[1] Baba en Kee zijn benamingen in Nederl. Indië voor de Chineezen. Het
eerste woord is meer deftig. Kee is meer vernederend, bijna een
scheldnaam.
[2] „Handipèh” beteekent slang; „boemboeng enjoh” is de naam van de
fijne nog niet ontwikkelde bladeren van den klapperboom. De slang,
aldus genoemd, is een boomslang, wordt zoo wat twee d.M. lang, is zeer
dun van lijf, zoo wat ter dikte van een pijpensteel, heeft een fraaie
lichtgroene kleur en is zeer vergiftig.
[3] „Panawar” is een slingerplant, welker stam zoo wat een vinger dik
wordt. Er zijn twee soorten: de „panawar gantong” heeft geelachtig
hout; de „panawar pari” bruinachtig. Deze laatste is zeer bitter en
wordt fijngewreven als tegengift tegen slangenbeten gebruikt.
[4] Djoekoeng is een boomstam uitgehold en zoo tot vaartuig gevormd.
[5] Rangkan en djoekoeng zijn vaartuigen, van een uitgeholden boomstam
gemaakt. De rangkan is echter veel grooter dan de djoekoeng. In
eerstgenoemd kunnen twintig tot veertig personen plaatsnemen, in
laatstgenoemd hoogstens drie of vier.
[6] Kalimantan is de naam van het eiland Borneo bij de inlandsche
bewoners.
[7] Mahatara en Hatallah beteekenen beide „God”. Het eerste woord zal
de Dajak evenwel nimmer gebruiken, wanneer hij tot een Europeaan of een
Maleier spreekt. Het andere woord wordt nimmer gebezigd, wanneer Dajaks
onder elkander zijn.
[8] Vlucht, ziel des overledenen, stijg op den nevel, vlucht, ziel des
gevallenen, des verlorenen, bewandel het water.
[9] Radhen Ardjie Kesoema was de oom van Pangerang Hidajat Oellah,
welke laatste door de Nederlandsche regeering niet tot de
troonopvolging van het Bandjersche rijk toegelaten werd, waarop hij ten
volle aanspraak had.
[10] Er zijn op Borneo twee rivieren, die den naam van Kapoeas dragen.
De Kapoeas Moeroeng ontspringt in het midden des eilands op het
Kaminting-gebergte en stroomt van noord naar zuid en stort zich in de
kleine Dajak-rivier, een tak van de Barito uit. De Kapoeas Bohang
ontspringt op hetzelfde gebergte, stroomt van het oosten naar het
westen en stort zich door vele mondingen in de Chineesche zee uit.
[11] Niet onwaarschijnlijk werd zij voor een „Tiwah” (doodenfeest)
bewaard. Bij zulk een feest worden niet zelden verscheidene menschen
geslacht.
[12] Sienjo is een verbastering van Signor. Deze benaming wordt aan
alle Europeesche kinderen in N.I. gegeven; voornamelijk aan kinderen
door een Europeaan bij eene inlandsche vrouw verwekt. Op lateren
leeftijd is het woord „Sienjo”, ofschoon algemeen gebruikt, een
scheldnaam, om dat bastaardschap aan te duiden.
[13] Katellapohon is een gewas, dat een mergachtigen stam oplevert, die
gekookt, eenige overeenkomst in smaak met onze aardappelen daarstelt.
Kadjang is een peulvrucht, die onder den grond gewonnen wordt. De
boontjes worden veel geroosterd gegeten, „Katjang goreng,” en hebben
dan veel van den smaak van amandelen. Obie’s zijn aardvruchten, die in
vorm en aard veel met onze aardappelen overeenkomen. Zij zijn over het
algemeen iets meer zoetachtig van smaak.
[14] Sagoeweer is palmwijn, een vocht getrokken uit den sagoepalm.
Versch en ongegist is het een heerlijke, verfrisschende drank. Gegist
maakt hij erger dan dronken, hij maakt stapel gek, en de veelvuldige
gevolgen van delirium tremens bij het Indische leger zijn hem
hoofdzakelijk te wijten. Op de hoofdplaatsen van Java, maar vooral te
Soerabaya wordt die drank overal op de publieke wegen te koop
aangeboden. Niets wordt daartegen gedaan. De civiele ambtenaren
vermeenen door de breideling of door het verbod van den verkoop de
handelsvrijheid te kort te doen. Dat argument is menigmaal aangehaald.
[15] Waw-waw’s en Orang-oetangs zijn apensoorten. De laatste van te
algemeene bekendheid om daarbij stil te staan. Van de Waw-waw bestaan
op Borneo twee soorten. De lichtgrijze en de gitzwarte. Het is een
fraai apenspecies, welgevormd maar met zeer lange armen en totale
absentie van staart. Het gelaat is fraai gevormd en omgeven door een
niet te langen maar goed gevulden ringbaard. Haar naam bij de geleerden
is: Hylobates concolor.
