Als de algemeene opinie van Europa zich in bewoordingen vol
verontwaardiging over het Amerikaansche slavenstelsel uitlaat, heeft
men gewoonlijk geantwoord: "Let op uwe eigene mindere volksklassen."
De voorstanders der slavernij hebben Engeland op zijne eigene armen
gewezen. Zij hebben gesproken van de heidensche onwetendheid, de
ondeugd, de ellende van zijne overbevolkte steden,--ja, zelfs van
zijne landbouw-districten.
Nu moest, in de eerste plaats, een land, hetwelk niet overbevolkt is,
waar de voortbrengselen van den grond meer dan voldoende zijn voor
de inwoners, een land dat slechts kort geleden een oorsprong nam,
onbelast met de afgesletene instellingen van verloopene eeuwen,
niet te vreden zijn met slechts even zoo goed te zijn als landen,
die tegen dat kwaad te worstelen hebben.
Het is eene armzalige verdediging voor Amerika, tot andere volkeren
te zeggen: "wij zijn niet slechter dan gij." Het moest oneindig veel
beter zijn.
Maar het zal blijken, dat de instelling der slavernij niet alleen
heidensche, ellendige, diep gezonken slaven heeft voortgebragt, maar
het geeft ook het aanzijn aan eene klasse van blanken, die, zoo als
algemeen erkend wordt, nog heidenscher, ellendiger en dieper gezonken
te zijn. De instelling der slavernij heeft in Amerika het dubbele
feit veroorzaakt, dat het niet alleen zijne zwarte arbeidende klasse
heeft doen ontaarden en verlagen, maar ook, dat, in weerwil van een
vruchtbaren grond en overvloedige ruimte, de arme blanke bevolking
even ontaard en verlaagd gemaakt is, als ergens in de meest bevolkte
districten van Europa.
De wijze waarop dit geschiedt, kan met weinige woorden worden
verklaard. 1o. De verdeling van het land in groote plantages, en de
hieruit voortvloeijende verspreiding der gemeenten, maakt een of ander
stelsel van gewone schoolopvoeding onmogelijk. 2o. Dezelfde oorzaak
geldt met betrekking tot de prediking van het Evangelie. 3o. Het
denkbeeld, dat arbeid vernederend is, hetwelk onmiddellijk voortvloeit
uit het tot slaven maken der werkende klasse, is een der grootste
oorzaken, die geschikte werklieden der middenklasse terughouden, om
zich in Slavenstaten neêr te zetten. Waar men iedere week advertentiën
vindt voor weggeloopen timmerlieden, smeden en metselaars, met
hun gereedschap, of met paarden, schapen en ander vee, bestaat
er noodzakelijk een denkbeeld onder de arbeidende klasse, hetwelk
verstandige, welgestelde ambachtslieden, zoo als er in de vrije Staten
een aantal worden aangetroffen, tegen de borst stuit en onaangenaam
is. Zij mogen het eenigen tijd verdragen, maar met veel ongerustheid,
en zij zijn verheugd als zij de eerste gelegenheid tot landverhuizing
kunnen aangrijpen om naar elders te trekken.
Ook verdringen de slaven, die voor alle takken van landbouw en
fabriekwezen overvloedig gebezigd worden, noodwendig den arbeid
der vrijen. Verbeeld u nu eens een huisgezin van arme blanken in
Carolina of Virginia, en dat zelfde huisgezin in Vermont of Maine;
hoe verschillend is de toestand waarin zij verkeeren! In Vermont
of Maine zijn de kinderen in de gelegenheid om hunne opvoeding in
publieke scholen te erlangen, en doen zich voor hen in de maatschappij
een aantal goede vooruitzigten op, die slechts vlijt eischen om
verwezenlijkt te worden. De jongens hebben de keus tusschen al
de verschillende handelsvakken, waaraan de zamenstelling der vrije
maatschappij behoefte heeft. De meisjes, bezield door den geest van het
land waarin zij geboren zijn, achten nuttigen arbeid geen schande, en
vinden, met waarlijk vrouwelijke vindingrijkheid, honderde zaken uit,
om iets bij te brengen tot de schatkist van het huisgezin. Als er een
lid van het huisgezin is, in hetwelk eene goddelijke gift van hoogere
talenten schijnt te vragen naar eene volmaakte opvoeding, vereenigt
het geheele huisgezin zich gaarne en wendt zijne winstgevende vlijt
aan, om dien eenen die hoogere opvoeding te geven, welke zijn hooger
genie vereischt; en aldus is de wereld begiftigd met mannen als Roger
Sherman en Daniel Webster.
Maar verplaatst dit zelfde huisgezin in Zuid-Carolina of in
Virginia--hoe geheel anders is hier de uitslag! Geene publieke
school opent des morgens hare deuren voor de kinderen; de eenige kerk
ligt misschien op 15 mijlen afstands, en is slechts langs een bijna
onbegaanbaren weg genaakbaar. De lucht zelfs, die zij inademen, doet
hen het denkbeeld van slavernij en ontaarding, met dat van nuttigen
arbeid verbinden; en de maatstaf van het fatsoen, is het vermogen
om te leven zonder te arbeiden. Welke tak van nuttigen arbeid is
daar voor de jongens geopend? Kan hij een smid worden? De planters
in de nabuurschap koopen liever hunne smeden in Virginia. Kan er een
timmerman uit hen worden? Ieder planter heeft er een of twee in bezit,
en zoo is het eveneens met metselaars en kuipers gesteld. Kan hij
schoenmaker worden? De schoenen voor de plantages worden in Lynn en
Natrick, twee steden in New Engeland, gemaakt. Inderdaad, tusschen den
vrijen arbeid van het Noorden, en den slavenarbeid in het Zuiden, is er
niets voor de arme blanken te doen. Zonder scholen of kerken, groeijen
deze ellendige huisgezinnen in een Christenland op als Heidenen,
in luiheid, ondeugd, onzindelijkheid en ongemak van allerhanden
aard. Zij zijn de pest van den geheelen omtrek en voorwerpen van
verachting, beschimping of medelijden, zelfs van de slaven. De zoo
uitdrukkingsvolle zin, zoo algemeen in den mond der negers, van "arm
blank uitschot," zegt alles, wat van dit ongelukkige geslacht gezegd
kan worden. Uit dit geslacht komt eene soort van brandewijn-verkoopers
voort, die met de negers handel drijven in goederen, van de plantagiën
gestolen. Knappe en veelbelovende jongelingen kunnen misschien
hopen om slavenhandelaars, en van dezen post nog tot opzigters van
plantages verhoogd te worden. Het hoogste doel dat de eerzucht kent,
is om door allerlei goede of slechte middelen, geld genoeg bijeen te
brengen, om "een neger of twee te koopen," en te beginnen te leven
zoo als andere menschen. Wee! den ongelukkigen neger of negerin,
die, zorgvuldig in een ander goed, godsdienstig huisgezin opgevoed,
door den dood hunner eigenaars te koop komen, en dan door zulk een
meester of meesteres gekocht worden! Dikwijls is de slaaf oneindig
veel beter, en in alle opzigten beschaafder in voorkomen, manieren,
opvoeding en zeden; maar niettegenstaande dit, beschermt de wet toch
de tirannieke meerderheid van den eigenaar.
