HOE WERKTE HET CHRISTELIJK BEGINSEL OP DE SLAVERNIJ?

Maar nog altijd kan men zeggen, dat de Apostelen de meesters, die

Christenen waren, hadden kunnen bevelen om in allen gevalle tot eene

wettige emancipatie over te gaan. Gewisselijk hadden zij het kunnen

doen, en dat zij het niet gedaan hebben is blijkbaar.

De geloovige Christen uit den eersten tijd beschouwde en behandelde

zijn slaaf als een broeder; doch in het oog der wet bleef deze

altijd zijn eigendom; hij was een voorwerp, maar geen mensch. Waarom

bragten de Apostelen dan geen schok toe aan dien wettelijken stand

van zaken? Waarom bevalen zij niet ieder Christen, dien band te

verbreken? In antwoord daarop mogen wij doen opmerken, dat elke

hervorming, die van God uitgaat, onveranderlijk dezen weg volgt:

eerst doodt zij den geest van een misbruik, en laat alsdan den vorm

van-zelven vervallen; zij ontdoet den giftigen boom van zijn bast en

laat hem dan op zijn eigen tijd sterven.

Deze wijze om misbruiken uit den weg te ruimen heeft dit voordeel,

dat zij stelselmatig en algemeen werkt en doeltreffend is in alle

tijden en onder alle omstandigheden. Indien de Apostel in dien tijd

van uiterlijkheden en geweld eenvoudig de wettelijke betrekking

had aangetast, dan ware het bedorven en zelfzuchtige beginsel

welligt overgegaan in andere even slechte vormen van verdrukking

en weggescholen achter het voorwendsel dat het van de wettelijke

slavernij afstand had gedaan. Daarom bragt God een doodelijker slag

toe aan het monster, door juist de plek te kiezen waar zijn hart

klopte en Zijnen Apostelen te bevelen: "Slaat dáár!"

In stede dus van den slavenhouder toe te voegen: "Laat uw slaaf vrij,"

zeide het Christendom tot hem: "Behandel hem als uw broeder," het

overlatende aan het geweten van den slavenhouder om uit te vinden

hoe veel in dit gebod opgesloten lag.

Uit de voorschriften, die Paulus omtrent de slavernij geeft,

is het duidelijk, dat hij de wettelijke betrekking met evenveel

onverschilligheid aanzag als een tuinman gevoelt ten aanzien van een

onoogelijk stuk bast, dat hij een jongen boom op het punt ziet door

de ontwikkeling zijner groeikracht af te werpen. Hij beschouwde het

als een deel van een verouderd heidensch stelsel en behoorende tot

een stel wetten en gebruiken, die eerlang zouden verdwijnen.

Er is een schoonschijnend argument, dat men in deze zaak menigmaal

gebruikt heeft, namelijk dat de Apostelen de slavernij beschouwden

als eene der wettige betrekkingen des levens, gelijk die van ouders

en kind, van man en vrouw.

Men wil het argument versterken door te zeggen: de Apostelen vonden

alle betrekkingen des levens zeer bezoedeld door verschillende

misbruiken.

Zij tastten de betrekkingen niet aan maar verwijderden de misbruiken,

en bragten dus alles tot een gezonden toestand terug.

De vergissing schuilt daarin, dat men de slavernij als eene

wettige betrekking aanneemt. Zij is de ontaarding van eene wettige

betrekking. De wettige betrekking is de dienstbaarheid, en de slavernij

is de verbastering van de dienstbaarheid.

Toen de Apostelen optraden waren alle betrekkingen des levens in het

Romeinsche rijk doortrokken met den geest der slavernij. De verhouding

van het kind tot de ouders was slavernij. De verhouding van de vrouw

tot haar man was slavernij. De verhouding van den dienaar tot den

meester was slavernij.

