V. Zeg op: "Het is vreeselijk."--A. "Het is vreeselijk, te vallen
in de handen des levenden Gods."
V. Hoe wordt God voor de goddeloozen genoemd?--A. Een verterend
vuur.
V. Welke plaats moeten wij boven alle andere trachten te
vermijden?--A. De hel.
De eerwaarde Alex. Glennie, predikant van het All-Saints kerspel, te
Waccamaw, in Zuid-Carolina, is vele jaren gewoon geweest, bijzonder met
het oog op de slaven te prediken. In 1844 gaf hij te Charleston eene
keur van die preken in het licht, onder den titel van: Leerredenen,
gepredikt op plantaadjen voor vergaderingen van negers. Er komen
zes en twintig leerredenen in voor, en in twee en twintig daarvan
vindt men een meer of minder groote uitweiding over de hel als een
spoorslag tot pligtsbetrachting. Volgenderwijze beschrijft hij het
laatste oordeel (Vijftiende leerrede, blz. 90):
Wanneer allen voor Hem staan, zal Hij ze afzonderen, gelijk een
herder zijne schapen van de bokken afzondert; en de schapen zal hij
plaatsen aan Zijne regterhand en de bokken ter linkerhand. Die
afzondering, mijne broederen, zal een vreeselijk iets zijn;
wanneer de heilige engelen, op bevel van den grooten Regter, al
de gehoorzame volgelingen van Christus bijeen zullen vergaderen
en hen zullen plaatsen aan de regterzijde van den regterstoel,
en al de overigen aan de linkerhand. Bedenkt, dat ieder uwer
tegenwoordig moet zijn; bedenkt, dat bij den grooten Regter
geene vergissing mogelijk is; en dat gij aan de eene of aan de
andere zijde zult geplaatst worden, naar mate gij in deze wereld
in Hem geloofd en Hem gehoorzaamd zult hebben, of niet. Hoe vol
van vreugde en dankzegging zult gij zijn, indien gij u aan de
regterhand ziet plaatsen! maar ook hoe vol van rampzaligheid en
wanhoop, wanneer de linkerzijde u als plaats aangewezen wordt!
Maar wat zal Hij zeggen tot de goddeloozen aan Zijne
linkerhand? Hun zal Hij toevoegen: "Gaat weg van mij, gij
vervloekten, in het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel
en zijne engelen." Hij zal hen gebieden te vertrekken; hier
op aarde zochten zij Hem niet door boetvaardigheid en geloof;
zij gehoorzaamden Hem niet en thans zal Hij hen uit Zijne
tegenwoordigheid verdrijven. Vervloekten zal Hij ze noemen.
(Eerste Leerrede, blz. 42). De dood, die de bezoldiging is der
zonde, is dat eeuwige vuur, hetwelk voor den duivel en zijne
engelen bereid is. Het is een vuur, dat altijd zal branden; en
de duivel en zijne engelen, en alle menschen, die God niet willen
liefhebben en dienen, zullen daar eeuwige straf lijden. De Bijbel
zegt: "De walm hunner pijniging stijgt in eeuwigheid op." Het vuur
wordt niet gebluscht, het dooft nimmer uit, de worm sterft niet;
want van hunne straf wordt gesproken als van een worm, die altijd
aan hen knaagt, maar hen nimmer verslindt; het kan niet eindigen.
Met opzigt tot de volstrekte heerschappij van den meester kan dienen
het volgende extract uit eene leerrede van bisschop Meade (Brook's
Slavery, blz. 30-32):
Na u aldus de noodzakelijkste verpligtingen te hebben geschetst,
die gij jegens uw grooten Meester in den Hemel hebt te vervullen,
ga ik nu over tot hetgeen gij verschuldigd zijt aan uwe meesters en
meesteressen hier op aarde; hiervoor bestaat een algemeene regel,
dien gij altijd in gedachten behoort te houden, en die is: verrigt
voor hen alle dienst, als of gij het voor God-zelven deedt. Arme
schepsels! weinig bedenkt gij, wanneer gij lui zijt en de zaken
uwer meesters veronachtzaamt, wanneer gij steelt of iets wat het
hunne is verspilt of bederft, wanneer gij eigenzinnig of onheusch
zijt, wanneer gij liegt en hen misleidt, wanneer gij norsch zijt
en niet dan met slagen en straffen tot het werk gedreven kunt
worden,--weinig bedenkt gij dan, zeg ik, dat de misdrijven, aan
welke gij u schuldig maakt jegens uwe meesters en meesteressen,
misdrijven zijn, welke gij begaat jegens God-zelven, die uwe
meesters en meesteressen over u gesteld heeft in Zijne eigene
plaats, en die verwacht, dat gij voor hen stipt hetzelfde zult
doen, wat gij voor Hem zoudt verrigten. En ik bid u, denk toch
niet, dat ik u misleid, wanneer ik u zeg, dat uwe meesters en
meesteressen opzigters zijn van wege God; en dat, indien gij
u jegens hen vergrijpt, God er u strengelijk voor zal straffen
hier namaals, tenzij gij er berouw over hebt en er voor poogde te
boeten door trouw en ijver in den vervolge; want God-zelf heeft
dat verklaard.
Uit dezen algemeenen regel nu,--namelijk, dat gij voor uwe
meesters en meesteressen alles doen moet, alsof gij het voor
God-zelf deedt,--ontspruiten verscheidene andere verpligtingen
jegens uwe meesters en meesteressen, die ik in geleidelijke orde
voor u zal trachten te ontwikkelen.
In de eerste plaats dan, moet gij uwen meesters in alle dingen
gehoorzaam en onderdanig zijn.... En den Christelijken leeraars
wordt bevolen: "de dienstknechten te vermanen om gehoorzaam te
zijn aan hunne eigene meesters, en hen in alle dingen, zonder
tegenspraak of morren te wille te zijn." Gij ziet hoe streng
God van u vordert, dat gij, wat uwe meesters en meesteressen u
bevelen, terstond verrigt en getrouw uitvoert, zonder tegenspreken
of morren, en dat gij zorgt hen in alles te wille te zijn. En tot
uwe aanmoediging verzekert Hij u, dat Hij er u in den hemel voor
zal beloonen, dewijl, wanneer gij eerlijk en trouw de belangen van
uw meester hier beneden waarneemt, gij uw Heer en Meester in den
hemel dient. Gij ziet alzoo, dat gij geen verschil moet maken in
uw gedrag ten aanzien uwer meesters en meesteressen, en dat gij
gehoorzaam en onderworpen moet zijn, niet alleen aan degenen die
goed en minzaam en zachtmoedig jegens u zijn, maar ook aan degenen,
die hard en norsch jegens u mogten wezen. Want gij zijt niet vrij
om uwe eigene meesters te kiezen; maar daar, waar God u geplaatst
heeft, moet gij uw pligt doen en God zal er u voor beloonen.
Gij moet trouw en eerlijk voor uwe meesters en meesteressen
zijn, niet lui wezen of hunne bezittingen verwaarloozen, maar
in alle opzigten u betamelijk jegens hen gedragen.... Zijn het
niet uwe meesters, die, naast God, voor u zorgen? En hoe zullen
zij hiertoe bij magte zijn, hoe u kunnen voeden en kleeden, zoo
gij niet behoorlijk zorgt voor al wat het hunne is? Herinnert u,
dat God dit van u vordert; en zoo gij niet bevreesd zijt voor
straf hier beneden, bedenkt, dat gij niet kunt ontkomen aan de
tuchtiging van den Almagtigen God, die oordeelen zal tusschen u
en uwe meesters, en die u in de andere wereld strengelijk zal doen
boeten voor al hetgeen gij hier jegens hen misdreven hebt. En zoo
gij het zoo loos kondt overleggen, dat gij hier aan de oogen en
handen der menschen ontkwaamt, bedenkt hoe vreeselijk het is te
vallen in de handen des levenden Gods, die in staat is, om beide
ligchaam en ziel in de hel te werpen!
Dient uwen meester met blijmoedigheid, eerbied en
onderdanigheid. Verrigt uws meesters werk goedwillig en
van ganscher harte als de wil Gods, zonder misnoegen of
tegenspraak. Hoe velen uwer handelen geheel anders, en kijven
en knorren, in stede van goedwillig en van harte aan het werk te
gaan, en geven norsche antwoorden en gedragen zich onwillig! Er
is iets zoo innemends in een zedig, blijmoedig en voorkomend
gedrag, dat een weinig werks aldus verrigt, beter gedaan schijnt
te wezen en meer genoegen geeft, dan een veel grootere arbeid,
die met dwang en zweepslagen van u moet verkregen worden. Gij wint
daardoor de achting en welwillendheid van uwe eigenaren en zult
uw eigen leven met meer gemak en genoegen slijten. Bovendien moet
gij in aanmerking nemen, dat uw wrevel en kwade wil uwe meesters
en meesteressen niet alléén treft. Zij bezitten de middelen om u
goed- of kwaadschiks tot uw werk te dwingen. Maar uw murmureren
en grommen geschiedt tegen God, die u in die betrekking geplaatst
heeft en die u in de andere wereld strengelijk zal straffen voor
het in den wind slaan Zijner geboden.
Hier doet zich eene schrikwekkende vraag op: Indien de arme, onwetende
slaaf, die zijns meesters wereldsche goederen tot zijn eigen voordeel
aanwendt, zulk eene strenge straf te gemoet gaat, wat zal dan het
lot zijn van die welopgevoede lieden, die voor hun tijdelijk belang
wetten maken en handhaven, door welke opvolgende geslachten niet alleen
van hunne dagelijksche verdiensten, maar van al hunne aanspraken en
voorregten als onsterfelijke wezens beroofd worden?
De eerwaarde heer Glennie verzekert zijnen hoorders, in een zijner
predikatiën (aangehaald door Bowditch, blz. 137), dat niemand hunner
in den oordeelsdag grond zal hebben, om te zeggen: "Ik had geene
gelegenheid om van mijn God en Verlosser te hooren."
Bisschop Meade (aangehaald bij Brooke, blz. 34 en 35) weidt aldus
voor de slaven uit, over de voordeelen van hun toestand. Men zou,
dit lezende, waarlijk van gevoelen worden, dat ieder zich haastiglijk
als slaaf moest gaan verkoopen, als de zekerste weg naar den hemel.
Weest niet wrevelig of morrend, klaagt of gromt niet over uw
toestand; want dit zal niet alleen uw leven onaangenaam maken,
maar hoogelijk beleedigt gij God daarmede. Bedenkt dat gij het niet
zelven zijt, noch de menschen aan wie gij behoort, waardoor gij
in dezen toestand zijt gebragt, maar dat het de wil van God is,
wiens Voorzienigheid u tot dienstknechten gemaakt heeft, dewijl
Hij ongetwijfeld wist, dat dit zou strekken tot uw welzijn in
deze wereld en om u te zekerder in den hemel te brengen, indien
gij uwe pligten in deze betrekking trouw vervult. Misnoegen,
dat gij niet vrij of rijk of voornaam zijt, gelijk anderen,
die gij ziet, is opstaan tegen uw hemelschen Meester, en God
berispen, die u gemaakt heeft tot hetgeen gij zijt, en u een
even groot deel van Zijn koningrijk beloofd heeft, als den
aanzienlijksten man, die op aarde leeft, als gij u naar behooren
gedraagt en eerlijk en blijmoedig den arbeid verrigt, die u op
aarde opgedragen is. Rijkdom en magt is menige rampzalige ziel
ten verderve geweest, door haar hart van God af te trekken en
aan ijdele en zondige vermaken te doen hangen; zoodat, wanneer
God, die onze harten beter kent dan wij-zelven ze kennen, ziet
dat die gaven ons schade zouden doen en ze ons daarom onthoudt,
dit de grootste genade en gunst is, die Hij ons bewijzen kan.
