HET CHRISTENDOM HEEFT DE SLAVERNIJ FEITELIJK AFGESCHAFT.

Maar heeft het Christendom de slavernij feitelijk afgeschaft? Wij

antwoorden, ja.

Laat ons een blik werpen op den stand van zaken. Toen Christus op aarde

verscheen, strekte de slavernij zich uit over de geheele beschaafde

wereld. De krijgsgevangenen werden steeds tot slavernij gedoemd;

daar de oorlogen zeer veelvuldig waren, kregen de gelederen der

slaven voortdurend nieuwen toevoer; en dewijl de slavernij erfelijk

en eindeloos was, bestond er alle reden om te gelooven, dat het getal

der slaven onbegrensd zou hebben toegenomen, zoo niet deze of gene

invloed er eene grens aan gesteld had. Dit is één feit.

Vestigen wij thans den blik op een tweede. Ten tijde van de

Hervorming had de eigenlijke slavernij, waarbij de slaven gekocht en

verkocht konden worden, in alle beschaafde landen der wereld geheel

opgehouden. Niet door eenig bijzonder edict, door geene bepaalde

emancipatie-wetten, maar door den voortgaanden invloed eener langzaam

werkende, onzigtbare magt, was dit geheele uitgebreide systeem

weggesmolten als sneeuw voor de lente-zonnestralen.

Zoo deze beide feiten toegegeven zijn, rijst de vraag: Wat bragt

die verandering te weeg? Indien wij tot de overtuiging komen dat

de magtigste instelling van de beschaafde wereld ten dien tijde,

een stelsel van maatregelen uitvoerde, welke de regtstreeksche

strekking hadden om zulk een uitslag voort te brengen, dan moeten

wij het natuurlijk aan die instelling toeschrijven.

De Spaansche schrijver Balmes wijdt in zijn werk, dat getiteld is:

Het Protestantismus vergeleken met het Catholicismus, een hoofdstuk

aan het tegen de slavernij gerigte streven der Kerk, waarin hij al

de maatregelen uiteenzet, welke de Kerk te dien aanzien in het werk

stelde, en naar volgorde al de daartoe betrekkelijke decreten der

Conciliën aanhaalt. Die decreten zelve, geeft hij in een Aanhangsel

voluit in hun oorspronkelijk Latijn. Wij moeten onze sympathie

uitdrukken voor den edelen geest waarin hij dat gewigtige onderwerp

behandeld heeft, en voor de hooge gedachten die wij ons daardoor

vormen kunnen van den verheven en eerbiedwekkenden aard van het

Christendom. Het is het geschrift van een man van verlichten en

edelaardigen geest, in staat om zulke inzigten te waarderen,--een

achtbaar, ernstig en innig Godsdienstig man, ofschoon blijkbaar

ten diepste overtuigd van de waarheid van zijne eigene, bijzondere

belijdenis.

Uit het werk van Balmes zullen wij een kort overzigt geven van het

streven der Kerk in de eerste tijden. Men zal wel doen, daarbij het

bijzondere karakter van die tijden in het oog te houden.

Zij begon haar arbeid in het onstuimige en verwarde tijdperk van

de maatschappij, dat op de ineenstorting van het Romeinsche rijk

volgde. Alle gebruiken waren toen ruw en barbaarsch. Ofschoon het

Christendom, als stelsel, in naam zeer algemeen omhelsd werd, drong

het echter niet, gelijk bij de eerste bekeerlingen, tot het hart

door, noch deed hen eene andere natuur aannemen. Geweldoefening was

aan de orde van den dag; en het Christendom van de woeste Noordsche

volken, die omstreeks dezen tijd de meesters van Europa werden, was

verontreinigd met de barbaarschheden van hun voormalig heidensch

geloof. De instelling der slavernij in zulk een maatschappelijken

toestand uit te roeijen, vereischte natuurlijk geheel andere middelen

dan noodig zouden zijn bij de meerdere verlichting der nieuwere tijden.