De magt van den vader over den zoon, volgens de Romeinsche wet, was

nagenoeg dezelfde als die van den meester over den slaaf. Hij kon

hem naar zijn welbehagen doen geeselen, gevangen zetten of ter dood

brengen. De zoon kon niets bezitten dan hetgeen de eigendom zijns

vaders was; en deze onbeperkte magt bleef gedurende het geheele leven

des vaders voortduren, tenzij hij zijn zoon uitdrukkelijk vrij maakte

door eene driemaal herhaalde acte van manumissie, terwijl dit tot

vrijmaking van den slaaf slechts eenmaal behoefde te geschieden. Er

bestond echter geene wet, die den vader tot manumissie verpligtte;

zoo hij het goed vond kon hij zijne magt levenslang behouden.

De toestand der Romeinsche vrouw was ongeveer dezelfde. Werd zij van

eenigerhande misdrijf beschuldigd, dan riep de echtgenoot een raad van

hare betrekkingen bijeen en velde vonnis in hunne tegenwoordigheid,

waarbij hij de straf uitsprak die hij verdiend achtte.

Wegens ontrouw of wegens het drinken van wijn mogt haar echtgenoot,

volgens het door Romulus gegeven verlof, haar ter dood brengen. De

toestand der vrouw verschilde daarin van dien des zoons, dat zij nooit

kon gemanumitteerd worden; daarvoor behelsde de wet geene bepalingen.

Dezelfde geest van gewelddadigheid en slavernij heerschte in de

betrekking van meester en dienaar en deed die strenge slavenwetten

ontstaan, die het Christelijke Amerika, na er nog eenige trekken

van wreedheid bijgevoegd te hebben, in de negentiende eeuw heeft

doen herleven.

Ten aanzien nu van al deze ontaardingen van wettige betrekkingen volgde

het Evangelie eene zelfde en onveranderde handelwijze. Het beval den

Christenvader niet, zijn zoon volgens de wet te emanciperen; maar het

bragt zulk een Goddelijken geest in de vaderlijke betrekking door die

te vergelijken niet de betrekking van den hemelschen Vader, dat de

Christelijke Romein het gebruik van zijne barbaarsche, doch wettelijke

magt als geheel onbestaanbaar met zijne Christelijke belijdenis

beschouwd zou hebben. Zoo veredelde het ook de huwelijksbetrekking

door die te vergelijken bij de betrekking tusschen Christus en Zijne

Kerk, en den echtgenoot te gebieden zijne vrouw te beminnen, even als

Christus Zijne Kerk beminde en er zich-zelven voor ten offer bragt. Het

riep hem toe: "Niemand heeft ooit zijn eigen vleesch gehaat, maar

onderhoudt het en heeft het lief gelijk de Heer de Kerk;"--"ieder moet

zijne vrouw beminnen, gelijk zichzelven." Niet de minste toespeling

wordt gemaakt op de barbaarsche en onregtvaardige magt die de wet den

man verleende. Men begreep, dat een Christelijk gemaal zich er niet

van bedienen kon zonder de voorschriften van het Evangelie te schenden.

Op dezelfde wijze werden de Christen-meesters vermaand hunnen knechten

te geven wat regt was, en, wel verre van hen door geweld tot den

arbeid te dwingen, zich zelfs van bedreigingen te onthouden. Den

Christen-meester werd bevolen zijn gedoopten slaaf te ontvangen,

"voortaan niet als een dienstknecht maar meer dan een dienstknecht,

namelijk een geliefden broeder;" en in dit geval even als in de andere

werd niets gezegd van de barbaarsche magt, die de Romeinsche wet hem

schonk, daar men duidelijk inzag dat hij hem niet te gelijker tijd

kon behandelen als een beminden broeder en als een slaaf in den zin

der Romeinsche wet.

Wanneer dus gevraagd wordt waarom de Apostelen de afschaffing der

slavernij niet beoogden, geven wij ten antwoord, dat zij die werkelijk

beoogden. Zij streefden er naar langs den zekersten, kortsten en meest

regtstreekschen weg, die bij mogelijkheid had kunnen ingeslagen worden.

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 205 / 220 题