V. Zal deze straf hen beter maken?--A. Neen.

V. Zeg op: "Het is vreeselijk."--A. "Het is vreeselijk, te vallen

in de handen des levenden Gods."

V. Hoe wordt God voor de goddeloozen genoemd?--A. Een verterend

vuur.

V. Welke plaats moeten wij boven alle andere trachten te

vermijden?--A. De hel.

De eerwaarde Alex. Glennie, predikant van het All-Saints kerspel, te

Waccamaw, in Zuid-Carolina, is vele jaren gewoon geweest, bijzonder met

het oog op de slaven te prediken. In 1844 gaf hij te Charleston eene

keur van die preken in het licht, onder den titel van: Leerredenen,

gepredikt op plantaadjen voor vergaderingen van negers. Er komen

zes en twintig leerredenen in voor, en in twee en twintig daarvan

vindt men een meer of minder groote uitweiding over de hel als een

spoorslag tot pligtsbetrachting. Volgenderwijze beschrijft hij het

laatste oordeel (Vijftiende leerrede, blz. 90):

Wanneer allen voor Hem staan, zal Hij ze afzonderen, gelijk een

herder zijne schapen van de bokken afzondert; en de schapen zal hij

plaatsen aan Zijne regterhand en de bokken ter linkerhand. Die

afzondering, mijne broederen, zal een vreeselijk iets zijn;

wanneer de heilige engelen, op bevel van den grooten Regter, al

de gehoorzame volgelingen van Christus bijeen zullen vergaderen

en hen zullen plaatsen aan de regterzijde van den regterstoel,

en al de overigen aan de linkerhand. Bedenkt, dat ieder uwer

tegenwoordig moet zijn; bedenkt, dat bij den grooten Regter

geene vergissing mogelijk is; en dat gij aan de eene of aan de

andere zijde zult geplaatst worden, naar mate gij in deze wereld

in Hem geloofd en Hem gehoorzaamd zult hebben, of niet. Hoe vol

van vreugde en dankzegging zult gij zijn, indien gij u aan de

regterhand ziet plaatsen! maar ook hoe vol van rampzaligheid en

wanhoop, wanneer de linkerzijde u als plaats aangewezen wordt!

Maar wat zal Hij zeggen tot de goddeloozen aan Zijne

linkerhand? Hun zal Hij toevoegen: "Gaat weg van mij, gij

vervloekten, in het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel

en zijne engelen." Hij zal hen gebieden te vertrekken; hier

op aarde zochten zij Hem niet door boetvaardigheid en geloof;

zij gehoorzaamden Hem niet en thans zal Hij hen uit Zijne

tegenwoordigheid verdrijven. Vervloekten zal Hij ze noemen.

(Eerste Leerrede, blz. 42). De dood, die de bezoldiging is der

zonde, is dat eeuwige vuur, hetwelk voor den duivel en zijne

engelen bereid is. Het is een vuur, dat altijd zal branden; en

de duivel en zijne engelen, en alle menschen, die God niet willen

liefhebben en dienen, zullen daar eeuwige straf lijden. De Bijbel

zegt: "De walm hunner pijniging stijgt in eeuwigheid op." Het vuur

wordt niet gebluscht, het dooft nimmer uit, de worm sterft niet;

want van hunne straf wordt gesproken als van een worm, die altijd

aan hen knaagt, maar hen nimmer verslindt; het kan niet eindigen.

Met opzigt tot de volstrekte heerschappij van den meester kan dienen

het volgende extract uit eene leerrede van bisschop Meade (Brook's

Slavery, blz. 30-32):

