Er is geen land in de wereld, waar de godsdienstige invloed een
grooter gezag uitoefent, dan in Amerika. Er is geen land, waar de
geestelijkheid eene grootere magt bezit. Dit is te opmerkelijker,
omdat in Amerika de godsdienst geheel van den Staat is afgescheiden,
en de geestelijken geen dier kunstmatige middelen bezitten, om eenen
invloed, die uit rang en rijkdom ontstaat, te doen gelden. Als eene
klasse van menschen beschouwd, is de Amerikaansche geestelijkheid,
over het algemeen, arm. De aan hare leden toegelegde bezoldigingen
leveren niets meer dan het gewone levens-onderhoud op, en verschaffen
hen geene middelen tot verkrijging van eigendom. Hunne levenswijze
kan welvoegelijk en fatsoenlijk, doch ook niet meer zijn. De daadzaak
dat, onder deze omstandigheden, de Amerikaansche geestelijkheid
waarschijnlijk de vermogendste klasse van menschen in het land is,
doet van zelve reeds een zeer gunstig vermoeden van haar opvatten. Als
klasse beschouwd, mag men haar dan ook een zoowel verstandelijk als
zedelijk overwigt toekennen.
Het is eene welbekende daadzaak, dat de invloed der geestelijkheid,
door onze staatsmannen als een zeer gewigtig bestanddeel bij de
vorming hunner staatkundige berekeningen beschouwd wordt; en die
invloed is zoo groot, dat geen staatsman het ooit wagen zoude, een
maatregel door te drijven, waartegen de geheele geestelijkheid des
lands zich aankantte. Zulk een graad van magt, al is zij ook enkel
eene magt van opinie, redenering en voorbeeld, is niet zonder
gevaar voor de reinheid van eenige klassen van menschen. Door
staatkundige hoofden gevleid te worden, is altoos iets gevaarlijks
voor de regtschapenheid en geestelijke gezindheid van menschen, die
betuigen door grondbeginselen bestuurd te worden, welke niet van deze
wereld zijn. Ook sluit het bezit eener zoo aanzienlijke magt, als
wij beschreven hebben, eene zeer gewigtige verantwoordelijkheid in;
dewijl, wanneer de geestelijkheid het vermogen bezit, om de eene of
andere groote nationale onzedelijkheid te doen ophouden, de daadzaak,
dat zij zulks niet doet, de zonde der nalatigheid in zeker opzigt op
haar schijnt te doen nederkomen.
Wij hebben, tot dusverre, van de geestelijkheid alleen gesproken;
doch in Amerika, waar de geestelijke, in de meeste gevallen, door de
Kerk verkozen, en door hare vrijwillige bijdragen onderhouden wordt,
is de invloed van de Kerk, en die van de geestelijkheid, voor een zeer
groot gedeelte, ééne en dezelfde. De geestelijkheid is het wezenlijk
ideaal en de uitdrukking van de Kerk. Zij kiest en behoudt hem, omdat
hij volkomener dan eenig ander, dien zij zou kunnen bekomen, hare
denkbeelden van regt en waarheid uitdrukt. In allen gevalle moet de
geestelijke door zijne Kerk onderhouden worden, zal hij zijne stelling
in haar kunnen bewaren. De daadzaak, dat hij die bewaart, is over
het algemeen een bewijs van beider eenheid van gevoelens, dewijl zij,
zoo hij tot op eene aanmerkelijke hoogte van haar verschillen mogt,
de magt heeft om hem te ontslaan, en een' anderen te verkiezen.
