Wat gedaan behoort te worden en wat ik hoofdzakelijk zal bespreken,
is, dat de geheele Amerikaansche Kerk, van alle gezindheden, zich niet
in naam maar met der daad moet vereenigen met het edele voornemen,
dat de Presbyteriaansche Vergadering in 1818 opperde, om te trachten
naar de volkomene afschaffing der slavernij in Amerika en in de
geheele Christenheid.
De gemeenschappelijke stem der Christenen in alle andere landen
roept met aandrang de Amerikaansche Kerk hiertoe op. Betuigingen van
die meening zijn ingekomen van Christenen van alle gezindheden in
Engeland, Schotland, Ierland, Frankrijk, Zwitserland, Duitschland,
Perzië, de Sandwich Eilanden en China. Allen schijnen door éénen geest
bezield. Zij hebben die Amerikaansche Kerk bemind en vereerd, zich
verheugd in den luister van hare opkomst. Haar voorspoed en welslagen
hebben zij beschouwd als hunne eigene, en zij hadden gehoopt, dat God
door haar onschatbare zegeningen op alle natiën zou uitstorten. Hun is
de Amerikaansche Kerk voorgekomen als de opgang van eene schitterende
zon, die neveldampen verdrijven zoude en vreugde bragt en vrede. Maar
helaas! op die blinkende zonneschijf is eene donkere plek waargenomen,
die, voortgaande, in omvang toeneemt en algeheele duisternis dreigt
te verwekken. Kan het verwondering baren, dat eene waarschuwende stem
tot ons komt van hen, die zoo veel belang hebben bij ons welvaren
en welslagen? Wij hebben zendelingen doen uitgaan naar alle oorden
der wereld; maar hoe kunnen deze hunnen heidenschen bekeerling
openbaren, wat er in het Christelijk Amerika omgaat? Hoe zullen onze
zendelingen in de Mahomedaansche gewesten hun hoofd durven opheffen
en de voortreffelijkheid van onze Godsdienst kunnen verkondigen,
wanneer wij barbaarschheden dulden, die zij verworpen hebben?
Een zendeling onder de Karens in Azië schrijft, dat hij in zijn
dienstwerk zeer belemmerd wordt door een gerucht, hetwelk onder dien
volksstam in omloop is, dat de Amerikanen voornemens zijn hen te
komen rooven om hen te verkoopen. Hij zegt het volgende:
Ik zie met beduchtheid den tijd te gemoet, wanneer de Karens in
staat zullen zijn onze boeken te lezen en tot de volle kennis te
komen van hetgeen in ons land omgaat. Sommigen zijn reeds nu zeer
nieuwsgierig en doen mij dikwijls vragen, wier beantwoording mij
zwaar valt.
Er is geen andere uitweg. Gods Voorzienigheid heeft de Kerk der
Vereenigde Staten tot één werk bepaald. Zij kan niet verder gaan eer
dit verrigt is. Zoo lang zij het blijft veronachtzamen zal het een
hinderpaal zijn tegen al hetgeen zij verder aanvangt.
Zij moet het nog om eene andere reden ondernemen,--namelijk omdat
zij alleen dien arbeid op vreedzame wijze kan verrigten. Indien
dit angstwekkende vraagstuk zijn loop moet hebben als eene louter
staatkundige aangelegenheid, welke de politieke partijen moeten
uitmaken, hoe zullen dan beroeringen, betreurenswaardige botsingen, de
van-een-scheuring der Unie voorkomen kunnen worden? Neen, het is alleen
veilig uit te voeren door er eene Godsdienstzaak van te maken en die te
bevorderen in een Christelijken geest en door Godsdienstige middelen.
Zoo men ons vraagt, welke middelen de Kerk dan in het werk moet
stellen, luidt ons antwoord, dat dit kwaad moet afgeschaft
worden door dezelfde middelen, welke de Apostelen aanwendden
voor de uitbreiding van het Christendom en de uitroeijing van alle
maatschappelijke euvelen, welke toen eene in boosheid gedompelde wereld
vervulden. Hoor hoe de Apostel ze beschrijft: "In reinheid, in kennis,
in lankmoedigheid, in den Heiligen Geest, in ongeveinsde liefde,
door de wapenen der geregtigheid aan de regter- en aan de linkerzijde."
Wij zullen kortelijk elk dezer middelen nagaan.
Vooreerst in reinheid. De Christenen in de noordelijke vrije Staten
moeten zich-zelven en hun land trachten te zuiveren van verscheidene
noodlottige uitvloeisels van de slavernij: in het bijzonder moeten
zij het meest zondige gevolg daarvan trachten uit te roeijen,--het
onchristelijk vooroordeel tegen de kleur.