[16] De Gekko is een groote hagedis, die gaarne in oude boomen en
bouwvallen woont, maar ook niet schuwt de bewoonde huizen der menschen
te deelen. Het dier ontleent zijn naam aan zijn roep: „gèk-ko,” dat hij
herhaalde malen uitstoot, de eerste malen met helderen klank, maar
langzamerhand verzwakkende, alsof hem de stem begeeft, zoodanig dat het
geroep in een dof gekreun eindigt. Bij de inlanders duidt zijne
tegenwoordigheid een gelukkig voorteeken aan.
[17] De beo is een fraaie vogel van de grootte eener kraai, waarmee hij
in kleur en gedaante veel overeenkomst heeft. Hij heeft echter een paar
roode soms gele lelletjes aan het hoofd ter plaatse waar de ooren zijn.
Ook heeft hij een gelen bek. Die vogel, na een kleine kunstbewerking
aan de tong, bootst gemakkelijk de stem van den mensch na. Is hij
eenmaal volleerd, dan praat hij bijna den geheelen dag en kan men van
hem zoowel figuurlijk als letterlijk zeggen, dat hij den bek niet
houdt.
[18] Piendang ikan en sajoran lodèh zijn een soort bouillon om bij de
rijst te gebruiken. De eerstgenoemde wordt van visch gekookt; de andere
van vleesch en groenten. In beiden ontbreekt de lombok (spaansche
peper) niet.
[19] Sambal oelik is spaansche peper fijn gewreven met wat zout. Sambal
goreng is gebraden spaansche peper in wat klapperolie. Sambal oedang is
spaansche peper toebereid met garnalen. Al die sambals zijn toespijs
bij de rijsttafel.
[20] Dengdeng is in de zon gedroogd vleesch, gewoonlijk hertenvleesch.
Troeboek is gezouten vischkuit. Telor-assin zijn gezouten eieren. Sateh
zijn stukjes vleesch aan een stokje, van de lengte en de dikte van een
breinaald, geregen en boven het vuur gepofd. Oesi-oesi zijn kippen- of
kalfsdarmen gebraden. Al die opgenoemde lekkernijen komen bij de
rijsttafel voor.
[21] Wankang is een chineesch vaartuig, geheel verschillend van vorm en
van tuigage van onze koopvaardijschepen.
[22] Minjakh poko is een chineesch middel tegen de hoofdpijn. Het komt
voor in den handel als fijne kristallen of als een olieachtige
zelfstandigheid. Men wrijft er zich de slapen en het voorhoofd mede en
ontwaart eerst een branderig gevoel, dat in een heerlijke verkoeling
overgaat. Boeang assin is knoflook in pekel ingelegd. Is zeer smakelijk
bij de rijsttafel.
[23] Palita is een klein olielampje, waaraan de opiumschuiver het opium
in de pijp ontbrandt, den rook inzwelgt, om na eenige oogenblikken
hetzelfde te herhalen.
[24] Op de Zuidkust van Borneo bereikt de vloed twee dagen na volle
maan zijn hoogste punt. Dan loopen de beide getijen in elkander en
heeft men maar eens vloed in de 24 uren. Dit verschijnsel keert zoo
regelmatig weer, dat de zeevarenden er gebruik van maken, ten einde het
juiste oogenblik te kiezen om over de banken, die voor de
riviermondingen liggen met zwaar beladen schepen te komen.
[25] In Oost-Indië heeft men zoetwatergarnalen die in grootte onze
rivierkreeften verre overtreffen. Ook de krabben zijn zeer groot en
hebben soms een middellijn van 1⅓ d.m.
[26] Baoeng is een zeer vette visch, die ongeveer vijf d.m. lang wordt
en de dikte bereikt van een menschenbeen, aan het boveneind gemeten.
[27] Soloang is een vischje, dat in grootte en vorm veel met onzen
grondeling overeenkomt. Het is echter niet blank van kleur, maar meer
bruinachtig. Is zeer lekker.
[28] Een katie is 1¼ pond. Een pikol is 100 katie’s of 125 ponden.
Dertig pikols is een Kojang.
[29] Op Borneo is een soort roodharige apen van de grootte van een
knaap van een jaar oud, die een vrij welgevormden neus hebben van
ongeveer zes cm. lang, waarin evenwel geen neusbeen aanwezig is, maar
die slechts uit een klompje vleesch bestaat, met twee gaten ter gewoner
plaatse doorboord. Die neus geeft die apen een buitengewoon koddig,
voornaam uitzicht; zij zijn evenwel uiterst teer en sterven spoedig,
nadat zij gevangen zijn. Die apensoort leeft nooit in groote troepen,
steeds paarsgewijze, en behoort tot de species der symnopethici en
wordt derhalve symnopethicus nasicus genoemd.
[30] De Dajaks gebruiken een rond eenigszins zakvormig net, dat wijd
uitgespreid uitgeworpen wordt en veel overeenkomst heeft met het
werpnet dat in België en Frankrijk „épervier” genoemd wordt. Aan den
rand zijn op korten afstand van elkander looden kogels of ringen
aangebracht. Wanneer nu het net wijd uitgespreid op de oppervlakte des
waters geworpen wordt, naderen de kogels bij het zinken elkander, tot
zij den bodem raken. Al de visch daaronder is dan gevangen; met een
touw wordt het opgehaald en de kogels houden de vangst omsloten. Dit
net heet djala.
[31] Nipa fructificans is een palmsoort en een der nuttigste gewassen,
die de keerkringslanden opleveren. Van de bladeren maakt men matten,
die tot velerlei doeleinden maar vooral tot omwandingen van huizen
gebruikt worden. De geelachtige mannelijke bloem treedt uit de
langwerpige scheede bevallig te voorschijn. Zij is zeer welriekend en
lokt door haar rijkdom aan was en honing de bijen aan. De vrucht, die
trosgewijze groeit, heeft een zoetachtigen smaak niet ongelijk aan een
jonge kokosnoot.
[32] Tjemara Laoet—Casuarina equisetifolia is een cedersoort die op
lage stranden in Indië soms in geheele wouden aangetroffen wordt. Op
Borneo wordt zij veel afgewisseld met de Nipah-palm.
[33] De Troessan is een natuurlijk verbindingskanaal tusschen de kleine
Dajak en de Kahajan-rivieren. In dat kanaal monden vele soengei’s
(riviertjes) uit en stellen zelfs gemeenschap met de zee daar. Door de
lage gesteldheid des lands vormen die soengei’s een’ waren doolhof van
waterwegen, die weer naar de Kahajan of Kapoeas leiden. De Troessan
heeft aan de zijde der kleine Dajak een breedte van ongeveer 100 M.
Deze breedte behoudt zij langen tijd, doch de Kahajan naderende,
splitst zij zich bij een uitermate zwaren boom „bindjai” genaamd, in
twee smalle takken, waarvan de noordelijkste geheel verzand is en de
andere een ondiep, smal en kronkelend vaarwater oplevert.
[34] Mahatara—God. Heeft een broeder en eene zuster. Zie hier over de
Ethnographische beschrijving der Dajaks door den schrijver, Uitgave van
Joh. Noman en Zoon, Zalt-Bommel.
[35] Reaal is een denkbeeldige munt bij de Dajaks, ter waarde van twee
gulden.
[36] Op het oogenblik dat dit vel ter drukkerij gaat, twee en twintig
jaren na het smartelijk gebeurde, ligt die schandzuil daar nog in den
Doesson. De Nederlanders hebben nog de weinige guldens niet kunnen
vinden voor eenige ponden kruit, om dat wrak uit den weg te ruimen.
[37] De bapoejoe is de Anabas scandens der ichthyologen, de Pannei Eri
der Arabieren. Van dien visch wordt verhaald, dat hij met zijn
borstzwemvinnen tegen klapperboomen weet op te werken om zich daar in
de okselbladeren, die de bladstengels omgeven en meestal veel vocht
inhouden, in den drogen tijd op te houden.
[38] Hoewel de Dajaks met graagte sommige slangensoorten verorberen,
raken zij nimmer palingen aan, die toch in menigte in hunne moerassen
aangetroffen worden. De redenen, die zij daarvoor aangeven zijn, dat de
paling steeds op lijken en krengen aast en dat bij hen afschuw verwekt.
[39] Rambei is een boomsoort, die op Borneo langs de moerassige oevers
van de rivieren en soengei’s veelvuldig voorkomt. Het is een boom die,
wat stam, twijgen en bladeren betreft, volmaakt op een wilg gelijkt.
Hij draagt evenwel een vrucht, die veel overeenkomst heeft in vorm met
een appel, aangenaam zuur is en vooral door de apen op hoogen prijs
gesteld wordt.
[40] Wanneer de Dajaks juichen, begint een hunner te gillen met een
langgerekt: leeeh lèlèlèlèlèlèlè, waarop al de vergaderden met den gil:
„ōōōh oeiiit” antwoorden. In gewone omstandigheden heet dit juichen
„soerak”; bij oorlog, koppensnellerstochten, menschenoffers enz. wordt
het „lahap”, genoemd.
[41] Poenang is vleesch, dat in dunne reepen gesneden en, na met wat
zout en kruiden ingewreven te zijn, in de zon gedroogd is. Het is het
Maleische „dengdeng”. Van hertenvleesch vervaardigd, is het bijzonder
lekker.
[42] Ketan is eene rijstsoort, die veel gluten bevat en bij het koken
kleverig wordt. Voor den inlander is zij, met stroop en fijn geraspte
klappernoot besproeid, een lekkernij. De ketansoorten worden in de
Dajaklanden „poeloet” genoemd.
[43] Is geheel en al historisch. De schrijver heeft een gebeurtenis,
zooals hier verhaald is, bijgewoond. Ook het gevecht is niet verdicht,
maar heeft plaats gehad zooals verteld is, met uitzondering dat het
niet allen Europeanen waren, die de bestrijders van den boa waren.
[44] De handjolotong-boom behoort tot de ficussoorten. Hij erlangt een
verbazende dikte; er zijn specimina, welker stam door geen twaalf
menschen omspannen kunnen worden. Zijn hout is zeer wit, grofvezelig,
kurkachtig en derhalve zeer licht. Dit hout wordt gewoonlijk gekozen om
doodkisten van te maken, daar de Dajak gelooft, dat die kist in het
verblijf van gelukzaligheid in een gouden schip veranderd wordt „banama
boelau”, dat ten dienste van den overledene is.
[45] Tandjoeng Salatan is de zuidelijkste punt van Borneo en ligt
ongeveer op 4° 20′ Z.B. en op 114° 40′ O.L. van Greenwich.
[46] In de dagen waarin ons verhaal voorvalt, gebeurde het meer, dat in
de wateren van Nederlandsch Indië de Nederlandsche vlag met hoonende
bedoelingen omgekeerd gevoerd werd. In 1859 was dat een der oorzaken
van den oorlog met Boni op het eiland Celebes.
[47] Historisch.
[48] Batang Moeroeng is de naam van den westelijken arm van de Doesson,
van Moeara Poeloe af, waar die rivier zich in twee takken splitst, tot
aan zee. Bij de Europeanen heet die arm Kleine Dajakrivier.
[49] Zie over dezen boom de noot op bladz. 211. Er kan hier nog
bijgevoegd worden, dat dit hout bij voorkeur tot het beschreven doel
gebezigd wordt omdat het door zijn kurkachtigheid het meest overeenkomt
met het nekweefsel.
[50] Hem, die omtrent die manipulatie en omtrent de botanische
beschrijvingen van de siren- en ipohgewassen meer wil weten, verwijzen
wij naar de „Ethnographische beschrijving der Dajaks” door den
Schrijver. Uitgave van Joh. Noman & Zoon, Zalt-Bommel.
[51] De ouders nemen in de Dajaklanden steeds den naam van hun oudste
kind aan, met voorzetting van de woorden „bapa” (vader) of „indoe”
(moeder). De zoon heette hier Andong, bij gevolg zijn vader Bapa
Andong; zijne moeder Indoe Andong.
[52] Niboeng is een palmsoort, die bijna van de Pinangpalm niet te
onderscheiden is. Voor latwerk is die houtsoort onovertroffen. Zij is
hard, laat zich gemakkelijk splijten en bezit, wanneer de innerlijke
weeke deelen behoorlijk verwijderd zijn, een groote duurzaamheid.
[53] Gantang is een maat, welker inhoud voor hars ongeveer op 3.75 K.G.
kan berekend worden.
[54] De beer.
[55] Takakak is een fraaie soort van boschhaan, die op geregelde tijden
des nachts ten 9, 12 en 3 uur ongeveer zijn schel klinkend
taaakkekakakak doet hooren.
[56] Poeai; zie daaromtrent bladz. 187.
[57] Harimaoung Boekit beteekent bergtijger.
[58] Sangiangs zijn bovenaardsche hulpvaardige wezens, die als boden
van Mahatara (God) den menschen veel goeds aanbrengen. Aan die wezens
worden vele offeranden gebracht. Zie daarover Ethnogr. beschrijving der
Dajaks door den schrijver dezes.
[59] Van vele boomsoorten wordt de lenige en zachte bast gebezigd om
kleedingstukken te vervaardigen. Ziet hierover: Ethnographische
beschrijving der Dajaks, van den schrijver.
[60] De standaard van het goudgewicht in de binnenlanden van Borneo is
de ringgit of Mexicaansche zonnemat. Twee ringgits worden gerekend
gelijk te zijn aan een thaël. De ringgit heeft 2 sadjampol; de
sadjampol heeft 2½ sakobang; de sakobang heeft 2 boea kajoe; de boea
kajoe heeft 2 boentoeng: een boentoeng heeft 2 satilai; een satilai
heeft 2 satali; een satali heeft 1½ brini; een brini heeft 2 matta
boeroeng en een matta boeroeng heeft 2 boea bakoeng. Zoodat een boea
bakoeng het 1⁄960 is van een thaël.
[61] Felis pardus en felis macrocephalis.
[62] Ursus Malayanus.
[63] Dit zijn de hoogste bergen van het eiland. De top van den Japoh
Poerau wordt door de inboorlingen beschreven, zich te vertoonen bij
zonsop- en ondergang, als ware hij van goud; over dag evenwel als fraai
blinkend zilver. Hierop afgaande, zou hij boven de sneeuwgrens liggen,
die evenwel in deze streken zeer hoog aangetroffen wordt.
[64] Batoe = steen; Banama = schip.
[65] In de boven Kahajan bestaat ook zulk een steen, die den vorm van
een schip heeft. Deze rots heet Batoe Tangkiring en daaraan is een
nagenoeg gelijkluidende legende verbonden. Tangkiri beteekent in het
Dajaksch „veranderd zijn in” dus „in steen veranderd.”
[66] Sipet is een blaasroer om vergiftigde pijltjes mede te blazen. Aan
dat roer is tevens een lansijzer bevestigd, zoodat het een blaas- en
tevens een stootwapen is. Een loendjoh is een eenvoudige lans, door de
maleiers „toembakh” genaamd.
[67] Amai beteekent vader. In de bovenlanden worden de hoofden zoo
betiteld. Met de Amai van Kwala Kapoeas wordt hier de Tomonggong
Nicodemus bedoeld.
[68] Tingang: Rhinoceros of neushoornvogel. Er zijn op Borneo twee
soorten. De Tingang bahong is zoo groot als een haan. Zijn hoorn is
donkerrood. Zijn lijf is bedekt met zwarte goudveeren. In den staart
heeft hij twee sneeuwwitte pennen. De Tingang lajoeng is kleiner, heeft
een oranjekleurigen hoorn; zijne vederen zijn licht blauw, en zijn
staart is zwart.
