DE GODSZUSTER.

Op het edele eiland Sicilië, waar nog meer oude zeden heerschen

dan ergens anders in het Zuiden, bestaat nog de gewoonte, dat ieder

mensch zich in de jeugd een godszuster of godsbroeder kiest, die haar

of zijn kind ten doop zal houden indien zij of hij dit eens krijgt.

Maar dat is volstrekt niet het eenige nut, dat godszusters en

broeders van elkaar hebben. Zij moeten elkaar liefhebben, elkaar

dienen en wreken. In het oor van een godsbroeder kan men al zijn

geheimen begraven. Men kan hem zoowel zijn geld als zijn liefste

toevertrouwen, zonder bedrogen te worden.

Godszusters en broeders zijn elkaar trouw, alsof ze uit één moeder

geboren waren, omdat hun verbond gesloten is voor San Giovanni

Battista, den meest gevreesde van alle heiligen.

Dikwijls gaan arme menschen met hun half volwassen kinderen naar

rijke menschen om dezen te verzoeken of ze godszuster of broeder met

hun jonge dochters of zonen willen worden. Welk een heerlijk gezicht

is het niet op den dag van den heiligen Dooper al deze feestelijk

gekleede kinderen te zien, die door de groote steden trekken om

godszusters en broeders te zoeken.

En als het den ouders gelukt is hun zoon een rijken godsbroeder te

geven, zijn zij zoo gelukkig alsof ze hem een landgoed als een erfenis

kunnen nalaten. Toen Gaetano in Diamante kwam, was er een klein meisje,

dat voortdurend den winkel van donna Elisa in- en uitliep. Ze droeg

een rooden mantel en een puntig mutsje en acht lange, zwarte lokken

kwamen onder dat mutsje te voorschijn. Zij heette Giannita en was de

dochter van donna Olivia die groenten verkocht.

Maar donna Elisa was haar peettante en daarom dacht deze er dikwijls

over, wat zij voor haar zou kunnen doen.

Nu goed, toen Sint-Jansdag aanbrak, bestelde donna Elisa een wagen

en reed naar Catania, dat volle vier mijl van Diamante ligt. Zij had

Giannita bij zich en beiden waren in feestgewaad.

Donna Elisa was in zwarte zijde met paarlen gekleed en Giannita had een

wit tulen kleedje aan, met bloemen versierd. In de hand droeg Giannita

een mand met bloemen en boven op de bloemen lag een granaatappel. De

reis ging zeer voorspoedig voor donna Elisa en Giannita. Toen ze

eindelijk aan het witte Catania gekomen waren, dat glanzend op den

zwarten lavabodem ligt, reden ze naar het schoonste paleis van de stad.

Dit was hoog en groot, zoodat de arme, kleine Giannita zich zeer

verlegen gevoelde, omdat ze genoodzaakt was daar in te gaan. Maar

donna Elisa stapte moedig naar binnen en zij werd naar cavaliere

Palmeri en zijn vrouw gevoerd, die het paleis bewoonden.

Donna Elisa herinnerde signora Palmeri er aan, dat zij vriendinnen

der jeugd waren en verzocht of Giannita godszuster met de signora's

jong dochtertje mocht worden. Dat voorstel vond bijval en de jonge

signorina werd binnengeroepen. Zij was een klein wonder van lichte

zijde, Venetiaansche kant, groote zwarte oogen en welig krullend

haar. Haar klein lichaam was zoo tenger en slank, dat men het in het

geheel niet opmerkte.

Giannita reikte haar de mand met bloemen en zij nam die genadig aan,

liep om haar heen en was opgetogen over haar lange gladde lokken.

Zoodra zij deze gezien had, snelde zij weg om een mes te halen. Zij

sneed den granaatappel door en gaf Giannita een der helften.

Terwijl ze den appel aten, hielden ze elkaar bij de hand en zeiden

beiden:

"Zuster, zuster, zuster mijn,

Ik ben dijn en gij zijt mijn.

Dijn mijn hut, dijn mijn spijs,

Dijn mijn vreugd', dijn mijn prijs,

Dijn mijn plaats in 't Paradijs."

Toen kusten ze elkaar en zeiden godszuster tot elkaar.

"Nu moet ge mij nooit ontrouw worden, godszuster," zei de kleine

signorina en beide kinderen waren zeer ernstig en aangedaan.

Ze werden in dien korten tijd zulke goede vrienden, dat zij schreiden,

toen ze van elkaar gingen.

