VERVOLG.

Maar waarom hebben de Apostelen niet tegen de wettige betrekking der

slavernij gepredikt, en haar in den Staat zoeken te vernietigen? Men

heeft deze vraag dikwijls opgeworpen, alsof de Apostelen zich

in denzelfden toestand hadden bevonden als de geestelijkheid der

zuidelijke kerken; alsof zij leden van republikeinsche instellingen,

alsof zij wetgevers geweest waren, en in het bezit van alle

republikeinsche vermogens om de herroeping van onregtvaardige wetten

te weeg te brengen.

Wel verre daar vandaan, zal eene oppervlakkige lezing van het Nieuwe

Testament ons doen zien dat de Apostelen zich bijkans in den toestand

van buiten de wet gestelde ballingen bevonden, onder een gestreng

en despotisch bestuur, welks geest en wetten zij als onchristelijk

afkeurden, en waaraan zij zich onderwierpen even zoo als zij den

slaaf tot onderwerping vermaanden, als aan een noodzakelijk kwaad.

Men hoore slechts den Apostel Paulus de staatkundige voorregten

opsommen, aan het dienaarschap van Christus verbonden. In de gemeente

te Corinthe waren valsche leeraars opgestaan, die zijne prediking

tegenspraken, terwijl zij verzekerden grootere aanspraken op gezag in

de Christelijke bediening te hebben dan hij. Terwijl Paulus nu zijn

apostolisch ambt verdedigt, spreekt hij aldus: "Zijn zij dienaars

van Christus? (ik spreek onwijs zijnde,) ik ben boven hen; in arbeid

overvloediger, in slagen uitnemender, in gevangenissen overvloediger,

in doodsgevaar menigmaal. Van de Joden heb ik veertig slagen min één,

vijfmaal ontvangen. Driemaal ben ik met roeden gegeeseld geweest,

eens ben ik gesteenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, eenen

ganschen nacht en dag heb ik in de diepte overgebragt. In het reizen

menigmaal, in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in

gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in

de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren in de zee, in gevaren

onder de valsche broeders, in arbeid en moeite, in waken menigmaal,

in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid."

Welke opsomming der ongemakken van een Amerikaanschen slaaf kan de

ongemakken van den grooten Apostel der Heidenen meer dan evenaren? Hij

kwam in geene andere aanraking met de wetten, dan om hare straffen te

lijden. Zij waren gemaakt en werden gehandhaafd zonder zich aan hem

te bekreunen, en de slaaf had er niets meerder van te lijden dan hij.

Het valt in het oog dat de geestelijken van het Zuiden, wanneer

zij, in navolging van den Apostel, de burgerlijke betrekking van

den slaaf geheel buiten de zaak houden, het groote onderscheid

voorbijzien tusschen den toestand van een' Amerikaansch geestelijke,

in een republikeinsch bestuur, waar hij zelf de wetten helpt maken

en in stand houden,--en dien van den Apostel, onder een heidensch

despotismus, met welks wetten hij niets kon te doen hebben.

Een buiten de wet gestelde slaaf kan zeer gevoegelijk tot andere

buiten de wet gestelde slaven vermaningen rigten om zich aan een

bestuur te onderwerpen, hetwelk hij noch zij eenige de minste magt

hebben om te veranderen.

In predikatiën, door geestelijken in het Zuiden tot slaven gerigt,

lezen wij vermaningen tot onderwerping, en geduld, en ootmoedigheid,

in hunnen toestand van slavernij, die uitnemend gepast zouden zijn

in den mond van een Apostel, waar hij en de slaven gelijkelijk onder

den druk stonden van een despotismus welks wetten zij niet konden

veranderen; maar die een geheel ander karakter aannemen, wanneer zij

tot den slaaf gerigt worden door de eigen lieden die de wetten maken

welke hen in slavernij brengen.

Als iemand bij den weg afgezet en van al het zijne beroofd was

geworden, zou het zeer gepast en voegzaam zijn wanneer zijn leeraar

hem met zijn toestand poogde te verzoenen, als, in zeker opzigt, eene

beschikking van de Voorzienigheid; maar zoo de man die hem beroofd

had bij hem kwam, en dezelfde vermaningen tot hem rigtte, dan zou hij

toch wel van gedachten zijn dat de zaak een geheel ander aanzien kreeg.