Volgens al hetgeen men in de zaak van Souther, die wij hebben
medegedeeld, kan opmaken, is hij iemand van deze klasse geweest. Wij
hebben de zekerste bewijzen, dat de twee blanke getuigen, die den
geheelen dag doorbragten met lijdelijk zijne duivelsche handelingen
aan te gapen, menschen van deze klassen waren. Het schijnt, dat
de misdaad van het arme slagtoffer daarin bestaan heeft, dat hij
dronken is geweest en met deze twee menschen gehandeld had, en dat zij
waarschijnlijk geroepen werden, om hen te doen zien "wat een neger er
bij won om met hen handel te drijven." Deze omstandigheid toont ons
aan, dat deze twee ook tot de handelaars in contrabande behoorden,
die uit de gemeene blanken voortkomen, en den slaven-eigenaars zooveel
last veroorzaken door met hunne slaven te handelen. Kunnen woorden
zoo krachtdadig uitdrukken, welk soort van blanken deze menschen
zijn, als het denkbeeld, dat zij een geheelen dag in hunne domme,
onbescheidene nieuwsgierigheid, getuigen konden zijn van zulk eene
duivelachtige handelwijze?
Verbeeld u de ellende van den slaaf, die in zulke handen valt! Een
nu overleden geestelijke deelde schrijfster dezes het volgende
mede:--Toen hij in een der zuidelijke Staten reisde, nam hij zijn
nachtverblijf in eene ellendige hut, die aan iemand van deze klasse
toebehoorde. Onzindelijkheid heerschte er, en zij droeg het kenmerk
van gebrek aan welvaart en beschaafdheid. De man en zijne vrouw met
hunne woeste, verwaarloosde kinderen dronken whiskey en speelden den
dwingeland over den ellendigen man en de vrouw, die al het werk deden
en al de grillen van het geheele huisgezin te verdragen hadden. Hij
(de geestelijke) ontdekte weldra, dat deze slaven in persoon,
taal en in ieder opzigt, de meerderen hunner eigenaars waren: en
alles wat hem in deze ellendige woning gemakkelijks verschaft werd,
was hij juist aan de slaven verschuldigd. Voor dat hij weg ging,
trachtten zij hem alleen te spreken, en baden hem hen te koopen;
zij verhaalden hem dat zij zeer fatsoenlijk waren opgevoed in een
achtenswaardig en beschaafd huisgezin, en dat hunne slavernij hen
thans des te erger smartte. De arme schepselen hadden hem opgepast
met de grootste zorgvuldigheid, zijn paard gevoederd, zijne laarzen
gepoetst, en al zijne wenschen voorgekomen, in de hoop, van hem te
zullen overhalen hen te koopen. De geestelijke zeide, dat hij nooit
zoo naar geld had verlangd, als toen hij de ontmoedigde gezigten zag,
waarmede zij naar zijne woorden luisterden, dat hij te arm was om
aan hunne wenschen te voldoen.
Deze ellendige klasse van blanken maakt in al de zuidelijke Staten
een deel uit van het ellendigste en wreedaardigste gepeupel. Volkomen
onkundig, en onbegrijpelijk onbeschoft zijn zij, gelijk een blind,
wild monster, dat, als het opgewekt is, zonder iets te verschoonen,
alles wat het in den weg komt, onder den voet treedt. Hoe zonderling
het schijnen moge, zoo zijn zij, ofschoon de slavernij de oorzaak
is van de ellende en verdierlijking dezer klasse, toch de hevigste
en wreedste voorstanders der slavernij. Hiervan is dit de reden: Zij
gevoelen de verachting der hoogere klassen, en hun eenig troostmiddel
is, dat zij eene klasse onder zich hebben, die zij op hunne beurt
kunnen verachten. Het in vrijheid stellen der negers zou hen van dezen
laatsten troost berooven; en daarom ook pleit geene klasse van menschen
met zulk eene woedende en redelooze hevigheid vóór de slavernij, of
haat de afschaffers met zulk een helschen haat. Laat de lezer zich
een gepeupel verbeelden van mannen, even woest en ongevoelig, als de
twee mannen uit het verhaal omtrent Souther, geleid door menschen
gelijk Souther zelven, en hij zal zich een gering denkbeeld kunnen
vormen van hen, waaruit het zuidelijk gepeupel is zamengesteld.
De aanvoerders dezer gemeente, die menschen die met andere menschen
spelen, even achteloos als een harpspeler op zijne harp speelt, houden
dit blinde, wreede monster van het gepeupel er op na, even als een
opzigter zijn plantage-honden er op nahoudt, als schepselen, die zij
kunnen loslaten tegen iedereen, dien zij uit den weg willen ruimen.
Deze aanvoerders hebben den kreet "afschaffing" voor het
gepeupel gebezigd, even als de jager zijn "voort" aan zijne honden
toeroept. Wanneer zij een plan ten uitvoer te brengen, of iemand uit
den weg te ruimen hebben, heffen zij dezen kreet aan en het monster
is wakker, gereed om zijn sprong te doen, als zij het willen.
Wanneer een predikant zijne stem verheft ten voordeele der slaven,
laat dadelijk de een of andere uitgever het geheele gepeupel op hem,
als op een afschaffer, los. Wanneer iemand zijn negers leert lezen,
dan schiet het gepeupel op hem toe; hij moet beloven het op te geven,
of den Staat verlaten. Drukt een man aan tafel in een logement
zijne goedkeuring uit over een of ander werk tegen de slavernij,
dan komt de policie terstond opzetten en houdt hem aan wegens het
spreken van oproerige taal [21]; en op de hielen der policie, die
het geregtshuis omringt, komt het altijd gereede gepeupel, mannen
met knodsen en groote dolkmessen, en zweert dat zij zijn bloed
zullen hebben. De fatsoenlijker burgers trachten te vergeefs hen
terug te houden; men kan even goed met een troep honden redeneren,
en de eenige manier is, de beschuldigde persoon uit den Staat te
doen ontvlugten, zoo geheimzinnig en snel mogelijk. Dit alles zijn
zaken die zeer dikwijls in het Zuiden gebeuren. Ieder mensch uit het
Zuiden weet dat het zoo is, en hij kent er de redenen van; maar zoo
zeer vreezen zij dit monster, dat zij niet durven zeggen wat zij weten.
Dit redelooze monster gaat somwijlen de magt zijner meesters te
buiten, en dan zijn de gevolgen doodelijk voor de vaderlandsliefde
van achtenswaardige zuidelijke menschen, die ze echter niet kunnen
stuiten. Dit was het geval met den raadsheer Hoar, uit Massachusetts,
die met zijne dochter Charleston bezocht. De raadsheer werd door
den souvereinen Staat Massachusetts aangesteld, om onderzoek te doen
naar den toestand der vrije kleurlingen, die in de gevangenissen van
Zuid-Carolina worden opgesloten. Wij kunnen niet veronderstellen,
dat mannen van eer en opvoeding, in Zuid-Carolina, zonder smart de
zaak kunnen beschouwen, dat deze achtbare man, de vertegenwoordiger
van een Zusterstaat en door zijne dochter vergezeld, genoodzaakt
was te vlugten uit Zuid-Carolina, omdat men hun verhaalde, dat het
aangestelde bestuur hen niet tegen de woede van het gepeupel kon
beschermen. Dit is niet het eenige geval, waarin deze magt van het
gepeupel de hand harer leiders ontglipt is, en bedroevende resultaten
heeft opgeleverd. De tooneelen van Vicksburg en de opeenvolging van
volksstormen, die toen in de zuidelijke Staten gewoed hebben, zijn
zeer sterk afgemaaid door den schrijver van "de blanke Slaaf."
