Omstreeks 1870 woonde er in Palermo een arme knaap, die Gaetano
Alagona heette. Dat was een geluk voor hem! Ware hij niet een der
oude Alagona's geweest, dan zou men hem misschien hebben laten
verhongeren. Hij was immers slechts een kind, en had geld noch
ouders. Maar nu hadden de jezuïeten van Santa Maria in Gesu hem uit
barmhartigheid in de kloosterschool opgenomen.
Op een dag, terwijl hij in zijn lessen verdiept was, kwam een pater
hem uit de school roepen, omdat een bloedverwante hem wilde spreken.
Wat, een bloedverwante! Hij had altijd gehoord, dat zijn geheele
familie overleden was. Maar pater Jozef beweerde, dat er familie
van hem, een signora in levenden lijve was, die hem uit het klooster
wilde nemen.
Het werd al erger en erger. Wilde zij hem uit het klooster nemen? Daar
zou ze toch zeker de macht niet toe hebben!
Hij zou immers monnik worden.
Hij wilde de signora in het geheel niet zien. Kon pater Jozef haar
niet zeggen, dat Gaetano het klooster nooit zou verlaten, en dat het
haar niets baatte hem dat te vragen?
Neen, pater Jozef zei, dat het niet ging haar te laten vertrekken,
zonder dat zij hem gezien had, en hij sleepte Gaetano half naar
de ontvangkamer.
Daar stond ze bij een der vensters. Heur haar was grauw, haar
gelaatstint bruin en haar oogen waren zwart en rond als paarlen. Zij
droeg een kanten sluier op het hoofd, en haar zwarte kleederen
waren glad van het dragen, en een weinig vaal, zooals pater Jozefs
alleroudste kaftan.
Ze maakte het teeken des kruises, toen zij Gaetano zag.
"God zij geloofd, hij is een echte Alagona!" riep zij en kuste hem
de hand.
Zij zei, dat het haar leed deed, dat hij twaalf jaar oud was geworden,
zonder dat één zijner familieleden naar hem gevraagd had. Maar zij had
niet geweten, dat er nog iemand van den anderen tak in leven was. Hoe
zij dat nu opeens was te weten gekomen? Ja, Luca had zijn naam in de
courant gelezen. Die had gestaan bij degenen, die een prijs gekregen
hadden. Dat was nu een half jaar geleden, maar het was een verre reis
naar Palermo. Zij had moeten sparen en sparen om het reisgeld bijeen
te krijgen. Ze had niet eerder kunnen komen. Maar hierheen gaan om
hem te zien, dat moest ze. Santissima Madre, zij was zoo blij geweest!
Zij was het, donna Elisa, die Alagona heette. Haar overleden man
was een Antonelli geweest. Er bestond nog één Alagona, dat was haar
broeder. Hij woonde ook in Diamante. Maar Gaetano wist zeker niet
waar Diamante lag?
De knaap schudde met het hoofd. Neen dat kon ze wel denken, ze lachte.
"Diamante ligt op den Monte Chiaro. Weet je waar de Monte Chiaro ligt?"
"Neen."
Zij trok haar wenkbrauwen op en zag er heel schalks uit. "De Monte
Chiaro ligt op den Etna, indien je weet waar de Etna ligt?"
Dat klonk zoo aarzelend alsof het al te veel verlangd was, dat
Gaetano iets van den Etna zou weten. En zij lachten alle drie, zij,
zoowel als pater Jozef en Gaetano. Ze werd een heel ander mensch,
nadat zij hen aan het lachen gebracht had.
"Wil je met mij meegaan om Diamante, den Etna en den Monte Chiaro te
zien?" vroeg ze vlug.
"Den Etna moet je zien. Dat is de grootste berg op de geheele
wereld. De Etna is een koning en de bergen rondom hem liggen op
hun knieën en wagen het niet hun blikken te verheffen naar zijn
aangezicht." Toen begon zij al het mogelijke van den Etna te vertellen.
Ze dacht zeker, dat dit hem zou kunnen lokken.
En 't was werkelijk waar, dat Gaetano er nooit over nagedacht had,
wat de Etna eigenlijk voor een berg was. Hij had niet geweten, dat
hij sneeuw op zijn kruin had, eikenloof in den baard, en wijnranken om
het middel en dat hij tot over de knieën in oranjebosschen trapte. En
langs den berg stroomden groote, breede zwarte rivieren. Die waren
heel merkwaardig, ze vloeiden zonder te murmelen, zij golfden zonder
wind, de slechtste zwemmer kon er zonder een brug over komen.
