Het beginsel, hetwelk verklaart dat een menschelijk wezen wettig
door een ander in eigendom kan gehouden worden, leidt regelregt tot
den handel in menschen en aan dien handel is, behalve de overige
afschuwelijke gevolgen, nog de verzoeking verbonden van menschenroof.
De handelaar is over het algemeen iemand van ruwen aard en uit den
laagsten stand gesproten, hardvochtig en ongevoelig; voor regt en
eer. Degeen die niet zoo is, maakt veeleer eene uitzondering op den
regel. Als er nog eenig goed in hem is als hij zijne zaken begint,
zal het spoedig blijken dat hij op weg is, het te verliezen.
Gedurig ziet de handelaar mannen en vrouwen bij zich voorbijgaan,
die hem in zijn handel duizend dollars waard zouden wezen,--die tot
eene klasse behooren, wier regten door niemand worden geëerbiedigd
en die, als zij tot slavernij konden gebragt worden, niet ligt hun
woord tegen het zijne zouden kunnen doen gelden. Het is waarschijnlijk,
dat honderden vrije mannen en vrouwen en kinderen op die wijze gedurig
tot slaven worden gemaakt.
Het volgende geval dat met Northrop plaats had en waarover in
Washington een proces is gevoerd, verspreidt over dit verschrikkelijke
onderwerp een treurig licht. Het volgende verhaal is verkort geput
uit den New York Times:
Salomo Northrop is een vrije kleurling en burger der Vereenigde
Staten; hij werd geboren in de provincie Essex, New York, omstreeks
het jaar 1808; werd vroeg een inwoner van de provincie Washington,
en huwde daar in 1823. Zijn vader en moeder hebben in de provincie
Washington ongeveer vijftig jaren, tot aan hun overlijden,
gewoond en waren beiden vrij. In den winter van 1841 hield hij
zijn verblijf te "Saragota Springs", en terwijl hij daar vertoefde,
was hij in dienst van twee heeren, voor een dollar daags.
Voor zijn beroep ging hij naar New York, en na daar zijne papieren
als vrij man geligt te hebben, om te bewijzen dat hij burger was,
begaf hij zich naar de stad Washington, waar hij den 2den April van
hetzelfde jaar aankwam, en zijn intrek nam in Godsby-Hôtel. Kort
daarop gevoelde hij zich ongesteld en begaf hij zich naar bed.
Terwijl hij daar zware pijnen leed, kwamen er een aantal lieden
binnen, en ziende in welk een toestand hij verkeerde, boden zij
aan hem medicijnen te brengen, hetgeen geschiedde. Dit is het
laatste waarvan hij zich iets te binnen weet te brengen, totdat
hij bemerkte dat hij geketend lag in het Williams' slavenschuthok,
en handboeijen aan had. Na verloop van eenige uren kwam James
H. Burch, een slavenhandelaar, binnen, en de kleurling vroeg
of hij hem van die ketens wilde ontdoen, en verlangde te weten
waarom men hem die had aangedaan. Burch zeide hem, dat het hem
niet aanging. De kleurling zeide, dat hij vrij was, en noemde
de plaats op, waar hij geboren werd. Burch riep iemand binnen,
Ebenezer Rodbury geheeten, waarop zij den man uitkleedden en
hem over een bank legden, terwijl Rodbury hem bij de handen
vasthield. Burch sloeg hem met eene roeispaan, totdat die brak,
en vervolgens met een bullepees, totdat hij hem honderd slagen
had toegebragt, en bezwoer hem dat hij hem zou vermoorden, als hij
er ooit tegen iemand van kikte, dat hij een vrij man was. Van dat
oogenblik af, zegt de man, dat hij aan niemand meer durfde verhalen
noch dat hij een vrij man was, noch hoe hij heette. Eerst dezen
zomer overwon hij die vrees. Ongeveer tien dagen bleef hij in
het slavenschuthok opgesloten, toen hij, met een aantal anderen,
midden in den nacht door Burch er uitgehaald werd. Men deed hem
de handboeijen aan, en op een stoomboot werd hij de rivier af en
vervolgens naar Richmond gevoerd, waar hij, met acht en veertig
anderen, aan boord van de brik Orleans werd ingescheept. Daar
verliet Burch hem. De brik zeilde naar New Orleans, en daar
aankomende kwam, eer zij nog aan de werf aanlegde, Theophilus
Freeman, een andere slavenhandelaar, in de stad New Orleans
t'huis behoorende, en die in 1833 compagnon van Burch in den
slavenhandel was, op de werf, en nam de slaven in ontvangst, toen
zij aan land waren. Northrop werd terstond door Freeman in zijn
schuthok te dier stede opgesloten. Zoodra hij daar gekomen was,
kreeg hij de kinderpokken en werd naar een hospitaal gezonden,
waar hij twee of drie weken lag. Toen hij genoegzaam hersteld
was om het hospitaal te verlaten, was het Freemans voornemen,
hem aan iemand in den omtrek te verkoopen. Northrop werd dan ook
aan den heer Fard verkocht, die in "Rapides Parish" (Louisiana)
woonde, bij wien hij ruim een jaar bleef en als timmerman werkte,
daar zijn meester dat beroep uitoefende. Fards ging bankroet en
moest hem verkoopen. Een zekere Tibaut kocht hem. Na verloop van
een poosje deed deze hem over aan Edwin Eppes, in Bayou Beouf,
ongeveer honderd dertig mijlen van den mond der Roode Rivier,
waar Eppes hem tot in het jaar 1843 op een katoenplantage bezigde.