Zij, die deze volksvlagen nuttig oordeelen, als zij hen dienen,
worden somtijds met kracht herinnerd aan de gevolgen:
"Wanneer men roof en moord een wijl den teugel laat, Opdat hij
juist zoo ver, maar ook niet verder gaat; En heel het land in
vuur gaat zetten, om zoo hoog Maar ook niet hooger op te rijzen
naar den boog."
Het bovengemelde kan door verschillende bewijsstukken gestaafd
worden--meestendeels door de getuigenis van menschen die in
Slavenstaten wonen, en door uittreksels uit hunne couranten.
Wat de klasse van arme blanken aangaat, de heer William Gregy,
van Charleston, in Zuid-Carolina, zegt in eene brochure, genaamd:
Verhandelingen over inlandsche nijverheid, of een onderzoek naar
de onderneming om katoen-fabrieken in Zuid-Carolina te vestigen,
22 Julij 1845:
Zullen wij onopgemerkt die duizende arme, ontaarde blanken
voorbijgaan, die in dit land van overvloed, in betrekkelijke
naaktheid, honger en ellende leven? Menigeen is in het trotsche
Zuid-Carolina van jongs af aan opgevoed, voor wien geen maand is
voorbij gegaan, zonder een groot gedeelte van den tijd van vleesch
verstoken te zijn geweest. Menige moeder zal u zeggen, dat hare
kinderen slechts zeer schraaltjes van brood en nog schraler van
vleesch voorzien worden; en als zij een tamelijk goede kleeding
hebben, is het ten koste van dit weinigje voedsel. Dit zijn
misschien verschrikkelijke dingen, maar zij zijn echter waar, en
zoo men ze in Charleston niet gelooft, kunnen onze regeringsleden,
die den Staat doorkruist hebben, de waarheid er van bevestigen.
De eerwaarde heer Hendrik Duffner, doctor in de godgeleerdheid,
voorzitter van Lexington-College (Virginia), zelf een slaven-eigenaar,
gaf in 1847 een adres aan het volk van Virginia uit, waarin hij
aantoonde, dat de slavernij het algemeene welzijn benadeelde, en tevens
den invloed aanwees, dien de slavernij uitoefende op de vermindering
der blanke bevolking. Hij zegt:
Het is gebleken dat in tien jaren, van 1830 tot 1840, Virginia
door landverhuizing niet minder dan 375,000 menschen verloor;
waarvan Oost-Virginia 304,000 en West-Virginia 71,000. Op deze
wijze voorziet Virginia het Westen iedere tien jaren van eene
bevolking, even zoo groot als die van den Staat Mississippi ten
jare 1840. Zij heeft van haren grond ten minste een derde van al
de verhuizers verdreven, die van de oude Staten naar de nieuwe
zijn gegaan. Velen van deze duizenden, die de Slavenstaten
hebben verlaten, hebben zich in de vrije westelijke streken
neêrgezet. Deze zijn voornamelijk vlijtige en ondernemende
menschen, die door droevige ondervinding ervoeren, dat een
Slavenstaat geen Staat voor hen was. Het is eene waarheid, eene
zekere waarheid, dat de slavernij vrije werklieden--landlieden,
pachters, ambachtslieden,--ja allen verdrijft, en wel de beste
van hen, en hunne plaats door negers aanvult.... Zelfs het gewone
fabriekwerk wordt in een Slavenstaat niet verrigt. Eenige weinige
fabriek-voortbrengselen moeten wel is waar in ieder beschaafd land
vervaardigd worden, maar de algemeene regel in het Zuiden is, om
van buiten 's lands alle mogelijke fabriekzaken aan te voeren, die
maar in schepen kunnen vervoerd worden, zoo als meubelen, booten,
kasten, ploegen, tafels, draaibanken, bijlen en steelen van bijlen,
behalve nog een ontelbaar aantal andere dingen, die vrije gemeenten
gewoonlijk zelve maken. Het wonderlijkste van alles is, dat de
bosschen en ijzermijnen uit het Zuiden al die artikelen opleveren,
waaruit deze dingen vervaardigd worden. De vrije menschen uit
het Noorden komen met hunne schepen, nemen het timmerhout en het
ijzer meê, bewerken dit, voorzien met een gedeelte in hun eigene
behoeften, en verkoopen het overige met eene goede winst in het
Zuiden. Hoewel nu werklieden, door hunne winkels in het Zuiden te
openen, al deze onkosten en voordeelen voor zich konden behouden,
is het echter eene waarheid, dat de werklieden uit het Noorden
zich niet in het Zuiden willen neêrzetten, en de prijzen der
zuidelijke hooger blijven dan die hunner noordelijke concurrenten.
Wat de opvoeding betreft, geeft de eerw. heer Theodore Parker het
volgende op in zijne "Brieven over de slavernij," pag. 65:
In 1671 zeide sir William Berkeley, gouverneur van Virginia:
"Ik dank God dat er hier (in Virginia) geene vrije scholen of
drukpersen zijn, en ik hoop dat wij die hier in geen honderd jaar
zullen hebben." In 1840 waren er in de vijftien Slavenstaten op de
verschillende hoofd-scholen 201,085 scholieren; op de hoofd-scholen
in de vrije Staten 1,626,028. In den Staat Ohio alleen waren er op
de hoofd-scholen 17,524 meer dan in de 15 Slavenstaten te zamen,
te New York waren er 301,282 meer.
In de Slavenstaten zijn 1,368,325 vrije blanke kinderen tusschen
5 en 20 jaar; in de vrije Staten 3,536,689 zulke kinderen; in de
Slavenstaten op scholen en collegiën zijn 301,172 leerlingen; in
de vrije Staten 2,212,444. Alzoo gaan in de Slavenstaten uit de 25
kinderen tusschen de 5 en 20 jaar, niet eens vijf op eene of andere
school of collegie; terwijl uit 25 zulke kinderen in de vrije
Staten, meer dan 15 op eene of andere school of collegie zijn.
In de Slavenstaten kan een tiende gedeelte van de vrije blanke
bevolking boven de 20 jaar noch schrijven, noch lezen; terwijl
er in de vrije Staten naauwelijks één op 150 gevonden wordt die
dit niet kan.
In Nieuw Engeland zijn maar weinig vrijgeborenen boven de 20
jaren, die niet lezen en schrijven kunnen, maar vele vreemdelingen
komen daar aan zonder eenige opvoeding, en deze vermeerderen het
getal onbekwame menschen, en verminderen blijkbaar het effect der
vrije instellingen. In het Zuiden zijn weinig zulke vreemdelingen;
daar moet dus de domheid der bevolking aan andere oorzaken worden
toegeschreven. De menschen uit het Noorden, die zich in het Zuiden
neêrzetten, zijn goed opgevoed, en het Zuiden wint dus daardoor
in opvoeding wat het Noorden er door verliest.