In Hindostan vindt men de klasse der Pariahs, met welke geene andere
klasse van Hindoes wil eten, drinken of omgaan. Onze zendelingen
verklaren den bekeerden Hindoe, dat dit vooroordeel onchristelijk is;
want God heeft allen, die op aarde wonen, van éénen bloede gemaakt en
alle menschen zijn broeders in Christus. Maar hoe zal de zendeling
zich houden, wanneer de Hindoe in staat is te antwoorden: "In uw
eigen Christelijk land bestaat eene klasse van Pariahs, die gij niet
beter behandelt, dan wij de onze. Gij-zelven gelooft de dingen niet,
die gij ons leert."
Laten wij een blik werpen op de behandeling van den vrijen neger in het
Noorden. In de Staten Indiana en Illinois zijn de meest tirannieke en
onregtvaardige wetten tegen hem uitgevaardigd. Uit geene wet in een
slavenstaat kan een wreedaardiger geest spreken, dan heerschende is
in eene onlangs in Illinois uitgevaardigde wet, volgens welke iedere
vrije neger, die in den Staat komt, gevat en voor een bepaalden
tijd als slaaf verkocht wordt, terwijl hij, wanneer hij na afloop
van dien tijd zich niet verwijdert uit het gebied van den Staat,
op nieuw wordt verkocht.
Hoe kunnen wij onze zuidelijke broederen vermanen hunne slaven vrij te
laten, indien wij niet het geheele zedelijke gewigt van de Kerk in het
Noorden in de schaal leggen tegen dergelijke gruwelen? Worden zulke
handelwijzen geregtvaardigd door te zeggen, dat de neger boosaardig
en lui is? Zoo doende voegt men smaad bij mishandeling.
Wat doen deze Christelijke Staten? Meerendeels sluiten zij
de kleurlingen uit van het school-onderwijs; door beleedigende
uitzonderingen schrikken zij hen af van het bezoeken der Kerken; in het
algemeen sluiten zij hen uit van de werkplaatsen, waar zij een nuttig
beroep zouden kunnen leeren; zij verdrijven hen uit de meer geachte
vakken, waarin zij met eere hun brood zouden kunnen winnen; en na
hen dus van elk hooger streven ontmoedigd en tot onkunde, luiheid en
ondeugd gedwongen te hebben, maken zij de maat der ongeregtigheid vol
door het vervaardigen van wreedaardige wetten, om hen uit hunne Staten
te verdrijven en vergaderen zich aldus toorn tegen den dag des toorns.
Wanneer wij zeggen, dat elk Christen in het Zuiden, die zijne uiterste
krachten niet inspant tegen de onregtvaardige slavenwetten, als
republikeinsch burger schuldig is aan de handhaving dier wetten,--zoo
is het niet minder waar, dat ieder Christen in het Noorden, die
niet doet al wat in zijn vermogen ligt om de intrekking van zulke
wetten in de noordelijke Staten te bewerken, in zoo verre schuldig
is aan haar bestaan. In de laatste jaren heeft het niet ontbroken aan
aanhalingen uit het Oude Testament, om allerlei soort van verdrukking
te regtvaardigen. Een Hindoe, die niets van dat edele en schoone boek
kende dan hetgeen hij vernomen had uit vlugschriften gelijk dat van
den heer Smylie, zou kunnen meenen, dat het eene verhandeling over
het stelen en eene doorloopende regtvaardiging van allerlei roof
was. Doch laat het ons geoorloofd zijn de voorschriften na te gaan,
die God geeft voor de behandeling van den vreemdeling: "Wanneer een
vreemdeling in uw land verkeeren zal, zult gij hem niet verdrukken; de
vreemdeling, die bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling
van ulieden; gij zult hem liefhebben als u-zelven." Van hoeveel meer
kracht is dit gebod nog, wanneer de vreemdeling in ons land gebragt
is door de onregtvaardigheid en wreedheid onzer vaderen!
Met genoegen vermelden wij echter, dat het aantal Staten slechts gering
is waar zulk eene tirannieke wetgeving bestaat. Het is tevens een
grond van bemoediging en hoop, dat het onwijsgeerige en onchristelijke
caste-vooroordeel in vele gedeelten van ons land meer en meer plaats
maakt voor een Christelijker geest.