In Junij van het jaar 1841,--om even een stap terug te doen in
ons verhaal--schreef de man een brief aan Henry B. Northrop, in
den Staat van New York, met het postmerk van New Orleans, waarin
hij meldde dat men hem geroofd had, en zich aan boord van een
schip bevond, maar buiten magte was om te zeggen wat men met hem
vóór had; maar waarin hij den heer N. verzocht, hem zoo mogelijk
behulpzaam te zijn in het herkrijgen van zijne vrijheid. De heer
N. was buiten staat iets ten zijnen behoeve te doen, dewijl hij
niet wist waarheen hij gegaan was, en onmogelijk eenig spoor van
hem kon ontdekken. Zijne verblijfplaats bleef onbekend tot in
de maand September van het vorige jaar, toen zijne vrienden den
volgenden brief ontvingen:
Bayou Beouf, Augustus 1852.
Mijne Heeren!
Het is reeds lang geleden, sedert ik iets van u gezien of
gehoord heb, en niet wetende of gij nog in leven zijt, schrijf
ik u met onzekerheid; maar het dringende van mijn toestand moet
mijne verontschuldiging zijn. Daar ik juist aan den anderen
kant van de rivier, tegenover u geboren ben, houd ik er mij
van overtuigd, dat gij mij kent; en hier word ik nu als slaaf
gehouden. Ik hoop dat gij mijne papieren van vrij man voor mij
zult kunnen krijgen, en ze aan mij overmaken te Marksville,
in Louisiana, kerspel van Avovelles, en verpligten uw
Salomo Northrop.
Aan Mr. William Penny of Mr. Lewis Parker.
Op het ontvangen van bovenstaanden brief, wendde de heer N. zich
tot den heer Hunt, gouverneur van New York, want er was niet minder
dan zulk een regeringspersoon noodig, om een agent naar Louisiana
te zenden, ten einde de bevrijding van Salomo uit te werken. Het
bewijs, dat hij een vrij man was, werd door den gouverneur
Hunt, en door verscheidene geregtelijk beëedigde verklaringen
van een aantal heeren, waaronder generaal Clarke behoorde,
geleverd. Derhalve werd, overeenkomstig de wetten van New York,
Henry B. Northrop tot agent benoemd, om de noodige stappen te
doen, zoo als getuigen bij te brengen, voor advokaten te zorgen,
enz., die vereischt werden om de vrijheid van Salomo te bewerken,
en alles te doen wat tot zijn agentschap behoorde.
De uitslag van Mr. Northrop's bemoeijingen was, dat Salomo's eisch tot
in vrijheidstelling hem werd toegewezen, en hij naar zijn geboorteland
mogt terugkeeren.
Zeer opmerkelijk en toevallig is het, dat deze man ook naar eene
plantage aan de Roode Rivier werd gevoerd, dezelfde streek waar het
tooneel van Tom's gevangenhouding geplaatst was, en dat zijn verhaal
van deze plantage, zijne manier van leven en enkele voorvallen die
hij beschrijft, een treffende overeenkomst met die geschiedenis
opleveren. Wij deelen ze hier mede, getrokken uit een artikel van
den Times:
De toestand van dien kleurling, gedurende de negen jaren dat hij in
de magt van Eppes was, komt bijna overeen met dien, welken Mevrouw
Beecher Stowe beschrijft als de toestand van "Oom Tom", toen hij
in die streek woonde. Al dien tijd was in zijn hut geen vloer,
geen stoel, geen bed, ja zelfs geen matras, noch iets voor hem om
op te liggen, uitgenomen eene brits, ongeveer twaalf duim breed,
met een stuk hout tot kussen, en met één enkele deken om zich
te dekken; terwijl de wanden van zijne hut hem niet beschutten
voor de ruwheid van het weder. Hij was somwijlen gedwongen daden
te bedrijven, waartegen de menschelijke natuur in opstand komt,
en in den hoogsten graad barbaarsch. Bij zekere gelegenheid ging
een gekleurd meisje van ongeveer zeventien jaren, dat aan Eppes
toebehoorde, op een Zondag, zonder daartoe van haar meester verlof
gevraagd te hebben, naar de naastbijgelegen plantage, op ongeveer
een halve mijl afstands, om een ander gekleurd meisje van hare
kennis te bezoeken. Zij kwam binnen twee of drie uren terug,
en omdat zij dit had bestaan, werd zij gedagvaard om gestraft te
worden, welke straf Salomo haar moest toebrengen. Eppes dwong hem
om vier staken op zulk een afstand in den grond te steken, dat de
handen en enkels van dat meisje er aan konden worden vastgebonden,
terwijl zij voorover op den grond lag; en nadat hij haar dus had
uitgestrekt, dwong hij hem, terwijl hij er bij staan bleef, haar
op het bloote lijf--want zij was geheel ontkleed--honderd slagen
toe te brengen. Toen hij haar de honderd slagen had toegebragt,
weigerde Salomo er één enkele meer te geven. Eppes trachtte hem er
toe te dwingen om voort te gaan, maar hij tartte hem opzettelijk
en weigerde het meisje te vermoorden. Daarop greep Eppes zelf
de zweep en sloeg haar zoo lang tot hij niet meer kon. Het bloed
vloeide van haar hals tot aan hare voeten, en in dezen toestand
was zij verpligt den volgenden dag naar het land te gaan om
veldarbeid te verrigten. Nog zijn de likteekens er van zigtbaar,
ofschoon de kastijding haar jaren lang geleden was toegebragt.
Toen Salomo door de zorg van Mr. Northrop op het punt stond van
te vertrekken, schoot dit meisje van achter hare hut uit, waar
haar meester haar niet zag, en wierp zich om Salomon's hals,
wenschte hem geluk met zijne bevrijding van de slavernij en met
zijn terugkeer naar de zijnen; terwijl zij op hetzelfde oogenblik
met de diepsten wanhoop uitriep: "Maar, o God! wat zal er van
mij worden?"
Deze opgaven omtrent Salomo's toestand, terwijl hij bij Eppes
was, en de kastijding en onbeschofte behandeling van de gekleurde
meisjes, hebben wij uit den mond van Salomo-zelven. Het is zeker
dat de naastbijgelegene plantage op een halve mijl afstands van
die van Eppes lag, en er kon dus van den kant der buren geen
tusschenkomst plaats hebben bij de eene of andere afstraffing,
hoe wreed die ook ware, en hoe geneigd deze buren ook zijn mogten
om tusschenbeiden te treden.
Als Northrop niet in staat geweest was om te schrijven zoo als
slechts met weinige vrije zwarten in de slavenstaten het geval is,
zou hij gedoemd zijn geweest zijn geheele leven in dit hol van ellende
te slijten.
Twee voorvallen die onlangs in Baltimore aan den dag zijn gekomen,
zijn van gelijken aard.
Het volgende is uit:
Het gebeurde met Rachel Parker en hare zuster.