Onder de Staten in het Noorden is Connecticut, en onder die in het
Zuiden Zuid-Carolina vrij van dezen verstorenden invloed. Eene
vergelijking tusschen deze beide Staten, zal de betrekkelijke
gevolgen doen zien der instellingen van het Noorden en Zuiden. In
Connecticut zijn 163,843 vrije lieden boven de 20 jaar; in
Zuid-Carolina slechts 111,663. In Connecticut zijn slechts 526
personen boven de 20 jaar die niet kunnen schrijven en lezen;
terwijl er in Zuid-Carolina 20,615 vrije blanken boven de 20
jaar zijn, die dit niet kunnen. In Zuid-Carolina zijn onder 626
vrije blanken meer dan 58 die niet kunnen lezen en schrijven;
op dit aantal in Connecticut nog geen twee! Meer dan het zesde
deel van de vrije volwassen bevolking in Zuid-Carolina kan het
stembriefje voor de volgende stemming niet lezen, en ten minste
een derde deel kan niet eens een courant verstaan. Inderdaad,
in een der Slavenstaten is dit geen bloote gevolgtrekking, want
in 1837 verklaarde gouverneur Clarke, van Kentucky, dat "een
derde der volwassen bevolking onbekwaam was haar naam te zetten";
en echter heeft Kentucky een "school-fonds" op 1,221,819 dollars
geschat, terwijl Zuid-Carolina er geen bezit.
Een bewijs van dit gebrek aan bekwaamheid in de Slavenstaten, is te
treffend om voorbij gegaan te worden. Zelfs de minst ontwikkelde
Amerikanen lezen de courant, een der minste letterkundige
journalen; in de Slavenstaten worden 377 nieuwsbladen uitgegeven;
in de vrije Staten 1135. Deze twee getallen maken het verschil nog
niet uit, want in het algemeen worden de couranten in het Zuiden
in dezelfde verhouding gelezen tot die van het Noorden, als 50
tot 75. Stellen wij nu dat de zuidelijke twee derde maal meer
gelezen worden dan de noordelijke, dan blijven er 225 couranten
voor de Slavenstaten. De maandwerken van meer waarde worden bijna
uitsluitend in de vrije Staten uitgegeven.
Het aantal kerken en geestelijken levert nog een maatstaf op,
betrekkelijk den zedelijken en verstandelijken toestand van het
volk. Over het wetenschappelijk karakter der geestelijkheid in
het Zuiden, hebben wij reeds gesproken: laten wij nu de uitwendige
feiten beschouwen.
In 1830 was in Zuid-Carolina eene bevolking van 581,185 zielen;
in Connecticut 297,075. In 1836 waren in Zuid-Carolina 364
predikanten, in Connecticut 498.
In 1834 waren er in de Slavenstaten slechts 82,532 scholieren in
de Zondags-scholen; in de vrije Staten 504,835; in den enkelen
Staat van New York 161,768.
De gedurige landverhuizing uit de Slavenstaten wordt ook door
verschillende nieuwsbladen aangetoond. De National Era haalt uit de
Raleigh-Register (Nieuw Carolina) het volgende aan:
Zij zullen Noord-Carolina verlaten.
Onze oplettendheid werd Zaturdag ll. opgewekt, door een lange reeks
van wagens, die onze straten doorreden en welke wij bevonden dat
aan eenige landverhuizers toebehoorden, die uit Wayne County in
dezen Staat naar het "verre Westen" gingen. Dit is slechts eene
herhaling van een aantal soortgelijke tooneelen, waarvan wij
gedurende de laatste jaren getuigen zijn geweest, en wij zullen
ze nog veel meer aanschouwen, als er niets gedaan wordt om het
ongelukkig lot dezer uitwijkenden te verbeteren.
Als er eenige "wenschelijke verbetering" te maken is, dan is
het zeker, onze jonge lieden te verhinderen, hun vaderland te
verlaten. Sedert de eerste vestiging van Noord-Carolina, is de
geest van landverhuizing, die zoo sterk alle zuidelijke Staten
aantast, de groote verhindering van haar geluk geweest! Hare
zonen, tot nu toe verwaarloosd (wij moeten dat toegeven) door een
zorgeloos bestuur, hebben, bij honderden, den weg ingeslagen uit
het land hunner vaderen, ten einde hun gebeente te laten rusten
in het land der vreemdelingschap. Wij gelooven stellig, dat deze
landverhuizing veroorzaakt wordt door de traagheid van ons volk,
wat binnenlandsche verbetering betreft, want de mensch is er van
nature niet op gesteld zijne geboorteplaats te verlaten.
De uitgever van de Era haalt ook het volgende aan uit de Greensboro'
(Alabama), Beacon:
Een buitengewoon groot aantal verhuizers is gedurende de laatste
twee of drie weken hier doorgetrokken. Op éénen dag der verloopene
week zijn bijna 30 wagens en andere voertuigen, meestal aan
landverhuizers behoorende, uit Georgia en Zuid-Carolina, hier
doorgetrokken, op hun togt naar Texas en Arkansas.
Deze zucht naar landverhuizing spruit niet voort uit eene al te
overvloedige bevolking. Verre van daar. Het duidt eer een verlaten
van den grond aan, die, uitgeput door onoordeelkundige bebouwing,
het werk om dien te beploegen niet meer beloont. De landverhuizer
verlaat, als hij zich van zijn geboortegrond verwijdert, eene
ontvolkte streek, en bevindt dat hij zich slechts met den kans om
te verhongeren, aan zijne gevoelens van plaatselijke gehechtheid
kan overgeven.
Hoe zullen de andere Staten van het Zuiden hunne bevolking kunnen
behouden? Wij spreken niet van vermeerdering, maar hoe moeten zij
houden wat zij hebben? Het is te vergeefs van bepaalde wetten,
Staatsregten of Wilmotvoorwaarden te praten. Wat kunnen al die
dingen baten voor eene onvruchtbare woestenij, waar men niet
bestaan kan?
In de kolommen van de National Era, van den 2den Oct. 1851, luidt
het volgende artikel van den uitgever aldus:
"Een burger van Guilford County, in Noord-Carolina, drukt zich
in een brief aan de True Wesleyan, van den 20sten Aug. 1851,
aldus uit:
"Gij kunt voorloopig met mijne courant ophouden, daar ik van plan
ben Westwaarts te gaan, waar ik godsdienstvrijheid genieten, en
mijn huisgezin in een vrijen Staat onderhouden kan. De wil van
het gepeupel is hier de eerste en eenige wet. Broeder Wilson had
eene kerkelijke bijeenkomst op Liberty-Hill, Zondag den 24sten
dezer. Het gemeen liep er gewapend te hoop, en begon het gebouw,
waar wij bijeen kwamen, te vernielen. Zij sloegen al de planken
stuk, braken deuren, ramen, preêkstoel en banken op; en ik geloof
niet, dat, als een uit het gemeen een Wesleyan doodsloeg, hij
opgehangen zou worden.