Geene magt dan welke van dien aard was als de Christelijke Kerk

toen bezat, zou in dezen iets hebben kunnen uitwerken. Wel verre van

vervolgd en geminacht te worden, gelijk in de tijden der Apostelen,

was de Kerk thans een ligchaam van groot vermogen,--een vermogen,

dat bijzonder geschikt was voor die ruwe en onbeschaafde eeuwen. Zij

beschikte over al die elementen van vrees, geheimzinnigheid en

bijgeloof, welke evenzeer de meeste kracht hebben in barbaarsche

tijden, als tegenover barbaarsche personen, en zij wreekte de

overtreding van hare geboden door straffen, die te meer gevreesd

werden, omdat zij betrekking hadden op eene schrikwekkende toekomst,

die zooveel verborgens bevatte en slechts onvolkomen begrepen werd.

Toen de Kerk de slavernij aantastte, begon zij niet met het afkondigen

van eene algemeene emancipatie, omdat zij den barbaarschen en

ongevestigden staat der maatschappij, de gewelddadigheden en de

verdeeldheid niet wilde vermeerderen door de toevoeging van dit

nieuwe element. Zelfs verbood een zeker Concilie, onder bedreiging

van kerkelijke straffen, het prediken dat de slaven terstond hunne

meesters moesten verlaten.

De Kerk begon met de beperking van de magt des meesters en met het

beschermen van den slaaf. Het Concilie van Orleans, schonk in 549 den

slaaf, die met straf bedreigd werd, het voorregt om de vlugt te mogen

nemen in eene kerk, en verbood den meester hem daaruit te halen, zoo

hij niet een plegtigen eed aflegde, dat hij hem geen leed zou doen;

en zoo hij den geest van dien eed schond, werd hij verstoken van de

gemeenschap der Kerk en van de Sacramenten,--eene straf, welke in die

dagen met zulk een bijgeloovigen schrik werd beschouwd, dat de meest

barbaarschen zich daaraan te naauwernood durfden blootstellen. Later

voerde men het gebruik in, om bij zulke gevallen een eed te vorderen,

niet alleen dat de slaaf vrij zou zijn van ligchaamsstraf, maar tevens

dat hij niet gestraft zou worden door het opleggen van meerderen

arbeid of door eenig schandeteeken. Toen hierover klagten rezen,

als zijnde dit eene te groote gunst voor den slaaf, was het uiterste

wat men van de Kerk bij wege van inschikkelijkheid kon verwerven,

dat in gevallen van zeer afschuwelijke misdrijven, de meester niet

verpligt zou zijn, de beide laatste beloften af te leggen.

Er was onder de Gothen eene straf in zwang, die erger gevreesd werd

dan de dood. Zij bestond in het afscheren van het hoofdhaar. Dit werd

als eene eeuwigdurende schande beschouwd. Was eenen Goth eenmaal het

haar afgeschoren, dan was voor hem alles voorbij. De 15de canon van

het Concilie van Merida, in 666 gehouden, verbood den geestelijken

hunne slaven deze straf aan te doen, alsmede de uitoefening van elke

andere soort van geweld; er werd bij bepaald, dat, zoo een slaaf zich

misdroeg, hij niet blootgesteld zou zijn aan bijzondere wraakneming,

maar overgeleverd zou worden aan den wereldlijken regter, en dat de

bisschoppen hun invloed alleen zouden aanwenden, om eene verzachting

van de straf te verwerven. Hier werd de openbare regtspraak in

de plaats gesteld van persoonlijke regtverschaffing,--inderdaad,

eene belangrijke schrede voorwaarts. De Kerk bepaalde verder, in

twee Conciliën, dat de meester, die op eigen gezag zijn slaaf van

het leven beroofde, twee jaren lang verstoken zou blijven van alle

gemeenschap met de Kerk,--eene straf, welke in de schatting van die

tijden een mensch aan de ijselijkste gevaren blootstelde, daar zij

hem in het oog der maatschappij van al wat heilig was verwijderd

hield, en hem aan zich-zelven en aan anderen deed voorkomen als met

de ontzettendste zonde beladen.

