Het was de morgen na den dag, dat San Pasquale's klokken geluid hadden
en donna Elisa zat in haar winkel geld te tellen. Den vorigen dag,
toen alle menschen zoo angstig waren, had zij ongelooflijk veel
verkocht, en 's morgens, toen zij in haar winkel kwam, was zij
bijna verschrokken. Want de geheele winkel was als uitgeplunderd,
de medaillons waren weg, de waskaarsen waren weg en evenzoo de groote
trossen rozenkransen. Al die mooie heiligenbeeldjes van Gaetano waren
van de planken gehaald en verkocht, en het deed donna Elisa werkelijk
veel verdriet, niet meer deze groote schare heilige mannen en vrouwen
om zich heen te zien.
Toen trok zij de geldlade uit en die was zoo boordevol, dat zij die
nauwelijks kon openschuiven. En terwijl zij haar geld telde, schreide
zij, alsof al de geldstukken valsch waren. Want wat baatte het haar al
deze vuile bankbiljetten en deze groote bronzen munten te bezitten,
nu zij Gaetano verloren had! En zij dacht dat indien hij slechts één
dag langer in huis was gebleven, hij niet had behoeven te vertrekken,
want nu had zij geld in overvloed.
Terwijl ze daar zoo zat, hoorde zij den postwagen voor haar deur
stilhouden.
Maar zij keek niet eens op, wat gaf zij er om wat er gebeurde,
nu Gaetano weg was. Toen werd de deur geopend, de winkelbel luidde
hevig. Ze schreide slechts en telde. Toen zei iemand:
"Donna Elisa! Donna Elisa!"
't Was Gaetano.
"Mijn God, waarom ben je teruggekomen?" riep zij.
"Ge hebt immers al uw beelden verkocht, ik ben thuis gekomen om nieuwe
beelden voor u te snijden."
"Maar hoe weet je dat?"
"Ik was vannacht om twee uur bij den postwagen. Rosa Alfari heeft
mij alles verteld."
"Hoe gelukkig, dat je naar den postwagen ging! Hoe gelukkig, dat je
den inval kreeg om naar den postwagen te gaan!"
"Ja, was dat niet gelukkig," zei Gaetano.
Nauwelijks een uur later stond Gaetano weer in zijn werkplaats en donna
Elisa die niets in haar leegen winkel te doen had, kwam onophoudelijk
in de deur der werkplaats om naar hem te kijken.
Neen, dat hij nu werkelijk daar weer stond te snijden! Ze kon geen
vijf minuten voorbij laten gaan, zonder naar hem te kijken.
Maar toen donna Micaela hoorde, dat Gaetano weer terug was, voelde
zij geen vreugde, maar veeleer toorn en wanhoop.
Want zij was bang, dat hij als een verleider zou komen om haar te
verlokken.
Zij had immers gehoord dat een rijke Engelsche dame naar Diamante
was gekomen op den dag, dat San Pasquale's klokken geluid hadden.
En zij was zeer getroffen, toen zij hoorde dat het juist de dame met
het Christusbeeld was. Hij was dus dadelijk gekomen, toen zij hem
aangeroepen had.
De regen en het klokgelui was zijn werk!
Zij trachtte haar hart te verblijden met de gedachte, dat er een
wonder was geschied om harentwille.
Het moest haar meer zijn dan alle aardsch geluk en liefde, dat zij
zich omgeven gevoelde door Gods genade. Zij wilde niet dat eenig
aardsch gevoel haar rukken zou uit deze gezegende geestvervoering.
Maar toen zij Gaetano op straat ontmoette, zag hij nauwelijks naar
haar en wanneer zij hem trof bij donna Elisa gaf hij haar niet de
hand en sprak in het geheel niet tot haar.
Want de waarheid was, dat hoewel Gaetano thuis was gekomen, omdat
het hem te zwaar viel zonder donna Micaela te vertrekken, hij haar
niet wilde verleiden of verlokken.
Hij zag dat zij onder bescherming der heiligen stond en zij was hem
zoo heilig geworden, dat hij nauwelijks waagde van haar te droomen.