"Er is ditmaal meer verhuizing naar het verre Westen dan waarvan
men ooit in één jaar gehoord had. De menschen houden er niet van
tot slaven gemaakt te worden, en hebben besloten ergens heen te
gaan, waar het géén misdaad is, de zaak der armen en verdrukten
voor te staan. Zij zijn verontrust geworden toen zij de wetten
van God straffeloos met voeten hebben zien treden, en dat wel door
wetgevers en ambtenaren, die gezworen hebben de instandhouding van
den vrede te bevorderen, en hoogleeraren in de Godsdienst; en zelfs
(zoogenaamde) predikanten regtvaardigen de overheersching van het
gepeupel. Zij denken dat zulk eene gedragslijn tot eene ontbinding
der vereeniging zal leiden, en dat iedereen dan zal moeten strijden
om de slavernij te bevestigen, of vermoord worden. Het is een
vreeselijke stand van zaken, en als het volk nog geen Bijbel en
andere middelen van onderrigting had, zou men nog op verandering
kunnen hopen. Maar onder de tegenwoordige omstandigheden is er
weinig hoop op."
Wij hopen dat de schrijver zijn plan nog eens overwegen zal. In
zijne afdeeling van Noord-Carolina zijn een aantal menschen tegen
de slavernij, en het meerendeel van het volk heeft geen belang
bij den slaven-eigendom. Laten zij pal staan, en het regt van
vrije beraadslaging niet opgeven. Hoe kan de dwingelandij der
slavernij vernietigd worden, als zij, die er zich tegen aankanten,
hunne regten overgeven en hun land ontvlugten? Laten zij doen even
als de ontembare Clay in Kentucky doet, en men zal hen eerbiedigen.
Het volgende wordt in de National Era, van 1851, aangehaald, als
overgenomen uit de kolommen van de Augusta Republic (Georgia).
Vrijheid van spreken in Georgia.
Warrenton (Georgia), Donderdag, 10 Julij 1851.
Heden hebben de burgers uit de stad en van het land eene
bijeenkomst gehad, ten 8 ure des avonds, op het Raadhuis. De heer
Thomas F. Parsons werd tot voorzitter en de heer Wm. H. Pilcher
tot secretaris benoemd.
De voorzitter begon met te zeggen, dat het doel der bijeenkomst
bestond in het volgende:
Daar onze Maatschappij in verwarring is gebragt door de
tegenwoordigheid van een zekeren Nathan Bird Watson, die van New
Haven in Connecticut komt, en afschaffingsgevoelens heeft verspreid
onder ons volk--gevoelens, in strijd met onze instellingen, en
onduldbaar in eene slavenmaatschappij--en die ook gezien is in
negerhuizen, met het doel, zoo als wij gelooven, om onze slaven en
vrije neger-bevolking op te zetten tot opstand en weêrspannigheid.
Nadat de bijeenkomst geregeld was, bood de heer Wm. Gibson het
volgende besluit aan, hetwelk, na verscheidene discussiën met
algemeene stemmen werd aangenomen.
Besloten, dat er eene commissie van tien leden, door den voorzitter
aan te wijzen, zal gevormd worden, om den heer Nathan Bird Watson,
die hier omstreeks een week of drie vier heeft doorgebragt, van
daag ten 12 uur op den Georgia-spoorweg uit te zetten; en dat het
de pligt zal zijn van die commissie, om gezegden Watson naar Cumak
te voeren, ten einde hem naar zijn geboorteland in te schepen.
De volgende heeren werden tot leden dier commissie benoemd:
William Gibson, E. Cody, J. M. Roberts, J. B. Huff, E. H. Pottle,
E. A. Brinkley, John C. Jennings, George W. Dickson, A. B. Rogers
en Dr. R. W. Hubert.
De voorzitter werd, op een daartoe gedaan voorstel, aan hen
toegevoegd.
Er werd, op een voorstel,
Besloten, dat de besluiten dezer bijeenkomst, benevens een juist
signalement van gezegden Watson, naar de uitgevers der Augusta
nieuwsbladen gezonden zouden worden, met verzoek, dat zij en alle
andere uitgevers van couranten in Slavenstaten, ze een geruimen
tijd zullen overnemen.
Beschrijving.--Gezegde Nathan Bird Watson is een man van eene
donkere gelaatskleur, licht bruine oogen, zwart haar, en draagt
een zwaren baard; hij is vijf voet, elf en drie kwart duim lang,
loopt zeer snel en een weinig gebogen; zegt, dat hij drie en
twintig jaar is, maar kan voor vijf en twintig of dertig doorgaan.
Hierna werd de bijeenkomst gesloten.
Thomas F. Parsons, Voorzitter.
William H. Pilcher, Secretaris.
Dit kan beschouwd worden als een staaltje van die soort, welke bestemd
is om de bloedhonden uit het gemeen op te wekken, ter vervolging van
een mensch.
Het volgende is uit den Richmond Times door de National Era
overgenomen.
Lynch-wet!
Op den 13den dezer heeft het "Vigilance Committee", uit Grayson,
in dezen Staat, aangehouden een man, Jan Cornutt (een vriend en
volger van Bacon, den afschaffer uit Ohio), en na tegen hem de
getuigen gehoord te hebben, heeft men van hem geëischt, dat hij
van zijne afschaffings-gevoelens zou afzien. Deze Cornutt weigerde
dit, waarop men zijn rug ontblootte, hem aan een boom bond en
geeselde. Na een dozijn slagen te hebben ontvangen, gaf hij het op,
en beloofde, niet alleen zijne woorden te zullen herroepen, maar
ook zijne bezittingen (uit land en negers bestaande) te verkoopen
en den Staat te verlaten. Eene groote opgewondenheid heerschte
in den Staat, en de Wytheville Republican van den 20sten dezer,
geeft op, dat het "Vigilance Committee" van Grayson sterk aan
het vervolgen van andere berispelijke personen was.
Over dezen hoon, maakt de Wytheville Republican de volgende
aanmerkingen:
Den blanke op zijde stellende, vereischt de menschelijkheid jegens
den negerslaaf, dat men gestreng met deze afschaffers en boven
de wet met hen handele.
Op Zaturdag den 13den dezer hebben wij vernomen dat het "Committee
of Vigilance" van dit County, uit ongeveer twee honderd leden
bestaande, voor zich had gedagvaard den burger Jan Cornutt,
een vriend en aanhanger van Bacon, en een verspreider van
afschaffings-beginselen. Zij eischten van hem de afschaffing
op te geven en gehoorzaamheid aan de wetten. Hij weigerde. Zij
ontblootten zijn rug, bonden hem aan een boom, en eischten weder
van hem dat hij van zijne beginselen zou afzien, en gehoorzaamheid
aan de wet beloven. Hij weigerde. De roede werd gebragt; een,
twee, drie, tot twaalf toe, op den naakten rug, en hij schreeuwde
het uit; hij beloofde en meer; hij zeide dat hij wilde verkoopen
en het land verlaten.
Deze heer Cornutt bezit landerijen, negers en geld, zegge
15 à 20,000 dollars. Hij heeft eene vrouw, maar geen blanke
kinderen. Hij heeft onder zijne negers eenige op zijne boerderij
geborenen van gemengd bloed. Hij wordt verdacht een vriend der
negers te zijn, zelfs tot kruising van het ras toe. Hij is van plan
zijne negers te bevrijden, en hen tot zijne erfgenamen te maken;
men hoopt dat hij naar Ohio zal gaan, om dáár zijne plannen van
kruising en bevrijding voort te zetten.
De "Vigilance Committee's" waren aan het vervolgen van een anderen
van Bacon's aanhangers; wij hebben niet gehoord of zij hem gevangen
hebben, en wat er het gevolg van is geweest. Er zijn niet meer dan
zes van zijne aanhangers die standvastig blijven; de anderen hebben
zijne gevoelens verzaakt, en zijn zeer beleedigd over zijn bedrog.
De heer Cornutt beriep zich op de wet. De uitslag van dit beroep
is als volgt, uit den Richmond Times (Virginia) door de National
Era overgenomen:
Meer moeijelijkheden in Grayson.
Daar de klerk van het geregtshof in Grayson County op den 1sten
dezer zijn beroep opgaf, en er geen ander was die zich hiervoor
aanmeldde, en het algemeen bekend was dat niemand dit zou aannemen,
zoo achtte regter Brown zich onbevoegd om met zijne bezigheden
voort te gaan, en sloot hij het hof tot den eersten dag van de
volgende maand.
Dadelijk na de sluiting had er eene algemeene bijeenkomst plaats,
waarbij eenige besluiten aangenomen werden die het besluit van
het volk uitdrukten, om zich te houden bij hun vroeger plan;
zij wekten de "Vigilance Committee's" op tot verdubbelden
ijver, om het standpunt vol te houden, en alle personen, met
afschaffings-gevoelens behebt, op te sporen, en eene belooning van
honderd dollars aan te bieden voor de aanhouding en uitlevering
van een zekeren Jonathan Roberts aan een der genoemde Committee's.
Wij bezitten een brief van een geloofwaardigen correspondent
in Carroll County, die over de zaak een nog ernstiger licht
verspreidt. Vertrouwende dat er eenige vergissing heeft plaats
gegrepen, hebben wij geene aanmerkingen te maken voor dat de
feiten met zekerheid bekend zijn. Onze correspondent, wiens brief
van den 13den dezer is, zegt:
"Ik hoor uit geloofwaardige bronnen, dat het "Circuit Court",
hetwelk in Grayson County een zitting zou houden, door geweld
werd uiteen gejaagd. De omstandigheden waren de volgende: Na
de ter dood brenging der negers, die tot opstand waren opgewekt
door zekeren methodistischen predikant, Bacon genaamd, hielden de
burgers eene bijeenkomst, en stelden eene soort van inquisitie
in, om zoo mogelijk uit te vinden wie Bacons medepligtigen
waren. Men verdacht een man, Cornutt genaamd, die, toen hij
als aanhanger beschuldigd was, het feit bekende en zijn plan te
kennen gaf om hierbij te volharden; waarop hij streng gegeeseld
werd. Cornutt klaagde zijne geeselaars aan, die naderhand eene
bijeenkomst hielden en besluiten namen, waardoor het hof en de
regtsgeleerden gewaarschuwd werden, de zaak niet onder handen te
nemen, op straffe van een pak van teer en veêren. Het hof echter
kwam op den bepaalden tijd bijeen; en getrouw aan de afgelegde
belofte, rukte er een troep gewapenden naar het huis waar het hof
vergaderde, en vuurde hunne geweren in pelotons af, en jaagde het
hof in verwarring uiteen; er werd geen bloed vergoten. Deze Staat
en die van Wythe hebben meetings gehouden en besluiten genomen,
tot ondersteuning der burgers van Grayson.
Is het te verwonderen, dat de menschen uit den Staat verhuizen, waar
zulke dingen plaats grijpen? Het volgende zal aantoonen wat predikers
van het Evangelie te wachten hebben, die getrouw ondernemen hunne
gevoelens in Slavenstaten uit te drukken. Het eerste is een artikel
door Dr. Bailey, van de Era, van den 3den April 1852:
Lynching in Kentucky.
De American Baptist, van Utica (New York), behelst brieven van Eduard
Matthews, die eene beschrijving geven van de wreede behandeling,
welke hij in Kentucky ondergaan heeft.
Mr. Matthews is, zoo het schijnt, een agent van de American Free
Mission Society; hij bezocht dien Staat, in de uitoefening van
zijn agentschap, en nam de gelegenheid waar, om van den kansel
zijne tegen de slavernij geuite beginselen te verkondigen.
Niet lang geleden vroeg hij in het dorp Richmond, in Madison
County, aan verscheidene kerken verlof, om eene lezing te houden
over den geestelijken en godsdienstigen toestand der slaven,
maar slaagde daar niet in. In den avond van den 1sten Februarij
preêkte hij voor de gemeente van kleurlingen uit die plaats,
waarop hij door het gemeen overvallen en uit de stad gejaagd werd.
Na verloop van eenigen tijd terugkomende, gaf hij kennis van
het gebeurde aan het bureau van den Richmond Chronicle, en
vertrok weêr; maar hij was nog niet ver gegaan, toen hij door
vier mannen ingehaald, gegrepen en naar eene onbezochte plaats
gebragt werd, waar zij met elkander beraadslaagden wat ze met
hem zouden aanvangen. Zij besloten hem in het water te werpen,
na zich eerst verzekerd te hebben dat hij zwemmen kon. Twee van
hen namen hem op en wierpen hem in den vijver, zoo ver zij konden,
en toen hij weder boven kwam, geboden zij hem er uit te komen; hij
deed dit, doch toen hij weigerde te beloven ooit weêr in Richmond
terug te komen, werd hij andermaal in het water geworpen; dit
werd tot driemaal toe herhaald, wanneer hij eindelijk toegaf. Nu
eischte men van hem eene belofte, dat hij Kentucky zou verlaten
en er nimmer terug keeren; hij weigerde die af te leggen en zij
wierpen hem nog zesmaal in het water; toen, daar hij geen kracht
meer over hield en men hem dreigde te zullen geeselen, gaf hij
de geëischte belofte, en verliet den Staat.
Wij zijn onbekend met het gedrag van den heer Matthews, in
betrekking tot de verspreiding van afschaffings-gevoelens. De
wetten in Kentucky, die ter bescherming dienen van wat men
"slaveneigendom" noemt, zijn streng genoeg, en niemand kan de
vaardigheid der algemeene opinie betwijfelen, om de afschaffers
zwaar te straffen. Zoo de heer Matthews tegen de wet gehandeld
heeft, had hij door de wet moeten geoordeeld worden; en dit zou
zoo geweest zijn, als hij eenige onwettige daad bedreven had,
en niets daarvan wordt tegen hem aangevoerd.
Hij was dus het slagtoffer der Lynch-wet, op eene boosaardige
wijze en zonder oorzaak toegepast; en de partijen, in deze
zaak betrokken, zijn, zonder hunnen rang in de maatschappij
in aanmerking te nemen, schuldig aan een even lafhartig als
onbeschoft gedrag.