Gaetano raadde, dat zij lavastroomen bedoelde. En zij was zoo blij,
dat hij dit had kunnen raden. Hij had dus verstand. Hij was een
echte Alagona.
En dat de Etna zoo groot was! Denk eens aan, dat men drie dagen noodig
heeft om er omheen, en drie dagen om naar den top en weer naar beneden
te rijden.
En dat er behalve Diamante nog vijftig steden en veertien groote
bosschen en twee honderd kleine bergen op den Etna gevonden werden,
die toch ook nog zoo klein niet waren, ofschoon de berg zoo groot was,
dat deze niet meer in het oog vielen dan een zwerm vliegen op een
kerkdak. En dat er grotten waren, die een geheel krijgsheer konden
bevatten; en holle oude boomen, waaronder een groote kudde schapen
beschutting kon vinden bij onweer.
Alles wat merkwaardig was scheen op den Etna gevonden te worden. Daar
waren rivieren, waarvoor men zich in acht moest nemen, 't water daarin
was zoo koud, dat men zou sterven, indien men daarvan dronk. Andere
stroomen waren er, die alleen overdag vloeiden en weer andere,
die alleen gedurende den winter stroomden, sommige verborgen zich
bijna voortdurend diep onder den grond. En er waren warme bronnen,
leemvulkanen en zwavelgroeven.--En 't zou jammer voor Gaetano zijn,
indien hij den Etna nooit zag want de berg was zoo grootsch.
Hij verhief zich ten hemel als een praaltent. Hij was veelkleurig als
een caroussel. Gaetano zou hem 's morgens en 's avonds willen zien,
als hij rood was, en hij zou hem 's nachts willen zien als hij wit
getint was. En dan zou Gaetano zeker ook willen weten of het waar was,
dat hij alle kleuren kon aannemen, of hij blauw, zwart, bruin en violet
kon worden? En of hij een schoonheidssluier droeg als een signora? Of
hij gelijk een tafel was, bedekt met pluche kleeden? Of hij een tunica
van gouddraad en een mantel van pauweveeren droeg? Hij zou zeker ook
gaarne willen weten of het waar was, dat de oude koning Arthur daar in
een grot zat? Donna Elisa zei, dat het zeer zeker was, dat hij nog op
den Etna woonde, want eens, toen de bisschop van Catania over den berg
reed, sprongen drie zijner muilezels weg, en de jongen die ze zocht
vond ze in de grot bij koning Arthur. De koning verzocht den knaap,
den bisschop te willen zeggen, dat zoodra zijn wonden geheeld waren,
hij met zijn ridders van de ronde tafel zou komen, om het onrecht
dat op Sicilië was tot recht te maken.
En degene die oogen bezat om te zien, die wist wel, dat koning Arthur
nog niet uit zijn grot was gekomen.
Gaetano wilde zich niet door haar laten lokken, maar hij dacht, dat hij
toch wel een weinig vriendelijk tegen haar kon zijn. Zij stond nog,
maar nu zette hij een stoel voor haar neer. Zij moest echter niet
denken, dat dit was, omdat hij met haar mee wilde gaan. Hij vond het
werkelijk heerlijk haar van heur berg te hooren vertellen. 't Was zoo
grappig, dat die zooveel kunsten kende. Hij geleek in het geheel niet
op den Monte Pellegrino bij Palermo die slechts stond waar hij stond.
De Etna kon rooken als een schoorsteen, en licht verspreiden als een
gaslantaarn. Hij kon rollen en rommelen, lava spuwen, met steenen
werpen, asch zaaien, weer voorspellen en regen verzamelen.
Wanneer de Mongibello zich slechts verroerde, viel stad na stad omver
alsof de huizen kaarten waren, die op den rand opgesteld waren.
Mongibello, dat was ook een naam van den Etna. Hij werd Mongibello
genoemd, omdat dit beteekende: berg der bergen. Hij verdiende nog eens,
zoo te heeten.
Gaetano zag, dat donna Elisa bepaald geloofde, dat hij haar niet zou
kunnen weerstaan. Zij had zooveel rimpels in haar gezicht, en toen
zij lachte, liepen die gelijk een net in elkaar.