Hij wilde in haar nabijheid zijn, niet om haar lief te hebben,
maar omdat hij geloofde dat uit haar leven heilige daden zouden
opbloeien. Gaetano verlangde naar een wonder, gelijk een bloemkweeker
smacht naar de eerste roos in de lente.
Maar toen de weken gingen en Gaetano nooit donna Micaela trachtte
te naderen, begon ze te twijfelen en te denken, dat hij haar nooit
had liefgehad. Zij zeide tot zichzelf dat hij haar de belofte, om
met hem te vluchten, slechts ontlokt had om haar te toonen, dat de
Madonna wel een wonder kon verrichten.
Maar als dat zoo was, begreep ze niet, waarom hij zijn reis niet
vervolgd had, maar teruggekeerd was.
Dat veroorzaakte haar onrust. Zij meende haar liefde niet te kunnen
bedwingen, indien zij niet wist dat Gaetano haar liefhad. Zij woog
het voor en het tegen, en ze werd al meer overtuigd, dat hij haar
nooit had liefgehad. Terwijl donna Micaela dit dacht moest zij don
Ferrante gezelschap houden, hij was lang ziek geweest, en had een paar
aanvallen van beroerte gehad. Hij was van het ziekbed opgestaan als
een gebroken man. Opeens was hij oud, stompzinnig en bang geworden,
zoodat hij nooit meer alleen durfde zijn. Hij ging nooit meer naar
den winkel, in alles was hij een geheel ander mensch geworden.
Een groote lust om voornaam en schitterend te zijn had zich van hem
meester gemaakt.
Het scheen alsof de arme don Ferrante door hoogmoedswaanzin aangegrepen
was.
Donna Micaela was zeer goed voor hem en zat urenlang met hem te tobben.
"Wie zou dat zijn," placht zij hem te vragen, "die eens op de markt
stond met pluimen op den hoed, tressen op de uniform, en een sabel op
zij en die zoo schoon speelde, dat men zei, dat zijn muziek verheven
was als de Etna en machtig als de zee? En wie was het, die toen een
arme signorina in rouwgewaad zag, die het niet waagde haar gelaat aan
de menschen te toonen en haar den arm bood? Wie kon dat zijn? Kon het
don Ferrante zijn, die de gansche week in een kort buis en puntige
muts in zijn winkel stond? Neen, dat kon niet mogelijk zijn. Zoo iets
kon een oude koopman niet doen!
Don Ferrante lachte. Juist zóó wilde hij dat men tegen hem sprak. Zij
moest hem ook vertellen hoe het zou zijn, als hij aan het hof kwam.
Wat de koning en wat de koningin zou zeggen.
"De oude Alagona's zijn dus tot nieuw leven gekomen," zou er aan het
hof gezegd worden.
"Wie heeft het geslacht doen herleven?" En men zou vragen en
vragen. Die don Ferrante, vorst van Sicilië en grande van Spanje,
is dat dezelfde man, die in zijn winkel te Diamante stond en de
voerlieden uitschold?
"Neen," zou men zeggen, "dat kan niet dezelfde man zijn. Het kan
onmogelijk dezelfde zijn."
Dit vond don Ferrante prettig, en hij wilde hebben dat zij zoo dag in,
dag uit met hem sprak.
Het verveelde hem nooit en donna Micaela was zeer geduldig jegens hem.
Maar eens toen zij zoo met den zieke zat, kwam donna Elisa binnen.
"Schoonzuster, indien gij de legende van de heilige maagd van Pompeje
bezit, wilt ge mij die dan leenen?" vroeg zij.
"Wat! wilt gij gaan lezen?" zei donna Micaela.
"De hemel beware mij, ge weet wel, dat ik niet lezen kan. 't Is voor
Gaetano, dat ik het u vraag."
Donna Micaela bezat de legende van de heilige maagd van Pompeje
niet. Maar dat zei ze donna Elisa niet; zij ging naar haar boekenrek en
nam een klein boek, dat een verzameling Siciliaansche liefdesliederen
bevatte, en gaf dat aan donna Elisa, die het weer aan Gaetano bracht.
Maar nauwelijks had donna Micaela dit gedaan of een hevig berouw
maakte zich van haar meester.