Een geestelijke van hoogen rang in de Kerk, sprak de negers, in eene

predikatie, aldus aan:

Het heeft God Almagtig behaagd u hier slaven te doen zijn,

en u in deze wereld niets dan arbeid en armoede te beschikken;

en gij zijt verpligt u daaraan te onderwerpen, dewijl het Zijn

wil is, dat het zoo zijn zoude. En gaat eens bij u-zelven na,

hoe verschrikkelijk het zijn zoude, wanneer gij, na al uwen

arbeid en lijden in dit leven, in het volgende leven ter helle

verwezen wierd; en, na uwe ligchamen hier in dienstbaarheid te

hebben afgesleten, in eene nog veel ergere slavernij te geraken,

wanneer uwe arme zielen in het bezit des duivels zouden worden

overgegeven, om voor eeuwig zijne slaven te blijven, zonder de

minste hoop van bevrijding. Wanneer gij, derhalve, Gods vrije

lieden in den hemel zijn wilt, dan moet gij trachten goed te zijn,

en Hem hier op aarde te dienen. Uwe ligchamen, zoo als gij weet,

zijn niet uwe eigene; zij staan ter beschikking van hen, aan wien

gij toebehoort; doch uwe kostelijke zielen zijn altoos de uwe,

en niets dan uwe eigene schuld kan haar u ontrooven. Overweegt

dus wel, dat zoo gij door hier een lui en zondig leven te leiden,

uwe zielen doet verloren gaan, gij er in deze wereld niets mede

wint, en in de toekomende alles door verliest; want uwe luiheid

en verkeerdheid komt, over het algemeen, aan den dag, en uwe

ligchamen moeten er hier voor lijden; en, wat nog veel erger is,

zoo gij geene boete doet en u bekeert, zullen uwe ongelukkige

zielen er hiernamaals voor lijden.

Welnu, deze geestelijke was ontwijfelbaar ter goeder trouw. Hij had

het Nieuwe Testament gelezen, en opgemerkt dat Paulus aan de slaven

van zijnen tijd gelijksoortige vermaningen voorhoudt.

Maar hij vergat geheel te bedenken, dat Paulus de regten niet had

van een republikeinsch geestelijke; dat hij de wetten, die de slaven

in hunnen toenmaligen toestand bragten, gemaakt had noch verdedigde,

maar slechts een deelgenoot van hun lijden was. Een voorbeeld zou deze

stelling aan onzen geestelijke kunnen ophelderen. Neem eens dat hij

langs den grooten weg reisde, met al zijne wereldsche bezittingen,

in den vorm van banknoten, bij zich. Hij wordt door eene bende

struikroovers aangevallen, aan een boom gebonden, en van al zijne

bezittingen beroofd. Deze struikroovers zouden voor dit bedrijf juist

hetzelfde regt kunnen aanvoeren, als dat van den geestelijke en zijne

republikeinsche broeders, om al de verdiensten en bezittingen hunner

slaven tot zich te nemen. Het eigendom zou aan de struikroovers uit

krachte van juist denzelfden regtstitel toebehooren: niet omdat zij

het gewonnen of verdiend, maar eenvoudig omdat zij het genomen hebben,

en in staat zijn om het te behouden.

De hoofdman der bende, eenig misnoegen op het gelaat van den

geestelijke bespeurende, begint hem eene godsdienstige vermaning

tot geduld en onderwerping voor te houden, nagenoeg in dezelfde

bewoordingen waarmede hij voorheen de slaven had toegesproken. "Het

heeft God Almagtig behaagd, u uwe gansche bezitting te ontnemen, en

u in deze wereld niets dan arbeid en armoede te geven, waaraan gij

u behoort te onderwerpen, dewijl het Zijn wil is dat het zoo zijn

zoude. Gaat nu eens bij u-zelven na, hoe verschrikkelijk het zijn

zoude, wanneer gij, na het verlies van al uwe wereldsche bezittingen,

nog daarenboven, door murmureerzucht en gebrek aan onderwerping,

uwe ziel moest verliezen; en, na hier beneden van al uwe bezittingen

beroofd te zijn, uwe arme ziel in het bezit des duivels zoudt moeten

zien overgaan, om voor altoos zijn eigendom in de hel te worden,

zonder eenige hoop van bevrijding. Uw eigendom is thans niet langer

het uwe; wij hebben er bezit van genomen; doch uwe kostelijke ziel

is nog altoos de uwe, en niets dan uwe eigene schuld kan haar u

ontrooven. Overweeg dus wel, dat, zoo gij door opstand en murmurering

tegen deze beschikking der Voorzienigheid, uwe ziel doet verloren

gaan, gij er in deze wereld niets mede wint, en in de toekomende

alles door verliest."

En als nu deze geestelijke, zoo als zeer waarschijnlijk is, tot

de roovers zeggen zoude: "Er bestaat geene noodzaak, dat ik in

deze wereld arm zou moeten zijn, zoo gij mij slechts mijn eigendom

terug wildet geven, dat gij mij ontnomen hebt," dan zegt hij juist

datgeen, wat de slaven tot welken hij gepredikt heeft, tot hem en

zijne mede-republikeinen zouden kunnen zeggen.

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 203 / 220 题