Maar sedert verliepen twaalf jaren en de beide godszusters leefden elk

in haar wereld en zagen elkaar nooit. Gedurende dezen ganschen tijd

bleef Giannita stil in huis en kwam zelfs geen enkelen keer in Catania.

Maar toen geschiedde er werkelijk iets wonderbaarlijks. Giannita

zat op een namiddag in het vertrek achter den winkel te borduren,

zij was zeer bekwaam, zoodat zij dikwijls overladen was met arbeid.

Bij het borduurwerk komt het echter op de oogen aan en het was zeer

donker in Giannita's kamer. Daarom had ze de deur van den winkel op

een kier gezet om wat meer licht te hebben.

Juist nadat de klok vier uur geslagen had, kwam de oude molenaarsweduwe

Rosa Alfari voorbij.

Donna Oliva's winkel was zeer aanlokkelijk, als men dien van de straat

zag. De blik gleed door de geopende deur naar de groote manden met

versche groenten en kleurige vruchten; verder op den achtergrond zag

men de omtrekken van Giannita's mooi hoofd.

Rosa Alfari bleef staan en begon met donna Oliva te spreken, alleen

omdat haar winkel er zoo vriendelijk uitzag.

Zuchten en klachten behoorden altijd tot het gevolg van Rosa Alfari. Nu

was zij verdrietig, omdat ze genoodzaakt was den volgenden nacht

alleen naar Catania te reizen.

"'t Is ellendig, dat de postwagen niet vóór tien uur in Diamante komt,"

zei zij. "Ik val natuurlijk onderweg in slaap, en misschien steelt

men dan mijn geld. En wat moet ik beginnen als ik vannacht om twee

uur in Catania kom?"

Toen riep Giannita plotseling uit den winkel:

"Wilt ge mij niet meenemen naar Catania, donna Alfari?"

Ze vroeg het half schertsend zonder een antwoord te verwachten.

Maar Rosa Alfari werd ijverig. "God, kind, wil je met mij gaan?" zei

zij. "Wil je het werkelijk?"

Giannita kwam uit den winkel, rood van vreugde. "Of ik wil," zei zij,

"ik ben in geen twaalf jaar in Catania geweest!"

Rosa Alfari keek haar vergenoegd aan, want Giannita was groot en sterk,

haar oogen waren vroolijk en zij had steeds een kwinkslag op de lippen.

Dat was een heerlijke reisgenoote!

"Maak je maar klaar," zei de oude vrouw. "Je gaat om tien uur met

mij mede, dat is afgesproken."

Den volgenden dag dwaalde Giannita in de straten van Catania. Zij

dacht den ganschen tijd aan haar godszuster. Zij was wonderlijk te

moede weer in haar nabijheid te zijn.

Zij had haar godszuster lief, niet alleen, omdat San Giovanni den

menschen beveelt hun godszusters en broeders te beminnen. Zij had

het kleine meisje in het zijden kleedje vereerd als het schoonste,

dat zij ooit gezien had. 't Was bijna haar afgod geworden.

Zij wist slechts dat haar godszuster nog ongetrouwd was en in Catania

woonde. Haar moeder was overleden en zij had haar vader niet willen

verlaten, maar was bij hem gebleven.

"Ik wil trachten haar te zien," dacht Giannita.

En telkens als Giannita een elegante equipage ontmoette, dacht zij:

Misschien is het mijn godszuster, die daar rijdt.

En zij staarde naar de rijdenden om te zien of één van hen ook geleek

op het kleine meisje met het welige haar en de groote oogen. Giannita's

hart begon onstuimig te kloppen. Zij had altijd naar haar godszuster

verlangd.

Zij was nog ongetrouwd, omdat zij een jongen beeldhouwer, Gaetano

Alagona, liefhad en hij nooit de minste neiging getoond had met haar

te trouwen.

Giannita was daarom dikwijls boos geweest op hem, en niet het minst

had het haar geërgerd, dat zij nooit haar godszuster op haar bruiloft

kon uitnoodigen.

Trotsch was zij ook op haar geweest. Zij had zich zelf voornamer

gevonden dan de anderen, omdat zij zulk een godszuster had. Als zij

nu eens naar haar toeging, omdat zij toch in de stad was?

Dat zou glans geven aan haar geheele reis.

Terwijl zij daaraan dacht en dacht, kwam er een courantenjongen

aan. "Giornale da Sicilia!" schreeuwde hij. "De zaak Palmeri! Groote

oplichterijen!"