Hij moest daarnaar kijken. Het zag er zoo merkwaardig uit, maar nog
was hij niet in dat net gevangen.
Ze was verlangend te weten of Gaetano werkelijk den moed zou hebben
om op den Etna te komen. Want diep in den berg lagen veel geboeide
reuzen en er was een zwart slot, dat bewaakt werd door een hond met
vele koppen. Er werd ook een groote smidse in gevonden en een kreupelen
smid met slechts één oog, dat hem midden in het voorhoofd zat.
En 't ergst van alles was, dat diep in den berg een zwavelzee was
die kookte als een olieketel, en daarin lag Lucifer en alle verdoemden.
Neen, hij zou wel geen moed hebben daar te komen, zei ze. Anders
bestond er geen gevaar om er te wonen, omdat de berg God vreesde. Donna
Elisa zei, dat de Mongibello vele heiligen bezat, maar bovenal Santa
Agatha van Catania.
En indien de Cataniënsers altijd tegen hem waren, zooals ze moesten,
dan kon geen aardbeving of lavastroom hen deren.
Gaetano stond heel dicht bij haar en lachte om alles wat zij zeide. Hoe
was hij daar gekomen en waarom kon hij niet nalaten te lachen? Het
was een merkwaardige signora!
Plotseling zei hij om haar niet te bedriegen:
"Donna Elisa, ik wil monnik worden."--"Zoo, werkelijk?" zei ze. Toen
vervolgde zij, zonder verder acht te slaan op zijn gezegde, haar
verhaal van den berg. Zij zei, dat hij nu goed moest luisteren,
nu kwam ze aan het allergewichtigste. Hij moest haar volgen naar de
Zuidzijde van den berg, zoo ver naar beneden, dat ze dicht bij de
groote vlakte van Catania waren en daar zou hij een dal zien, een
heel groot, breed en cirkelvormig dal. Maar het was volkomen zwart,
lavastroomen vloeiden van alle kanten daarin. En er waren slechts
steenen, geen enkele grashalm!
Wat had Gaetano nu wel van de lava gedacht? Donna Elisa vermoedde,
dat hij meende, dat de lava zoo vlak en glad langs den Etna stroomde,
als die op straat ligt. Maar in den Etna was zooveel tooverij. Kon
hij begrijpen, dat alle slangen en draken en heksen, die in de kokende
lava lagen, er mee uitstroomden, wanneer er een uitbarsting was? Daar
lagen ze en krioelden en slingerden om elkaar heen en trachtten op
den kouden grond te komen maar hielden elkaar terug in de ellende,
totdat de lava rondom hen stolde. En los konden ze niet meer komen!
Neen, nooit!
De lava was ook niet zoo onvruchtbaar, als hij dacht.
Ofschoon geen gras daarop groeide, was daar nog wel iets anders op te
vinden. Maar hij zou nooit kunnen raden, wat het was. Dat strompelde
en stortte, dat viel en kroop, dat liep op de knieën en op het hoofd
en op de ellebogen. Het was binnen en buiten het dal, het had slechts
stekels en knobbels, en het had een mantel van spinnewebben, en poeder
op zijn pruik en leden zoo vele als een worm.
Kon dat iets anders zijn dan de cactus?
Wist hij dat de cactus op de lava groeide en den grond bewerkte gelijk
een boer? Wist hij, dat alleen de fichidenda de lava kon beteugelen?
Nu keek zij naar pater Jozef en trok een vroolijk gezicht. De cactus
was de beste toovenaar, die op den Etna woonde; maar toovenaar blijft
toovenaar.
De cactus was een Saraceen, want hij hield het met slavinnen.
Het was werkelijk waar, want zoodra de cactus ergens wortel geschoten
had, wilde hij den amandelboom bij zich hebben.
De amandelboom is een schoone, stralende signorina. Ze waagt zich
nauwelijks op den zwarten bodem, maar dat helpt haar niet. Er op zal
en moet ze!
O, Gaetano zou het zien als hij daar kwam.
Als in de lente de amandelboomen wit van bloemen staan op het zwarte
veld te midden van de grauwe cactussen, zijn ze zoo onschuldig en
schoon, dat men over hen kon weenen als over geroofde prinsessen.