Vele onzer scholen en akademiën zijn bereid om den kleurling op
gelijken voet met den blanke te ontvangen. Sommige der noordelijke
vrije Staten verleenen den vrijen kleurling volkomene politieke
gelijkheid en voorregten. Onder dat stelsel zijn verscheidene
kleurlingen rijk en beschaafd geworden. Men begint allengs een
belangrijk getal goed opgevoede lieden onder hen te tellen. Onder
hen zijn talentvolle redacteurs, welsprekende redenaars, ijverige
en kundige predikanten. Het doet ons genoegen te kunnen melden,
dat die menschen onder verstandige en Christelijk-gezinde lieden
behandeld worden met de achting die zij verdienen; en zoo hun smaad
of mishandeling bejegent, komt dit meerendeels van de zijde der min
beschaafde klassen, die, minder verlicht zijnde, altijd langer onder
den invloed der vooroordeelen blijven. Bij eene onlangs plaats gehad
hebbende bevestiging in eene der grootste en aanzienlijkste kerken te
New-York, was de predikant, die bevestigde, een zwart man, welke zijn
levensloop ingetreden was als slaaf; en het was ongetwijfeld een grond
van verblijding voor al zijne Christelijke broederen hem thans als
hoofdpersoon te zien bij zulk eene indrukwekkende plegtigheid. Hij
deed de vragen aan den nieuwen predikant in het Duitsch, daar de
hoorders meerendeels Duitschers waren. Onze Christen-vrienden in
Europa kunnen daaruit ten minste afleiden, dat, zoo wij in vroegere
tijden onze gebreken hadden, sommigen onder ons die hebben opgemerkt
en ze trachten te verbeteren.
Om dit gedeelte terstond tot een practisch besluit te brengen wenscht
de schrijfster toe te voegen aan ieder Christen in het bijzonder,
die iets doen wil tot afschaffing der slavernij: Begin met voor de
kleurlingen in uwe nabijheid, te doen wat binnen uw bereik ligt. Worden
kinderen ten gevolge van onregtvaardig vooroordeel van het bezoeken
der school uitgesloten? Poog dat vooroordeel te bestrijden door
regtmatige beweeggronden, met liefderijkheid voorgedragen. Kunt
gij daarin niet slagen, tracht dan op eenige andere wijze voor
het onderwijs dier kinderen te zorgen. Tracht, voor zoo ver dit
in uw vermogen staat, in elken kring des levens voor hen de gewone
voorregten van een Amerikaansch burger te verkrijgen. Zijn zij ter
plaatse waar gij woont van het gebruik van omnibus en spoorwagen
uitgesloten, poog dan diegenen, die daarover het bestuur voeren, tot
meerdere regtvaardigheid en rede te bewegen. De Christenen, die aan
het hoofd staan van werkplaatsen, kunnen veel doen tot het aannemen van
jonge kleurlingen als leerlingen. Vele meesters verontschuldigen zich
over het uitsluiten van de kleurlingen, door te zeggen, dat, wanneer
zij het deden, alle andere knechten hen verlaten zouden. Hierop kan
geantwoord worden, dat, indien zij dit doen in een Christelijken geest
en met een Christelijk doel, het waarschijnlijk is, dat, indien hunne
gezellen aanvankelijk vertrekken, zij later wel weder terug zullen
komen,--allen ten minste op wier behoud zij prijs stellen.
Eene aanzienlijke modemaakster in eene onzer steden heeft, uit
beginsel, gekleurde meisjes als leerlingen aangenomen, en ze aldus in
staat gesteld om op eene eerlijke wijze haar brood te verdienen. Ik
noodig de Christelijke werkbazen, van alle ambachten, uit, deze zaak
met ernst te overwegen, en na te gaan of zij, door die arme menschen
de hand te reiken en hen te brengen tot zedelijkheid, kennis en een
stuk broods, niet eene dienst verrigten zullen, die de Heer aanmerken
zal als Hem-zelven bewezen.
Eene andere zaak, die ik den Christenen ernstig op het hart
druk, is het herstellen en in stand houden van die kerkelijke
gemeenten van kleurlingen, die ontmoedigd en verbrokkeld zijn door
de vlugtelingen-wet. In de stad Boston bevindt zich eene gemeente,
die thans onder schulden en bezwaren zucht, doordien zij genoodzaakt
is geweest hare eigene diakenen in te koopen, ten einde hen tegen de
verschrikkingen van die wet te beveiligen.
Eindelijk: wij behoeven schier niet te zeggen, dat de Christenen in het
Noorden zich onthouden moeten van alle regtstreeksche of zijdelingsche
bemoeijing met den slavenhandel, hetzij door deelgenootschap in
zuidelijke handelhuizen, hetzij door onsterfelijke wezens als onderpand
voor schulden te aanvaarden. Het is noodeloos over dit punt verder
uit te weiden: het spreekt krachtig genoeg.