[69] Sierappen zijn kleine plankjes, geheel overeenkomende met onze
dakleien en ook daarvoor dienende. Op Java worden de sierappen van
djatiehout, op Borneo daarentegen van ijzerhout vervaardigd.
[70] Toembang is in het Dajaksch gelijk Kwala of riviermonding.
[71] Poendang is dun gesneden en in de zon gedroogd vleesch. Wordt
veelal van hertenvleesch gemaakt. In ’t Maleisch heet het: dengdeng.
[72] Allang-allang is een grassoort, die soms 2 M. hoogte bereikt en in
het Dajaksch: garigit genoemd wordt.
[73] Kawawohan boelau is de naam van den Dajakschen Hemel. Zie
hierover: Ethnographische beschrijving der Dajaks door den schrijver.
[74] Balian = priesteres en hetaire. Zie hierover, als ook over Tempon
Telon de Charon der Dajaks, de meer aangehaalde Ethnographische
beschrijving van den schrijver.
[75] Baloedoek is een waterdier, dat ongeveer een dM. lang wordt, wit
van kleur is, met heel fijne schubben bedekt, waarvan het lijf op dat
van een visch gelijkt, maar het hoofd veel op dat van een kikvorsch.
Het kan niet lang onder water vertoeven. Het wordt overal langs de
rivieren op Borneo, maar vooral in groote menigte in de lage moerassige
streken aangetroffen.
Hambatar is de larve van een vrij grooten kever, die evenals de larve
in vermolmd hout gevonden wordt. Die hambatar is zeer vet en heeft de
dikte en de lengte van een vinger.
Kalisi worden alle soorten van huisjesslakken genoemd. De Dajak zou dus
de alikruiken en de karakollen onder de „kalisi” rangschikken.
[76] Sawang is een palmsoort. Met sawangbladeren wuiven de Balians
veelvuldig om de booze geesten te verwijderen.
[77] Falco Pondicerianus. Zie omtrent het raadplegen van de
Antangvlucht het vroeger aangehaalde werk over de Dajaks van den
schrijver.
[78] Zie over deze bovenaardsche wezens het meeraangehaalde werk.
[79] Dohong beteekent slagzwaard. Het wordt veel als mannelijke naam
gebruikt en beteekent dan in de Oostersche beeldspraak, „dappere.”
[80] Zoo werd Hidajat Oelah, de rijksbestierder van het
Bandjermasinsche rijk door de Dajaks genoemd.
[81] Die volzin beteekent: „Vertrouw die witte menschen niet, al zijn
hunne lippen olieachtig (al spreken zij vleiend) zij zijn huichelaars.”
[82] Worden bij dergelijke gelegenheden vele pandelingen geslacht, dan
is hun lijden betrekkelijk kort, maar duurt toch minstens een uur.
Wordt er slechts één omgebracht, dan duurt de martelarij ontzettend
lang, en sterft het slachtoffer niet dan ten gevolge van bloedverlies.
[83] Ik zal niet behoeven te verzekeren dat ik hier minder dan ooit
verzin. Nederlanders! zulke smulpartijën hebben heden ten dage nog
plaats in uwe zoo schoone Oost-Indische bezittingen, in de streken die
gij met o! zoo’n schoon verfje op de kaarten als uw eigendom gekleurd
hebt.
[84] De pala is de muskaat in den vorm eener abrikoos. Wanneer de
vrucht rijp wordt, opent zich de vleezige buitenbast zacht en laat als
door een nauw gevormd spleetje de fraaie roode foelie zien, die om de
noot gewikkeld zit.
[85] Radja balawang boelau of de koning der gouden poort, wordt ook
Radja ontong of koning des geluks genoemd. De woonplaats van dien
weldadigen geest is boven de verblijfplaats der Sangiangs, dicht bij
die van Mahatara, den allerhoogsten God. Blako ontong beteekent geluk
vragen. Hoe dat geschiedt, zal wel later in een der hoofdstukken van
dit werk verhaald worden.
[86] De soengei Miri is een linker zijrivier van de Kahaian.
[87] Zie over Kadjanka en zijne attributen, de Ethnographische
beschrijving der Dajaks, door den schrijver dezes.
[88] Hoewel op het geheele schiereiland Malakka geen leeuwen te vinden
zijn, beteekent Singapoera leeuwenstad. Singa leeuw, Poera vorstelijk
verblijf.
[89] Een zeer gebruikelijk spreekwoord bij de Dajaks, om aan te duiden,
dat iemand iets geheel overtolligs uitvoert. Het zout namelijk wordt
van Java naar Borneo overgevoerd. Op laatstgenoemd eiland wordt geen
zout gewonnen.
[90] Anding is de naam in ’t Dajaksch, dien de oudere broeder aan den
jongeren geeft. Het is een teedere benaming voor hen, die men lief
heeft. Hij wordt veel gebruikt door den meerdere wanneer hij tegenover
zijne minderen hartelijkheid wil toonen of het harde zijner lessen of
vermaningen wil verzachten. „Pahari”, zegt de broeder tegen den
broeder, en is meer gebruikelijk wanneer geen teederheid of verzachting
te pas komt. „Kaka” wordt gebezigd door den jongeren tegen den ouderen
broeder en is een eerbiedsbetuiging.
[91] Radja balawang boelau. Zie de noot op bladzijde 22 van dit deel.
[92] Drahen tato antang beteekent Koning der Antangs. Zie over den
Antang de noot op bladzijde 5 van dit deel.
[93] De Dajak kent ieder voorwerp, levend of niet, een ziel toe. Van
levende wezens heet de ziel „liau”. Van alle andere voorwerpen „gana”.
[94] Bij de Dajaks is de lansschacht doorboord. Door dien hollen
cylinder worden vergiftigde pijltjes voortgeblazen, die bij verwonding
uiterst gevaarlijk zijn. Zie over de pijlvergiften het meergenoemd werk
van den schrijver: Ethnographische beschrijving der Dajaks.
[95] Zie over het zinken van dat stoomschip op bladz. 168. Dl. I. Ik
verdicht niet. Het bedoelde horloge was een ankeruurwerk en aan den
gezaghebber der boot ter hand gesteld om het naar Java te zenden ter
reparatie.
[96] De beide eerste soorten hooren tot den Crocodilus biporcatus. De
derde soort is de Crocodilus Schlegelii en vormt den overgang van de
gavialen tot den eigenlijken krokodil.
[97] Mahatara, de Dajaksche God, heeft een broeder, Djata, en een
zuster, Kloweh, die in het wereldbestuur als zijn „wakilans”
(plaatsvervangers) optreden. Zie over de godsdienst der Dajaks de reeds
vaak geciteerde Ethnographische beschrijving van den schrijver.
[98] Pengawar Djambie is een haarachtige zelfstandigheid, die op een
palmboomsoort van dienzelfden naam op den stam, waar de bladsteelen
aansluiten, gevonden wordt. Zij is door geheel Ned. Indië bekend.
[99] Badjankang beteekent in het Dajaksch, veel ruimte innemend. En
werkelijk met een soort van trots wijzen de kotta Djankangers op hun
naam, als aanduidende van welken machtigen stam zij herkomstig zijn.
[100] Bij iedere plechtige gelegenheid, bv. bij geboorten, huwelijken,
lijkfeesten, verzoeningseeden, welgeslaagde koppensnellerstochten, enz.
enz. snijdt de Dajak een houten beeld, een krijger voorstellende van
ongeveer natuurlijke grootte, en plant dat in de nabijheid van zijn
huis. Dit is alleen ter herinnering. Eenmaal geplaatst, kijkt hij er
niet meer naar om en doet tot onderhoud hoegenaamd niets.
[101] Tempon Telon is de Charon der Dajaks, die de zielen na het
overlijden door een louterend vuur naar de Elyzeesche velden brengt.
Ziet daarover verder de meer genoemde Ethnographische beschrijving der
Dajaks.
[102] Katipei is een harsachtige was, die van een bijna mikroskopische
bijensoort, die denzelfden naam draagt, gewonnen wordt. Dit insect
bouwt zijn nest tegen de meest knoestige boomen, uit die
zelfstandigheid en overtrekt daarmede niet zelden den geheelen boom.
Deze was is zeer kleverig, bij verwarming wordt zij evenwel zeer
vloeibaar en bij afkoeling zoo hard als steen.
[103] Kajoen pamala wordt in het maleisch ook kajoe boelan genoemd. Het
is een fraai witachtig zacht hout, zeer fijn van vezel en gemakkelijk
te bewerken; daarbij is het uiterst deugdzaam. Bij insnijdingen in den
bast wordt een rooskleurige „njating” (hars) gewonnen, die als reukwerk
gebrand wordt.
[104] Zeven en de veelvouden daarvan zijn heilige getallen bij de
Dajaks.
[105] Lonokboom hoort tot de Ficussoorten, heeft een buitengewoon
dikken en zachten bast, waarvan bij voorkeur kleedingstukken gemaakt
worden. Die bast wordt met een plat stuk hout zoo lang geklopt, dat hij
als het ware een zacht vilt geworden is.
[106] Tingang = neushoornvogel. Zie de noot op bladz. 339 I Dl.
[107] Een Kiham—in het Maleisch Riam—wordt een plaats in de rivier
genoemd, waar door rotsbeddingen de breedte der rivier zeer versmald
wordt, zoodat het water als te samen geperst, genoodzaakt is door een
smallen doorgang te dringen. Veelal gaat daarmede ook een tamelijk
verval van de rivierbedding gepaard. Een eigenlijke val is het in den
regel niet. Een waterval, waar het water van een hoogte schier
loodrecht neerstort, heet „gohong.”
[108] Koedjang is een knolgewas, dat veel in moerasachtige streken
groeit. In de benedenlanden wordt het bijzonder veel aangetroffen en is
daar naast de rijst het hoofdvoedsel der bevolking. In de bovenlanden
wordt het ook in poelen en moerassen gevonden, doch niet zoo algemeen.