Na u aldus de noodzakelijkste verpligtingen te hebben geschetst,

die gij jegens uw grooten Meester in den Hemel hebt te vervullen,

ga ik nu over tot hetgeen gij verschuldigd zijt aan uwe meesters en

meesteressen hier op aarde; hiervoor bestaat een algemeene regel,

dien gij altijd in gedachten behoort te houden, en die is: verrigt

voor hen alle dienst, als of gij het voor God-zelven deedt. Arme

schepsels! weinig bedenkt gij, wanneer gij lui zijt en de zaken

uwer meesters veronachtzaamt, wanneer gij steelt of iets wat het

hunne is verspilt of bederft, wanneer gij eigenzinnig of onheusch

zijt, wanneer gij liegt en hen misleidt, wanneer gij norsch zijt

en niet dan met slagen en straffen tot het werk gedreven kunt

worden,--weinig bedenkt gij dan, zeg ik, dat de misdrijven, aan

welke gij u schuldig maakt jegens uwe meesters en meesteressen,

misdrijven zijn, welke gij begaat jegens God-zelven, die uwe

meesters en meesteressen over u gesteld heeft in Zijne eigene

plaats, en die verwacht, dat gij voor hen stipt hetzelfde zult

doen, wat gij voor Hem zoudt verrigten. En ik bid u, denk toch

niet, dat ik u misleid, wanneer ik u zeg, dat uwe meesters en

meesteressen opzigters zijn van wege God; en dat, indien gij

u jegens hen vergrijpt, God er u strengelijk voor zal straffen

hier namaals, tenzij gij er berouw over hebt en er voor poogde te

boeten door trouw en ijver in den vervolge; want God-zelf heeft

dat verklaard.

Uit dezen algemeenen regel nu,--namelijk, dat gij voor uwe

meesters en meesteressen alles doen moet, alsof gij het voor

God-zelf deedt,--ontspruiten verscheidene andere verpligtingen

jegens uwe meesters en meesteressen, die ik in geleidelijke orde

voor u zal trachten te ontwikkelen.

In de eerste plaats dan, moet gij uwen meesters in alle dingen

gehoorzaam en onderdanig zijn.... En den Christelijken leeraars

wordt bevolen: "de dienstknechten te vermanen om gehoorzaam te

zijn aan hunne eigene meesters, en hen in alle dingen, zonder

tegenspraak of morren te wille te zijn." Gij ziet hoe streng

God van u vordert, dat gij, wat uwe meesters en meesteressen u

bevelen, terstond verrigt en getrouw uitvoert, zonder tegenspreken

of morren, en dat gij zorgt hen in alles te wille te zijn. En tot

uwe aanmoediging verzekert Hij u, dat Hij er u in den hemel voor

zal beloonen, dewijl, wanneer gij eerlijk en trouw de belangen van

uw meester hier beneden waarneemt, gij uw Heer en Meester in den

hemel dient. Gij ziet alzoo, dat gij geen verschil moet maken in

uw gedrag ten aanzien uwer meesters en meesteressen, en dat gij

gehoorzaam en onderworpen moet zijn, niet alleen aan degenen die

goed en minzaam en zachtmoedig jegens u zijn, maar ook aan degenen,

die hard en norsch jegens u mogten wezen. Want gij zijt niet vrij

om uwe eigene meesters te kiezen; maar daar, waar God u geplaatst

heeft, moet gij uw pligt doen en God zal er u voor beloonen.

Gij moet trouw en eerlijk voor uwe meesters en meesteressen

zijn, niet lui wezen of hunne bezittingen verwaarloozen, maar

in alle opzigten u betamelijk jegens hen gedragen.... Zijn het

niet uwe meesters, die, naast God, voor u zorgen? En hoe zullen

zij hiertoe bij magte zijn, hoe u kunnen voeden en kleeden, zoo

gij niet behoorlijk zorgt voor al wat het hunne is? Herinnert u,

dat God dit van u vordert; en zoo gij niet bevreesd zijt voor

straf hier beneden, bedenkt, dat gij niet kunt ontkomen aan de

tuchtiging van den Almagtigen God, die oordeelen zal tusschen u

en uwe meesters, en die u in de andere wereld strengelijk zal doen

boeten voor al hetgeen gij hier jegens hen misdreven hebt. En zoo

gij het zoo loos kondt overleggen, dat gij hier aan de oogen en

handen der menschen ontkwaamt, bedenkt hoe vreeselijk het is te

vallen in de handen des levenden Gods, die in staat is, om beide

ligchaam en ziel in de hel te werpen!