Door al deze middelen moet de Christelijke Kerk in het Noorden zich
zuiver houden van alle medepligtigheid aan de zonde der slavernij,
en van de onchristelijke gebruiken en vooroordeelen, die er uit
voortgevloeid zijn.
Het tweede middel, dat tot afschaffing der slavernij in het werk kan
gesteld worden, is de kennis.
Ieder Christen behoort aandachtig en met biddenden geest dit
slavernij-stelsel te onderzoeken. Hij moet het beschouwen als
een onderwerp waaromtrent hij zich juiste begrippen en inzigten
verschaffen en de openbare meening, die het krachtigste middel is,
vormen moet. Menigeen onthoudt zich van het nagaan der statistiek
van deze aangelegenheid, omdat hij niet gestemd is voor de menschen,
welke die opgaven bijeengezameld hebben. Zij zeggen, dat zij niet van
het gevoelen zijn der Abolitionisten, en willen daarom geen acht slaan
op de bijgebragte cijfers en feiten. Dit is voorzeker verstandig noch
redelijk. In alle andere omstandigheden waar het onze belangen betreft
zijn wij zeer gretig in het opzamelen van inlichtingen, hetzij wij
al dan niet overeenstemmen met de personen die ze ons verschaffen.
Ieder Christen behoort ernstig na te gaan in hoe verre ons nationaal
gouvernement verbonden is en gebruikt wordt tot handhaving der
slavernij. Oplettend speure hij na de slavenstatistiek van het district
Columbia, en bovenal de statistiek van dat gewettigde stelsel van roof
en verdrukking, waardoor honderden en duizenden jaarlijks aan huis en
magen en al wat dierbaar is ontscheurd en naar het Zuiden gesleept en
daar als beesten op de markten verkocht worden. De walm, opstijgende
uit dien bodemloozen afgrond der ongeregtigheid, verduistert onze zon
voor de oogen van alle volkeren; het gekerm en geween overstemt den
galm onzer psalmen en stichtelijke liederen. Alle natiën weten hoe
het met onze zaak gelegen is; zal die dan voor ons alleen verborgen
blijven? Zullen wij den moed, het geduld niet hebben onze eigene
kwaal grondig te onderzoeken en de diepte van de wond te peilen?
Het derde middel tot afschaffing van de slavernij is de lankmoedigheid.
Het gemis van die eigenschap is het gebrek geweest van de tot nu
toe in het werk gestelde pogingen. De vrienden der goede zaak zijn
niet eensgezind geweest en hebben geen vrede gehad met elkanders
meeningen. In de vroegere geschiedenis van dit onderwerp komt menige
donkere bladzijde voor; maar is het niet inderdaad tijd, dat de
vrienden der slaven het gebeurde vergeten en met vereende pogingen
streven naar hetgeen in het verschiet ligt? De voorstanders van
onmiddellijke afschaffing moeten de bevorderaars van eene trapsgewijze
emancipatie niet met de namen van talmers en verraders bestempelen;
de laatsten moeten ook de eersten niet drijvers en onruststokers
noemen. Er is gewis een liefderijker weg tot wederzijdsche overtuiging
te vinden. Waarheid in liefde gesproken zal steeds dieper doordringen
dan waarheid in toorn geuit; voorshands is het groote doel, onze
zuidelijke broederen te overreden, dat zij ten minste tot eenige
emancipatie overgaan. Wanneer wij eerst zoover zijn, dat zij de
overtuiging hebben iets te moeten doen, dán zal het de tijd zijn
om het vraagstuk te behandelen of dit onmiddellijk of trapsgewijze
zal moeten geschieden. Laten wij tot onze spreuk kiezen: "Daar wij
toe gekomen zijn, laat ons daarin naar denzelfden regel wandelen,
laat ons hetzelfde gevoelen; en indien gij iets anderzins gevoelt,
ook dat zal God u openbaren."--"Laten wij aannemen zelfs hem die zwak
is in den geloove maar niet tot ijdele zamensprekinge." Wij moeten
het goede, dat in sommigen is, niet wegwerpen, omdat het door eenige
vlekken ontsierd wordt.
Gaan wij thans over tot de beschouwing van eene magt, zonder welke
alle andere magten falen moeten: den Heiligen Geest.