Misschien verbeeldt gij u, dat gij, rijkdom en vrijheid bezittende,
uwe pligten jegens God en de menschen beter zoudt kunnen vervullen,
dan thans. Maar ik bid u, bedenkt, dat indien gij door Gods genade
uwe zielen redden kunt, gij uw tijd in deze wereld tot het best
mogelijke doeleinde zult besteed hebben; en hij, die eindelijk
den hemel mag bereiken, heeft eene heerlijke reis afgelegd,
hoe bezwaarlijk en doornig het pad ook geweest zij. Bovendien
bezit gij inderdaad een groot voorregt boven de meeste blanken,
die niet alleen belast zijn met hun dagelijkschen arbeid, maar
nog te meer met het bezwaar, om te zorgen voor de behoeften van
morgen en overmorgen, en het kleeden en groot brengen hunner
kinderen en het opwinnen van voedsel en andere levensbehoeften
voor allen, die tot hun gezin behooren, hetgeen hen dikwerf in
groote ongelegenheden brengt en hun geest zoo zeer vervult,
dat hunne gedachten daardoor van de andere wereld afgeleid
worden. Daarentegen zijt gij van al die zorgen bevrijd, en hebt
op niets te letten, dan op uw dagelijkschen arbeid, waarna gij de
vereischte rust kunt nemen. Evenmin behoeft gij er aan te denken,
iets voor den ouden dag op te leggen, gelijk de blanken verpligt
zijn: want de wetten des lands hebben er voor gezorgd, dat gij
niet verjaagd zult worden, wanneer gij niet meer werken kunt,
maar onderhouden, zoo lang gij leeft, door degenen, aan wien gij
behoort, hetzij gij werken kunt of niet.
Bisschop Meade vertroost verder de slaven over zekere onaangenaamheden,
die aan hun toestand eigen zijn, en waarover zij waarschijnlijk meer
reden van klagen meenen te hebben, dan over eenig ander bezwaar. De
lezer zal toestemmen, dat de bisschop de zaak zeer philosophisch
beschouwt.
Er is nog ééne schijnbaar onaangename zaak, waarover ik nu handelen
zal, en dat is de straf.
Nu, wanneer gij straf ontvangt, verdient gij die, of gij verdient
die niet; maar hoe het zij, het is uw pligt, en God eischt dat
van u, er u lijdzaam in te schikken. Misschien acht gij dit
eene harde leer; maar zoo gij de zaak goed inziet, moet gij er
noodwendig anders over beginnen te denken. Gesteld dat gij straf
verdient, dan kunt gij niet anders zeggen dan dat zij u naar
regt en billijkheid toekomt. Gesteld gij verdient geene of ten
minste niet zoo strenge straf voor hetgeen gij bedreven hebt,
dan hebt gij misschien weten te ontkomen aan menige verdiende
straf en ten slotte voor die allen geboet. Of, gesteld dat gij
geheel onschuldig zijt aan hetgeen u te laste gelegd wordt, en
dat gij in dat bijzondere geval ten onregte lijdt; is het dan
niet mogelijk dat gij eenig kwaad bedreven hebt hetwelk nooit
aan het licht is gekomen, en dat de almagtige God, die het u zag
bedrijven, u niet van straf wilde vrij doen blijven? En moet
gij niet, in zulk een geval, Hem eere geven en dankbaar zijn,
dat Hij u liever in dit leven voor uwe boosheid wilde straffen,
dan uwe ziel daarvoor verderven in het volgende leven? Maar stelt,
dat zelfs dit het geval niet ware (ofschoon het moeijelijk te
denken valt), en dat gij op geenerlei wijze, bekend of onbekend,
de straf verdiend hadt die gij ondergaan hebt,--is het dan niet een
groote troost, dat, indien gij het met geduld verduurt en uwe zaak
in handen van God overlaat, Hij er u voor in den hemel beloonen
zal en dat de straf, die u hier onregtvaardiglijk toebedeeld is,
u hier namaals tot overgrooten roem zal verstrekken?
Dat bisschop Meade geene hooge gedachten koestert van de tegenwoordige
genoegens van het slavenleven, mag gewis afgeleid worden uit de
volgende opmerkingen, die hij tot de slaven rigt:
Uwe bekrompene omstandigheden in dit leven moeten u bijzondere
zorg doen dragen voor uwe ziel, want gij kunt de genoegens van dit
leven niet genieten gelijk de vrije lieden die bezittingen en geld
hebben om te besteden zoo als zij goedvinden. Zoo anderen hunne
zielen in gevaar willen stellen, hebben zij de kans om rijkdom en
magt te verkrijgen, om schatten op te stapelen en al het gemak,
de weelde en de vermaken te genieten waarnaar hun hart haakt. Maar
gij kunt van dit alles niets verwerven, zoodat indien gij uwe
ziel op het spel zet voor de armzalige dingen, die gij in deze
wereld verkrijgen kunt, gij inderdaad een zeer slechten koop doet.