Behalve de bescherming voor lijf en leven, die de Kerk verleende,

strekte zij haar behoedend schild ook over de familie-betrekking

van den slaaf uit. Volgens de oude Romeinsche wet kon de slaaf geen

wettig, onverbreekbaar huwelijk aangaan. De Kerk van die tijden

bediende zich, tot bestrijding van dat heidensche denkbeeld, van de

Catholijke stelling, dat het huwelijk een sacrament is. Paus Adriaan

I zeide: "Daar wij, overeenkomstig de woorden van den Apostel,

in Jezus Christus, noch slaaf noch vrijman, verstoken mogen laten

van de sacramenten der Kerk, zoo is het in geen opzigt geoorloofd,

het huwelijk der slaven te beletten; en zoo zij hun huwelijk hebben

aangegaan trots den weêrstand en het misnoegen hunner meesters,

behoort het toch niet ontbonden te worden." De H. Thomas was van

dezelfde zienswijze, want hij houdt openlijk vol, dat slaven, met

opzigt tot het aangaan van een huwelijk, niet verpligt zijn hunnen

meesters te gehoorzamen.

't Valt gemakkelijk, in te zien, welk eene werking dit moest doen,

toen de veiligheid van den slaaf en van zijne familie-betrekking aldus

geheiligd was door een gezag, hetwelk geen mensch durfde betwisten. Het

plaatste den slaaf in de oogen zijns meesters hooger, verwekte hoop

en achting voor zich-zelven in zijn eigen boezem en droeg krachtig bij

om hem geschikt te maken tot het ontvangen van die vrijheid, tot welke

de Kerk, langs verschillende wegen, hem steeds had trachten te voeren.

Een ander middel waarvan de Kerk gebruik maakte, om de emancipatie

te bevorderen, was eene naijverige zorg voor de vrijheid van degenen,

die reeds vrij waren.

Ieder weet hoe in onze zuidelijke Staten de grenzen der slavernij

zich voortdurend uitbreiden bij ontstentenis van eene magt, die

daar dezelfde menschlievende taak op zich kan nemen. Wanneer de

vrijgelatene zonder zijne papieren reist, verkeert hij in blijvend

gevaar van opgepakt, in de gevangenis geworpen en tot voldoening

der gevangeniskosten verkocht te worden. Hij heeft geen bisschop om

hem uit zijne ongelegenheid te redden. Geene Kerk levert hem eene

vrijplaats. Honderden en duizenden hulpelooze mannen en vrouwen worden

jaarlijks op deze wijze in slavernij gedompeld.

De Kerk nam in hare tijden van magt de vrijgelatene slaven onder hare

bijzondere hoede. De vrijlating werd plegtig in de Kerk verrigt;

en dan nam de Kerk den nieuwelings vrije onder hare beschutting

en zorgde met hare geestelijke wapenen voor zijne nieuw verworven

regten. Het eerste Concilie te Orange, in 441, stelde vast in zijn

7den canon, dat kerkelijke straffen zouden toegepast worden op hen, die

geëmancipeerde slaven weder in slavernij zouden willen dompelen. Eene

eeuw daarna werd hetzelfde gebod herhaald in den 7den canon van het

vijfde Concilie te Orleans, in 549. De bescherming, welke de Kerk aan

vrijgelatenen verleende, was zoo openbaar en zoo algemeen bekend,

dat de gewoonte werd ingevoerd om hen, nog bij het leven of anders

bij testament, in hare hoede aan te bevelen. Het Concilie te Agde,

in Languedoc, nam een besluit, waarbij de Kerk gelast werd, om des

noodig, de verdediging op zich te nemen van diegenen, aan wie hunne

meesters op wettige wijze de vrijheid geschonken hadden.