De belijdenis van elke Christelijke Kerk, Roomsch, Grieksch,
Episcopaalsch of Protestant, houdt in: "Ik geloof in den Heiligen
Geest." Doch hoe dikwijls leven en handelen Christenen van al die
gezindheden, zelfs in Godsdienstige aangelegenheden, alsof zij nooit
van een Heiligen Geest gehoord hadden. Zoo wij ons op onze eigene rede,
op onze verbijsterde hartstogten, op onzen blinden zelfwil verlaten om
de misbruiken uit den weg te ruimen, zullen wij hierin volstrektelijk
falen. Er is eene in stilte werkende, overtuigende en onweêrstaanbare
magt, die over het duistere en beroerde hart van den mensch zweeft
gelijk zij vroeger zweefde over de duistere en beroerde wateren van
den chaos, en licht uit de duisternis en orde uit de verwarring te
voorschijn bragt.
Is het niet duidelijk voor ieder, die een vrijen blik werpt op
de maatschappij, dat het menschelijk geslacht onderworpen is
aan een zachten maar onweêrstaanbaren invloed, die te gemoet
komt aan het geroep en verlangen naar eene aanstaande eeuw van
welzijn? Wereldschgezinde menschen lezen in de teekenen der tijden
en noemen het Geest der Eeuw; maar moet de Kerk het niet erkennen
voor den Geest van God?
Men vergete echter niet, dat het geschenk van Zijn magtigen
vernieuwenden invloed verbonden is aan de voorwaarde van het
gebed. De krachtige werking, die met den Pinksterdag een aanvang
nam, was voorafgegaan door vereenigde, vurige en onverpoosde
gebeden. Even zulk een geest des gebeds moet voorafgaan aan de komst
van den Heiligen Geest, om eene zoo groote omwenteling te bewerken
als hier bedoeld wordt. Het vermogendste werktuig, dat God in 's
menschen hand gesteld heeft en waaraan al Zijne heerlijke beloften
verknocht zijn, is het gebed. Alle vroegere vooroordeelen en veten
hieromtrent moeten ter zijde gesteld worden en de geheele Kerk moet
zich als één man vereenigen in ernstige, vurige gebeden. Hebben wij
de belofte van den Heiligen Geest vergeten? Hebben wij vergeten,
dat Hij ons eeuwig nabij zou wezen? Hebben wij vergeten, dat Hij de
wereld zal oordeelen? o Goddelijke en Heilige Vertrooster! belofte
des Vaders! gij, eenige Almagtige om op te klaren, te overtuigen
en herboren te doen worden! keer weder, bidden wij, en bezoek dezen
wijngaard, dien Gij geplant hebt! Bij U is niets onmogelijk; wat wij
in onze zwakheid te naauwernood bevatten, kunt Gij verwezenlijken!
Nog een middel tot afschaffing der slavernij is gelegen in ongeveinsde
liefde.
Bij elken zedelijken strijd moet die partij, welke onder allen
tegenstand en vervolging een Goddelijken, onwrikbaren geest
van liefde weet te bewaren, ten slotte zegevieren. Zoo zijn de
onveranderlijke wetten der zedelijke wereld. Toorn, baatzucht,
naijver hebben allen zekere levenskracht. Dikwijls veroorzaken zij meer
vertooning, gedruisch en tijdelijken indruk dan de liefde. Maar al die
hartstogten dragen de kiem van zwakheid in haar boezem. De liefde, de
liefde-alleen, is onsterfelijk; en wanneer reeds alle andere grovere
uitingen der ziel zich-zelven vernietigd hebben, straalt de liefde
steeds door als de poolster met een gloed die nimmer sterft.
Zoo wij dit werk ondernemen, moeten wij èn den slaaf èn den
slavenhouder lief hebben. Wij moeten nimmer uit het oog verliezen,
dat beiden onze broeders zijn. Wij moeten ons voorbereiden miskend,
belasterd, gehaat te zullen worden. Hoe zouden wij zonder die
onaangenaamheden een zoo magtig belang kunnen aantasten? Het moet onze
voldoening zijn, trouwe vrienden te wezen, terwijl wij als bittere
vijanden behandeld worden.