Deze ophelderingen zijn ontegenzeggelijk zeer ter zake dienende. Aldus
gaat hij voort:
Het heeft den almagtigen God behaagd, u hier slaven te maken
en u niets dan arbeid en armoede in deze wereld toe te deelen,
waaraan gij verpligt zijt u te onderwerpen, daar het Zijn wil
is. En overlegt eens bij u zelven, hoe verschrikkelijk het wezen
zou, na al uw werk en lijden in dit leven, in de hel geworpen te
worden, en, na uwe ligchamen in de dienst alhier afgezwoegd te
hebben, te geraken in eene nog veel erger slavernij en uwe zielen
aan den duivel overgeleverd te zien om voor eeuwig zijne slaven
in de hel te worden zonder hoop van immer vrij te komen. Indien
gij derhalve vrije lieden in Gods hemel wilt worden, moet gij u
beijveren om braaf te zijn en Hem hier op aarde te dienen. Uwe
ligchamen, dat weet gij, zijn uw eigendom niet; zij behooren aan
uwe meesters; maar uwe kostbare zielen zijn uw eigendom, hetwelk
niemand u buiten uwe schuld kan ontnemen. Bedenkt dus wel, dat,
indien gij uwe zielen verliest door hier een lui en boos leven te
lijden, gij er niets door gewonnen hebt in deze en in tegendeel
alles verloren in de toekomende wereld.
Want uwe luiheid en boosheid worden doorgaans ontdekt en uwe
ligchamen lijden er hier voor; en wat verreweg erger is, zoo gij
niet tot inkeer komt en u betert, zullen uwe ongelukkige zielen
er hier namaals voor lijden.
De heer Jones onderstelt in dat gedeelte van zijn werk waar hij de
tegenwerpingen der meesters tegen het Christelijk onderrigt der slaven
wederlegt, dat de meester de volgende aanmerking maakt:
Gij leert hun, dat God "geen aannemer des persoons" is; "dat Hij
alle geslachten der volkeren van éénen bloede gemaakt heeft;"
"gij zult uwen evennaaste als u-zelven beminnen;" "wat gij wilt
dat u geschiede, doe dat ook aan anderen." Laat ik mogen vragen,
welk gebruik zij van deze spreuken uit het Evangelie kunnen maken?
De heer Jones zegt dan vervolgens:
Het antwoord hierop is, dat het gevolg, waarop in de tegenwerping
gezinspeeld wordt, zou kunnen voortvloeijen uit een onvolkomen en
onverstandig Godsdienstig onderrigt; het zou inderdaad mogelijk
zijn, dat door den onderwijzer het Godsdienstig onderrigt gegeven
wierde met het opzettelijke doel om het bedoelde gevolg te weeg
te brengen, waarvan voorbeelden bestaan.
Maar wie zal zeggen, dat pligtverzuim en ongehoorzaamheid de
noodwendige gevolgen van het Evangelie zijn, wanneer het den
dienaren zuiver en opregtelijk wordt medegedeeld? Is het Evangelie
niet door alle eeuwen heen beschouwd als de grootste beschaver
van het menschelijk geslacht?
Hoe de heer Jones de Blijde Boodschap aan den slaaf zoo zou kunnen
mededeelen, dat de regtvaardiging van het slavernijstelsel er uit
volgde, kunnen wij bij geene mogelijkheid nagaan. Echter zijn wij
in staat om een proefje te geven, hoe zij uitgelegd wordt in de
predikatiën van bisschop Meade, blz. 116 (Brook's Slavery, blz. 32
en 33):
"Wat gij wilt dat u geschiede, doet zoo ook aan anderen;" dat is,
handelt jegens ieder, gelijk gij zoudt wenschen, dat zij ten uwen
aanzien handelden, wanneer gij u bevondt in hunne plaats en zij
in de uwe gesteld waren.