De lange Giannita greep den jongen in den nek, toen hij haar voorbij

ijlde.

"Wat zeg je?" schreeuwde zij. "Je liegt, je liegt!" en zij was op

het punt hem te slaan.

"Koop mijn courant, signora, vóórdat ge mij slaat," zei de

knaap. Giannita kocht de courant en begon te lezen. Al spoedig ontdekte

zij de zaak Palmeri.

"Daar deze zaak heden voor het gerecht behandeld wordt, willen wij

onze lezers daarvan op de hoogte stellen."

Giannita las en las en zij herlas het telkens weer vóórdat zij het

begreep. Er was geen spier in haar lichaam, die niet van ontzetting

trilde, toen zij het eindelijk begreep.

De vader van haar godszuster, die groote wijngaarden bezat, was

geruïneerd. De druivenziekte had zijn bezittingen verwoest.

En dat was nog niet het ergste. Hij had een liefdadigheidsfonds

gebruikt, dat hem toevertrouwd was. Hij was gearresteerd en vandaag

zou hij voor het gerecht moeten verschijnen. Giannita frommelde de

courant in elkaar, smeet die op de straat en trapte er op. Beter lot

verdiende ze niet, die zulke nieuwstijdingen bracht.

Ze was geheel verslagen dat dit haar moest treffen, nu zij na twaalf

jaar voor 't eerst weer in Catania kwam. "Heere God," zei zij. "Wat

moet dit alles beteekenen?"

Thuis in Diamante had nooit iemand zich de moeite getroost haar te

zeggen, wat er gebeurd was.

Was het een beschikking Gods, dat zij juist hier op den gerechtsdag

moest zijn?

"Hoor eens, donna Alfari," zei zij. "Ge moogt doen wat ge wilt,

maar ik moet naar de terechtzitting."

Giannita's houding teekende groote beslistheid, niets kon haar in

haar besluit doen wankelen.

"Begrijpt gij niet dat het ter wille van deze zaak en niet om

uwentwille is, dat God u bewogen heeft mij naar Catania mee te

nemen?" zei zij tot Rosa Alfari.

Geen oogenblik twijfelde Giannita.

Rosa Alfari moest haar laten gaan, en zij zocht den weg naar het paleis

van justitie. Daar stond ze tusschen de straatjongens en leegloopers

op de publieke tribune en zag cavaliere Palmeri zitten op de bank

der aangeklaagden.

Het was een voornaam heer met een puntbaard en witten knevel. Giannita

herkende hem dadelijk.

Ze hoorde hoe hij veroordeeld werd tot een halfjaar gevangenisstraf

en Giannita voelde steeds duidelijker, dat zij hier als gezant van

God was.

Nu heeft mijn godszuster mij noodig, dacht zij.

Zij ging weer op straat en vroeg den weg naar het paleis Palmeri.

Onderweg ging een rijtuig haar voorbij. Zij zag op en haar oogen

ontmoetten die der dame, die in het rijtuig zat.

In hetzelfde oogenblik was er iets, dat haar zeide dat dit haar

godszuster was. De dame in het rijtuig was bleek en gebogen en had

smeekende oogen. Giannita kreeg haar dadelijk zeer lief.

"Gij zijt het, die mij zoo vele keeren verblijd hebt," zei ze,

"omdat ik zooveel vreugde van u verwachtte. Nu zal ik u misschien

kunnen beloonen."

Giannita was plechtig gestemd, toen zij de hooge marmeren trap van

het palazzo Palmeri besteeg, maar plotseling kwam er twijfel over haar.

Wat kan God willen, dat ik voor haar zal doen, die in zulk een weelde

is opgegroeid? dacht zij. Vergeet onze lieve Heer, dat ik slechts de

arme Giannita van Diamante ben?

Zij liet signorina Palmeri door een bediende zeggen, dat haar

godszuster haar wenschte te spreken. Zij was verbaasd toen de bediende

terugkwam en zei, dat zij niet ontvangen kon worden.

Zou zij zich daarmee tevredenstellen? O, neen, o, neen! "Zeg de

signorina, dat ik den geheelen dag op haar zal wachten, want ik moet

haar spreken."

"De signorina zal over een half uur het paleis verlaten," zei de

bediende.

Giannita geraakte buiten zich zelf: "Maar ik ben haar godszuster,

haar godszuster, versta je mij niet?" zei ze tegen den knecht. "Ik

moet haar spreken."