Men zal zich herinneren dat, meer dan een jaar geleden, eene
jonge gekleurde vrouw, Mary Elisabeth Parker geheeten, uit
Chester County naar Baltimore werd vervoerd, waar men haar als
slavin verkocht en vervolgens naar New Orleans opzond. Eenige
dagen later werd hare zuster, Rachel Parker, op dezelfde wijze
ontvoerd, te Baltimore achterhaald en daar aangehouden ten
gevolge van de tusschenkomst harer Chestersche vrienden. Wat Mary
Elisabeth aangaat, deze werd door eene schikking met den kerel
onder wiens opzigt zij gesteld was, naar Baltimore teruggebragt
om daar den uitslag van haar verzoek tot in vrijheidstelling af
te wachten. Dit was evenzeer het geval met Rachel. Beide werden,
na een geregtelijk onderzoek--daar de bewijzen ten haren voordeele
zoo overtuigend spraken--in vrijheid gesteld en bevinden zich nu
bij hare Chestersche vrienden. Wij laten hier het verhaal van de
beide vrouwen volgen, dat na hare bevrijding door ons is ontvangen.
Verhaal van Rachel Parker.
"Ik werd des Woensdags (30 December 1851), omstreeks twaalf ure
uit het huis van Joseph C. Miller ontvoerd door twee mannen, die
door de achterdeur de woning waren binnengedrongen. De een kwam
naar binnen en vroeg aan Miss Miller waar Jesse McGreary woonde, en
greep mij toen bij den arm en trok mij met zich naar buiten. Miss
Miller riep om haar echtgenoot, die in het voorportaal was. Deze
vloog naar buiten, greep den man bij zijn kraag en trachtte hem
tegen te houden. Maar toen riep de ander met een geduchten vloek
hem toe, dat hij hem zou loslaten, en hij hem zou vermoorden als
hij mij aanraakte. Hij zeide toen aan den heer Miller, dat ik
aan eene Schoolfield in Baltimore toebehoorde. Zij sleepten mij
toen naar een wagen, waar nog een andere groote kerel bij was,
wierpen mij er op en reden heen.
"De heer Miller liep dwars over het veld om den wagen tegen te
houden, en nam een groote spaak op om in het wiel te steken, toen
een der mannen een sabel trok (ik geloof dat het een sabel was,
want ik had er nooit een gezien) en dreigde des heeren Miller's
arm er mede af te slaan. Daar Pollock's wagen in den weg stond
en hij weigerde ruimte te maken, sloegen wij links in. Nadat wij
waren weggereden maakte een van de mannen eene opening in het
rijtuig, om te zien of men ons ook achtervolgde, en zij zeiden
dat het hun speet Miller en Pollock geen houw te hebben toegebragt.
"Wij hielden voor een herberg, digt bij den spoorweg, op, en ik
verhaalde aan den herbergier (want ik geloof dat hij het was),
dat ik vrij was. Dit zeide ik ook aan een aantal menschen in
het bureau van den spoortrein en iemand in het bureau van den
spoortrein, die er zeer knap uitzag, sprak aan de deur en zeide
dat hij het er voor hield, dat ze mij liever maar terug moesten
brengen. Een van de mannen ging niet verder mede dan tot aan
de herberg. Ik werd naar Baltimore gebragt, waar wij dien eigen
avond ten zeven ure aankwamen, en ik in de gevangenis gezet werd.
"Den volgenden morgen nam mij een man met ligtgekleurde
bakkebaarden alleen en vroeg mij of ik niet de slavin van de heer
Schoolfield was. Ik zeide hem van neen, maar hij zeide van ja,
en dat als ik niet zeide dat ik het was, hij mij zou geeselen en
inzouten en mij in een onderaardsch hol stoppen. Ik zeide hem,
dat ik vrij was en niets anders zou zeggen dan de waarheid."
Verhaal van Mary Elisabeth Parker.
"Ik werd weggevoerd uit het huis van Matthew Donelly en wel
Zaturdags avonds (6 of 13 December 1851) en werd door twee mannen
opgepakt, terwijl ik een oogenblik buiten stond, kort nadat ik de
tafel voor het avondeten had gedekt, en in een wagen geplakt. Een
van hen kwam bij mij in den wagen en reed naar Elkton, waar men
mij tot Zondags middags twaalf ure deed vertoeven, toen ik van
daar in den spoortrein naar Baltimore werd overgevoerd, waar ik
vroeg in den morgen van maandag aankwam.
"Te Elkton werd door een der mannen iemand bij mij gebragt die
zeide, dat ik zijns vaders slavin niet was. Daarop, terwijl ik op
weg naar Baltimore in den trein zat, zeide mij een van de mannen,
dat ik zeggen moest de slavin van den heer Schoolfield te zijn,
of dat hij mij anders zou doodschieten en dit zeggende haalde
hij een pistool uit zijn zak, liet het mij zien en dreigde mij
te zullen geeselen.
"'s Maandags 's morgens kwam de heer Schoolfield in de gevangenis
naar mij kijken, en Woensdag daarop kwam hij terug en bragt zijne
vrouw en een aantal andere dames meê. Ik zeide dat ik hem niet
kende, en toen nam M. C. mij met zich uit het vertrek, en zeide
mij wie zij waren, en nam mij weder naar binnen, omdat het den
schijn zou hebben, dat ik hen reeds gekend had. Den volgenden
dag werd ik naar New Orleans ingescheept.
"Er verliep ongeveer eene maand eer wij in New Orleans
aankwamen. Toen ik daar eene week geweest was, verkocht M. C. mij
aan madame C., die er een grooten bloemtuin op nahoudt. Zij zendt
met bloemen naar de schouwburgen, verkoopt melk op de markt,
enz. Ik werd uitgezonden om klontjes en bloemen voor haar te
verkoopen, toen ik bij haar woonde. Op zekeren avond, toen ik uit
den schouwburg t'huis kwam, hield een nachtwacht mij aan en ik
zeide hem, dat ik geen slavin was. Hij bragt mij naar de calaboose
en den volgenden morgen moest ik voor den magistraat komen, die
madame C. liet roepen, welke haar zeide mij gekocht te hebben. Er
werd dus om M. C. gezonden, wien men beduidde dat hij rekenschap
moest geven, hoe hij in mijn bezit gekomen was. M. C. zeide dat
mijne moeder en mijne geheele familie vrij waren, met uitzondering
van mij. Mij werd bevolen naar madame C. terug te keeren, en hij
zeide madame C., dat zij mij des avonds niet uit moest laten gaan,
en hij zeide M. C. dat hij bewijzen moest, hoe hij aan mij gekomen
was. De magistraat kwam vervolgens bij M. C. aan huis en had in de
voorkamer een lang gesprek met haar. Ik weet niet wat hij zeide
toen zij onder vier oogen waren. Ongeveer eene maand later werd
ik naar Baltimore teruggezonden. Ik woonde bijna zes maanden bij
madame C.
"Er waren zes slaven met mij in het schip naar Baltimore gekomen,
die aan M. D. toebehoorden, en werden teruggezonden omdat zij
zeer ziekelijk waren.
"Er kwam iemand in de gevangenis om mij te zien, toen ik weer te
Baltimore was teruggekomen, die mij zeide dat ik moest zeggen,
eene slavin van den heer Schoolfield te zijn, en dat, als ik het
niet deed, hij mij de eerste keer de beste, dat er kans op was
om hals zou brengen. Hij zeide dat Rachel (hare zuster) gezegd
had, dat zij van Baltimore kwam en de slavin was van den heer
Schoolfield. Daarna kwamen er eenige heeren bij mij (regter
Campbell en regter Bell van Philadelphia en William Horris,
Esq. van Baltimore), en ik zeide hun, dat ik de slavin van den
heer Schoonfield was. Zij zeiden dat zij vrienden van mij waren
en ik hun de waarheid moest zeggen. Ik zeide hun dus wie ik was,
en verhaalde dus alles van stukje tot beetje.
"Toen ik in New Orleans was, geeselde Mc C. mij omdat ik gezegd
had, dat ik vrij was."
Volgens haar eigen hierboven meêgedeeld verhaal, werd Elisabeth
gevat en van Pennsylvanië weggevoerd, op den 6den of 13den December
1851, hetwelk door andere getuigschriften bevestigd werd.
Het is bekend dat zulke zaken, als zij voor de hoven van het
Zuiden gebragt worden, over het algemeen met groote naauwgezetheid
en onpartijdigheid worden onderzocht. De agent die Northrops zaak
behandelde getuigt dit, en het is een algemeen aangenomen feit; maar
waarschijnlijk is het, dat een van de honderd gevallen slechts voor
de regtbank kunnen worden gebragt,--want van de tallooze, die door
den altoos grooter wordende maalstroom worden verslonden, komt er
slechts nu en dan een enkel boven, dat er aan ontsnapt.
Het volgende hoofdstuk van advertentiën zal den lezer het bewijs
leveren, hoe veelvuldig zulke slagtoffers waarschijnlijk zich daar
opdoen.