Wat de wijze aangaat waarop de heer Matthews zich in Kentucky
gedragen heeft, daar weten wij niets van. Wij nemen in onze
kolommen het volgende uittreksel op uit de Journal and Messenger
van Cincinnati, eene Baptisten-courant, die zich zeer verstandig
hierover uitlaat:
"De heer Matthews is insgelijks eene Baptisten-prediker wiens
roeping zigtbaar eene zending van liefde is; zoo hij die roeping
geschonden heeft, is hij daarvoor aansprakelijk vóór God en de
wet, maar niet voor onwettig geweld. Zijne komst in Kentucky is
een gewetenszaak, die hij echter kon ten uitvoer brengen of niet,
zoo als hij wilde. Vele goede menschen, die tegen de slavernij
zijn, zouden de wijsheid van zulk een stap afkeuren, niemand zal
zijn regt er toe betwijfelen. Velen kunnen de wijze, waarop hij te
werk gaat, niet goed vinden, maar zij gelooven dat hij braaf is,
en weten, dat "onderdrukking zelfs een wijs man gek maakt." Wij
gelooven niet, dat hij, ingevolge het bevel van Christus, de
kosten genoeg berekend heeft. Want niemand, in zijn toestand,
kan naar Kentucky gaan, om de slaven-kwestie te behandelen,
tenzij hij er verwacht te zullen sterven. Geen mensch, in den
toestand waarin de heer Matthews zich bevindt, kan het doen,
zonder als martelaar te vallen. Vrijheid van spreken en denken,
kan in een Slavenstaat niet bestaan. De slavernij zou niet
meer bestaan als zij er bestond. Het is ongetwijfeld de pligt
eens Christens, zijn leven niet ligtelijk over te geven, om een
martelaar te zijn; dit zou een onheilige drangreden wezen. Het is
zijn pligt het te behouden tot het laatste oogenblik; dat is het
bevel van Christus; het is geen teeken van lafheid om te vlugten;
"als zij u in de eene stad vervolgen, vlugt dan naar eene andere,"
zeide de Zaligmaker. Maar Hij zeide niet: Leg eene belofte af,
dat gij uwe regten niet zult uitoefenen; hiervan komt het, dat Hij,
noch een Zijner leerlingen, het ooit deden. Maar het is de vraag,
of hij, na eenmaal overdacht te hebben, en in eene gemeente te zijn
gekomen ter uitoefening van zijne grondwettige en godsdienstige
regten, eene belofte zou afleggen om nooit terug te keeren, ten
einde zijn leven te redden. Een Christen moet er eene even groote
gewetenszaak van maken, om plegtig te beloven, niet te doen wat
ontegenzeggelijk zijn regt is, als hij er eene gewetenszaak van
zou maken, om te arbeiden aan de gelijkstelling der slaven.
Het volgende is uit de National Era van den 10den Julij 1851.
De heer McBride wenschte eene gemeente te vormen van menschen, die
geen slavenhouders zijn.
Gebeurde met den Eerw. Jesse McBride.
Men zal zich herinneren, dat deze zendeling onlangs uit
Noord-Carolina verjaagd is.
Wij laten hier achter zijn brief van den 6den Mei, over het gedrag
van het gepeupel, volgen. Na geschreven te hebben dat hij aan eene
tijdelijke ziekte leed, gaat hij aldus voort:
"Ik zoude te huis gebleven zijn, als ik niet gevreesd had dat
het gepeupel er op uit zou zijn om mijne gemeente te verstoren,
ofschoon ik er van niemand iets van gehoord had. Omstreeks zes
uur des morgens, klom ik in mijn rijtuig en reed 18 mijlen ver,
naar mijne "meeting", 8 mijlen beoosten Greensboro', waarvan
ik u voor eenige weken eene beschrijving gaf, alwaar zeven of
acht personen hunne namen opgaven, om opgenomen te worden in eene
Weslyaansche Methodisten-kerk. Juist voor het uur der bijeenkomst
(twaalf uur), werd ik onderrigt dat een troep volk op de been was
en gezworen had, dat ik mijne roeping niet zou vervullen. Daar
zij hier niets van gehoord hadden, waren eenigen mijner vrienden
over dit nieuws zeer verwonderd: zij wisten naauwelijks wat zij
deden. Ik zeide hun dat ik gaan zou, en als "goede soldaten"
volgden zij. Even voor dat ik in het huis der bijeenkomst kwam,
zag ik een man den troep volks verlaten en mij naderen. Toen ik
hem voorbij ging, zeide hij:
"Mr. McBride, hier is een brief voor u."
Ik nam den brief, stak dien in mijn zak, en zeide: "Ik heb geen
tijd om dien te lezen, dan na afloop der "meeting."
"Neen, gij moet dien nu lezen."
Daar hij zag dat ik niet stil hield, zeide hij: "Ik moet u
spreken," en wenkte met zijne hand, in de meening, dat ik hem
volgen zou.
"Ik zal later met u spreken," zeide ik, mijn horologie uithalende;
"gij ziet dat ik nu geen tijd heb, het is juist twaalf ure."
Toen ik naar binnen wilde gaan, stond een man, die bij de deur
zat, op, legde zijne hand op mijn schouder en zeide, op zeer
gejaagden toon:
"Mr. McBride, gij kunt hier niet binnen gaan!"
Zonder eenigen tegenstand te bieden, of een woord te zeggen,
knielde ik buiten het huis, en bad mijnen "Vader", pleitte op
Zijne beloften, zoo als: "Wanneer de vijand komt gelijk een vloed,
zal Ik een standaard tegen hem opzetten; Ik ben een helper in
den nood" enz. en stond volkomen rustig op. Middelerwijl zwoeren
en vloekten eenigen mijner vijanden, maar meestentijds waren zij
stil. Mr. Hiatt, een slaveneigenaar en koopman uit Greensboro',
zeide:
"Gij kunt hier van daag niet preêken; wij zijn gekomen om het u te
beletten. Wij gelooven dat gij kwaad doet en onze wetten schendt."
"Met welk regt gebiedt gij dus en wilt gij beletten te
prediken? Zijt gij door eenig burgerlijk gezag gemagtigd, om mij
dit te beletten?"
"Neen, mijnheer."
"Heeft God u gezonden, en heeft Hij het u als pligt voorgeschreven
mij tegen te houden?"
"Ik ben onbekend met Hem."
"Wel, maak u dan nu bekend met Hem, en leef in vrede, en Hij zal
u eene meer prijzenswaardige bezigheid geven, dan den menschen
het prediken van Hem te beletten. De jongste dag nadert, en ik
daag u dan voor Zijn regterstoel, om rekenschap te geven van
het gedrag van dezen dag. En nu, heeren, als ik de wetten van
Noord-Carolina heb geschonden, dan wil ik voor die wetten teregt
staan, er door veroordeeld en gestraft worden; ik wil dan naar de
geeselpaal, gevangenis, of zelfs naar den brandstapel gaan. Maar
heeren, gij zijt over het algemeen geen troep onkundigen; uw
gezond verstand leert u het ongepaste van uw gedrag; gij weet
dat gij misdrijf pleegt; gij weet dat het niet regt is, alle
menschelijke en goddelijke wetten met voeten te treden, gij moet
zien dat uw gedrag tot volkomene regeringloosheid en verwarring zal
leiden. Er kan een tijd komen, dat Jacob Hiatt tot de minderheid
zou kunnen behooren, waarin zijne beginselen even gehaat zullen
zijn als die van Jesse McBride nu. En wat zal het dan? Wel,
als uw gedrag gevolgd wordt, moet hij gegeeseld, gesteenigd,
uit zijn huis gesleept, of zijn huis boven zijn hoofd afgebrand
worden, en hij in de puinhoopen omkomen. De personen werden de
prooi der beesten, wien zij Daniël voorwierpen. Hetzelfde vuur,
dat aangestoken was voor de "kinderen Israëls," verteerde degenen
die het aanstaken. Haman werd in denzelfden strik verwurgd, dien
hij voor Mordechaï had gereed gemaakt. Uw gedrag is gevaarlijk,
en het zal u hier of hier namaals vergolden worden. Wij zullen
een gezang aanheffen!" zeide ik.