[109] Tobah is een struik, die tot de Rhisophoren behoort. Als zoodanig
komt hij in de benedenlanden veelvuldig, in de bovenlanden alleen in
moerasgronden voor.
[110] Dit is een veel gebruikt spreekwoord om het doen van vruchtelooze
pogingen aan te duiden. Het wordt ook als raadsel opgegeven en luidt
dan: „inedjep halit, inedjep halit, en kaom?” Telkens doorstoken, doch
immer geheeld, wat is uw antwoord? En dat antwoord is: het water.
[111] Rantèp beteekent, dicht aan elkander sluiten, nauw vereenigd
zijn. Waarlijk een schoone naam voor een gerechtshof.
[112] Kamanangang komt van „kamang”, een werkwoord, dat betasten
beteekent, als zijnde door betasting behoorlijk op de hoogte der zaak.
[113] Rear, een verbastering van reaal, is een denkbeeldige munt ter
waarde van twee gulden en wordt ook wel kiping genoemd.
[114] In 1861 werd in de boven Manohin iemand die bij het „hagalangang”
licht gekwetst was, door de tegenpartij gekapt en gekerfd, waarbij
evenwel gezorgd werd, dat geen levensgevaarlijke wonden werden
toegebracht. Daarna werden die wonden met een sterk aftreksel van
lombokh ingesmeerd. Onder de ondenkbaarste folteringen gaf de
ongelukkige den geest.
[115] Mata koetjing beteekent kattenoog, bapoeti wit en linoh gladheid,
die benamingen doelen op de eigenaardigheden van die soorten. Alle drie
zijn fraai doorschijnend, de eerstgenoemde als kristal.
[116] Kroeën beteekent gemengd, toelang beenachtig en anlei vuil,
smerig; ook deze benamingen doelen op de geaardheid der soorten, die
zij aanduiden.
[117] Over dien smaak is hier niet veel meer te vertellen. Die daarvan
meer wil weten, wordt verwezen naar de vaak aangehaalde
„Ethnographische beschrijving der Dajaks” van den schrijver.
[118] Totok een soort van bijnaam in N.I. om volbloed Europeanen aan te
duiden.
[119] Binnenshuis loopen meisjes en vrouwen met het bovenlijf naakt.
Wordt er bezoek verwacht, dan eischt het decorum, dat de vrouw des
huizes een badjoe aantrekt, hetgeen dan van blauwe of roode zijde,
vervaardigd, niet zelden met gouddraad doorweven is.
[120] Peteh is een peulvrucht. De zeer groote boonen, die geen
liefelijken geur verspreiden, worden veel bij de toespijzen tot de
rijsttafel gebezigd. „Sambal peteh” is een gewilde lekkernij.
[121] Zie over het goudgewicht de noot op een vorige bladz.
[122] Zie over de zielen der dingen de noot op bladz. 51 van dit deel.
Het goud evenwel heeft een afzonderlijke ziel „sarok boelau” genaamd,
die bij het metaal blijft, zoolang het niet door den mensch bemachtigd
is. Zoodra het in het bezit van den mensch is, verhuist de „sarok,”
maar tracht zich dan te wreken, hetgeen voorkomen kan worden door
eenige formaliteiten in acht te nemen, waardoor die wraak geen vat
heeft.
[123] Nagara is een landstreek met hoofdplaats van denzelfden naam in
de Maleische districten van Borneo aan de Bahanrivier gelegen. Aldaar
worden de deugdzaamste wapenen van geheel Indië vervaardigd.
[124] Dit is de wortel van een slingerplant, die in de moerassige
benedenlanden van Borneo veel aangetroffen wordt. Hij is nog het beste
surrogaat van de kina, dat aangetroffen wordt.
[125] Het eerste levend wezen, dat Mahatara volgens de Dajaksche
genesis schiep, was een groote waterslang. Op deze verzamelde hij
langzamerhand modder en zand en gaf haar zoo de aarde te dragen. Van
daar den naam Naga gallang petak of slang tot fondament dienende der
aarde. Wanneer die Naga zich beweegt, dan heeft er aardbeving plaats.
De kant der aarde, werwaarts haar hoofd gekeerd is, heeft voorspoed te
wachten; de kant, werwaarts de staart gewend is, tegenspoed te vreezen.
[126] Tantarah is een soort van boschhaan, die gewoonlijk op de
uiterste spits van zeer hooge boomen gezeten, den glorenden dageraad
meteen luid tărătărărāā begroet. Niet te verwarren met de takakak,
waarvan op bladz. 261, 1e dl., sprake is.
[127] Krassa krapi beteekent den tijd, die noodig is, om rijst gaar te
koken. Een andere tijdverdeeling kent de Dajak niet. Het wordt ook wel
gebruikt om afstanden aan te duiden. „Ekèh tèh doeèh tèlo krassa krapi
kakedjaue” zijn huis is twee of driemaal zoover verwijderd, als noodig
is om rijst gaar te koken.
[128] Zie over Radja ontong de noot op bladz. 22 van dit deel.
[129] Tiwah zou volgens ettelijke geleerden van het sanskritsch woord
Deva (God) afgeleid zijn. Tiwah beteekent evenwel in het Dajaksch
„vrij” of „bevrijd zijn”. Dit komt meer met den aard van het feest
overeen. Zie overigens daarover de meer aangehaalde Ethnographische
beschrijving der Dajaks.