Deze heilige twiststrijd moet een kamp zijn van beginselen, niet
van partijhaat. Wij moeten zorgen, dat hij in onze handen niet
ontaarde in een afkeer van het Zuiden; en te dien einde behooren
wij de beminnelijker hoedanigheden en loffelijker eigenschappen
voor oogen te houden van degenen wier beginselen wij verpligt zijn
te bestrijden. Belasteren zij ons, wij moeten in aanmerking nemen,
dat wij hen in groote verzoeking brengen door instellingen aan te
tasten, waarmede zij door duizende banden van belang en gewoonte
verbonden zijn, zoodat zij grootendeels ongevoelig zijn geworden voor
dat kwaad. De Apostel geeft ons voorschriften hoe wij met broederen,
die ons smaden, handelen moeten: "Geeft acht, opdat ook gij niet in
verzoeking komet." Wij mogen dit op onszelven toepassen en bedenken,
dat, indien wij blootgesteld waren geweest aan de verzoekingen die onze
vrienden in het Zuiden omringen en wij dezelfde opvoeding ontvangen
hadden, wij welligt zouden gevoelen, denken en handelen zoo als
zij. Doch bij al die overwegingen moeten wij tevens bedenken, dat het
geene ware liefde voor het Zuiden is, wanneer wij een verderfelijk
stelsel handhaven en verdedigen; een stelsel, dat even nadeelig
is voor den meester als voor den slaaf; een stelsel dat vruchtbare
velden in woestenijen verandert, en dat schadelijk is voor opvoeding,
zeden, Godsdienst en maatschappelijken vooruitgang; een stelsel,
dat vele verstandige en achtenswaardige mannen in het Zuiden moede
zijn, waaraan zij zich wenschen te onttrekken en ook jaarlijks door
verhuizing werkelijk onttrekken. Evenzeer moeten wij niets laten
afdingen op de regten van den slaaf; want ook hij is onze broeder en
er is in zijn toestand eene reden om voor hem te spreken, die niet in
het geval van zijn meester bestaat. Hij is arm, onbeschaafd, onwetend
en kan niet voor zich-zelven het woord voeren. Wij moeten daarom des
te naijveriger zijn op zijne regten. Wat wij ook afstaan,--nimmer
moet dit geschieden met de regten van de hulpeloozen noch met de
eeuwige beginselen van regt en zedelijkheid.
Nimmer moeten wij toegeven dat het eerlijk is, den werkman van zijn
loon te berooven, ofschoon het, gelijk vele andere schandelijkheden,
gebruikelijk en algemeen is, en zelfs achtenswaardige menschen
onder den invloed van oude vooroordeelen zich daaraan schuldig
maken. Nimmer moeten wij, zelfs maar voor een oogenblik, plaats
geven aan de gedachte, dat een erfgenaam van het Godsrijk verkocht
mag worden, al zij het ook een oud gebruik. Strengelijk moeten wij de
heiligschennende leer verwerpen, dat menschelijke wezens voorwerpen
van eigendom kunnen zijn.
Sommigen hebben het ongerijmd genoemd, beginselen en personen te
scheiden, of aan te nemen, dat hij die eene slechte zaak voorstaat
een goed mensch kan wezen. De ondervinding bewijst het tegendeel. De
onregtvaardigste en tiranniekste stelsels zijn verdedigd door lieden,
die persoonlijk regtvaardig en menschlievend waren. Het is treurig maar
niet minder waar, dat er bijna geen kwaad of onregt bestaat, hetwelk
niet ten eenigen tijde den steun der talenten van een achtenswaardig
man genoten heeft.
Dit is een deel der beproevingen in onzen staat van onvolkomenheid
hier beneden; zoo kwade stelsels hun eenigen steun ontleenden aan de
slechten, onze zedelijke tucht zou veel minder streng en de aanval
meer krachtig en openlijk kunnen zijn.
Wij voor ons zien hooge Christelijke wijsheid in de vroeger door
ons opgeteekende aanmerking van eene arme slavin, wier heele leven
verwoest was door dit stelsel, namelijk "dat wij de zonde moeten haten,
maar den zondaar liefhebben."
De laatste middelen tot afschaffing der slavernij zijn de wapenen
der geregtigheid aan de regter- en aan de linkerzijde.
Hiermede bedoelen wij een ernstig gebruik van alle regtstreeksche,
eerlijke en regtvaardige middelen, die tot de afschaffing van het
slavernij-stelsel kunnen leiden. Iedereen in zijne betrekking moet zich
daartegen verzetten. Al de drogredenen moeten beantwoord, de uit den
Bijbel geputte verdedigingen door gezonde redenering en verklaring
wederlegd worden. Iedere moeder behoorde haren kinderen het kwaad
van dat stelsel te doen inzien. Ieder predikant moet zijne gemeente
rondborstig en onverpoosd waarschuwen tegen medepligtigheid aan
die zonde. Men zegt, dat dit zou zijn de politiek op den predikstoel
brengen. Wij antwoorden, dat, aangezien de menschen in den oordeelsdag
rekenschap zullen te geven hebben van hunne politieke handelingen,
het niet ongepast kan gerekend worden, dat de predikant hen eenigzins
van hunne politieke verantwoordelijkheid inlichte. Te dien dage zal
Christus niemand vragen of hij tot deze of gene partij behoorde;
maar wel, of hij zijne stem uitgebragt heeft in de vreeze Gods en
tot uitbreiding van het rijk der geregtigheid.