Dient uwen meester met blijmoedigheid, eerbied en

onderdanigheid. Verrigt uws meesters werk goedwillig en

van ganscher harte als de wil Gods, zonder misnoegen of

tegenspraak. Hoe velen uwer handelen geheel anders, en kijven

en knorren, in stede van goedwillig en van harte aan het werk te

gaan, en geven norsche antwoorden en gedragen zich onwillig! Er

is iets zoo innemends in een zedig, blijmoedig en voorkomend

gedrag, dat een weinig werks aldus verrigt, beter gedaan schijnt

te wezen en meer genoegen geeft, dan een veel grootere arbeid,

die met dwang en zweepslagen van u moet verkregen worden. Gij wint

daardoor de achting en welwillendheid van uwe eigenaren en zult

uw eigen leven met meer gemak en genoegen slijten. Bovendien moet

gij in aanmerking nemen, dat uw wrevel en kwade wil uwe meesters

en meesteressen niet alléén treft. Zij bezitten de middelen om u

goed- of kwaadschiks tot uw werk te dwingen. Maar uw murmureren

en grommen geschiedt tegen God, die u in die betrekking geplaatst

heeft en die u in de andere wereld strengelijk zal straffen voor

het in den wind slaan Zijner geboden.

Hier doet zich eene schrikwekkende vraag op: Indien de arme, onwetende

slaaf, die zijns meesters wereldsche goederen tot zijn eigen voordeel

aanwendt, zulk eene strenge straf te gemoet gaat, wat zal dan het

lot zijn van die welopgevoede lieden, die voor hun tijdelijk belang

wetten maken en handhaven, door welke opvolgende geslachten niet alleen

van hunne dagelijksche verdiensten, maar van al hunne aanspraken en

voorregten als onsterfelijke wezens beroofd worden?

De eerwaarde heer Glennie verzekert zijnen hoorders, in een zijner

predikatiën (aangehaald door Bowditch, blz. 137), dat niemand hunner

in den oordeelsdag grond zal hebben, om te zeggen: "Ik had geene

gelegenheid om van mijn God en Verlosser te hooren."

Bisschop Meade (aangehaald bij Brooke, blz. 34 en 35) weidt aldus

voor de slaven uit, over de voordeelen van hun toestand. Men zou,

dit lezende, waarlijk van gevoelen worden, dat ieder zich haastiglijk

als slaaf moest gaan verkoopen, als de zekerste weg naar den hemel.

Weest niet wrevelig of morrend, klaagt of gromt niet over uw

toestand; want dit zal niet alleen uw leven onaangenaam maken,

maar hoogelijk beleedigt gij God daarmede. Bedenkt dat gij het niet

zelven zijt, noch de menschen aan wie gij behoort, waardoor gij

in dezen toestand zijt gebragt, maar dat het de wil van God is,

wiens Voorzienigheid u tot dienstknechten gemaakt heeft, dewijl

Hij ongetwijfeld wist, dat dit zou strekken tot uw welzijn in

deze wereld en om u te zekerder in den hemel te brengen, indien

gij uwe pligten in deze betrekking trouw vervult. Misnoegen,

dat gij niet vrij of rijk of voornaam zijt, gelijk anderen,

die gij ziet, is opstaan tegen uw hemelschen Meester, en God

berispen, die u gemaakt heeft tot hetgeen gij zijt, en u een

even groot deel van Zijn koningrijk beloofd heeft, als den

aanzienlijksten man, die op aarde leeft, als gij u naar behooren

gedraagt en eerlijk en blijmoedig den arbeid verrigt, die u op

aarde opgedragen is. Rijkdom en magt is menige rampzalige ziel

ten verderve geweest, door haar hart van God af te trekken en

aan ijdele en zondige vermaken te doen hangen; zoodat, wanneer

God, die onze harten beter kent dan wij-zelven ze kennen, ziet

dat die gaven ons schade zouden doen en ze ons daarom onthoudt,

dit de grootste genade en gunst is, die Hij ons bewijzen kan.