De bediende glimlachte, maar verroerde zich niet.

Maar Giannita wilde niet afgewezen worden. Zij was immers door God

gezonden. Dat moest hij toch begrijpen, zei zij en verhief haar

stem. Ze kwam uit Diamante en was in twaalf jaar niet in Catania

geweest. Zelfs tot gistermiddag vier uur had zij er niet aan gedacht

hierheen te gaan.

Denk eens, tot gistermiddag vier uur had zij er zelfs niet aan gedacht!

De bediende stond onbeweeglijk. Giannita was op het punt hem haar

geheele geschiedenis te vertellen om hem te bewegen haar binnen

te laten, toen een deur opengerukt werd. Haar godszuster stond op

den drempel.

"Wie spreekt hier over gistermiddag vier uur?" vroeg zij.

"Een vreemde vrouw wenscht u te spreken, signorina Micaela."

Nu snelde Giannita op haar toe. "Zij was volstrekt geen vreemde. Zij

was haar godszuster uit Diamante, die hier voor twaalf jaar met donna

Elisa geweest was. Herkende zij haar niet? Wist signorina Micaela

niet meer, dat zij een granaatappel samen gedeeld hadden?"

De signorina luisterde niet naar haar.

"Wat gebeurde er gisteren om vier uur?" vroeg zij met grooten angst

in haar stem.

"Toen was het, dat ik Gods bevel ontving om tot u te gaan, godszuster,"

zei Giannita.

De andere keek haar verschrikt aan. "Ga met mij," zei ze, alsof ze

bevreesd was, dat de bediende zou hooren, wat Giannita haar wilde

vertellen.

Zij ging diep in de woning voordat zij staan bleef. Toen wendde zij

zich zoo plotseling tot Giannita, dat deze verschrikte.

"Zeg het mij dadelijk!" zei zij. "Pijnig mij niet, zeg het mij zoo

vlug mogelijk."

Zij was even lang als Giannita, maar deze in geenen deele gelijk. Zij

was veel tengerder gebouwd en zij, de dame van de wereld, had een

veel wilder, ongetemder uiterlijk dan het meisje van het land. Alles

wat zij gevoelde was op haar gelaat te lezen.

Ze scheen zich in het geheel niet te kunnen beheerschen om het

verborgen te houden.

Giannita was zoo verbaasd over haar heftigheid, dat zij niet zoo

spoedig een antwoord kon geven.

Toen hief haar godszuster in vertwijfeling haar armen boven het hoofd

en de woorden stroomden over haar lippen.

Zij zei, dat zij wist dat Giannita Gods bevel ontvangen had om haar

nieuwe ongelukken te berichten. God haatte haar, dat wist zij.

Giannita sloeg haar handen in elkaar. God haar

haten! Integendeel! Integendeel!

"Ja, ja," zei signorina Palmeri. "Zoo is het." En daar ze zielsbevreesd

was voor de tijding, die Giannita haar kwam brengen, bleef zij maar

steeds doorpraten. Zij liet Giannita niet aan het woord komen, maar

viel haar voortdurend in de rede.

Zij scheen zoo geschokt te zijn door alles, wat haar in de laatste

dagen overkomen was, dat zij zich in het geheel niet meer beheerschen

kon.

"Giannita kon toch wel begrijpen, dat God haar moest haten,"

zei zij. "Zij had zoo iets vreeselijks gedaan. Zij had haar vader

verloochend, haar vader verzaakt.

"Giannita kende toch wel het vierde gebod." Toen barstte zij opnieuw

uit in tal van onstuimige vragen.

"Waarom zei Giannita haar toch niet, wat zij haar wilde zeggen? Zij

verwachtte immers niets anders dan kwaad. Zij was voorbereid."

Maar de arme Giannita kon niet aan het woord komen, want zoodra zij

wilde spreken, werd de signorina bang en viel haar in de rede.

Zij vertelde Giannita haar geschiedenis, als om deze te bewegen niet

hard jegens haar te zijn.

Giannita moest niet denken, dat haar ongeluk slechts daarin bestond

dat zij niet langer een eigen rijtuig zou hebben, of een loge in het

theater of mooie kleeren, of veel bedienden of zelfs een dak boven

haar hoofd. Ook niet hierin, dat zij al haar vrienden verloren had,

zoodat zij niet wist waar zij een schuilplaats zou zoeken; evenmin

dat zij zulk een schaamte gevoelde, dat zij meende nooit weer de

oogen te durven opheffen tot eenig mensch. Neen, het was nog iets

veel vreeselijkers.