De invloed van een geestelijke, die op deze wijze door de vrije
bewilliging van het verstand en hart zijner Kerk behouden wordt, is in
sommige opzigten grooter, dan zelfs die van een Roomschen priester. De
priester kan slechts door eene blinde geestelijke oppermagt heerschen,
waartegen, zeer dikwijls, de rede haren twijfel inbrengt, terwijl zij
eene uitwendige toestemming geeft; doch de gelukkige vrije leeraar
maakt zich van de neigingen des harten door zijne eigene neigingen
meester; overreedt het verstand door sterkere redeneerkracht; en
terwijl hij aldus neiging, rede, geweten, en den geheelen mensch te
baat neemt, ontleent hij uit de vrijheid der organisatie zelve, het
bezit eener magt, grooter dan ooit uit een blind geestelijk despotismus
kan voortvloeijen. Als een predikant hierin niet eenigermate in zijne
gemeente slagen kan, noemt men hem onvoorspoedig; en hij die aan de
verwezenlijking dezer beschrijving het meest nabij komt, bezit de
hoogste en volkomenste soort van magt, en drukt het denkbeeld van
een voorspoedig' Amerikaansch' predikant uit.
Over dit onderwerp sprekende, zullen wij derhalve de Kerk en de
geestelijkheid als vereenzelvigd beschouwen; het woord "Kerk," in
den Amerikaanschen zin van dat woord, bezigende voor die klasse van
menschen, van alle benamingen, die, van naam-christenen onderscheiden,
als betuigende werkelijk door de voorschriften van Christus geregeerd
te worden, in ligchamen georganiseerd zijn.
Welke is dan de invloed van de Kerk op deze groote slavernij-kwestie?
Zekere dingen laten zich reeds op de oppervlakte der zaak
bespeuren. Die invloed namelijk heeft:
1o. de slavernij niet doen ophouden;
2o. er de toeneming niet van verhinderd;
3o. de herroeping der wetten niet veroorzaakt, die de opvoeding der
slaven verbieden;
4o. geene daarstelling van wetten beproefd, die de scheiding der
familiën verhinderen, en het huwelijk der slaven wettigen;
5o. geen einde gemaakt aan den binnenlandschen slavenhandel; en
6o. de uitbreiding van dit systeem, met alle zijne onregtvaardigheden,
over nieuw aangewonnen landstreken niet verhinderd.
Ten opzigte van deze stellingen zal er wel geen verschil van gevoelen
kunnen bestaan.
Wat is er dan gedaan?
In antwoord hierop kan worden bevestigd:
1o. Dat nagenoeg alle hoofdsecten of benamingen, te dezen of genen
tijde, als zedelijke ligchamen beschouwd, eene besliste afkeuring
van het systeem hebben uitgedrukt, en aangedrongen, dat er iets
tot zijne afschaffing gedaan wierd.
2o. Dat ééne benaming van christenen inzonderheid dat doel als
uitsluitend ter harte genomen, en elk harer leden van eenig
aandeel in slavenbezit getracht heeft te bevrijden. Wij bedoelen
de kwakers. De wijze, waarop dat doel bereikt is geworden, zal
de inhoud van een vlugschrift uitmaken, dat weldra door een lid
hunner gemeente, den dichter J. G. Whittier, zal worden in het
licht gegeven.
3o. Dat individueele leden van alle benamingen, door den geest des
Christendoms bezield, op verschillende wijzen tegen de slavernij
hebben geprotesteerd.
Thans zal het niet ongepast zijn, de door sommige der voornaamste
kerkelijke ligchamen, nopens dit onderwerp uitgedrukte gevoelens meer
bepaaldelijk en in de bijzonderheden te beschouwen.
Het is regtmatig, dat door de schrijfster de bronnen worden aangewezen,
waaruit de aanhalingen geput zijn. Dezulke, die betrekking hebben
tot de handelingen van kerkelijke ligchamen in de Zuidelijke Staten,
zijn voornamelijk getrokken uit een vlugschrift van den heer James
G. Birney, getiteld: "De Kerk, het bolwerk der slavernij." De
schrijfster vervoegde zich bij een brief aan den heer Birney,
waarin zij opgaven der door hem gebezigde bronnen verzocht. Zijn
antwoord was, hoofdzakelijk, als volgt: dat het vlugschrift zoowel uit
oorspronkelijke documenten was zaâmgesteld, als uit de kolommen der
nieuwspapieren, die de gebeurtenissen vermeld hadden, tijdens zij waren
voorgevallen. Het werd, in 1842, in Engeland vervaardigd en uitgegeven,
met het doel, om het publiek aldaar een juist begrip te doen opvatten
van den toestand der Amerikaansche Kerk en geestelijkheid. Mr. Birney
zegt, dat het hem niet bewust is, dat ééne enkele der aangevoerde
stellingen, hoezeer ook al zulk een geruimen tijd voor het oog der
wereld geweest, ooit betwist is geworden; en dat hij, bewust van
haren buitengewonen aard, zich de uiterste moeite getroost heeft,
om er de authenticiteit van buiten twijfel te stellen.