Misschien verbeeldt gij u, dat gij, rijkdom en vrijheid bezittende,

uwe pligten jegens God en de menschen beter zoudt kunnen vervullen,

dan thans. Maar ik bid u, bedenkt, dat indien gij door Gods genade

uwe zielen redden kunt, gij uw tijd in deze wereld tot het best

mogelijke doeleinde zult besteed hebben; en hij, die eindelijk

den hemel mag bereiken, heeft eene heerlijke reis afgelegd,

hoe bezwaarlijk en doornig het pad ook geweest zij. Bovendien

bezit gij inderdaad een groot voorregt boven de meeste blanken,

die niet alleen belast zijn met hun dagelijkschen arbeid, maar

nog te meer met het bezwaar, om te zorgen voor de behoeften van

morgen en overmorgen, en het kleeden en groot brengen hunner

kinderen en het opwinnen van voedsel en andere levensbehoeften

voor allen, die tot hun gezin behooren, hetgeen hen dikwerf in

groote ongelegenheden brengt en hun geest zoo zeer vervult,

dat hunne gedachten daardoor van de andere wereld afgeleid

worden. Daarentegen zijt gij van al die zorgen bevrijd, en hebt

op niets te letten, dan op uw dagelijkschen arbeid, waarna gij de

vereischte rust kunt nemen. Evenmin behoeft gij er aan te denken,

iets voor den ouden dag op te leggen, gelijk de blanken verpligt

zijn: want de wetten des lands hebben er voor gezorgd, dat gij

niet verjaagd zult worden, wanneer gij niet meer werken kunt,

maar onderhouden, zoo lang gij leeft, door degenen, aan wien gij

behoort, hetzij gij werken kunt of niet.

Bisschop Meade vertroost verder de slaven over zekere onaangenaamheden,

die aan hun toestand eigen zijn, en waarover zij waarschijnlijk meer

reden van klagen meenen te hebben, dan over eenig ander bezwaar. De

lezer zal toestemmen, dat de bisschop de zaak zeer philosophisch

beschouwt.

Er is nog ééne schijnbaar onaangename zaak, waarover ik nu handelen

zal, en dat is de straf.

Nu, wanneer gij straf ontvangt, verdient gij die, of gij verdient

die niet; maar hoe het zij, het is uw pligt, en God eischt dat

van u, er u lijdzaam in te schikken. Misschien acht gij dit

eene harde leer; maar zoo gij de zaak goed inziet, moet gij er

noodwendig anders over beginnen te denken. Gesteld dat gij straf

verdient, dan kunt gij niet anders zeggen dan dat zij u naar

regt en billijkheid toekomt. Gesteld gij verdient geene of ten

minste niet zoo strenge straf voor hetgeen gij bedreven hebt,

dan hebt gij misschien weten te ontkomen aan menige verdiende

straf en ten slotte voor die allen geboet. Of, gesteld dat gij

geheel onschuldig zijt aan hetgeen u te laste gelegd wordt, en

dat gij in dat bijzondere geval ten onregte lijdt; is het dan

niet mogelijk dat gij eenig kwaad bedreven hebt hetwelk nooit

aan het licht is gekomen, en dat de almagtige God, die het u zag

bedrijven, u niet van straf wilde vrij doen blijven? En moet

gij niet, in zulk een geval, Hem eere geven en dankbaar zijn,

dat Hij u liever in dit leven voor uwe boosheid wilde straffen,

dan uwe ziel daarvoor verderven in het volgende leven? Maar stelt,

dat zelfs dit het geval niet ware (ofschoon het moeijelijk te

denken valt), en dat gij op geenerlei wijze, bekend of onbekend,

de straf verdiend hadt die gij ondergaan hebt,--is het dan niet een

groote troost, dat, indien gij het met geduld verduurt en uwe zaak

in handen van God overlaat, Hij er u voor in den hemel beloonen

zal en dat de straf, die u hier onregtvaardiglijk toebedeeld is,

u hier namaals tot overgrooten roem zal verstrekken?

Dat bisschop Meade geene hooge gedachten koestert van de tegenwoordige

genoegens van het slavenleven, mag gewis afgeleid worden uit de

volgende opmerkingen, die hij tot de slaven rigt:

Uwe bekrompene omstandigheden in dit leven moeten u bijzondere

zorg doen dragen voor uwe ziel, want gij kunt de genoegens van dit

leven niet genieten gelijk de vrije lieden die bezittingen en geld

hebben om te besteden zoo als zij goedvinden. Zoo anderen hunne

zielen in gevaar willen stellen, hebben zij de kans om rijkdom en

magt te verkrijgen, om schatten op te stapelen en al het gemak,

de weelde en de vermaken te genieten waarnaar hun hart haakt. Maar

gij kunt van dit alles niets verwerven, zoodat indien gij uwe

ziel op het spel zet voor de armzalige dingen, die gij in deze

wereld verkrijgen kunt, gij inderdaad een zeer slechten koop doet.