Nu zou hij eindelijk hooren, waar de Monte Chiaro lag. Die schoot op
uit den bodem van dat zwarte dal. Ze beproefde haar parapluie op den
grond te laten staan. Zóó stond de Monte Chiaro, hij stond rechtop. En
nooit had hij aan zitten of liggen gedacht.
En even zwart als het dal, even groen was de Monte Chiaro. Daar stond
palm naast palm, wijnstok naast wijnstok. Het was een heer in een
groot-bloemigen slaaprok. Het was een koning met een kroon op het
hoofd. Het droeg geheel Diamante in het haar geslingerd.
Na een tijdje voelde Gaetano zoo'n grooten lust om Donna Elisa's
hand te grijpen. Zou dat kunnen? Ja, het ging. Hij trok haar hand
naar zich toe als een geroofden schat. Maar wat zou hij daarmee
doen? Streelen? Indien hij het heel zachtjes probeerde met één vinger,
misschien zou zij het dan niet merken? Misschien zou ze het niets
eens merken, als hij haar hand kuste?
Ze sprak en sprak maar steeds door. Neen, ze merkte het in het
geheel niet.
Er was nog zooveel, dat ze wilde vertellen.
En zoo iets grappigs als haar geschiedenis van Diamante!
Ze zei, dat de stad in het dal gelegen had. Toen kwam de lava en
gloeide vuurrood over den rand van het dal. Hoe, was de dag des
oordeels aangebroken? De stad nam in allerijl haar huizen op den nek,
op het hoofd en onder den arm, en sprong tegen den Monte Chiaro op,
die juist bij de hand lag.
Op tegen den berg in zag-zaglijn sprong de stad. Toen ze hoog genoeg
gekomen was, wierp ze een stadspoort en een heel kleinen stadsmuur
naar beneden. Sedert sprong ze in een spiraal rond en wierp met
huizen. De hutten der arme menschen mochten juist neerrollen, waar ze
wilden of konden. Daarvoor had men geen tijd. Men kon niets beters
verlangen dan gedrang en nauwe en bochtige straten. Neen, dat kon
men werkelijk niet. Groote straten liepen spiraalvormig rondom den
berg, juist zooals de stad gesprongen was, en hier had ze een kerk
heengeworpen en daar een paleis. Maar zooveel regelmaat was er toch
geweest dat het beste het hoogst kwam te liggen.
Toen de stad den bergtop bereikte, had ze een marktplein aangelegd,
en daarop het raadhuis, de domkerk en het oude palazzo Geraci gezet.
Maar indien hij, Gaetano Alagona, haar naar Diamante wilde volgen,
dan zou ze hem meenemen naar het marktplein op den bergtop en hem
wijzen waar de grondbezittingen der oude Alagona's op den Etna en
op de vlakte van Catania gelegen hadden en welke hun burchten op de
bergen rondom geweest waren.
Want daarboven op den berg kon men dat alles zien en nog veel meer. De
gansche zee zag men daar.
Gaetano had er niet aan gedacht, dat ze lang gesproken had, maar
pater Jozef werd zeer ongeduldig.
"Nu zijn we immers aan uw eigen huis gekomen, donna Elisa," zei hij
heel vriendelijk.
Maar zij verzekerde pater Jozef, dat er bij haar niets bizonders was
te zien. Wat ze Gaetano 't allereerst wilde wijzen, was het groote
huis aan de corso, dat het zomerpaleis genoemd werd.
Dat was niet zoo schoon als het palazzo Geraci, maar het was groot en
toen de oude Alagona's in hun bloeitijd waren, woonden ze des zomers
daarin, om dichter bij de sneeuw van den Etna te zijn.
Ja, zooals zij gezegd had, van buiten was er niets bizonders aan
te zien, maar het had een heerlijk park en open booggangen langs
beide zijvleugels. En op het dak was een terras, dat was bevloerd
met witte en blauwe tegelsteenen, en in iederen steen was het wapen
der Alagona's gebrand.
Dat zou hij toch zeker willen zien?
Het viel Gaetano in, dat donna Elisa zeker wel gewoon was, dat kinderen
op haar schoot zaten, als zij thuis was. Misschien zou zij het niet
merken, wanneer hij op haar schoot klauterde? En hij beproefde het. Ja,
het was zoo. Zij was het gewoon. Zij merkte er in 't geheel niets
van. Zij vertelde maar door van het paleis. Daarin was een groote
praalwoning, waar de oude Alagona's gedanst en gespeeld hadden. Er
was een groote zaal met een muziekgalerij, daar waren oude meubels
en uurwerken, in kleine witte albasten tempels, die op een voetstuk
van zwart ebbenhout stonden. In de praalwoning woonde niemand, maar
zij zou er met hem heengaan.
Misschien had hij gedacht, dat zij in het zomerpaleis woonde?
O, neen, daar woonde haar broer, don Ferrante. Hij was koopman en had
zijn winkel beneden en daar hij nog geen signora bezat, bleef alles
boven staan, zooals het stond.
Gaetano vroeg zich af of hij nog op haar schoot kon blijven zitten. 't
Was wonderlijk, dat zij niets merkte. En het was een geluk, anders
zou ze geloofd hebben, dat hij het plan om monnik te worden uit zijn
hoofd had gezet.
Maar ze was juist nu meer dan ooit met zich zelf bezig.
Een zacht rood kleurde haar bruine wangen en ze trok een paar malen
haar wenkbrauwen allergrappigst in de hoogte. Toen begon zij te
vertellen, hoe zij het zelf had.
Het scheen wel, alsof donna Elisa in het allerkleinste huis van de
stad woonde. Het lag juist tegenover het zomerpaleis, maar dat was
ook de eenige verdienste ervan. Zij had een kleinen winkel, waar zij
medaillons en waskaarsen en alles verkocht, wat bij den godsdienst
behoorde. Maar met allen eerbied voor pater Jozef, zulk een handel
gaf niet veel winst in deze tijden, hoe het dan ook vroeger geweest
mocht zijn. Achter den winkel was een kleine werkplaats.
Daar had haar man gestaan om heiligenbeelden en rozenkransen te
snijden, want hij was artist, signor Antonelli.
En naast de werkplaats waren een paar kleine muizegaten, men kon er
zich niet in wenden, men moest er op de hurken in zitten, zooals in
de gevangenissen der oude koningen en een trap op, dan waren er een
paar kleine kippenhokken. In een daarvan had ze wat stroo voor een
nestje gelegd en een paar stokken geplaatst. Daar zou Gaetano slapen
als hij bij haar wilde komen.
Gaetano dacht, dat hij gaarne haar wang wilde streelen.
Zij zou zoo bedroefd zijn, als hij niet met haar meeging. Zou hij
het wagen haar te streelen?
Hij keek tersluiks naar pater Jozef.
Deze zat stil naar den grond te staren, en zuchtte, gelijk hij
gewoonlijk deed.
Hij dacht niet aan Gaetano, en zij, zij merkte het in het geheel niet.
Zij vertelde dat zij een dienstmeisje had, dat Pacifica, en een knecht,
die Luca heette.
Maar ze had van beiden weinig hulp, want Pacifica was oud en sedert
zij doof was geworden, was zij zoo prikkelbaar, dat zij haar niet in
den winkel kon laten helpen.
En Luca, die eigenlijk beeldsnijder was en heiligenbeelden maken moest,
had nooit tijd om in de werkplaats te zijn, maar hij was altijd in
den tuin te vinden, waar hij de bloemen verzorgde.
Ja, ze hadden ook een tuin op den rotsgrond van den Monte Chiaro. Maar
Gaetano moest niet denken dat daarin iets bizonders groeide. Bij haar
was niets zooals in het klooster, dat kon hij toch wel begrijpen.
Maar zij wilde hem zoo gaarne meenemen, omdat hij een der oude
Alagona's was. En thuis hadden zij, Luca en Pacifica tegen elkaar
gezegd:
"Wij vragen niet of wij meer zorg krijgen; als wij hem maar hier
hebben."
Neen, dat wist de Madonna, dat ze dat niet deden.
Het was nu slechts de vraag, of hij wat wilde ontberen, om bij hen
te zijn.
En nu had zij haar verhaal geëindigd en pater Jozef vroeg wat Gaetano
dacht te antwoorden. Het was de wil van den prior, zei pater Jozef,
dat Gaetano zelf zou beslissen.
En men had er niets tegen, dat hij in de wereld ging, omdat hij de
laatste van zijn geslacht was.
Gaetano gleed zacht van donna Elisa's schoot.
Maar antwoorden! Het was niet zoo gemakkelijk te antwoorden.
Het was heel moeilijk neen te zeggen tegen deze signora.
Pater Jozef kwam hem te hulp.
"Vraag de signora, of je over een paar uur antwoorden moogt, Gaetano."
"De knaap heeft nooit anders gedacht dan monnik te worden," zei hij
verklarend tot donna Elisa.
Zij stond op, nam haar parapluie en beproefde er vroolijk uit te zien,
maar ze had tranen in de oogen.
"Zeker, zeker moest hij zich bedenken," zei zij.
"Maar indien hij Diamante kende, dan zou hij dat niet noodig hebben. Nu
woonden daar slechts boeren, maar eens leefden daar een bisschop en
vele priesters en een groote menigte monniken.
"Wel waren dezen nu weg, maar daarom niet vergeten. Want sedert dien
tijd was Diamante een heilige stad. Daar werden meer feestdagen gevierd
dan ergens anders; en er waren zeer vele heiligen en nog heden ten
dage kwamen daar een menigte pelgrims. En hij, die in Diamante woonde,
hij kon God nooit vergeten. Hij was bijna zelf een priester. Dus wat
dat betreft, kon hij gerust daar heengaan.
"Maar Gaetano moest zich bedenken, indien hij dat wilde. Zij zou
morgen terugkomen."
Gaetano gedroeg zich al heel slecht. Hij wendde zich van haar af en
ijlde naar de deur. Hij zei geen woord, dat hij dankbaar was voor
haar bezoek. Hij wist dat pater Jozef dit van hem verwacht had,
maar hij kon niet.
Hij dacht aan den grooten Mongibello, dien hij nooit te zien zou
krijgen en aan donna Elisa, die nooit weer terug zou komen, en aan
de school en aan den door hooge muren omgeven kloostertuin en aan
een geheel leven als van een gevangene. Neen, pater Jozef mocht van
hem verwachten, wat hij wilde, Gaetano moest vluchten.
En het was hoog tijd. Toen Gaetano tien stappen van de deur was, brak
hij in tranen uit. 't Was zoo hard voor donna Elisa. O! dat zij nu
genoodzaakt was alleen naar huis te gaan! Dat Gaetano niet met haar
kon vertrekken!
Hij hoorde, dat pater Jozef er aankwam en hij drukte zijn gelaat tegen
den muur. Kon hij dat snikken slechts laten! Pater Jozef zuchtte en
prevelde gebeden, zooals hij gewoonlijk deed. Toen hij bij Gaetano
kwam, bleef hij staan en zuchtte dieper dan ooit.
"Dat is de Mongibello, de Mongibello," zei pater Jozef, "niemand kan
den Mongibello weerstaan."
Gaetano antwoordde hem door nog heftiger te schreien.
"'t Is de berg, die hem lokt," mompelde pater Jozef. "De Mongibello
is gelijk aan de gansche aarde, daarop worden alle planten en
luchtstreken, alle schoonheid, alle betoovering, alle wonderen
der geheele wereld gevonden. De gansche aarde komt opeens om hem
te lokken."
Gaetano voelde, dat pater Jozef de waarheid sprak. 't Was alsof de
aarde krachtige armen uitstrekte om hem te vangen. Hij voelde, dat
hij zich aan den muur moest vastklemmen om niet weggerukt te worden.
"'t Is beter, dat hij de wereld te zien krijgt," zei pater Jozef. "Hij
zou slechts naar haar verlangen, indien hij in het klooster bleef. Als
hij de aarde te zien krijgt, zal hij misschien eens terugverlangen
naar den hemel."
Gaetano begreep nog niet wat de pater meende, toen hij zich voelde
optillen door pater Jozefs armen en terugdragen naar de ontvangkamer,
waar hij op donna Elisa's schoot werd gezet.
"Gij moet hem nemen, donna Elisa, want gij hebt hem gewonnen," zei
pater Jozef. "Gij moet hem den Mongibello laten zien en trachten of
gij hem behouden kunt."
Maar toen Gaetano opnieuw op donna Elisa's schoot zat, voelde hij
zich zoo gelukkig, dat het hem onmogelijk was nog eens van haar te
vluchten. Hij was zoo gevangen, alsof hij in den Mongibello zat en
de bergwanden zich achter hem gesloten hadden.