Wij beginnen met die der Zuidelijke Staten.
1. De Presbyteriaansche Kerk.
"Harmony Presbytery" van Zuid-Carolina.
Nademaal vele personen in Schotland en Engeland, en andere in
het noorden, oosten en westen onzes lands, de slavernij hebben
aangeklaagd, als strijdig met Gods wetten, en sommigen hunner
aan de Algemeene Vergadering onzer Kerk, en aan het Congres
van de natie, memoriën en verzoekschriften hebben ingediend,
met het erkende doel, om de slavenhouders in ongunst te brengen,
en de betrekking tusschen meester en slaaf te vernietigen; en
dewijl het uit de voormelde handelingen, zoowel als uit de daartoe
betrekkelijke grondstellingen, redeneringen en omstandigheden, ten
duidelijkste blijkt, dat deze personen "niet weten wat zij zeggen,
noch waarvan zij getuigen;" en benevens die onwetendheid een geest
van eigengeregtigheid en uitsluitende heiligheid openbaren, enz.
1. Is besloten, dat, dewijl het koningrijk onzes Heeren niet
van deze wereld is, Zijne kerk, als zoodanig, geen regt heeft,
om eenige staatkundige of burgerlijke wet of instelling van
menschen te vernietigen, te veranderen of te wijzigen, enz.
2. Is besloten, dat de slavernij bestaan heeft van de dagen
dier goede oude slavenhouders en aartsvaders, Abraham, Isaäc
en Jacob (die nu in het koningrijk der hemelen zijn) af aan,
tot op den tijd, wanneer de apostel Paulus een weggeloopen slaaf
tot zijnen meester Philemon terug zond, en een Christelijken en
broederlijken brief, die in den canon der Schriften vervat is,
aan dien slavenhouder schreef; en dat de slavernij ook na de
dagen des apostels bestaan heeft, en nog bestaat.
3. Is besloten, dat aangezien de wederzijdsche pligten van meester
en slaaf in de Schriften geleerd worden, op dezelfde wijze, als
die van ouder en kind, en van echtgenoot en vrouw, het bestaan
der slavernij zelve niet tegen den wil van God gekant is; en
dat hij die een te teeder geweten bezit, om deze betrekking als
wettig te erkennen, "al te regtvaardig" en "wijs is boven hetgeen
geschreven staat;" en dat hij den hals onder het juk van menschen
gebogen, zijne christelijke vrijheid des gewetens opgeofferd, en
Gods onfeilbaar Woord voor de meeningen en gevoelens der menschen
verlaten heeft.
"The Charleston Union Presbytery."
Het is in het oog dezer vereeniging een uitgemaakt beginsel,
dat de slavernij, zoo als zij bij ons bestaat, eene staatkundige
instelling is, waarmede aan kerkelijke overheden geen het minste
regt van bemoeijenis toekomt; en dat in betrekking tot dezen,
elke zoodanige bemoeijenis, voornamelijk onder de thans aanwezige
crisis, een zedelijk kwaad zijn zoude, met de gevaarlijkste
en noodlottigste gevolgen bezwaard. De door ons gehandhaafde
gevoelens, in gemeenschap met christenen van alle benamingen
in de Zuidelijke Staten, zijn gevoelens, die door ons geweten
zoo volmaakt worden goedgekeurd, en zoo vereenzelvigd zijn
met onze heiligste gevoelens van pligt, dat wij die onder alle
omstandigheden zouden volhouden.