Deze ophelderingen zijn ontegenzeggelijk zeer ter zake dienende. Aldus

gaat hij voort:

Het heeft den almagtigen God behaagd, u hier slaven te maken

en u niets dan arbeid en armoede in deze wereld toe te deelen,

waaraan gij verpligt zijt u te onderwerpen, daar het Zijn wil

is. En overlegt eens bij u zelven, hoe verschrikkelijk het wezen

zou, na al uw werk en lijden in dit leven, in de hel geworpen te

worden, en, na uwe ligchamen in de dienst alhier afgezwoegd te

hebben, te geraken in eene nog veel erger slavernij en uwe zielen

aan den duivel overgeleverd te zien om voor eeuwig zijne slaven

in de hel te worden zonder hoop van immer vrij te komen. Indien

gij derhalve vrije lieden in Gods hemel wilt worden, moet gij u

beijveren om braaf te zijn en Hem hier op aarde te dienen. Uwe

ligchamen, dat weet gij, zijn uw eigendom niet; zij behooren aan

uwe meesters; maar uwe kostbare zielen zijn uw eigendom, hetwelk

niemand u buiten uwe schuld kan ontnemen. Bedenkt dus wel, dat,

indien gij uwe zielen verliest door hier een lui en boos leven te

lijden, gij er niets door gewonnen hebt in deze en in tegendeel

alles verloren in de toekomende wereld.

Want uwe luiheid en boosheid worden doorgaans ontdekt en uwe

ligchamen lijden er hier voor; en wat verreweg erger is, zoo gij

niet tot inkeer komt en u betert, zullen uwe ongelukkige zielen

er hier namaals voor lijden.

De heer Jones onderstelt in dat gedeelte van zijn werk waar hij de

tegenwerpingen der meesters tegen het Christelijk onderrigt der slaven

wederlegt, dat de meester de volgende aanmerking maakt:

Gij leert hun, dat God "geen aannemer des persoons" is; "dat Hij

alle geslachten der volkeren van éénen bloede gemaakt heeft;"

"gij zult uwen evennaaste als u-zelven beminnen;" "wat gij wilt

dat u geschiede, doe dat ook aan anderen." Laat ik mogen vragen,

welk gebruik zij van deze spreuken uit het Evangelie kunnen maken?

De heer Jones zegt dan vervolgens:

Het antwoord hierop is, dat het gevolg, waarop in de tegenwerping

gezinspeeld wordt, zou kunnen voortvloeijen uit een onvolkomen en

onverstandig Godsdienstig onderrigt; het zou inderdaad mogelijk

zijn, dat door den onderwijzer het Godsdienstig onderrigt gegeven

wierde met het opzettelijke doel om het bedoelde gevolg te weeg

te brengen, waarvan voorbeelden bestaan.

Maar wie zal zeggen, dat pligtverzuim en ongehoorzaamheid de

noodwendige gevolgen van het Evangelie zijn, wanneer het den

dienaren zuiver en opregtelijk wordt medegedeeld? Is het Evangelie

niet door alle eeuwen heen beschouwd als de grootste beschaver

van het menschelijk geslacht?

Hoe de heer Jones de Blijde Boodschap aan den slaaf zoo zou kunnen

mededeelen, dat de regtvaardiging van het slavernijstelsel er uit

volgde, kunnen wij bij geene mogelijkheid nagaan. Echter zijn wij

in staat om een proefje te geven, hoe zij uitgelegd wordt in de

predikatiën van bisschop Meade, blz. 116 (Brook's Slavery, blz. 32

en 33):

"Wat gij wilt dat u geschiede, doet zoo ook aan anderen;" dat is,

handelt jegens ieder, gelijk gij zoudt wenschen, dat zij ten uwen

aanzien handelden, wanneer gij u bevondt in hunne plaats en zij

in de uwe gesteld waren.