Zij had plaats genomen en zweeg nu een oogenblik, terwijl zij van

angst heen en weer wiegde.

Maar toen Giannita nu begon te spreken, viel zij haar weer in de rede.

Giannita kon niet denken, hoe haar vader haar had liefgehad. Hij had

haar altijd laten leven in glans en heerlijkheid, gelijk een vorstin.

Zij had niet veel voor hem gedaan, slechts hem heerlijke plannen laten

verzinnen om haar te vermaken. Het was volstrekt geen opoffering

geweest, dat zij niet getrouwd was, want zij had nooit een man zoo

liefgehad als haar vader, en haar eigen thuis was prachtiger geweest

dan dat van iemand anders.

Maar toen was haar vader op een dag bij haar gekomen en had tot

haar gezegd:

"Zij willen mij arresteeren. Ze verspreiden het gerucht dat ik gestolen

heb, maar dat is niet waar."

Toen had zij hem geloofd en hem geholpen zich verborgen te houden

voor de karabiniers. En zij hadden hem tevergeefs gezocht in Catania,

op den Etna en over geheel Sicilië.

Maar toen de politie cavaliere Palmeri niet kon vinden, begon het

volk te zeggen:

"'t Is een voornaam heer en het zijn hooge heeren, die hem helpen,

anders zou men hem reeds lang geleden gevonden hebben."

En toen was de prefect van Catania bij haar gekomen. Zij ontving

hem lachend en de prefect deed alsof hij kwam spreken over rozen

en over het mooie weer. Plotseling zei hij: "Wil de signorina dit

kleine papier even inzien? Wil de signorina dit kleine briefje eens

lezen? Wil de signorina letten op de onderteekening?"

Ze las en las. En wat zag ze? Haar vader was niet onschuldig. Haar

vader had het geld van anderen genomen. Toen de prefect weg was,

ging zij naar haar vader.

"Gij zijt schuldig!" zei ze tot hem. "Ge kunt doen wat ge wilt maar

ik kan u niet meer helpen."

O, zij had niet geweten wat zij zei. Zij was altijd zoo trotsch

geweest. Zij had niet kunnen dulden, dat er een smet op haar naam

kleefde. Een oogenblik had zij gewenscht, dat haar vader dood was,

liever dan dat dit haar moest overkomen. Misschien had zij hem dit

ook gezegd. Zij wist niet precies wat zij gezegd had.

Maar daarna had God haar verlaten. De vreeselijkste dingen waren

gebeurd. Haar vader had haar aan haar woord gehouden. Hij had zichzelf

aan het gerecht overgeleverd. En sedert hij in de gevangenis zat,

had hij haar niet willen zien. Hij antwoordde niet op haar brieven, en

het eten, dat zij hem zond, stuurde hij haar onaangeroerd terug. Dat

was het vreeselijkste van alles. Hij scheen te denken, dat zij hem

wilde dooden. Zij keek Giannita zoo angstig aan, alsof zij haar

doodvonnis verwachtte.

"Waarom vertel je mij toch niet, wat je mij te zeggen hebt?" riep

zij uit. "Je doodt mij."

Maar 't was haar onmogelijk zich zelf tot zwijgen te dwingen. "Je

moet weten," vervolgde zij, "dat dit paleis nu verkocht is en dat de

kooper het aan een Engelsche dame verhuurd heeft, die hier vandaag

zal intrekken. Maar enkele van haar bezittingen droegen ze reeds

gisteren hier in en daaronder was een klein beeld van het Christuskind.

"Ik zag het, toen ik door de vestibule liep. Zij hadden het uit een

valies genomen en het op den grond gelegd. Het was zoo beschadigd,

dat niemand er acht op sloeg. Zijn kroon was vol deuken, zijn kleertjes

waren vuil en de sieraden, die het bedekten, waren verroest en leelijk

geworden. Maar toen ik het op den grond zag liggen, nam ik het op en

droeg het in de kamer, waar ik het op een tafel plaatste. En terwijl

ik dat deed, viel het mij in, dat ik zijn hulp moest vragen.

"Ik knielde en bad lang. "Help mij in mijn grooten nood," zei ik tot

het Christuskind.

"Terwijl ik bad, scheen het mij, dat het beeld mij wilde antwoorden. Ik

hief het hoofd op, maar het stond daar nog even sprakeloos als vroeger;

juist toen begon een pendule te slaan.