Is besloten, dat naar het gevoelen van deze "Presbyters",
het houden van slaven, wel verre van eene ZONDE in Gods oog te
zijn, nergens in Zijn heilig woord veroordeeld wordt; dat het
in overeenstemming is met het voorbeeld, of bestaanbaar met de
voorschriften van aartsvaders, apostelen en profeten; en dat
het even zoo min in strijd is met de broederlijkste beschouwing
van het welzijn dier dienstknechten, welke God aan onze zorgen
heeft aanbevolen.
De New School Presbyteriaansche kerk in Petersburg (in den staat van
Virginië) nam, den 16 November 1838, het volgende besluit:
Nademaal de Algemeene Vergadering, in den jare 1818, eene wet heeft
doen doorgaan, bepalingen opzigtelijk de slaven behelzende welke
onbestaanbaar zijn met onze burgerlijke instellingen, en daarbij
plegtig verklaard wordt dat de slavernij eene zonde jegens God
is; eene wet, evenzeer honende als beleedigende voor de geheele
zuidelijke gemeente:
1. Is besloten, dat wij, als slavenhouders, niet langer
in betrekking kunnen blijven met eenige kerk, waar eene wet
bestaat die aan slaven het regt toekent om hunne meesters voor
het kerkelijk regtsgebied te betrekken, al ware het ook voor de
handeling van hen, zonder hunne vooraf gevraagde en verkregene
toestemming, te verkoopen.
2. Is besloten, dat, aangezien het Groote Opperhoofd der Kerk
de betrekking van meester en slaaf erkend heeft, wij naar ons
geweten gelooven, dat de slavernij geene zonde jegens God is,
zoo als door de Algemeene Vergadering is verklaard geworden.
Dit zal genoeg zijn om het gevoelen der Zuidelijke Presbyteriaansche
Kerk te doen blijken. De volgende uittreksels raken de gevoelens van
de Kerken der Baptisten. In 1835 bood de Vereeniging der Baptisten
te Charleston aan de Wetgevende Vergadering van Zuid-Carolina een
memorie aan, waarin het volgende voorkomt:
Wijders geven de ondergeteekenden te kennen, dat gezegde
Vereeniging niet van gevoelen is dat de Heilige Schriften de
zaak der slavernij in het geheel tot een zedelijk vraagstuk
gemaakt hebben. De Goddelijke Stichter onzer heilige godsdienst,
in het bijzonder, vond de slavernij, als een gedeelte der
bestaande maatschappelijke instellingen aanwezig, waarin
het zijn doel niet was zich te mengen wanneer zij niet zondig
waren, maar ze ten eenemale aan het bestuur der menschen over te
laten. Zulks dan als eene vrijgelatene maatschappelijke schikking
beschouwende, betrok hij tot het gebied zijner godsdienstleer
alleenlijk de voorschriften der wederzijdsche verpligtingen dezer
betrekking. De vraag, zoo als wij gelooven, is eene zuivere vraag
van staats-economie. Zij bepaalt zich inderdaad tot deze: "Of de
leden der arbeidende klasse van een land gekocht en verkocht, en,
zoo als in dezen Staat het geval is, zelve een eigendom zullen
worden; dan wel of zij huurlingen, en alleen hun arbeid eigendom
zal worden, zoo als in sommige andere Staten." Met andere woorden:
Of een gebruiker den geheelen tijd der arbeiders op eenmaal koopen
mag van hen die regt hebben om daarover te beschikken, met eene
voortdurende betrekking van bescherming en verzorging over die
arbeiders; dan wel of het hem slechts vergund zal zijn, dien
tijd bij zekere gedeelten te koopen, met onderwerping aan hunne
beoordeeling, en met geene zoodanige voortdurende verpligting van
bescherming en verzorging. Het regt der meesters om over den tijd
van hunne slaven te beschikken, is door den Schepper aller dingen
uitdrukkelijk erkend, die voorzeker de vrijheid heeft om aan zulk
eenen als Hem behaagt, het regt van eigendom over zeker voorwerp
te schenken. Dat de wettige bezitter dit regt naar willekeur
behoude, strijdt niet meerder tegen de wetten der maatschappij en
goede zeden, dan dat hij de persoonlijke gaven behoude waarmede
zijn Schepper hem gezegend heeft, of het geld en de landerijen,
van zijne voorouders geërfd, of door eigene vlijt verkregen;
en noch maatschappij noch ondeelbaren hebben in het eene geval
een meerder regt om een afstand zonder vergoeding te eischen,
dan in het andere.