Zij vroeg zich af wat zij bedoeld had door zoo te handelen, zij,
die geholpen was door het heilige Christuskind.
Zij bloosde van schaamte toen zij er aan dacht dat ze een teeken had
gezet bij een der kleine liederen, dat zoo luidde:
O, had ik antwoord op één enkle vrage!
'k Heb het gevraagd aan den dag, aan de sterren,
Zelfs aan de vogelenschaar en de wolken.
'k Goot reeds het lood in het kokende water,
Blaadje na blaadje der bloeme ik plukte.
'k Lokte de zwarte, de waarzegster buiten,
'k Smeekte ten slotte de engelenscharen.
Mint hij mij nog, gelijk eens hij wel deed?
Zij had zeker gehoopt dat zij antwoord zou krijgen.
Haar geschiedde recht indien Gaetano haar verachtte en haar onbeschaamd
noemde.
Toch had zij niets kwaads bedoeld. Het eenige dat zij begeerd had,
was te weten of Gaetano haar liefhad.
Weer verliepen eenige weken en donna Micaela zat nog steeds bij
don Ferrante.
Maar op een dag had donna Elisa haar mee naar buiten gelokt.
"Ga met mij mede naar mijn tuin, schoonzuster, en kijk eens naar mijn
grooten magnolieboom.
"Ge hebt nog nooit zoo iets moois gezien."
En zij was met donna Elisa naar den tuin gegaan.
Donna Elisa's magnolie was gelijk de stralende zon, die men voelt
vóórdat men haar ziet. Op verren afstand zweefde de geur reeds in de
lucht en het was een gegons van bijen en een gekweel van vogels!
Toen donna Micaela den boom zag, kon zij nauwlijks ademhalen. Hij
was heel hoog en groot van een schoonen regelmatigen groei en zijn
groote, breede bladeren hadden een frissche donkergroene kleur. Maar
nu was hij geheel bedekt met groote rose bloemen, die hem versierden
en verlichtten, zoodat men meende, dat hij in feestgewaad was en men
voelde hoe er een meesleepende vreugde van uit den boom stroomde. Donna
Micaela werd als bedwelmd, zij voelde hoe een vreemde onweerstaanbare
macht zich van haar meester maakte. Zij trok een der rechte takken
naar zich toe, spreidde de bloemen uiteen en zonder deze af te breken,
begon zij met een naald letters te prikken in de bloembladeren.
"Wat doet ge daar, schoonzuster?" vroeg donna Elisa.
"Niets, niets."
"In mijn tijd plachten de jonge meisjes minnebrieven te prikken in
de magnoliebloemen."
"Misschien doen zij dat nog."
"Neem u in acht, ik zal het nakijken, zoodra ge vertrokken zijt."
"Gij kunt immers niet lezen."
"Maar ik heb Gaetano toch."
"En Luca, het is 't beste, dat ge u tot Luca wendt."
Maar toen donna Micaela thuis kwam, had zij berouw. Zou donna Elisa
werkelijk de bloem aan Gaetano toonen? Neen, neen, donna Elisa was
daarvoor te verstandig. Maar indien hij haar gezien had van uit
het raam van zijn werkplaats? Nu ja, hij zou haar wel geen antwoord
geven. Maar zij maakte zich belachelijk.
Neen nooit, nooit meer zou zij zoo iets doen. Het was immers het
beste voor haar, dat zij niets wist. En toch was zij verlangend naar
het antwoord dat zij krijgen zou. Maar er kwam geen antwoord.
En zoo verliep er weer een week. Toen kreeg don Ferrante den inval,
dat hij 's middags wilde rijden. In het wagenhuis van het zomerpaleis
was een ouderwetsche galakoets, die zeker meer dan honderd jaar oud
was. Die was zeer hoog, met een zeer kleinen en nauwen wagen, die in
leeren riemen schommelde tusschen de achterwielen, welke zoo groot
waren als het waterrad van een molen.
Die koets was wit gelakt met gouden randen, de banken waren bekleed
met rood pluche, en op de portieren waren wapens geschilderd.
Eens was het een groote eer geweest in dien wagen te rijden, en
als de oude Alagona's door de corso reden, stroomden de menschen
uit hun huizen of hingen over hun balkons om hen te zien. Maar toen
werd die getrokken door vlugge paarden van Berberie, toen droeg de
koetsier een pruik en de bedienden livrei, en ze reden met geborduurde
leidsels. Maar nu wilde don Ferrante zijn oude paarden voor de koets
spannen, en zijn ouden winkelbediende op den bok zetten.
Toen donna Micaela hem zei, dat dit niet kon, begon don Ferrante te
schreien. Wat zou men wel van hem denken indien hij zich 's middags
niet in zijn wagen op de corso vertoonde.
Dat was immers het laatste, wat een voornaam man naliet. Hoe zou
iemand begrijpen dat hij een man van hooge geboorte was, indien hij
niet op en neer reed in den ouden wagen der Alagona's?
Het was het gelukkigste oogenblik, dat don Ferrante na zijn ziekte
genoot, toen hij voor de eerste maal uitreed.
Hij zat rechtop en boog en knikte zeer genadig naar alle kanten. En
de menschen van Diamante bogen en namen den hoed zoo diep af, dat
deze over den grond sleepte. Waarom zou men don Ferrante deze vreugde
niet gunnen?
Donna Micaela reed ook mee, want don Ferrante waagde het niet alleen
te rijden. Zij was niet gaarne meegegaan, maar toen had don Ferrante
geschreid en haar er aan herinnerd, dat hij haar gehuwd had, toen
zij arm en veracht was. Zij moest niet ondankbaar zijn en vergeten
wat hij voor haar gedaan had. En waarom wilde zij niet in zijn wagen
rijden? Het was de mooiste oude wagen van gansch Sicilië.
"Waarom wil je niet met mij rijden?" zei don Ferrante. "Vergeet niet,
dat ik de eenige ben, die je liefheeft. Zie je niet dat je vader niet
eens van je houdt? Je moet niet ondankbaar zijn."
Op deze wijze had hij donna Micaela gedwongen plaats te nemen in den
ouden galawagen.
Maar het ging in 't geheel niet, zooals zij verwacht had. Er was
niemand die lachte. De vrouwen negen even diep en de mannen bogen
even statig alsof de wagen honderd jaar jonger was geweest. En donna
Micaela kon op geen enkel gelaat een glimlach bespeuren.
In geheel Diamante zou er geen mensch te vinden zijn, die zou hebben
willen lachen. Want men wist heel goed hoe veel donna Micaela te
stellen had met don Ferrante.
Men wist hoe lief hij haar had en hoe hij schreide, als zij hem
slechts een oogenblik verliet. Men wist ook hoe hij haar kwelde met
zijn jaloezie en haar hoeden vertrapte, als deze haar goed stonden,
en haar nooit geld gaf voor nieuwe kleeren, opdat niemand haar schoon
vinden en haar liefhebben zou. Maar tegelijkertijd zei hij haar altijd,
dat zij zoo leelijk was, dat niemand anders dan hij het kon uithouden
haar gezicht dagelijks te zien. En omdat men dit alles wist, was er
niemand in Diamante die lachte.
Haar uitlachen, die zich zoo aftobde met een zieken man!
De menschen in Diamante waren vrome Christenen en geen barbaren.
Zoo reed de galawagen tusschen vijf en zes uur in zijn oude verbleekte
pracht de corso op en neer. In Diamante reed die geheel alleen, want
behalve deze waren er geen voorname wagens, maar men wist toch dat
op denzelfden tijd alle equipages in Rome naar Monte Pincio reden,
en in Napels naar Villa Nazionale en te Florence naar de Cascines en
in Palermo naar La Favorite. Maar toen de wagen voor de derde maal
naar de Porta Etnea reed, weerklonk er een vroolijk hoorngeschal. En
door de poort zwaaide een groote, hooge jachtwagen in Engelschen stijl.
Die moest ook voor ouderwetsch doorgaan. De postillon die als
voorrijder op een groot paard reed, droeg een pruik en een lederen
broek. De wagen geleek op een oude diligence, met een hooge, dichte
coupé, waarop de reizigers zaten.