[130] De groene grasparkiet Melopsittacus Gld.
[131] Het in die streken meest voorkomende hert, soms in troepen van
200 stuks, is groot en slank met bruin-grauwen pels. Het is de Cervus
russa der geleerden.
[132] Bakai is een kleine soort van aap, die ternauwernood 1½ voet hoog
wordt. Hij heeft een lichtgrauwen pels, die op den buik zuiver wit is.
Het dier heeft een staart, die ruim tweemaal de lengte van zijn lichaam
meet. Van dien staart bedient het zich als van een hand. De bakai
behoort tot de slingerapen of semnopethici.
[133] Boehies is een zwartgrijze aap, die ongeveer drie à vier voet
lang wordt. Hij heeft een staart, die langer dan zijn lichaam is. Hij
behoort tot de semnopethici of slingerapen.
[134] Ziet over den Beo de noot in Deel I bladz. 89.
Men beweert, dat de beo sterft, wanneer hij bloed ziet. Van daar die
uitdrukking.
[135] Njakatan wordt in de Dajaklanden iedere plaats genoemd, alwaar de
reis te water eindigt en waar aan wal gestapt wordt, om haar over land
te vervolgen.
[136] Boekit Riwoet beteekent windberg. Vele heuvels of bergtoppen
voeren dien naam. Vooral wanneer zij alleen staan, dus ongedekt den
wind vollen toegang verleenen.
[137] „Door de plant zelve afgescheiden”, die woorden nam ik van Prof.
P. J. Veth over. Met allen eerbied, dien ik voor de wetenschap koester,
meen ik de juistheid dier bewering toch te moeten betwijfelen. De
Dajaks beweren, dat het water niets dan regenwater is. Zeker is het,
dat de smaak daarmede geheel en al overeenkomt. De bedoelde beker is
van een sierlijk dekseltje voorzien, dat zich opent, wanneer het
regent, en zich vrij hermetisch sluit, wanneer het droog weder is. Dit
deksel is zoo gevoelig, dat het voldoende is, wanneer hij gesloten is,
er eenige waterdroppels op te sprenkelen, om hem langzaam te zien
openen. Ledigt men bij droog weder zulk een kelk, zonder den rank,
waaraan hij hangt, af te breken, dan is vier en twintig uren later geen
spoor van vocht te ontwaren. Tien van die ngagaskelken zullen ongeveer
twee liter water opleveren.
[138] Dr. Schwaner schrijft „Pohon Batoe” (steenboom). Dat is blijkbaar
een vergissing. Het woord pohon is in die streken niet bekend. Ook
heeft die rots volstrekt den vorm niet van een boom. De benaming is
Oepon Batoe en beteekent: Oorsprong van steen.
[139] Het woord Soeli is een verbastering van njoeli en beteekent:
steil omhoogstaande. Alzoo Batoe Soeli—steil omhoogstaande steen. De nj
en s klanken worden door de Dajaks dikwijls verward.
[140] Die steenen bestaan nog op Oepon Batoe en worden Antang hatoeèh
en Antang bawi genoemd. De legende vertelt, dat het twee menschen
waren, die die rots bestegen en door de Sangiangs gestraft werden met
hen in steen te veranderen. Die legende is te onkiesch, om ze te
verhalen.
[141] Historisch. In 1863 werden bij gelegenheid van het lijkfeest van
Tomonggong Toendan veertig pandelingen geslacht op de wijze zooals dat
verhaald is, afgescheiden van de ettelijken, die vóór dat eindfeest
geofferd werden.
[142] Njakatan wordt iedere plaats in de bovenlanden genoemd, waar de
reis te water eindigt, om haar over land te vervolgen. Komt van
„sakan”, hetwelk uitladen, lossen beteekent.
[143] Katipei. Zie daarover de noot op bladz. 88 van dit deel.
[144] Ngiatoe merah is op Borneo de kostbaarste der vele
getahpertjahsoorten. Levert een product, hetwelk roodachtig bruin is.
[145] Bangkirei behoort tot de fraaiste timmerhoutsoorten van Borneo.
Laat zich gemakkelijk bewerken en is zeer duurzaam.
[146] Rassamala, de Liquidambar Altingiana der geleerden, is ook
uitmuntend timmerhout.
[147] Rhoenmèta = Lasiosiphon speciosus, draagt bloemen als kleine
Geldersche rozen, die aan trossen groeien. Is een uitermate aanvallig
gewas.
[148] Bij het ter perse zenden dezes vernemen wij dat de
aanbrengpremie, sedert eenige dagen, voor vreemdelingen niet meer wordt
betaald. Dit kan geschieden dewijl de behoefte thans noch groot, noch
dringend is en men er in hoopt te kunnen voorzien, behalve met
Nederlanders, met vreemdelingen die zich zonder iemands tusschenkomst,
bij de bevoegde autoriteiten zullen komen aanbieden.
[149] Zie mijn oorlog op Java enz. 2de Dl., bladz. 196.
[150] Zie mijn oorlog op Java enz. 1ste Dl., bladz. 299.