En nademaal de vraag zuiver staathuishoudkundig is, en eene
zoodanige welke in dit land tot de kennisneming der onderscheidene
Staatsbesturen behoort, gelooven wij wijders dat de Staat van
Zuid-Carolina alleen het regt heeft om het bestaan en den toestand
der slavernij binnen de grenzen van haar grondgebied te regelen;
terwijl wij aan elke inbreuk op dat regt, van waar of onder welk
voorwendsel dan ook, den uitersten tegenstand zullen bieden.
De Methodistische kerk bevindt zich, in sommige opzigten,
met betrekking tot dit onderwerp, op een eigenaardig standpunt,
omdat hare verordening en regelen van kerkelijke tucht de hevigste
beschuldigingen tegen de slavernij bevatten, waarvoor de taal vatbaar
is, met de dringendste eischen dat alle hare leden, die slaven houden,
gecensureerd zullen worden; en deze aanklagten en eischen zijn door
hare Algemeene Conferentie bevestigd geworden.
Het scheen derhalve noodzakelijk dat de Zuidelijke Conferentie eenige
kennis van deze daadzaak nam; hetwelk zij dan ook, met groote koelheid
en duidelijkheid, op de volgende wijze deed:
De Jaarlijksche Conferentie van Georgia:
Heeft eenstemmig besloten, dat, nademaal er een artikel in onze
kerkelijke verordening is, waarin gezegd wordt dat wij zoo zeer
als ooit overtuigd zijn van het groote kwaad der slavernij;
en nademaal het gezegde artikel door sommigen verdraaid, en op
zoodanige wijze gebezigd is als om het begrip te doen ontstaan dat
de Methodistische Episcopale kerk de slavernij als een zedelijk
kwaad beschouwde;
Is, dien ten gevolge, besloten, dat het gevoelen der Jaarlijksche
Conferentie van Georgia medebrengt, dat de slavernij, zoo als
zij in de Vereenigde Staten aanwezig is, geen zedelijk kwaad is.
Is besloten, dat wij de slavernij als eene burgerlijke en
huiselijke instelling beschouwen, en als eene zoodanige, waarmede
wij, als dienaars van Christus, niets anders te doen hebben,
dan den toestand van den slaaf te verbeteren, door te trachten
hem en zijn meester met den heilrijken invloed der godsdienst
van Christus te doordringen, en beiden op hunne weg ten hemel
behulpzaam te zijn.
Op het gedane voorstel is eenstemmig besloten, dat de Jaarlijksche
Conferentie van Georgia met gevoelens van diepen eerbied en
goedkeuring de door onze onderscheidene superintendenten, of
bisschoppen, gevolgde waardige handelwijze beschouwt, in het
onderdrukken der pogingen, die door velen zijn aangewend om in kerk
en staat eene beweging ten gunste van het abolitionismus te wekken.
Is, wijders, besloten, hen onze hartelijke en ijverige
ondersteuning in de door hen opgevatte taak, toe te zeggen.
Conferentie van Zuid-Carolina.
De eerwaarde W. Martin heeft gelijksoortige besluiten als die van de
Conferentie van Georgia voorgesteld.
De eerwaarde W. Capers, na zijne overtuiging te hebben uitgedrukt dat
"het in de besluiten geopenbaarde gevoelen niet alleen door de leeraars
van deze Conferentie, maar door het geheele Zuiden algemeen omhelsd
wordt;" en na beweerd te hebben dat de eenige ware leer deze was:
"het gaat Caesar, en niet de kerk aan" stelde hij het navolgende als
een plaatsvervangend besluit voor:
Nademaal wij van gevoelen zijn dat het onderwerp der slavernij
in deze Vereenigde Staten niet tot de handelingen der Kerk,
maar uitsluitend tot die der burgerlijke besturen behoort;
Hebben wij, derhalve, besloten, dat deze Conferentie zich
niet verder met de zaak bemoeijen zal, dan om ons leedwezen te
betuigen dat zij ooit, onder welken vorm ook, tot eenig kerkelijk
regtsgebied is betrokken geworden.