"O ja," zeide Hiatt, "gij kunt zingen."
"De gemeente zal wel zoo goed zijn mij daarin bij te staan,
daar ik zeer ziek ben," en ik begon het gezang: "Vader, ik hef
mijne handen naar u op," alles zong mede, en scheen in de beste
stemming, en ik vergat bijna wie zij waren. Toen ik ophield,
zeide ik, "Laat ons bidden."
"G--d ver....e, dat is geen zingen!" zeide een uit het gezelschap
achteraan.
"Terwijl wij den Goddelijken zegen afsmeekten, geloof ik, dat
velen konden zeggen, "het is ons goed dat wij hier zijn." Voor
dat ik oprees, nadat mijne vrienden opgestaan waren, sprak ik
eene vermaning, die 10 à 15 minuten duurde, uit, waarin ik hen
tot standvastigheid, gebed enz., aanmaande, terwijl eenigen uit
het volk riepen: "Pakt hem aan!" "Sleept hem er uit!" "Brengt
hem tot zwijgen!"
Daar mijne stem bijna gesmoord werd door het rumoer, hield ik
op. Ik werd toen geroepen om eenige minuten met Hiatt te praten,
die alles herhaalde wat hij vroeger tegen mij had in het midden
gebragt, zeide dat ik opstand en onrust veroorzaakte, en wenschte
dat ik den Staat zou verlaten; hij zeide dat hij eenige slaven
had, en hij-zelf het meest slaaf was en het erger had dan zij,
en dat hij mijn ware vriend was.
"Wat uwe vriendschap aangaat, mijnheer H., gij hebt zeer
vriendschappelijk en hoogst opmerkenswaardig gehandeld, even
als Judas toen hij den Heiland kuste. Wat uwe bewering betreft
dat gij zelf een slaaf zijt, het spijt mij zeer, maar gij moest
waarlijk vrij gemaakt worden. Ik ben een volstrekte tegenstander
van opstand, en heb daar in het minst geen lust in, en wat het
verlaten van den Staat aangaat, moet ik u zeggen, dat ik eene
kleine, moederlooze dochter in Ohio heb nagelaten, en ik niet
van plan was langer dan een jaar in Noord-Carolina te blijven,
maar het volk sleepte mij voor het geregtshof, beschuldigde mij
van zware misdaden, sloeg mij in ketenen en hield mij vast, en
wilt gij nu hebben dat ik mijne borgstellers in ongelegenheid
brengen en het geregtshof bedriegen zal?"
"O! als gij den Staat verlaten wilt, zal uw borg daardoor niet
lijden; dat kan zonder veel moeite geregeld worden."
"Zij zullen niet door mij lijden," zeide ik.
Na eenigen tijd met H. en een of twee anderen over persoonlijke
Godsdienstigheid te hebben gesproken, ging ik weêr naar het huis en
in de deur zitten, stond toen weêr op, haalde eenige bijbelteksten
aan om te toonen, dat al die Goddelijk willen leven vervolging
moeten ondergaan, en vroeg: 1o. Wat is vervolging? 2o. de
woorden "moeten ondergaan"; alstoen gaf ik een kort overzigt
van vervolging, terwijl ik begon met aan te toonen dat Abel
de eerste martelaar is geweest. De profeten werden gesteenigd,
van een gereten, tot kwaad aangezet, met het zwaard vermoord,
moesten in woestijnen, bergen en holen ronddwalen, werden uit
hunne woningen gedreven, aan verscheurende dieren prijs gegeven,
aan den geeselpaal gebonden of op andere wijzen vermoord. Ik sprak
ook van Johannes den Dooper, toonde aan hoe en waarom hij vervolgd
werd; en dat Christus vervolgd werd omdat Hij datgene deed; waarom
men Johannes vervolgde omdat hij het niet deed. Ik sprak van het
lijden en den dood der Apostelen; van Luther en zijne helpers;
van de Wesleyns en vroegere Methodisten; van Fox en de Kwakers, en
van hen, die zich eerst in de Vereenigde Staten hadden gevestigd;
zeide waarom de regtvaardigen vervolgd werden, en het voordeel
daarvan voor de regtvaardigen zelf, en hoe zij hunne vervolgers met
goedheid moesten behandelen. Eenigen van hen letten goed op hetgeen
ik zeide. Tegen het einde werden anderen kwaad en schreeuwden:
"Houdt hem tegen! Werpt hem er uit! De regtvaardigen werden nooit
vervolgd voor verd--e afschaffing." En alzoo bragten wij den tijd
door tusschen 12 en 3 uur, en de bijeenkomst eindigde.
Waarde broeder! Ik word meer en meer bevestigd in de
regtvaardigheid onzer zaak, en zou veel liever voor goede
beginselen sterven, dan toejuiching en eer inoogsten voor het
uitstrooijen van valsche afgodische stelregels. Gij wilt weten
hoe ik mij gevoel? Meestentijds gelukkig; eene Godsdienst, die
geen vervolging kan lijden, zal ons niet ten Hemel voeren. God
zij gedankt, dat ik tot dusverre nog niet gedwongen ben Hem te
verloochenen. Somtijds dacht ik digt bij huis te zijn. Over
het algemeen gevoel ik eene zielekalmte, maar somtijds zijn
mijne genietingen verrukkend. Ik heb veel voor mijne gemeente
te bidden gehad; help mij voor haar bidden. God zij gedankt,
ik heb nog niet gehoord dat een van hen het opgegeven heeft,
en ik geloof dat eenigen, zoo niet allen, eer den brandstapel
zouden beklimmen, dan terugtreden. Ik vergat u te zeggen,
dat ik een gedeelte van het 5de hoofdstuk, bij het 17de vers
beginnende, van de Handelingen der Apostelen aan het gepeupel
heb voorgelezen. Ik zeide hun, dat, zoo hunne instellingen van
God waren, ik hen niet kon benadeelen; dat, zoo onze zaak van
God was, zij die niet konden tegenhouden--dat zij mij konden
vermoorden, maar niet de waarheid dooden. Ofschoon ik duidelijk
genoeg redeneerde, gevoelde ik mij goed gezind jegens hen.
Ik heb in haast moeten schrijven, en daar ik vermoeid en niet
wel was, is mijn brief zeer uiteenloopend. Hier is eene copie
van den brief van het gepeupel:
Mr. McBride!
Wij ondergeteekenden verzoeken u eerbiediglijk, hier heden
uwe bestemming niet te vervullen. Als gij het doet, zult gij
gehinderd worden.