Een andere tegen de slavernij gerigte maatregel, welken de Kerk

met ijver bevorderde, had de strekking, om de uitbreiding der

slavernij tegen te gaan. Dit was het loskoopen van gevangenen. Daar

de krijgsgevangenen, tenzij er rantsoen betaald werd, tot slaven

gemaakt werden en de oorlogen, bij den ongewissen toestand der

maatschappij, talrijk waren, zou de slavernij nog tot in het oneindige

hebben kunnen voortduren, hadde de Kerk zich in dat opzigt niet de

grootste inspanning getroost. Het loskoopen van slaven bekleedde

toenmaals in de aandacht der vromen dezelfde plaats, welke thans de

bekeering der heidenen inneemt. Aanzienlijke Christenen verkochten

dikwijls in hun overmatigen ijver zich-zelven, om anderen vrij te

maken. Chateaubriand spreekt van een priester in Frankrijk, die zich

gewillig in slavernij begaf, om een Christen-soldaat te bevrijden, en

aldus een echtgenoot aan eene ontroostbare vrouw en een vader aan drie

rampzalige kinderen teruggaf. Door zulke daden verwierf men toenmaals

de heiligverklaring. Dat was ook de geschiedenis van den H. Zacharias,

welke tranen aan menig oog ontlokte en menigeen bewoog, om zulk eene

verhevene Christelijke liefde na te volgen. Zij volgden hierin slechts

den geest der eerste Christenen; want de apostolische Clemens zegt:

"Wij weten hoe velen onzer zich in slavernij begeven hebben, opdat zij

er anderen uit mogten bevrijden" (Eerste Brief aan de Corinthiërs, §

55, of Hoofdstuk XXI, vs. 20). Een der lofwaardigste van de Frankische

bisschoppen was St. Eligius (St. Eloi). Aanvankelijk was hij een

zeer bekwaam goudsmid en won door zijne regtschapenheid de bijzondere

achting en het vertrouwen van koning Clotarius I, aan wiens hof hij

in hoog aanzien stond. Van hem spreekt Neander als volgt: "De zaak

des Evangelies was hem het dierbaarste, waaraan hij al het overige

ondergeschikt maakte. Terwijl hij zijn beroeps-arbeid verrigtte, had

hij altijd een opengeslagen Bijbel voor zich liggen. De overvloedige

winst van zijn bedrijf besteedde hij tot Godsdienstige doeleinden en

aan daden der liefde. Wanneer hij van slaven hoorde, welke in die

dagen dikwijls in troepen voorbijgedreven werden, gelijk slaven,

die bij opbod verkocht moesten worden, haastte hij zich daarheen

en betaalde hun prijs." Helaas voor onze slaven-karavanen! Zulke

bisschoppen zijn er niet meer! "Door zijn toedoen verkregen soms

honderd slaven te gelijk, mannen en vrouwen, hunne vrijheid. Alsdan

liet hij het aan hunne keuze om naar hunne haardsteden terug te

keeren, of als vrije Christenbroeders met hem te leven, of monniken

te worden. In het eerste geval gaf hij hun reisgeld; in het laatste,

dat hem het meest verheugde, trachtte hij hun eene goede ontvangst

in een of ander klooster te verschaffen."

Zoo groot was de ijver der Kerk voor het loskoopen van ongelukkige

gevangenen, dat zelfs de sieraden en heilige vaten der Kerken verkocht

werden, om het geld bijeen te krijgen; Uit den 5den canon van het in

585 te Macon gehouden Concilie blijkt, dat de priesters kerkegoederen

tot dat doel aanwendden. Het Concilie van Rheims, van 625, bedreigt

de straf van schorsing tegen den bisschop, die de heilige vaten

zal verduisterd hebben met eenig ander doel dan het loskoopen van

gevangenen; en uit den 12den canon van het Concilie van Verneuil,

in 844 gehouden, zien wij, dat de kerkegoederen nog steeds voor dat

weldadig doel gebruikt werden.

Wanneer de Kerk aldus den gevangene gelost had, bleef zij

hem nog verder hare bijzondere bescherming verleenen en gaf hem

aanbevelings-brieven, die zijne vrijheid tegen alle aanranding moesten

waarborgen. Het Concilie van Lyon, van 583, schrijft voor, dat de

bisschoppen in de aanbevelings-brieven, die zij aan de vrijgekochte

slaven uitreiken, de koopsom en den dag hunner bevrijding zullen

opteekenen. De ijver was zoo groot, dat sommige geestelijken zelfs

gevangenen aanspoorden om de vlugt te nemen. Een in Ierland gehouden

Concilie, genaamd het Concilie van St. Patrick, gispt deze overdrijving

en verklaart, dat de geestelijke, die gevangenen wenscht te bevrijden,

zulks moet doen met zijn eigen geld, daar anders oneer over de Kerk

gebragt wordt. De onbaatzuchtigheid der Kerk in dit opzigt blijkt

uit de omstandigheid, dat, wanneer zij hare beschikbare gelden

had uitgegeven tot rantsoenering van gevangenen, zij nooit eenige

terugbetaling vorderde, al waren de bevrijden daartoe ook bij magte. De

H. Gregorius geeft in zijne brieven geruststellende verzekeringen aan

eenige personen, die door de Kerk waren losgekocht en nu vreesden,

dat zij zouden aangesproken worden tot terugbetaling van het geld,

dat voor hen uitgegeven was. De paus beveelt, dat niemand hen of

hunne erfgenamen zal moeijen, vermits de canons het gebruik der

kerkegoederen tot bevrijding van gevangenen veroorloven (L. 7,

Ep. 14). Ten einde nog meer te waken tegen de vermeerdering van het

getal slaven, excommunieerde het Concilie van Lyon, in 566, allen,

die vrije personen onregtmatig in slavernij hielden.

Indien er zulke wetten in de zuidelijke Staten bestonden en allen

geëxcommunieerd werden, die dit doen, dan zou er eene voorbeeldelooze

sensatie verwekt worden, gelijk eenige onlangs gedane ontdekkingen

bewijzen.

In 625 bedreigde het Concilie van Rheims met excommunicatie allen,

die aan vrije personen lagen legden, ten einde hen in slavernij te

brengen. De 27ste canon van het Concilie van Londen, gehouden in

1102, verbood het barbaarsche gebruik, om in menschen koopmanschap

te drijven, gelijk in dieren; en de 7de canon van het Concilie van

Coblentz, in 922, verklaart dengeen, die een Christen wegrooft om hem

te verkoopen, aan manslag schuldig. Het Concilie, in 616 te Verneuil

gehouden, stelde vast, dat de personen, die wegens armoede of schuld

als slaven verkocht waren, hunne vrijheid zouden terug erlangen door

het betalen van den voor hen gegeven prijs. Men zal gereedelijk inzien,

dat dit een ruim veld opende tot herkrijging der vrijheid in een tijd,

toen een zoo onbeperkte Christelijke ijver blaakte voor het lossen

van slaven, daar de Christenen zich verdienstelijk maakten door het

vereischte rantsoen bijeen te zamelen.

In die eeuwen besloegen de Joden eene zeer bijzondere plaats onder

de natiën. De handel werd schier uitsluitend aan hen overgelaten, het

grootste gedeelte van den rijkdom was in hunne handen, en, natuurlijk,

ook vele slaven. De bepalingen, welke de Kerk maakte ten opzigte der

slaven van de Joden, strekten nog meer om het beginsel der vrijheid

in kracht te doen winnen. Zij verboden den Joden, Christen-slaven te

dwingen tot dingen, die met de Godsdienst van dezen in strijd waren,

en veroorloofden, dat Christen-slaven, die eene schuilplaats zochten in

de Kerk, losgekocht werden door den voor hen gegeven prijs te betalen.

Dit had zeer gunstige gevolgen voor de zaak der vrijheid, daar de

Christen-slaven hierdoor gelegenheid kregen, om naar de Kerken te

vlugten en daar de liefdadigheid van hunne broederen in den geloove in

te roepen. Er werd ook bepaald, dat een Jood, die een Christen-slaaf

afvallig maakte, al zijne overige slaven zou verliezen. Dit was

een nieuwe steun voor het geweten van den slaaf en eene nieuwe

gelegenheid om bevrijd te worden. Eenigen tijd later werd den Joden

verboden, Christen-slaven te hebben, en die, welke in hun bezit waren,

konden voor twaalf sous losgekocht worden. Daar de Joden onder de

grootste slavenhandelaars van dien tijd behoorden, was dit verbod

eene reuzenschrede naar eene algemeene emancipatie.