Broeder Martin heeft het plaatsvervangend besluit goedgekeurd.
Broeder Betts heeft gevraagd of het plaatsvervangend besluit kon
geacht worden te bedoelen dat de slavernij, zoo als zij onder ons
bestaat, geen zedelijk kwaad was? Hij beschouwde het als met zulk
eene verklaring gelijk staande.
Broeder Gapers antwoordde, dat het zijne meening was, dat gevoelen
volledig en ondubbelzinnig uit te drukken; en dat hij den vorm
van een besluit gekozen had, niet alleen met het doel om eenige
onregelmatige handelingen in het Noorden te bestraffen, maar ook
met betrekking tot de Algemeene Conferentie. Indien de slavernij
een zedelijk kwaad (dat is, zondig) ware, alsdan zou de Kerk
verpligt zijn er kennis van te nemen; doch onze overtuiging is,
dat dit geene zaak is die tot haar regtsgebied behoort, maar dat
zij uitsluitend aan het burgerlijk gezag toekomt, en bijgevolg
niet zondig is.
Het plaatsvervangend besluit werd dus eenstemmig aangenomen.
In 1836 hield een Episcopaalsch geestelijke in Noord-Carolina, Freeman
geheeten, in tegenwoordigheid van zijnen bisschop (de eerwaarde
Levi S. Ives, Theol. Dr., een inboorling van een der vrije staten)
twee leerredenen over de regten en pligten der slavenhouders. In
dezen beproefde hij de slavernij, van blanken en zwarten beide,
uit den Bijbel te regtvaardigen, en beweerde dat "zonder eene nieuwe
openbaring uit den hemel, niemand bevoegd was om de slavernij ONREGT te
noemen." De leerredenen werden in een vlugschrift gedrukt, voorafgegaan
door een brief aan Mr. Freeman van den Bisschop van Noord-Carolina,
waarin hij betuigde dat hij "met ongeveinsd en bijzonder genoegen"
de leerredenen had aangehoord, en de openbaarmaking er van aanried,
"als thans hoogst noodzakelijk."
"Het Protestantsche Episcopaalsche genootschap tot bevordering van het
Christendom (!) in Zuid-Carolina" achtte een herdruk van Mr. Freeman's
vlugschrift nuttig, als een godsdienstig tractaat!
Toen naderhand de aanwinst van den nieuwen Staat van Texas de
organisatie der Bisschoppelijke kerk aldaar noodzakelijk maakte,
werd deze Mr. Freeman tot Bisschop van Texas benoemd.
Nu zou de vraag kunnen ontstaan--en bij elken verstandigen denker
onder het Christendom moet zij wel ontstaan:--kan het mogelijk
zijn dat de slavernij in Amerika, zoo als zij door de wetten van
dat land, en door de beslissingen zijner geregtshoven omschreven,
alle de vreeselijke misbruiken insluit die de wetten erkennen en
bekrachtigen;--kan het mogelijk zijn, dat zij als eene regtmatige
en gepaste instelling beschouwd wordt? Beschouwen deze Christenen
alleenlijk de slavernij in het afgetrokkene, als eene instelling, die,
onder eene gepaste wetgeving, goed zou kunnen worden, of verdedigen
zij haar, zoo als zij thans in Amerika bestaat?
Het is eene daadzaak, dat er in het Zuiden eene groote partij bestaat,
die niet alleen de slavernij in het afgetrokkene verdedigt, maar ook
de slavernij, zoo als zij in Amerika bestaat, in haar geheel en in
hare deelen, de ergste misbruiken zelfs daarbij ingesloten.
Uit het systeem kunnen vier gedeelten of gevolgen wettig worden
afgeleid, die ten uiterste snood en afschuwelijk zijn.
Het zijn deze: