DIAMANTE.

Micaela Palmeri was op reis naar Diamante in gezelschap van

Giannita. Ze hadden 's morgens om drie uur plaats genomen in den

postwagen en ze waren langs den schoonen weg gereden, die zich van

den voet van den Etna langs den berg omhoog slingert.

Maar het was nog geheel donker. Ze hadden niets van de omgeving

kunnen onderscheiden.

De jonge signorina beklaagde zich volstrekt niet daarover. Zij zat

met neergeslagen oogen en verdiepte zich in haar smart. Zelfs toen het

begon te dagen, wilde zij haar oogen niet opslaan om uit te zien. 't

Was niet, vóórdat ze vlak bij Diamante waren, dat Giannita haar kon

bewegen het landschap te beschouwen.

"Zie nu eens uit! Hier is Diamante, dat je thuis zal worden," zei zij.

Toen had Micaela Palmeri rechts van den weg den machtigen Etna

gezien, die een groot stuk van den hemel sneed. Ver achter den berg

ging de zon op, en toen de bovenste rand der zonneschijf zich over

den bergtop verhief, scheen het alsof de witte sneeuwberg begon te

gloeien, en vonken en stralen verspreidde.

Maar Giannita verzocht haar naar den anderen kant te zien. En aan

de andere zijde zag ze de geheele getakte bergketen, die den Etna

gelijk een met torens versierden muur omringt, gloeiend rood staan

in den zonsopgang.

Maar Giannita wees naar een anderen kant. Dat was het niet, wat ze

moest zien, dat niet.

Toen liet ze haar blik dalen en zag neer in een zwarte vallei. Daar

glansde het veld als fluweel en de witte Simeto schuimde naar beneden

in het dal.

Maar nog richtte zij haar blik niet naar de goede plaats.

Toen eindelijk zag ze den steilen Monte Chiaro, die zich uit het

zwarte, fluweelen dal verhief; stralend in het morgenrood en begroeid

met statige palmen, die hem als met zonneschermen beschutten tegen

de stralen der zon.

En op de kruin zag zij een stad, met torens versierd en door

muren omgeven, en alle vensters en windwijzers schitterden in den

zonneschijn.

Bij dit gezicht had zij Giannita's arm gegrepen en haar gevraagd of

dit een werkelijke stad was en of daar ook menschen woonden.

Zij geloofde, dat dit een der steden des hemels was en dat die even

spoedig verdwijnen zou als een droomgezicht. Zij kon niet denken, dat

er ooit een mensch langs den weg gewandeld had, die zich van uit het

dal over hooge heuvels naar de Monte Chiaro slingerde en in zigzag-lijn

langs den berg opkroop om in de donkere stadspoort te verdwijnen.

Maar toen ze dichter bij Diamante kwam en zag dat het een werkelijke

aardsche stad was, kwamen haar de tranen in de oogen.

Het ontroerde haar, dat de aarde voor haar nog al haar schoonheid

bezat. Zij had geloofd, dat sedert die het tooneel van al haar rampen

was geweest, zij die steeds grauw, verdord en bedekt met distels en

giftbloemen zou vinden.

Ze reed met gevouwen handen het arme Diamante binnen, alsof ze een

heiligdom betrad.

En haar scheen het, dat deze stad haar evenveel geluk als schoonheid

zou kunnen bieden.

De Wonderen van den Antichrist · 第 19 / 80 题