer zou uitbreken. Ze zag de uitgehongerde menschen door
de straten aanstormen. Zij zouden de winkels plunderen en ze zouden
de huizen binnendringen der weinige rijken, die in de stad gevonden
werden. Voor het zomerpaleis zou de wilde schare staan blijven,
en langs de balkons en vensters naar binnen klimmen.
"Hier met de juweelen der oude Alagona's, hier met don Ferrante's
millioenen!"
Het was immers hun droom, het zomerpaleis! Ze geloofden dat het zoo
vol goud was als een sprookjesslot. Maar als zij niets vonden, zouden
zij haar het mes op de keel zetten, om haar te dwingen de schatten
uit te leveren, die zij nooit bezeten had, en zij zou vermoord worden
door de roofgierige bende.
Waarom konden de groote grondbezitters niet thuis blijven? Waarom
moesten zij de armen verbitteren met het leiden van een weelderig
leven in Rome of in Parijs?
Men zou hen zoo niet haten, als zij op het eiland bleven. Dan zou men
niet zulke dure en heilige eeden zweren, alle rijken te zullen dooden.
Donna Micaela wenschte slechts dat zij kon vluchten naar één der
groote steden. Maar zoowel haar vader als don Ferrante werd in dezen
herfst ziek, en om hunnentwille was zij gedwongen te blijven, waar
zij was. En zij wist, dat zij gedood zou worden als een zoenoffer
voor de zonden der rijken tegenover de armen.
Gedurende vele jaren hadden de ongelukken zich boven Sicilië
opeengehoopt en nu konden ze niet langer tegengehouden worden.
Nu begon de Etna zelf te dreigen met een uitbarsting.
De zwaveldamp gloeide 's nachts vuurrood en het onderaardsche gerommel
werd tot in Diamante gehoord.
De wereld zou vergaan. Alles zou verwoest worden. Wist dan de regeering
niets van de stemming van het volk? O, eindelijk, eindelijk had de
regeering er kennis van gekregen, en een comité samengesteld. Het
was een groote troost, op een mooien dag de gevolmachtigden door de
corso te zien komen aanrijden.
Indien het volk slechts begrepen had dat zij het goed met hen
meenden. Indien slechts de vrouwen niet in haar deuren hadden gestaan
en de fijne heeren van het vasteland bespot hadden, en indien slechts
de kinderen niet naast de wagens hadden geloopen en geroepen: "Dief,
dief!" Alles wat men deed verhaastte slechts het oproer. En er was
niemand die het volk leiden en kalmeeren kon. Er was geen enkele
ambtenaar, dien men vertrouwde. Degenen, die zich slechts lieten
omkoopen, waren nog de minst verachten. Maar men zei dat de meesten van
hen leden van de mafia waren. Men zei, dat zij er slechts aan dachten
zich geld en macht toe te eigenen. En naarmate de herfst verstreek,
duidden meer en meer teekenen er op, dat er iets ontzettends dreigde.
In de couranten las men dat de arbeiders zich in de groote steden
vereenigden en door de straten trokken. En men las ook hoe de leiders
der socialisten door het land trokken en opruiende toespraken hielden,
Opeens werd het donna Micaela duidelijk, wat de oorzaak was van alle
onrust. Het waren de socialisten, die het oproer verwekten. Het was
hun vurige taal, die de gemoederen in beweging bracht. Hoe kon men
hen dat laten doen? Wie was dan koning van Sicilië? Heette hij Da
Felice of Umberto?
Toen greep ontzetting haar aan.
Het was alsof men alleen tegen haar samenspande. En hoe meer zij over
de socialisten hoorde spreken, des te meer vreesde zij hen.
Giannita trachtte haar gerust te stellen.
"Wij hebben geen socialisten in Diamante," zei zij. "In Diamante
denkt men er niet aan om oproer te maken."
Maar donna Micaela vroeg haar of zij niet wist wat het beteekende,
dat de oude spinsters in donkere hoeken zaten en geschiedenissen
verhaalden van de groote rooverhelden en den beruchten visscher
Giuseppe Alesi, dien men de Massaniello van Sicilië noemde?
Indien de socialisten slechts de menschen tot oproer konden overhalen,
zou ook Diamante wel meedoen.
Geheel Diamante wist reeds, dat iets ontzettends dreigde. Men had
den grooten zwarten monnik zien spoken op het terras van het palazzo
Geraci.
Men hoorde de uilen den ganschen nacht schreeuwen, en sommigen
beweerden, dat de hanen kraaiden bij zonsondergang en zwegen bij
het ochtendgekriek.
Op een dag in November, was Diamante plotseling vol woeste menschen.
Het waren mannen met roofdiergezichten, ruige baarden, en groote
handen aan ontzettend lange armen. Verscheidenen van hen droegen wijde,
fladderende linnen mantels en men meende beruchte bandieten en onlangs
ontslagen galeiboeven in hen te herkennen.
Giannita vertelde dat al deze woeste menschen in de bergen woonden,
en nu over den Simeto waren getrokken, omdat het gerucht verspreid
was, dat het oproer in Diamante reeds uitgebroken was. Maar toen alles
rustig was en de kazernes vol karabiniers waren, trokken zij weer weg.
Donna Micaela dacht nu voortdurend aan deze menschen en ze was
overtuigd dat zij haar moordenaars zouden worden. Zij zag hen voor zich
in hun fladderende linnen mantels en met hun roofdiergezichten. Zij
wist dat zij in hun berggrotten op de loer lagen, en op den dag
wachtten, dat zij schoten en oproerkreten in Diamante hoorden. Dan
zouden zij zich met moord en brand op de stad werpen en zich aan
de spits stellen van het gansche uitgehongerde volk, generaals en
aanvoerders der verwoesting gelijk.
Donna Micaela moest gedurende dezen geheelen herfst zoowel haar
vader als don Ferrante verplegen, die beiden maand na maand ziek
lagen. Men had haar verzekerd, dat er volstrekt geen gevaar voor
hun leven bestond. Zij was zeer blijde don Ferrante in het leven
te mogen behouden, want het was haar eenige hoop, dat de menschen
hem ten slotte zouden sparen, omdat hij uit een oud geslacht was,
dat hoog in aanzien stond.
Terwijl zij daar bij het ziekbed zat, ging haar verlangen dikwijls
naar Gaetano en ontelbaar waren de keeren dat zij wenschte dat hij
thuis was. Zij zou angst noch doodsvrees gevoelen, indien hij slechts
in zijn werkplaats stond. Dan zou er slechts vrede en veiligheid in
haar ziel heerschen.
Zelfs nu hij zoo ver weg vertoefde, was hij degene, bij wien zij in
gedachten hulp zocht, toen de ontzetting haar tot waanzin dreef.
Toch had zij geen enkelen brief van hem ontvangen, in al dien tijd dat
hij weg was; zoodat zij dikwijls geloofde, dat hij haar geheel vergeten
had. Op andere tijden wist ze evenwel zeker, dat hij haar liefhad, want
dan voelde zij zich zoo onweerstaanbaar gedrongen aan hem te denken,
dat zij begreep, dat hij haar in gedachten nabij was en haar riep.
In dezen herfst kreeg zij eindelijk een brief van Gaetano. Ach,
welk een brief! Donna Micaela's eerste gedachte was hem te verbranden.
Ze was naar het terras op het dak gegaan, om alleen te zijn, terwijl
zij den brief las. Hier had ze ook eens Gaetano's liefdesverklaring
gehoord. En die had haar volstrekt niet ontroerd. Die had haar
geschokt, noch verschrikt. Maar deze brief was iets geheel anders. Hij
smeekte haar bij hem te komen, de zijne te worden, hem haar leven
te geven.
Toen zij dit las, schrikte zij van zich zelf. Zij voelde hoe zij had
willen uitroepen: "ik kom" en weg had willen vliegen. Zij voelde zich
tot hem getrokken, meegesleept.
"Laat ons gelukkig zijn!" schreef hij. "Wij verspillen den tijd,
de jaren gaan voorbij. Laat ons gelukkig zijn."
Hij beschreef haar hoe zij zouden leven. Hij vertelde haar van andere
vrouwen, die de stem der liefde gehoorzaamd hadden en gelukkig waren
geworden. Hij schreef even verlokkend als overtuigend.
Het was niet juist de inhoud, maar de liefde, die in den brief brandde
en gloeide en die haar vervoerde. Die steeg op uit het papier gelijk
bedwelmende wierook en zij voelde hoe die haar doordrong. Vurig
verlangen was het, dat uit elk woord sprak.
Nu was zij niet meer een heilige voor hem, zooals zij vroeger was
geweest. Deze brief kwam overweldigend onverwacht na een paar jaar
van zwijgen, en zij was ontsteld dat deze haar zoo verrukte.
Zóó had zij zich de liefde nooit gedacht. Zou die haar ook in dezen
nieuwen vorm behagen? En met angst ontdekte zij dat die haar ook
zoo behaagde.
Toen strafte zij hem zoowel als zich zelf door een zeer streng antwoord
te schrijven. Dat was moraal, moraal, niets anders dan moraal. Zij
was trotsch dat zij zoo geschreven had. Zij ontkende niet dat zij hem
liefhad, maar misschien zou Gaetano haar liefdeswoorden niet kunnen
vinden, zoo verborgen waren ze onder verwijten. Het was ook beter,
dat hij ze niet vond.
Hij schreef haar geen brieven meer. Maar nu kon donna Micaela
nooit meer aan Gaetano denken als steun en beschermer. Nu was hij
gevaarlijker dan de mannen uit de bergen.
En iederen dag bracht Diamante een onheilspellender bericht. Nu begon
iedereen zich wapens aan te schaffen. En hoewel het verboden was die
te bezitten, droegen toch alle menschen die in 't geheim.
Alle vreemdelingen verlieten het eiland, maar in hun plaats werd er
van Italië het ééne duizendtal soldaten na het andere gezonden.
De socialisten hielden voortdurend redevoeringen.
Waren zij dan bezeten door een boozen geest, dat zij niet tevreden
waren, vóórdat zij het ongeluk opgeroepen hadden!
Eindelijk hadden de oproerlingen den dag bepaald dat de storm zou
losbreken. Geheel Sicilië, geheel Italië zou in opstand komen. Het
was nu niet meer een holle bedreiging maar werkelijkheid.
Toen kwamen er al meer en meer troepen van het vasteland. En de meesten
waren Napolitanen, die in eeuwige veete met de Sicilianen leven.
Het eiland werd in staat van beleg verklaard.
Er zouden geen gerechtshoven meer zijn, slechts de krijgsraad. En
het volk vertelde dat de soldaten verlof hadden te plunderen en te
moorden naar hartelust.
Niemand wist wat er gebeuren zou. De boeren wierpen verschansingen op
in de bergen. In Diamante stonden mannen in groote groepen bijeen op
de markt, stonden daar dag aan dag zonder aan den arbeid te gaan. Deze
groepen mannen, die gekleed waren in donkere mantels met slappe hoeden,
zagen er onheilspellend uit.
Zij droomden zeker allen van het oogenblik, dat zij het zomerpaleis
zouden plunderen.
Hoe meer men den dag naderde, dat het oproer zou uitbreken, hoe zieker
don Ferrante werd. En donna Micaela begon voor zijn leven te vreezen.
Het scheen haar een teeken, dat zij voorbeschikt was tot ondergang,
nu zij ook don Ferrante moest verliezen.
Wie zou haar ontzien, als hij niet meer leefde?
Zij waakte bij hem. Zij en alle vrouwen der wijk zaten in stil gebed
bij zijn legerstede.
