Milly Edmondson is eene bejaarde vrouw, van diep in de zeventig. Zij
heeft het slaven-erfdeel van volslagen onwetendheid ontvangen. Zij
kan geen brief of boek lezen, noch haar eigen naam zetten; maar de
schrijfster moet bekennen, dat zij nooit zoo getroffen is geworden
door eenige voorstelling van de Christelijke godsdienst, als door
die haar gedaan werd in de taal en met het voorkomen dezer vrouw
tijdens de weinige keeren dat zij haar ontmoette. De bijzonderheden
dezer ontmoetingen zullen in den loop van het verhaal aan het licht
gebragt worden.
Milly is iets meer dan van middelmatige grootte, en breed en gezet
van omvang. Zij gaat met de grootste zorgvuldigheid, tot op netheid
af, gekleed. Een eenvoudige Methodistische halsdoek is haar dwars
over de borst gespeld. Een goed onderhouden stoffen japon en helder
wit voorschoot, met een witten zakdoek op zijde er aan vastgehecht,
voltooit den inventaris van het costuum waarin de schrijfster haar
gewoonlijk zag. Zij is eene mulattin en moet eens zeer schoon
zijn geweest. Hare oogen en glimlach zijn nog ongemeen schoon,
maar er liggen diepe voren van geduldige lijdenssmart en afmattende
lijdzaamheid op haar gelaat, die verraden dat deze beminnelijke en
edelaardige vrouw haar leven lang slavin is geweest.
Milly Edmondson werd door hare eigenaars in dienst gehouden en
het was haar vergund bij haar man te wonen, onder uitdrukkelijk
beding en voorwaarde, dat hare dienst en waarde bestaan zou in
het opkweeken harer eigene kinderen, om deze op de slavenmarkt te
doen verkoopen. Hare wettige eigenares was eene ongehuwde dame van
bekrompen geestvermogens, die door een vonnis van de regtbank voor
onbekwaam was verklaard om hare eigene zaken te besturen.
De bezitting--dat wil zeggen Milly Edmondson en hare kinderen--was
aan de zorg van een voogd toevertrouwd. Het schijnt, dat Milly's
arme, zwakke meesteres zeer veel van haar hield en dat Milly vrij wat
overwigt op haar bezat, zoo als een krachtige geest meestal eene magt
over een zwakkeren uitoefent. Milly's echtgenoot, Paul Edmondson,
was een vrij man. Wij zullen nu een weinig van hare geschiedenis,
zoo als zij die aan de schrijfster mededeelde, met hare eigene woorden
laten volgen.
"Hare meesteres," zeide zij, "was altijd vriendelijk jegens haar, het
arme schepsel!" maar zij had geen moed om voor haar-zelve te spreken,
en hare vrienden wilden niet dat zij haar eigen weg ging. "Het lag
mij altijd op het hart," zeide zij, "dat ik eene slavin was. Toen ik
even veertien jaar oud was, was Missis op zekeren dag met iets bezig,
dat zij meende mij niet te kunnen toevertrouwen, en zeide zij tot mij:
"Milly, nu ziet gij dat ik slavin ben en gij niet." Ik antwoordde haar,
"Ach, Missis! ik ben met dat al toch maar eene arme slavin." Ik was
later bedroefd, dat ik dit gezegd had, want het kwam mij voor dat
het haar gevoel scheen te kwetsen.
"Toen ik een poos later met Paul verbonden werd, hield ik zeer veel
van Paul; maar ik dacht, dat het niet goed was kinderen ter wereld
te brengen om slaven te zijn, en ik zeide tot de onzen, dat ik nooit
zou trouwen, schoon ik veel van Paul hield. Maar dat werd mij niet
veroorloofd," zeide zij met een geheimzinnig voorkomen.
"Wat bedoelt gij?" vroeg ik.