Dikwijls heeft men aangemerkt, dat de slavernij eene zonde is,
die op een afstand gepleegd wordt en waarmede wij niets te maken
hebben. Zoo een predikant hiervan de proef wil nemen, hij predike
daarover eens onomwonden en geloovig. Dan zal hij denkelijk bevinden,
dat de wortelen van den giftigen boom uitgeschoten zijn tot onder de
grondslagen der woningen van de Christenen in Nieuw-Engeland en dat
zijne eigene gemeente in de zonde deelt.
Het aantasten van eene instelling waarin zoo veel van de politieke
magt en den rijkdom dezer natie opgesloten ligt, is geen kinderspel,
en zij die het ondernemen zullen spoedig ontwaren, dat zij niet
alleen met vleesch en bloed te kampen hebben. Geene rusting is in
dezen strijd proefhoudend dan de wapenrusting der geregtigheid.
Onzen broederen in het Zuiden heeft God een doorniger pad ter
bewandeling toegewezen. Het hart krimpt ineen bij de gedachte wat
de geloovige Christen zal te verduren hebben, die deze instelling
op haar eigen gebied aantast; maar het moet geschieden. Hoe ging
het in het Noorden? Men stelde pogingen in het werk om door behulp
van het graauw de zaak te smoren. Drukpersen werden verbrijzeld,
huizen neêrgerukt, bezittingen vernield. Brave mannen hielden echter
moedig stand; martelaarsbloed heeft gestroomd voor de vrijheid
van spreken, en zoo is die vrijheid ook verworven. Tegenwoordig
stelt niemand meer dergelijke argumenten in het werk: die dagen zijn
voorbij. Ook in Kentucky heeft men op die wijze de discussie trachten
te onderdrukken. Het oproerige graauw sloeg drukpersen in stukken en
bedreigde het leven van sommige personen. Maar ook daar waren braven,
die geen geweld of doodsbedreigingen vreesden; en het staat thans
vrij in Kentucky, de emancipatie te bespreken. Het is een feit, dat
het Zuiden thans de zaak der slavernij moet behandelen. Het kan dat
vraagstuk niet weren, ten zij beslag gelegd worde op de litteratuur
van de geheele beschaafde wereld. Indien het eene Goddelijke zaak is,
waarom vreest men dan zoo zeer haar aan te roeren? Wat uit God is
kan door de vrije bespreking der geheele wereld niet weggecijferd
worden. Er moet en zal discussie komen; men heeft daartoe alleen
onversaagde mannen als aanvoerders noodig.
Broeders in het Zuiden! Velen uwer hebben de innige overtuiging dat de
slavernij eene zonde, een vreeselijk kwaad is; doch gij zijt beducht,
dat, indien gij voor uwe gevoelens uitkomt en die tracht te bevorderen,
vervolging, verdriet en zelfs de dood u te wachten staan. Hoe kunnen
wij dan van u vergen, dat gij op den voorgrond zult treden? Wij vergen
het ook niet. Hoe zullen wij, die zwak, besluiteloos en wereldschgezind
zijn, van u vergen hetgeen wij-zelven welligt niet zouden durven
verrigten? Maar wij zullen bidden, dat Hij tot u spreke, die meer
dan dit ondernam en verduurde om uwentwille en die u sterkte geven
kan om dit nu om Zijnentwille te ondernemen en te verduren. Hij kan
u verheffen boven alle tijdelijke en wereldsche begrippen. Hij kan
u bezielen met die liefde voor Hem, die u gewillig vader en moeder
en vrouw en kind doet verlaten, om zelfs het leven voor Zijne eer te
verliezen. En zoo Hij u immer brengt tot die plaats waar gij en deze
wereld elkander een laatst vaarwel zeggen, waar gij u voorbereidt om
alles voor Zijne dienst te wagen, waar leven noch dood, verledenheid
noch toekomst u in dit besluit kunnen doen wankelen,--dan zult gij
eene blijdschap kennen die elke andere blijdschap te boven gaat,
en een vrede zoo bestendig en onveranderlijk als de eeuwige Godheid
waaruit zij ontspringt.
Dierbare broederen! moet dit stelsel ten eeuwigen dage in uw land
blijven bestaan? Kunt gij deze slavenwetten beschouwen als iets
anders dan als een gruwel voor den regtvaardigen God? Kunt gij dien
binnenlandschen slavenhandel voor iets anders houden dan voor een
doorn in Zijn oog?