Maar op een morgen, tegen zes uur, stierf don Ferrante. En donna
Micaela betreurde hem, omdat hij haar eenige beschermer was en de
eenige, die haar van den ondergang had kunnen redden, en zij wilde
den doode alle eer bewijzen, die nog gebruikelijk is op Sicilië. Zij
liet de sterfkamer met zwart doek bekleeden en sloot alle luiken,
opdat het blijde zonlicht niet in het vertrek zou dringen.
Zij liet ook het vuur dooven in den haard en zond om een blinden
zanger, opdat hij elken dag in het paleis zou komen om klaagliederen te
zingen. Zij liet het aan Giannita over cavaliere Palmeri te verplegen,
opdat zij zelf stil in de sterfkamer zou kunnen zitten tusschen de
treurende vrouwen.
Het liep tegen den avond van den sterfdag, men had alle beschikkingen
gemaakt en wachtte nu slechts op de witte broeders, die het lijk
zouden wegvoeren.
In de sterfkamer was het doodstil. Al de vrouwen van de wijk zaten
daar onbeweeglijk met betraande gezichten. Donna Micaela was bleek
in haar grooten angst en staarde onafgebroken naar het lijkkleed,
dat over den doode gespreid was.
Het was een baarkleed, dat aan het geslacht der Alagona's behoorde,
een reusachtig groot familiewapen prijkte in het midden en het was
afgezet met zilveren franje en dikke kwasten. Dit kleed was nooit
gespreid over iemand anders dan over een Alagona. Het scheen daar
te liggen, opdat donna Micaela geen oogenblik zou vergeten, dat
haar laatste steun van haar was genomen en zij nu eenzaam en zonder
bescherming stond tusschen het verwoede volk.
Nu kwam iemand binnen om te melden, dat de oude Assunta was gekomen. De
oude Assunta, wat wenschte de oude Assunta?
"Assunta was een lofspreekster, ze placht over de dooden te spreken."
Donna Micaela liet Assunta in de kamer komen. Ze was zooals zij op
de domtrap zat te bedelen, met dezelfde gelapte kleeding, denzelfden
verschoten hoofddoek en dezelfde oude kruk.
Klein en met gebogen rug hinkte zij naar de kist. Zij had een
verschrompeld gelaat, een ingevallen mond en doffe oogen. Donna
Micaela zei tot zichzelf dat de hulpeloosheid en de onmacht nu haar
kamer binnentraden.
De oude verhief haar stem en begon te spreken uit naam der echtgenoote.
"Mijn heer is dood, en ik ben eenzaam. Hij die mij verhief aan
zijn zijde, is niet meer. Hoe vreemd is het, dat mijn huis zijn
meester verloren heeft!--Waarom zijn de luiken voor uw vensters
gesloten? vragen de voorbijgangers.--Ik antwoord: ik kan het licht niet
verdragen, daarvoor is mijn smart te groot, mijn smart is drievoudig."
"Hoe, zijn er zoo velen van uw geslacht door de witte broeders
weggedragen?
"Neen, niemand van mijn geslacht is dood, maar ik heb mijn man
verloren, mijn man, mijn man!"
De oude Assunta behoefde niet meer te zeggen. Donna Micaela barstte
in klachten uit. Het gansche vertrek was vervuld van het geweeklaag
der jammerende vrouwen.
Want er bestaat geen smart zoo groot als het verlies van een
echtgenoot. Zij, die weduwe waren, dachten aan hetgeen zij verloren
hadden en zij die het nog niet waren, dachten aan den tijd, dat zij
niet meer op straat zouden gaan, omdat geen man haar vergezelde, en
ze tot eenzaamheid, armoede en vergetelheid gedoemd zouden zijn, en
dat zij niets zouden beteekenen, niets zouden zijn, dat zij behooren
zouden tot de verworpelingen dezer aarde, omdat zij geen man meer
hadden, omdat niemand haar meer het recht tot leven gaf.
Het was in het eind van December, de dagen tusschen Kerstfeest en
Nieuwjaar.
Er bestond nog steeds hetzelfde gevaar voor oproer en nog steeds
hoorde men dezelfde beangstigende berichten. Er werd verteld dat Falco
Falcone een groote rooversbende in de steengroeve verzameld had en
dat hij slechts wachtte op den dag, die bepaald was voor het oproer,
om Diamante binnen te stormen en te plunderen.
Er werd ook verteld, dat de menschen in verscheidene kleine bergsteden
opgestaan waren, de tolkantoren bij de stadspoorten in brand hadden
gestoken en de tolkommiezen weggejaagd hadden.
Men wist ook te vertellen, dat de troepen van stad tot stad trokken
en allen arresteerden, die slechts verdacht werden, en de menschen
bij honderden tegelijk doodschoten.
Elk zei dat men zich wapenen moest voor den strijd. Men kon zich toch
niet door deze Italianen laten vermoorden zonder zich te verzetten.
Gedurende dezen tijd zat donna Micaela gevangen bij haar vaders ziekbed
evenals zij vroeger bij don Ferrante gezeten had. Zij kon Diamante
niet ontvluchten en de angst groeide en groeide in haar zoodat zij
niets anders was dan trillende vrees.
Het laatste en het vreeselijkste van alle onheilsberichten betrof
Gaetano; ongeveer een week na don Ferrante's dood was Gaetano thuis
gekomen.
En dit had haar volstrekt niet beangstigd, maar integendeel
verheugd. Zij had gejubeld eindelijk iemand in haar nabijheid te
hebben, die haar beschermen kon.
Terzelfder tijd besloot zij, dat zij Gaetano niet zou ontvangen indien
hij bij haar kwam. Zij voelde dat zij den doode nog toebehoorde. Zij
wilde liefst Gaetano niet zien vóórdat een jaar verstreken was.
Maar toen Gaetano acht dagen thuis was zonder dat hij naar het
zomerpaleis kwam, vroeg zij Giannita naar hem.
"Waar is Gaetano, is hij misschien reeds weer vertrokken daar niemand
over hem spreekt?"
"Ach, Micaela," antwoordde Giannita, "hoe minder men spreekt over
Gaetano, hoe beter het is voor hem."
Zij vertelde donna Micaela nu, gelijk zij een groote schande zou
verhalen, dat Gaetano socialist was geworden.
"Hij is daarginds in Engeland geheel veranderd," zei zij. "Hij gelooft
niet meer aan God of aan de heiligen. Hij kust den pastoor niet meer
de hand, wanneer hij hem ontmoet. Hij zegt tot alle menschen, dat zij
geen tol meer moeten geven bij de stadspoort. Hij spoort de boeren
aan hun pacht niet meer te betalen. Hij heeft wapens meegebracht en
hij is slechts thuis gekomen om oproer te verwekken en de bandieten
te helpen."
Zij behoefde niets meer te zeggen, opdat donna Micaela aangegrepen
zou worden door een grooter ontzetting dan zij nog ooit gevoeld had.
Dit was het dus, dat de onheilspellende herfstdagen geprofeteerd
hadden. Juist hij moest het zijn, die den bliksem uit de wolken
slingerde. Dat zij dit niet reeds lang geleden vermoed had!
Dit was de straf en wraak. Juist hij moest het zijn die het ongeluk
opriep.
De laatste dagen was zij kalmer geweest. Zij had gehoord, dat alle
socialisten op het gansche eiland gevangen waren genomen. En al de
kleine oproervuren, die in de bergsteden ontstoken waren, werden
uitgedoofd. Het had bijna geschenen, dat het oproer op niets zou
uitloopen.
Maar nu was de laatste Alagona gekomen en hem zou het volk volgen. Er
zou beweging komen in de zwarte groepen op de markt. De mannen in
de linnen mantels zouden over den Simeto trekken. Falco Falcone's
rooverbende zou uit de steengroeve te voorschijn komen.
Den volgenden avond sprak Gaetano op de markt. Hij had bij de marktbron
gezeten en gezien hoe de menschen kwamen om water te halen. Twee jaar
had hij de vreugde moeten ontberen, te zien hoe de slanke meisjes
de zware waterkruiken op haar hoofd hieven en hoe zij met vaste,
statige schreden haar weg vervolgden.
Maar het waren niet alleen jonge meisjes die bij de bron kwamen, maar
menschen van elken leeftijd. En toen hij nu zag hoe arm en ongelukkig
de meesten waren, begon hij met hen over de toekomst te spreken.
Hij beloofde hun dat er spoedig betere tijden zouden aanbreken. Hij
zei tot de oude Assunta, dat zij voortaan haar dagelijksch brood
zou hebben, zonder dat zij eenig mensch om een aalmoes zou behoeven
te vragen. En toen zij zeide, dat zij niet begreep, hoe dat moest
geschieden, vroeg hij haar bijna toornig, of zij dan niet wist, dat
de tijd nu gekomen was, dat geen oud mensch of jong kind meer zonder
steun en beschutting zou zijn.
Hij wees op den ouden stoelenmatter, die even arm als de oude Assunta
en daarenboven nog zeer ziek was, en hij vroeg of zij geloofde, dat
men het nog langer zou dulden, dat er geen ziekenhuis of armenzorg
was. Kon zij niet begrijpen, dat er in de toekomst voor de ouden en
zieken gezorgd zou worden?
Hij zag ook eenige kinderen, van wie hij wist, dat zij voornamelijk
leefden van planten en wortelen, die zij aan de oevers der rivier en
aan den weg verzamelden, en hij beloofde dat voortaan niemand meer
honger zou behoeven te lijden. Hij legde de hand op het hoofd der
kinderen en verzekerde zoo trotsch als ware hij de vorst van Diamante,
dat zij nooit meer brood zouden derven.
Zij wisten niets in Diamante, zei hij; zij waren onwetend en wisten
niet, dat een nieuwe gezegende tijd aangebroken was. Zij geloofden, dat
deze ellende steeds zou blijven voortduren. Terwijl hij zoo de armen
troostte, hadden al meer en meer menschen zich om hem verzameld. Hij
sprong plotseling op den rand der bron en begon te spreken.
"Hoe konden zij zoo onnoozel zijn," zei hij, "om te gelooven, dat er
geen betere tijd zou komen? Zouden de menschen, die de heele aarde
bezaten, het dulden dat de ouden verhongerden en de kinderen tot
ellendelingen en misdadigers opgroeiden?
"Wisten ze dan niet, dat er schatten verborgen waren in den berg en
in de zee en in den grond? Hadden zij nooit gehoord, dat de aarde
rijk was? Geloofden ze, dat ze haar kinderen niet voeden kon?
"Ze moesten niet tot elkaar zeggen, dat het onmogelijk was de zaken
anders te regelen. Zij moesten niet denken, dat er steeds rijken en
armen moesten zijn.
"Ach, zij wisten niets. Zij kenden hun moederaarde niet. Geloofden
zij, dat zij een van hen haatte? Hadden zij dan op het veld gelegen
en de aarde hooren spreken? Hadden zij gezien hoe de aarde wetten
voorschreef? Hadden zij gehoord, hoe zij een vonnis velde? Had
de aarde dan bevolen, dat sommigen honger zouden lijden, terwijl
anderen aan een overdadig leven zouden sterven? Waarom richtten zij
zich niet op om te luisteren naar de nieuwe leer, die over de wereld
ging? Verlangden zij het niet beter te hebben? Zij gingen dus gaarne
gekleed in lompen? Ze waren dus tevreden met planten en wortelen tot
voedsel? Wilden ze dan geen dak boven het hoofd hebben?"
En hij zeide hun, dat het er niets toe deed, niets, in het geheel
niets, of zij weigerden te gelooven aan den nieuwen tijd, die in
aantocht was. Die zou in ieder geval toch komen.
Ze behoefden immers ook niet 's morgens de zon uit de zee op te
heffen. De nieuwe tijd zou tot hen komen, gelijk de zon kwam, maar
waarom wilden zij haar niet tegemoet gaan? Waarom sloten zij zich op
en vreesden het nieuwe licht?
Hij sprak lang op deze wijze en steeds verzamelden zich meer menschen
om hem heen.
Maar hoe langer hij sprak, hoe schooner zijn taal werd, en hoe
helderder zijn stem.
Er kwam gloed in zijn fonkelende oogen en het arme volk, dat naar
hem opzag, vond hem schoon als een jongen vorst.
Hij was als een der oude, machtige heeren van zijn stam, die het
vermogen bezeten hadden geluk en goud te schenken aan alle menschen
in hun rijk.
Zij geloofden hem toen hij zei, dat hij hun geluk kon geven. Ze waren
reeds gelukkig en blijde, omdat hun jonge heer hen liefhad.
Toen hij ophield met spreken, begonnen zij te jubelen en riepen dat
zij hem wilden volgen, en doen wat hij hun beval. In een oogenblik
was hij hun heer geworden. Hij was zoo schoon en zoo heerlijk dat
zij hem niet konden weerstaan. En zijn geloof was zoo overtuigend,
dat het vervoerde en meesleepte.
Dien nacht was er niet één arm mensch in Diamante, die niet geloofde,
dat Gaetano hem onbezorgde en gelukkige dagen zou schenken. Dien nacht
zegenden allen hem, allen, die in schuren en hutten woonden. Dien
nacht begaven de hongerigen zich ter ruste in de vaste overtuiging,
dat ze den volgenden dag bij hun ontwaken een tafel volgeladen met
allerlei gerechten voor hun bed zouden vinden.
Want toen Gaetano sprak, was zijn macht zoo groot dat hij den grijsaard
kon overtuigen dat hij jong, en den verkleumde, dat hij warm was. Men
voelde dat hetgeen Gaetano beloofde, moest komen.
Hij was de vorst van den nieuwen tijd. Zijn handen waren zoo mild,
wonderen en zegeningen zouden neerdalen op Diamante, nu hij weer
terug was gekomen.
Den volgenden dag toen de zon onderging, kwam Giannita in de
ziekenkamer en fluisterde:
"Er is oproer in Paterno, sedert verscheidene uren zijn ze daar
aan het schieten, men kan het hier hooren. Er is reeds naar Catania
gezonden om troepen. En Gaetano zegt, dat het oproer hedenavond hier
zal uitbreken. Hij zegt, dat het tegelijkertijd in al de Etnasteden
zal uitbreken."
Donna Micaela beduidde Giannita, dat zij bij cavaliere Palmeri zou
blijven, zelf ging zij over de straat naar donna Elisa's winkel.
Donna Elisa zat achter haar toonbank voor haar borduurraam, maar zij
werkte niet. De tranen druppelden haar zwaar en onophoudelijk langs
de wangen zoodat zij moest ophouden met borduren.
"Waar is Gaetano?" zei donna Micaela zonder omwegen. "Ik moet hem
spreken."
"God schenke je kracht om met hem te spreken," antwoordde donna
Elisa. "Hij is in den tuin."
Donna Micaela ging over den binnenhof naar den door hooge muren
omgeven tuin.
In den tuin waren vele kleine paadjes, die zich van terras tot terras
slingerden. Er waren ook vele priëelen, grotten en rustbanken. En
de tuin was zoo dicht begroeid met stijve agaven, dichte dwergpalmen
en stijfbladige ficussen en rhododendrons dat men geen twee schreden
voor zich uit kon zien.
Donna Micaela liep langen tijd door deze ontelbare kronkelpaadjes,
vóórdat zij Gaetano kon vinden. En hoe langer zij zocht, hoe
ongeduldiger zij werd. Eindelijk vond zij hem heel achter in den
tuin. Hij bevond zich op het laagste terras, dat uitgebouwd was op
één der bastions van de stadsmuren. Daar zat Gaetano kalm met hamer
en beitel aan een beeld te werken. Toen hij donna Micaela zag, liep
hij haar met uitgestrekte handen tegemoet.
Zij gaf zich nauwelijks tijd hem te groeten.
"Is het waar," zei zij, "dat gij gekomen zijt om ons in het verderf
te storten?"
Hij begon te lachen.
"De sindaco is hier geweest," zei hij, "en de pastoor is hier
geweest. Komt gij nu ook nog hier?"
Het griefde haar, dat hij lachte en dat hij sprak van den sindaco en
den pastoor.
Het was toch zeker iets anders en van meer beteekenis, dat zij kwam.
"Wilt gij mij zeggen," vroeg zij scherp, "of het waar is, dat wij
hier vanavond oproer krijgen?"
"O, neen," antwoordde hij, "hier komt geen oproer."
En hij zei dat op zulk een moedeloozen toon, dat het haar bijna
bedroefde om zijnentwille.
"Ge doet donna Elisa heel veel verdriet," barstte zij los.
"En u ook, niet waar?" zei hij met lichten spot.
"Ik ben de verloren zoon, ik ben Judas. Ik ben de strafengel die u
allen drijft uit dit paradijs, waar men gras eet."
Zij antwoordde:
"Misschien verkiezen wij onzen toestand boven den gewelddadigen dood."
"Ja zeker, het is beter te verhongeren. Daaraan is men immers gewoon."
"'t Is ook niet zoo aangenaam door bandieten vermoord te worden."
"Maar wat ter wereld wil men met bandieten, als men zich niet door
hen wil laten vermoorden?"
"Ja, ik weet wel," zei zij steeds heftiger, "dat gij wilt dat alle
rijken gedood zullen worden."
Hij antwoordde haar niet dadelijk, maar beet zich op de lippen om
zich niet te overijlen.
"Laat mij eens met u spreken, donna Micaela," zei hij ten slotte. "Laat
mij het u eens verklaren."
En hij trok zijn gelaat in een plooi van geduld, en verklaarde haar
het socialisme, zoo duidelijk en eenvoudig, dat een kind het had
kunnen begrijpen.
Doch het was er verre van, dat zij hem kon volgen. Misschien had zij
het wel gekund, maar zij wilde niet. Zij wilde juist nu niet hooren
spreken over het socialisme.
't Was haar zoo vreemd geweest, toen zij hem nu weer zag. De grond was
begonnen te trillen onder haar voeten en een heerlijk en gelukzalig
gevoel had haar doorstroomd en haar geheel vervuld.
"Mijn God, daar is hij dien ik lief heb," zei zij tot zich zelf. "Hij
is het werkelijk."
Voordat zij hem gezien had, wist zij heel goed wat zij tot hem zou
zeggen. Zij zou hem teruggebracht hebben tot het geloof zijner jeugd.
Zij zou hem bewezen hebben, dat deze nieuwe leer afschuwelijk en
gevaarlijk was. Maar toen kwam de liefde en die maakte haar dom
en verward.
Zij kon hem niets antwoorden. Zij was slechts verbaasd, dat hij zoo
spreken kon.
En zij vond hem nog veel schooner dan vroeger. Nooit tevoren was
zij zoo verward geweest, als zij hem zag. Nooit had hij zulk een
indruk op haar gemaakt. Of kwam het, omdat hij nu een vrije sterke
man was geworden? Zij werd bang, toen zij voelde hoeveel macht hij
over haar had.
Zij waagde het niet hem tegen te spreken. Zij durfde niet eens spreken
om niet in tranen uit te barsten. En indien zij gewaagd had te spreken,
dan zou zij wel niet over politiek gesproken hebben.
Zij zou hem verteld hebben, wat zij gedacht had op den dag, dat de
klokken luidden. Of zij zou hem gesmeekt hebben zijn hand te mogen
kussen. Zij zou hem hebben willen zeggen hoe zij van hem gedroomd
had. Zij zou hem gezegd hebben, dat indien zij hem niet had bezeten
om van te droomen, zij het leven niet uitgehouden had.
Zij zou hem verzocht hebben zijn hand te mogen kussen uit dankbaarheid,
omdat hij haar het leven geschonken had in al deze jaren.
Indien er geen oproer zou komen, waarom sprak hij dan over
socialisme? Wat ging het socialisme hun aan, die rustig zaten in
donna Elisa's ouden tuin? Zij keek door een kronkelend tuinpad. Luca
had houten bogen aan beide zijden geplaatst en langs deze slingerden
zich nu guirlandes van lichte rozen, vol kleine knoppen en geurende
bloemen. Men was altijd verwonderd, waar men zou komen als men door dit
pad ging. En men kwam bij een kleinen, verweerden amor. De oude Luca
verstond die zaken beter dan Gaetano. Terwijl zij daar zoo zaten, ging
de zon onder en de Etna kleurde zich rozerood. Het was alsof de Etna
bloosde van toorn over hetgeen in donna Elisa's tuin geschiedde. Het
was gewoonlijk bij zonsondergang, wanneer de Etna stralend rood was,
dat zij aan Gaetano had gedacht.
Het was alsof zij beiden op hem gewacht hadden. En zij beiden hadden
gedroomd hoe het zou zijn als Gaetano terugkwam. Zij had slechts
gevreesd dat hij al te vurig en te onstuimig zou zijn. En nu sprak hij
slechts over deze afschuwelijke socialisten, die zij haatte en vreesde.
Hij sprak zeer lang. Zij zag hoe de Etna verbleekte en bronsachtig
bruin werd en toen kwam de duisternis. Zij wist dat de maan zou
schijnen. En zij zat onbeweeglijk stil en hoopte op de maneschijn. Zelf
kon zij niets meer doen. Zij was volkomen in zijn macht. Maar toen
de maneschijn kwam, hielp die haar ook niet. Gaetano bleef slechts
doorspreken over kapitalisten en arbeiders.
Toen meende ze dat er slechts één verklaring voor te vinden was. Hij
had haar niet meer lief.
Plotseling viel haar iets in. Het was acht dagen geleden, dezelfde
dag, dat Gaetano thuis kwam. Toen was zij in Giannita's kamer gekomen,
maar zij had zoo zacht geloopen, dat Giannita haar niet had gehoord.
Zij had Giannita toen als in vervoering met uitgestrekte armen en
naar boven gewend gelaat zien staan. En in haar handen hield zij een
portret. Nu eens bracht zij het aan haar lippen en kuste het, dan
weer hief zij het boven haar hoofd om er in verrukking naar op te zien.
't Was een portret van Gaetano geweest.
Toen donna Micaela dit had gezien, had zij zich zacht teruggetrokken,
gelijk zij gekomen was. En zij had slechts gedacht, dat het jammer
was voor Giannita, dat zij Gaetano liefhad. Maar nu Gaetano slechts
sprak over het socialisme, moest zij daaraan denken.
Nu begon zij te gelooven, dat Gaetano ook Giannita liefhad. Zij
herinnerde zich, dat zij vrienden der jeugd waren. Misschien had hij
haar reeds lang liefgehad, misschien was hij teruggekomen om met haar
te trouwen.
Donna Micaela kon niets zeggen, zij had geen recht zich te
beklagen. Het was nauwlijks een maand geleden sedert zij Gaetano
geschreven had, dat het niet goed was dat hij haar liefhad.
Hij boog zich nu tot haar over, keek haar in de oogen, en dwong haar
eindelijk te luisteren, naar wat hij zei.
"Ge zult begrijpen, donna Micaela, ge moet het begrijpen. Wat wij hier
in het Zuiden noodig hebben, is een wedergeboorte, een herschepping,
zooals het Christendom was in zijn tijd. Naar boven de slaven, naar
beneden de heeren! Een ploeg, die nieuwe aardlagen opwerpt! Wij moeten
in nieuwe aarde zaaien, de oude grond is uitgeput. De oude aardlaag
draagt slechts zwakke, ellendige planten. Laat de grondaarde voor
den dag komen en ge zult iets geheel anders zien!
"Zie, donna Micaela, hoe komt het dat het socialisme nog leeft, dat het
niet vernietigd is? Omdat het met een nieuwe leuze gekomen is. "Denk
aan de aarde", zegt het, evenals het Christendom met de leuze kwam:
--"Denk aan den hemel."
"Zie om u heen! Zie naar de aarde, is die niet alles wat wij
bezitten? Laat ons dan het leven hier zóó inrichten dat wij gelukkig
worden. Waarom, o waarom heeft men vroeger niet zoo gedacht? Omdat
wij ons te veel bezighielden met het leven hiernamaals. Laat ons
verlost zijn van dat hiernamaals.
"De aarde, de aarde, donna Micaela! Ach, wij socialisten, wij hebben
haar lief. Wij aanbidden de heilige aarde, die arme, verachte moeder,
die rouw draagt, omdat haar kinderen naar den hemel willen opstijgen.
"Geloof mij, donna Micaela," zei hij, "de nieuwe leer zal in zeven
jaren verspreid zijn. Als de nieuwe eeuw aanbreekt, zal zij over
de geheele aarde heerschen. Dan zullen de martelaars hun bloed voor
haar geofferd hebben, dan zullen de apostelen gesproken hebben, dan
zal schare na schare tot haar overgegaan zijn. Wij, de echte zonen
der aarde, zullen de overwinnaars zijn. En zij zal zich in al haar
schoonheid aan onze blikken vertoonen. Zij zal ons genot, gezondheid,
kennis en schoonheid geven."
Gaetano's stem begon te trillen, en tranen kwamen in zijn oogen. Hij
ging naar den rand van het terras en strekte de armen uit als wilde
hij de door de maan beschenen aarde omvatten.
"Gij zijt zoo verblindend schoon," zei hij, "zoo verblindend schoon."
En donna Micaela meende gedurende een oogenblik zijn smart mee te
gevoelen over de verschrikking, die verborgen was onder dit uiterlijk
omhulsel van schoonheid. Zij zag het leven met al zijn ellende en
lijden, gelijk een modderige beek vol verpestende onreinheden, zich
slingeren door die schitterende wereld van schoonheid.
"En niemand kan van u genieten," zei Gaetano, "niemand kan
het wagen van u te genieten. Ge zijt ongetemd en vol nukken en
boosaardigheid. Gij zijt de onzekerheid en het toeval, gij zijt
het berouw en de kwelling, gij zijt de zonde en de schande, gij
zijt het dwangbuis, dat wij willen verbreken, gij zijt alles wat de
verschrikking vormt, omdat de menschen u niet beter hebben willen
maken."
"Maar uw dag zal komen," zei hij jubelend. "Eens zullen ze allen met
liefde tot u komen. Ze zullen zich niet aan een droom vastklampen,
die niets geeft, noch iets vermag."
Zij viel hem plotseling in de rede.
Zij begon hem al meer en meer te vreezen.
"Het is dus waar, dat het u niet goed gegaan is in Engeland?"
"Wat meent ge?"
"Men zegt dat de groote meester, tot wien miss Tottenham u zond,
gezegd heeft, dat gij-- -- --"
"Wat heeft hij gezegd?"
"Dat gij en uw beelden in Diamante pasten, maar nergens anders."
"Wie zegt dat?"
"Men gelooft dat, omdat gij zoo veranderd zijt."
"Omdat ik nu socialist ben?"
"Waarom zoudt ge dat zijn, indien het u goed ging?"
"O, waarom....? Ge weet dus niet," vervolgde hij lachend, "dat mijn
meester in Engeland zelf een socialist is. Ge weet niet dat hij mij
zelf deze leer verkondigd heeft-- -- --"
Hij zweeg plotseling en vervolgde de woordenwisseling niet. Hij ging
naar de bank waar hij gezeten had toen zij kwam en nam het beeld. Dat
reikte hij donna Micaela.
't Was als wilde hij zeggen: "Zie nu zelf of gij gelijk hebt."
Zij hield het in den maneschijn. Het was een Mater Dolorosa van zwart
marmer. Dat kon zij duidelijk zien. Zij kon het ook herkennen. Het
beeld droeg haar eigen gelaatstrekken. Een oogenblik bracht dit haar in
verrukking. In het volgende werd zij door ontzetting aangegrepen. Hij
een socialist, hij, die niet geloofde, waagde het een Madonna te
scheppen! En hij had het beeld haar trekken gegeven. Hij sleepte haar
mede in zijn zonde!
"Ik heb dit beeld voor u gemaakt, donna Micaela," zei hij.
O, indien het beeld van haar was! Zij wierp het over de balustrade. Het
stiet tegen den steilen bergwand, viel al dieper, rukte steenen
los en sloeg zich zelf te pletter. Eindelijk hoorde men het in den
Simeto neerploffen.
"Met welk recht schept gij Madonna's?" vroeg zij Gaetano.
Hij stond zwijgend. Zóó had hij donna Micaela nog nooit te voren
gezien.
In hetzelfde oogenblik dat zij tegen hem streed, was zij groot en
statig geworden. De schoonheid, die bij haar altijd kwam en ging
als een onrustige gast, troonde nu op haar gelaat. Zij zag er koud
en ongenaakbaar uit, een vrouw, verleidelijk om te overtuigen en
te winnen.
"Gij gelooft dus nog aan God, daar ge Madonna's beitelt?" vroeg zij.