Maar alles was nieuw, de paarden waren schoone, sterke dieren,
de wagen en het tuig glansden en de reizigers zelf waren eenige
jonge heeren en dames uit Catania, die een uitstapje op den Etna
maakten. En zij konden niet nalaten te lachen, toen zij den ouden
galawagen voorbijreden. Zij bogen over het hek van den wagen om er
naar te zien, en hun lachen klonk zeer luid en helder tusschen de
hooge, stille huizen van Diamante.
Donna Micaela gevoelde zich plotseling zeer ongelukkig.
Ze herkende in de reizigers haar oude kennissen. Wat zouden zij zeggen,
als zij thuis kwamen?
"Wij hebben Micaela Palmeri in Diamante gezien," en dan zouden zij
vertellen en lachen, en vertellen en lachen.
Haar geheele leven scheen haar één groote ellende. Zij was niets
anders dan de slavin van een dwaas. Haar gansche leven zou zij niets
anders doen dan tobben met don Ferrante.
Toen zij thuis kwam, was zij geheel uitgeput. Zij was zoo moede en
krachteloos, dat zij zich nauwelijks de trappen op kon sleepen.
Onderwijl prees don Ferrante zijn geluk, dat hij deze voorname
menschen ontmoet had, en dat zij zijn staatsie gezien hadden. Hij
zei tot donna Micaela, dat nu niemand er meer naar vragen zou of zij
leelijk was en of haar vader gestolen had. Nu wist men dat zij de
echtgenoote was van een voornamen heer.
In den namiddag zat donna Micaela stil bij don Ferrante en liet haar
vader met hem spreken. Toen begon een mandoline zacht te zingen onder
de vensters van het zomerpaleis. Het was een enkele mandoline zonder
begeleiding van een gitaar of viool.
Niets kon zoo teeder en luchtig zijn, niets lieflijker of
roerender. Men kon niet gelooven dat het menschelijke handen waren,
die de snaren der mandoline aanraakten. Het was alsof de bijen,
krekels en sprinkhanen een concert gaven.
"Er is weer iemand verliefd op Giannita," zei don Ferrante. "Dat
is nog eens een vrouw, die Giannita! Ieder kan zien dat zij mooi
is. Als ik jong was, zou ik ook verliefd worden op Giannita. Zij weet
te beminnen."
Donna Micaela zweeg. Hij had gelijk, dacht zij. De mandolinespeler
minde Giannita. Dezen avond was Giannita thuis bij haar moeder,
anders woonde zij nu in het zomerpaleis.
Donna Micaela had in dit opzicht haar wil doorgedreven, nadat don
Ferrante zoo lastig was geworden.
Maar wie het dan ook gold, het mandolinespel behaagde donna
Micaela. Het klonk zoo liefelijk, zacht en vertroostend. Ze ging stil
naar haar kabinet om beter te kunnen luisteren in de eenzaamheid.
En sterke zoete geur sloeg haar tegemoet. Wat was dat? Haar handen
begonnen te beven, voordat ze een kaars en lucifer vond. Op haar
werktafel lag een groote, wijd opengesprongen magnoliebloem.
Op één der bladen was geprikt:
"Wie heeft mij lief?" En nu stond daaronder:
"Gaetano."
Naast de bloem lag een klein wit boek met liefdesliederen.
Bij een der kleine canzones stond een teeken:
Nooit van mijn liefde heeft iemand geweten.
Heimlijk en stil werd des nachts zij geboren,
Zachtjes toch slopen mijn droomen tot u.
Gierig bewaakte ik angstig mijn schat.
Spoedt zich mijn biechtvader eens naar mijn sterfbed,
Zullen mijn lippen 't geheim nog bewaren.
Sluitend de deur, werp 'k den sleutel in d'afgrond.
'k Neem mijn geheim naar de eeuwigheid mee.
De mandoline bleef doorspelen. Er klinkt iets van frissche lucht
en zonneschijn in den klank der mandoline. Iets dat verkwikt en
versterkt. Iets van de vertroostende zorgeloosheid der schoone natuur.