Om dezen regel nu toe te passen op uwe bijzondere omstandigheden
moet gij veronderstellen, dat gij meesters en meesteressen waart
en bedienden onder u hadt; zoudt gij dan niet wenschen, dat uwe
bedienden hun werk trouw en eerlijk verrigtten, zoowel buiten uw
gezigt als onder uwe oogen? zoudt gij niet verwachten, dat zij acht
sloegen op hetgeen gij hun zeidet? dat zij u en de uwen met eerbied
behandelden en voor alles wat u toekwam zoo zorgvuldig zijn zouden
als gij-zelven het zoudt wezen? Gij zijt thans ondergeschikten;
handelt dus zoo als gij zoudt wenschen behandeld te worden, dan
zult gij goede dienaren zijn van uwe meesters en goede dienaren
van God, die dit van u eischt en er u wèl voor beloonen zal,
wanneer gij het van ganscher harte doet uit gehoorzaamheid aan
zijne geboden.
De eerwaarde heeren, die de Schrift aldus uitleggen, doen aan het
gezond verstand hunner zwarte leerlingen groot onregt, wanneer
zij dezen onbekwaam achten om dit dunne webbe van drogredenen te
verbreken en overtuigend te bewijzen dat "menig mes aan twee kanten
snijdt." Een of ander schrander oud man (van den stempel dergenen,
die opstonden en heengingen onder de bewuste predikatie over den brief
aan Philemon, en die zoo veel scherpzinnigheid aan den dag legden bij
het aanvoeren van tegenwerpingen tegen de Goddelijke waarheid, zoo als
men die alleen gezocht zou hebben bij beschaafde lieden) zou welligt,
had hij het durven onderstaan, op zulk eene uitlegging der Schrift
hebben kunnen antwoorden: "Onderstel dat gij een slaaf waart,--dat gij
uw leven lang geen penning van uwe eigene verdiensten genieten kondt,
geen wettig regt op uwe vrouw en uwe kinderen hadt, uwe kinderen niet
naar school mogt zenden, en dat, gelijk gij ons toegevoegd hebt,
arbeid en armoede in dit leven uw deel moest zijn,--hoe zou dit u
bevallen? Zoudt gij niet wenschen, dat uw Christelijke meester u uit
dien toestand bevrijdde?" Wij vragen ieder, die geen aannemer des
persoons is, of deze uitlegging van Sambo niet even goed is als die
van den bisschop? Zoo niet, waarom niet?
Bij onze gevoelens en denkbeelden komen leerredenen als die van
bisschop Meade ons als hoogst hardvochtig en gevoelloos voor. Wij
zouden den man echter groot onregt doen, zoo wij daaruit afleidden, dat
zijn karakter hiermede in overeenstemming was. Het is alleen een nieuw
bewijs hoe de gewoonte beminnelijke en achtenswaardige menschen zoo
gemeenzaam maakt met een stelsel van onderdrukking, dat zij ten slotte
alle gevoel verloren hebben voor het onregt, dat er in opgesloten ligt.
Dat de redeneringen van bisschop Meade hem-zelven niet ten
volle overtuigd hebben, kan daaruit blijken, dat hij, na al zijne
schilderingen van de bijzondere voordeelen van de slavernij als een
middel van Godsdienstige opleiding, eindelijk zijne eigene slaven
emancipeerde.
Doch, bij al hetgeen reeds gezegd is, wordt het geheele stelsel
van Godsdienstig onderrigt verduisterd door eene afgrijselijke
schaduw,--door den slavenhandel. Wat doet de zuidelijke Kerk met
hare catechisanten en lidmaten? Lees de advertentiën maar eens
in de zuidelijke nieuwsbladen, en oordeel. Aanschouw in elke
stad van de slavenkweekende Staten, die magazijnen, welke men
bij voortduring gevuld houdt met gesorteerde negers van tien tot
dertig jaren! Zie in elken slavenverbruikenden Staat de kosthuizen,
waarheen deze beklagenswaardige overblijfselen van huisgezinnen
onophoudelijk heengevoerd worden! Wie predikt het Evangelie aan de
slaven-karavanen? Wie predikt het in de slaven-gevangenissen? Zoo
wij de vreeselijke uitgebreidheid van dien binnenlandschen handel
nagaan,--zoo wij kolommen advertentiën lezen van menschelijke wezens,
die zoo veelvuldig van eigenaar verwisselen als of zij bankbilletten
waren in stede van menschen,--dan zullen wij ons een begrip kunnen
vormen hoe de invloed van het Godsdienstig onderrigt volkomen te
niet gedaan moet worden doordien men de voorwerpen van dat onderrigt
blootgesteld laat "aan al de wisselvalligheden van den eigendom."