Hij haalde heftig adem. Nu was het alsof hij verlamd was. Hij was zelf
een geloovige geweest. Hij wist hoe diep hij haar gegriefd had. Hij
zag dat hij haar liefde verspeeld had. Hij had een vreeselijke,
ondempbare kloof tusschen hen gelegd.
Hij moest spreken, moest haar winnen voor zijn overtuiging.
Hij begon te spreken, maar zwak en stamelend.
Ze luisterde stil. Toen viel zij hem medelijdend in de rede.
"Hoe zijt ge zoo geworden?"
"Ik dacht aan Sicilië," zei hij ontwijkend.
"Gij dacht aan Sicilië," herhaalde zij nadenkend.
"En waarom kwaamt gij thuis?"
"Ik kwam terug om een oproer te verwekken."
't Was alsof ze over een ziekte spraken, een verkoudheid, die hij
zich op den hals gehaald had, waarvan hij na een paar dagen genezen
zou zijn.
"Ge kwaamt dus thuis om ons in het verderf te storten," zei ze streng.
"Zooals gij wilt, zooals gij wilt," zei hij ootmoedig.
"Gij kunt het immers zoo noemen. Zooals het nu loopt, hebt ge zeker
gelijk het zoo te noemen. O, indien men mij geen onjuiste mededeelingen
gedaan had, zoodat ik niet een week te laat was gekomen! Is het niet
juist iets voor ons Sicilianen om ons door de regeering te laten
verhinderen in onze plannen?
"Toen ik hier kwam waren alle leiders reeds gearresteerd en het eiland
bezet door veertigduizend man. Alles is voorbij!"
Het klonk zoo droevig leeg, toen hij zei: "alles is voorbij." En
om der wille van dit plan, dat tot niets werd, had hij zijn geluk
verspeeld. Zijn beginselen en principes schenen hem nu louter
spinnewebben, waarin hij gevangen was geweest. Hij wilde zich losrukken
om haar te naderen. Zij was het eenige dat hij bezat. Zoo had hij
het ook vroeger gevoeld. En nu kwam dat gevoel terug. Zij was zijn
eenige schat in de wereld.
"Ze strijden vandaag in Paterno."
"Dat is slechts een twist bij de stadspoort," zei hij. "Dat beteekent
niets. Indien ik slechts den geheelen Etna had kunnen aansteken, den
geheelen stedenkrans rondom den berg. Dan zou men ons begrepen hebben,
dan zou men naar ons geluisterd hebben. Nu schiet men slechts enkele
boeren dood om eenige honderden hongerige monden minder te hebben. Men
scheldt ons niets kwijt."
Hij rukte aan zijn spinneweb. Kon hij het wagen tot haar te gaan,
haar te zeggen, dat dit alles hem onverschillig was? Hij behoefde
immers niet aan politiek te denken, hij was toch kunstenaar, hij was
vrij en hij wilde haar bezitten.
Op dit oogenblik was het alsof de lucht beefde.
Een schot dreunde door den nacht, toen nog één en nog één.
Zij naderde hem en greep hem bij den pols.
"Is dit het oproer?" vroeg zij.
Schot op schot dreunde door de lucht. Toen hoorde men geschreeuw en
geroep van menschen, die door de straten stormden.
"Het is het oproer! het moet het oproer zijn!"
"Leve het socialisme!"
Jubelend kwam het geloof aan zijn zaak weer terug. Haar zou hij ook
daarvoor winnen. Vrouwen hadden nog nooit geweigerd den overwinnaar
te behooren.
Ze haastten zich beiden zonder een woord te spreken naar de
tuinpoort. Daar begon Gaetano te vloeken en te roepen, hij kon er
niet uitkomen. Er was geen sleutel in het slot. Hij was opgesloten.
Hij keek rond. Aan drie zijden waren er hooge muren en aan de vierde
gaapte de afgrond. Er bestond geen uitweg voor hem. Maar van de straat
klonk een vreeselijk tumult; menschen, die schreeuwden en riepen,
en schoten die dreunden. En men hoorde hen brullen: Leve de vrijheid,
leve het socialisme!
Gaetano wierp zich tegen de poort, en ook hij brulde bijna, hij was
gevangen, hij kon er niet bij zijn.
Donna Micaela volgde hem zoo vlug zij slechts kon. Nu zij hem had
hooren spreken, dacht zij er niet meer aan, hem terug te houden.
"Wacht slechts, wacht slechts," riep zij. "Ik ben het, die den sleutel
uit het slot heb genomen."
"Gij, gij?" zei hij.
"Ja, ik nam hem er uit, toen ik kwam. Het viel mij in, dat ik u
hier opgesloten kon houden, indien gij oproer wildet maken. Ik wilde
u redden."
"Welk een dwaasheid!" zei hij en rukte haar den sleutel uit de hand.
Terwijl hij naar het sleutelgat zocht, had hij nog tijd iets te zeggen.
"Waarom wilt gij mij nu niet meer redden?"
Zij gaf geen antwoord.
"Misschien opdat uw God gelegenheid zal hebben mij in het verderf
te storten?"
Zij zweeg nog steeds.
"Waagt gij het niet mij voor Zijn toorn te beschutten?"
"Neen, dat waag ik niet," zei ze zacht.
"Gij geloovigen zijt vreeselijk," zei hij.
Hij voelde dat zij hem losliet. Het trof hem diep en het ontnam hem
den moed, dat zij geen enkele poging deed om hem tegen te houden.
Hij draaide den sleutel heen en weer zonder het slot te kunnen openen,
verlamd doordat zij daar zoo bleek en koud achter hem stond.
Toen voelde hij plotseling haar armen om zijn hals en haar lippen,
die de zijne zochten.
In hetzelfde oogenblik vloog de poort open en ijlde hij weg. Hij
wilde haar kussen niet, die hem slechts aan den dood wijdden. In
haar oud geloof scheen zij hem huiveringwekkend als een lijk. Als
een vluchteling snelde hij heen.