Om dezen regel nu toe te passen op uwe bijzondere omstandigheden

moet gij veronderstellen, dat gij meesters en meesteressen waart

en bedienden onder u hadt; zoudt gij dan niet wenschen, dat uwe

bedienden hun werk trouw en eerlijk verrigtten, zoowel buiten uw

gezigt als onder uwe oogen? zoudt gij niet verwachten, dat zij acht

sloegen op hetgeen gij hun zeidet? dat zij u en de uwen met eerbied

behandelden en voor alles wat u toekwam zoo zorgvuldig zijn zouden

als gij-zelven het zoudt wezen? Gij zijt thans ondergeschikten;

handelt dus zoo als gij zoudt wenschen behandeld te worden, dan

zult gij goede dienaren zijn van uwe meesters en goede dienaren

van God, die dit van u eischt en er u wèl voor beloonen zal,

wanneer gij het van ganscher harte doet uit gehoorzaamheid aan

zijne geboden.

De eerwaarde heeren, die de Schrift aldus uitleggen, doen aan het

gezond verstand hunner zwarte leerlingen groot onregt, wanneer

zij dezen onbekwaam achten om dit dunne webbe van drogredenen te

verbreken en overtuigend te bewijzen dat "menig mes aan twee kanten

snijdt." Een of ander schrander oud man (van den stempel dergenen,

die opstonden en heengingen onder de bewuste predikatie over den brief

aan Philemon, en die zoo veel scherpzinnigheid aan den dag legden bij

het aanvoeren van tegenwerpingen tegen de Goddelijke waarheid, zoo als

men die alleen gezocht zou hebben bij beschaafde lieden) zou welligt,

had hij het durven onderstaan, op zulk eene uitlegging der Schrift

hebben kunnen antwoorden: "Onderstel dat gij een slaaf waart,--dat gij

uw leven lang geen penning van uwe eigene verdiensten genieten kondt,

geen wettig regt op uwe vrouw en uwe kinderen hadt, uwe kinderen niet

naar school mogt zenden, en dat, gelijk gij ons toegevoegd hebt,

arbeid en armoede in dit leven uw deel moest zijn,--hoe zou dit u

bevallen? Zoudt gij niet wenschen, dat uw Christelijke meester u uit

dien toestand bevrijdde?" Wij vragen ieder, die geen aannemer des

persoons is, of deze uitlegging van Sambo niet even goed is als die

van den bisschop? Zoo niet, waarom niet?

Bij onze gevoelens en denkbeelden komen leerredenen als die van

bisschop Meade ons als hoogst hardvochtig en gevoelloos voor. Wij

zouden den man echter groot onregt doen, zoo wij daaruit afleidden, dat

zijn karakter hiermede in overeenstemming was. Het is alleen een nieuw

bewijs hoe de gewoonte beminnelijke en achtenswaardige menschen zoo

gemeenzaam maakt met een stelsel van onderdrukking, dat zij ten slotte

alle gevoel verloren hebben voor het onregt, dat er in opgesloten ligt.

Dat de redeneringen van bisschop Meade hem-zelven niet ten

volle overtuigd hebben, kan daaruit blijken, dat hij, na al zijne

schilderingen van de bijzondere voordeelen van de slavernij als een

middel van Godsdienstige opleiding, eindelijk zijne eigene slaven

emancipeerde.

Doch, bij al hetgeen reeds gezegd is, wordt het geheele stelsel

van Godsdienstig onderrigt verduisterd door eene afgrijselijke

schaduw,--door den slavenhandel. Wat doet de zuidelijke Kerk met

hare catechisanten en lidmaten? Lees de advertentiën maar eens

in de zuidelijke nieuwsbladen, en oordeel. Aanschouw in elke

stad van de slavenkweekende Staten, die magazijnen, welke men

bij voortduring gevuld houdt met gesorteerde negers van tien tot

dertig jaren! Zie in elken slavenverbruikenden Staat de kosthuizen,

waarheen deze beklagenswaardige overblijfselen van huisgezinnen

onophoudelijk heengevoerd worden! Wie predikt het Evangelie aan de

slaven-karavanen? Wie predikt het in de slaven-gevangenissen? Zoo

wij de vreeselijke uitgebreidheid van dien binnenlandschen handel

nagaan,--zoo wij kolommen advertentiën lezen van menschelijke wezens,

die zoo veelvuldig van eigenaar verwisselen als of zij bankbilletten

waren in stede van menschen,--dan zullen wij ons een begrip kunnen

vormen hoe de invloed van het Godsdienstig onderrigt volkomen te

niet gedaan moet worden doordien men de voorwerpen van dat onderrigt

blootgesteld laat "aan al de wisselvalligheden van den eigendom."

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 216 / 220 题