Een ander middel om de gelederen der slavernij te dunnen werd aan de

hand gegeven door een decreet, aangenomen in een Concilie te Rome, in

595, hetwelk voorgezeten werd door paus Gregorius den Groote. Daarbij

werd de vrijheid aangeboden aan allen, die monniken wilden worden. Men

zegt, dat dit decreet tot groote ongeregeldheden aanleiding heeft

gegeven, daar de slaven in grooten getale de huizen hunner meesters

ontvlugtten en eene schuilplaats in de kloosters zochten.

Nog bepaalde de Kerk, dat ieder slaaf, die neiging gevoelde om

priester te worden en daartoe de noodige geschiktheid scheen te

bezitten, vrijelijk zijne roeping moest volgen; en zij gelastte zijn

meester, hem vrij te laten, vermits de Kerk niet kon veroorloven,

dat hare dienaren het juk der slavernij droegen. Het vroeger door ons

aangehaalde voorbeeld van een predikant, met twee teenen afgesneden

en een brandmerk op de borst, in de nieuwspapieren als vlugteling

geadverteerd, zou niet wel bestaanbaar zijn geweest met het Christendom

van dien tijd.

Het kan ons dus geene verwondering baren, dat er documenten bestaan,

door den heer Balmes aangehaald, die, als gevolgen van deze bepalingen,

het navolgende aantoonen: "Vooreerst, dat het aantal der aldus bevrijde

slaven zeer groot was, aangezien er algemeen over geklaagd werd. Ten

tweede, dat er bij voortduring geklaagd werd, dat de bisschoppen

altijd in het belang der slaven waren, daar zij hunne bescherming

zeer verre uitstrekten en op alle wijze de stelling, dat alle menschen

gelijk zijn, poogden te verwezenlijken; en uit de bedoelde documenten

blijkt de klagt, dat er schier geen bisschop was, die niet beschuldigd

kon worden van berispelijke oogluiking ten gevalle van de slaven, en

dat de slaven bewust waren van dien geest van bescherming en steeds

gereed stonden hunne ketenen af te werpen en eene toevlugt te zoeken

in den boezem der Kerk."

Het is onnoodig over dit onderwerp verder uit te weiden. Het is zoo

duidelijk, werwaarts zulk een streven zich rigt, als waarheen de

Amerikaansche geestelijkheid in de zuidelijke Staten streeft. Wij

verwonderen ons niet, dat bij den weg, die aan den eenen kant

ingeslagen werd, het aantal slaven allengs verminderde, tot dat er in

het nieuwere Europa geene meer gevonden werden. Evenmin verwondert het

ons, dat bij de handelwijze, die men in het andere geval gevolgd heeft,

hun getal is aangewassen, tot dat er, gelijk thans, drie millioen in

Amerika zijn.

De arme slaaf! Welke Kerk is zijn vriend? Welk bedehuis is hem eene

vrijplaats? Welke heilige mannen staan op om hunne afkeuring uit te

spreken over de booze wet, die hem een wettig huwelijk ontzegt? Welke

vrome bisschoppen wenden zich tot de slaven-karavanen, om mannen,

vrouwen en kinderen in vrijheid te stellen? In welke Kerken hoort men

vurige vermaningen om rampzalige gevangenen los te koopen? Wanneer zijn

kerksieraden verkocht en de avondmaals-bekers gesmolten, om slaven

te bevrijden? Waar zijn de van Jezus' liefde bezielde herders, die

zich-zelven in slavernij begeven hebben, om gescheidene gezinnen te

hereenigen? Waar zijn die klagten der wereld, eene eerekroon voor de

betrokkenen, dat de Kerk altijd aan de zijde is van de verdrukten? Dat

de slaven het kloppen van haar edelmoedig hart hooren, en reikhalzen,

om zich in hare armen te werpen? Broedermin, heilig menschelijk gevoel,

liefde van Jezus,--waar zijt gij? Zijt ge voor eeuwig heengevloden?

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 207 / 220 题