"Er klonken vier slagen en 't was alsof het vier woorden waren. 't

Was alsof het Christuskind met een viervoudig ja op mijn bede had

geantwoord.

"Dat gaf mij moed, Giannita, zoodat ik vandaag naar het paleis van

justitie reed om mijn vader te zien. Maar hij verwaardigde mij met

geen blik gedurende al den tijd, dat hij voor zijn rechters stond.

"Ik wachtte op het oogenblik, dat zij hem zouden wegvoeren en wierp

me voor hem op de knieën in een der nauwe gangen. Giannita; hij liet

mij door de soldaten wegleiden, zonder mij een woord te schenken.

"Zie je nu, dat God mij haat? Toen ik hoorde dat je sprak van

gistermiddag vier uur, werd ik bang.

"Het Christuskind zendt mij een nieuw ongeluk, dacht ik. Het haat mij,

die mijn vader verloochend heb."

Toen zij dit gezegd had, zweeg ze eindelijk en luisterde ademloos

naar hetgeen Giannita zou vertellen.

En Giannita verhaalde signorina Micaela haar geschiedenis.

"Zie nu eens, is dat niet merkwaardig," zei ze ten slotte. "Ik ben in

twaalf jaar niet in Catania geweest en nu reisde ik geheel onverwacht

hierheen. En ik weet van niets, maar zoodra ik hier mijn voet op

straat zet, hoor ik je ongeluk. God heeft mij gezonden, zei ik tot

mij zelf. Hij heeft mij hierheen geleid, opdat ik mijn godszuster

zou kunnen helpen."

Signorina Palmeri's oogen waren angstig vragend op haar gericht.

Nu zou zeker de slag komen. Zij verzamelde al haar moed om dien

te ontvangen.

"Wat wil je, dat ik voor je doen zal, godszuster?" vroeg Giannita

"Weet je wat ik dacht toen ik op straat liep? Ik wil haar vragen

of zij mij naar Diamante wil volgen, dacht ik. Ik weet daar een oud

huis, waar we goedkoop zouden kunnen wonen. Ik zou borduren en naaien,

zoodat we daarvan konden leven. Toen ik op straat was, dacht ik, dat

het gaan zou, maar nu begrijp ik, dat het onmogelijk is, onmogelijk! Je

verlangt iets anders van het leven, maar zeg toch of ik iets voor je

doen kan. Je moogt mij niet afwijzen, want God heeft mij gezonden."

De signorina boog zich over tot Giannita.

"Nu!" zei zij angstig.

"Je moet mij voor je laten doen, wat in mijn macht staat, want ik heb

je lief," zei Giannita en gleed op de knieën, terwijl ze de armen om

haar godszuster sloeg.

"Heb je niets anders te zeggen?" vroeg de signorina.

"Dat zou ik gaarne willen," zei Giannita, "maar ik ben immers maar

een arm meisje."

Het was wonderbaarlijk te zien, hoe nu de gelaatstrekken der jonge

signorina verteederden, hoe haar blik verhelderde en hoe haar oogen

begonnen te stralen. Nu bleek het, dat zij een groote schoonheid was.

"Giannita," zei ze zacht, nauwelijks hoorbaar, "geloof je dat dit

een wonder is? Geloof je, dat God een wonder kan laten geschieden

om mijnentwille?"

"Ja, ja," fluisterde Giannita.

"Ik smeekte het Christusbeeld, dat hij mij zou helpen, en hij zendt mij

jou. Geloof je, dat het Christus was die je gezonden heeft, Giannita?"

"Ja zeker, hij was het."

"God heeft mij dus niet verlaten, Giannita?"

"Neen, God heeft je niet verlaten."

Signorina Micaela zat een tijdje stil te weenen. "Toen jij kwam,

Giannita, dacht ik dat mij niets anders overbleef, dan mij te dooden,"

zei ze daarna. "Ik wist niet waarheen ik mijn weg zou nemen want ik

dacht, dat God mij haatte."

"Maar zeg mij nu, wat ik voor je doen kan, godszuster," zei Giannita.

Tot antwoord trok de andere haar naar zich toe en kuste haar.

"Maar het is immers al voldoende, dat je door het kleine Christusbeeld

gezonden zijt," zei ze. "Het is immers al voldoende, nu ik weet,

dat God mij niet verlaten heeft."

De Wonderen van den Antichrist · 第 17 / 80 题