Wij bidden u, werpt een blik in die verschrikkelijke
slavengevangenissen in uwe steden; volgt het bloedige kielspoor
van de schepen langs uwe kusten. Hoe onderstelt gij, dat het Lam
Gods over al die dingen denkt? Wat denkt Hij van al dat gekerm, die
hartverscheuring en dien zielsangst,--Hij wiens hart zoo teeder was,
dat Hij aan het graf van Lazarus tranen stortte over eene smart, die
Hij zoo spoedig weder in blijdschap zou doen verkeeren? Wat denkt
Hij van Christelijke vrouwen die aan hare mannen, mannen die aan
hunne vrouwen ontscheurd worden? Wat denkt Hij van Christendochters,
welke Zijne Kerk eerst doopt, onderwijst en opvoedt en dan als een
handels-artikel verkoopen laat?
Denkt gij dat gebeden, als die van den armen Paul Edmondson,
sterfbedden als dat van Emily Russell, zonder aandoening gezien
worden door dien goedertieren Verlosser, die, hetgeen Zijn minsten
dienstknecht aangedaan wordt, beschouwt als Hem-Zelven aangedaan?
Is, o Christen! wanneer gij het verhaal van Jezus' lijden laast,
nooit het denkbeeld bij u opgekomen, dat gij gaarne met Hem zoudt
geleden hebben? Is het u nooit voorgekomen als bijna oneerlijk,
dat gij het eeuwige leven zoudt aannemen als prijs van de smarten,
die Hij voor u verduurd heeft, terwijl gij geenerlei kruis voor Hem
draagt? Hebt gij ooit gewenscht, dat gij met Hem hadt mogen waken
in die bittere ure in den hof van Gethsemané, toen zelfs Zijne
uitverkorenen sliepen? Hebt gij ooit gewenscht, dat gij bij Hem
hadt mogen zijn toen allen Hem verzaakten en vloden,--dat gij Hem
hadt mogen erkennen toen Petrus hem verloochende,--dat gij Hem hadt
mogen vereeren toen Hij bespot en aangespuwd werd? Zoudt gij het als
te groote eere rekenen, wanneer gij, gelijk Maria, Hem hadt kunnen
volgen naar het kruis, en daar had kunnen staan als een lijdzaam
deelgenoot in dien doodstrijd, die geen medelijden vond? Dat kunt
gij niet doen. Die ure is voorbij gegaan. Christus is thans verheven,
gekroond, verheerlijkt; ieder spreekt wèl van Hem; rijke Kerken rijzen
op ter Zijner eere en kostbare offeranden worden Hem opgedragen. Welke
kans hebt gij onder de menigte om uwe liefde te bewijzen, om te doen
zien dat gij Hem zoudt bijblijven wanneer hij onttroond, veracht,
verzocht, verraden en lijdende was? Kunt gij het door iets anders
toonen dan door de zaak der arme verworpelingen te omhelzen? Zoo
er een volk is binnen uwe landpalen dat door de menschen veracht
en verstooten wordt, dat gebogen gaat onder de verdrukking en grijs
is in de smarte, terwijl de geheele magt van rijkdom en gebruiken,
van politieken en van wereldlijken invloed tegen hunne zaak te velde
trekt,--Christenen, dáár kunt gij Christus verheerlijken!
Zoo gij u met onverschilligheid van deze zaak afwendt: "zoo gij
verzuimt te bevrijden die in de kaken des doods zijn, en die verslagen
dreigen te worden; zoo gij zegt: Zie, wij wisten het niet; zal dan Hij,
die het harte beproeft, dit aannemen? en Hij, die de ziel in Zijne
hand heeft, weet Hij het niet? Zal Hij niet een iegelijk vergelden
naar zijne werken?"
Zal Hij niet in den oordeelsdag tot u zeggen: "Ik ben geweest in
de slaven-gevangenis, in de slaven-karavaan. Ik ben verkocht op uwe
markten; Ik heb om niet gezwoegd op uwe velden; in uwe geregtshoven
heeft men Mij den mond toegewrongen; Mij is geweigerd Mijne eigene
kerkdienst bij te wonen, en gij hebt u des niet aangetrokken. Gij
gingt, de een naar zijne hoeve, de andere naar zijne koopwaren." En
indien gij zult vragen: "Wanneer, o Heer, is dit geschied?" dan zal
Hij u antwoorden: "Voor zoo veel gij dit gedaan hebt aan den minste
van deze Mijne broederen, hebt gij het Mij gedaan."