"Wel, zij zeiden mij dat ik moest trouwen, of dat ik anders buiten
de kerk zou worden gesloten,--dat was het;" voegde zij er met een
beteekenisvollen knik met het hoofd bij. "Nu dan, Paul en ik, wij
trouwden, en wij waren gelukkig genoeg, als het daarom niet geweest
was; maar toen ons eerste kind geboren was, zeide ik tot hem: "Daar
hebt gij 't nu, Paul; onze ellende heeft een aanvang genomen; dit
kind is ons kind niet." En met ieder kind dat ik kreeg, werd het hoe
langer hoe erger. "O, Paul!" zeide ik, "wat is het toch een vreeselijk
ding kinderen te hebben, die niet de onze zijn!" Paul zeide tot mij:
"Mijn beste Milly, als het kinderen van God zijn, doet het er weinig
toe of zij al of niet zijn van ons; zij kunnen daarom toch erfgenamen
van het Koningrijk zijn, Milly." Wel, toen Paul's meesteres stierf,
gaf zij hem de vrijheid, en hij kreeg voor zich een klein plaatsje,
omstreeks veertien mijlen van Washington; en zij lieten mij daar
met hem wonen, en ik nam mijn werk meê naar huis; want zij stelden
dat vertrouwen in mij, daar zij altijd wisten, dat, wat ik zeide te
zullen doen, even goed gedaan was alsof zij het hadden zien doen. Ik
had doorgaans naaiwerk: soms een geheel hemd op een dag te maken--gij
weet het was grof,--of een paar lakens of iets van dien aard; maar
wat het ook was, ik kreeg het altijd gedaan. Dan had ik nog al mijn
huiswerk te doen en voor de kleinen te zorgen; en dikwijls heb ik
na tienen, de kleederen van mijne kinderen genomen en ze gewasschen
en gestreken laat in den nacht, omdat ik niet dulden kon dat mijne
kinderen er slordig uitzagen,--altijd wilde ik dat ze helder en schoon
voor den dag kwamen, en ik bragt hen groot en leerde hen zoo goed
ik maar kon. Maar niemand kan nagaan wat ik leed; ik zag nooit een
blanke op de plaats komen of ik dacht: kijk, die komt om naar mijne
kinderen te zien; en wanneer ik een blanke voorbij zag gaan, heb ik
mijne kinderen naar binnen geroepen en ze weggestopt, uit vrees dat
hij ze zou zien en willen koopen. O mevrouw, ik heb zoo veel, o zoo
veel uitgestaan! Ik heb dit zware kruis jaren lang gedragen!"
"Maar," zeide ik, "de Heer is met u geweest."
Zij antwoordde met grooten nadruk: "Mevrouw, als de Heer mij niet
ondersteund had, zou ik op dit oogenblik niet meer in leven zijn. O,
mijn hart is dikwijls zoo bezwaard geweest, dat het scheen alsof ik
moest sterven; en dan heb ik mij voor den troon der genade geworpen,
en als ik daarvoor geheel mijn hart had uitgestort, brak er het licht
in door, en gevoelde ik, dat ik nog een beetje langer leven kon!"
Dit zijn hare eigene woorden. Zij had dikwijls eene krachtige en
bijzonder fraaije manier om zich uit te drukken, waardoor alles wat
zij zeide een sterken indruk naliet.
Paul en Milly Edmondson bezochten beide getrouw de Methodische
Bisschoppelijke kerk te Washington, en allen die hen kenden getuigen
eenparig van hen, dat zij een vlekkeloos leven leidden en innig
godsdienstig waren. In hunne eenvoudige hut, door netheid en orde
opgeluisterd, en des morgens en avonds door het gebed geheiligd,
bragten zij, naar hun beste vermogen hunne kinderen op, in de kennis en
vereering van den Heer, om op de slavenmarkt verkocht te worden. Zij
achtten zich slechts al te gelukkig, als het een na het ander den
ouderdom bereikte om verkocht te worden, dat zij aan familiën in de
nabijheid verhuurd werden, en niet in handen vielen van den handelaar,
om naar de zuidelijke markt gedreven te worden.
De moeder, die met gestadigen maar onderdrukten angst den bitteren
last der slavernij, die op haar lag, gevoelde, was gewoon om, zoo
als zij aan de schrijfster verhaalde, hare dochters op deze wijze
te waarschuwen:
"Nu, meisjes, zorgt dat gij nooit de smart kent die ik lijd. Trouwt
nooit voor dat gij in vrijheid zijt. Trouwt nooit om moeders te worden
van kinderen die de uwe niet zijn."
Als een gevolg van deze opvoeding, bragten enkele van hare oudste
dochters, in vereeniging met de jonge mannen, waarmede zij verbonden
waren, de noodige gelden bijeen om zich vrij te koopen eer zij gehuwd
waren. Eene dezer jonge vrouwen was, op het oogenblik dat zij het
geld voor hare vrijheid betaalde, van zulk een zwakke gezondheid, dat
de doctor haar zeide, dat ze nog maar enkele maanden te leven had,
en ried haar aan, haar geld te behouden en het aan te wenden om het
zich zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Zij antwoordde:
"Al had ik nog maar twee uren te leven, zou ik het betalen om vrij
te sterven."
Indien dit een buitensporige waarde aan vrijheid hechten was, zoo
behoeft dit toch daarom door geen Amerikaan gezegd te worden.
Al de zonen en dochteren van dit gezin onderscheidden zich zoo wel
door hunne ligchamelijke als zedelijke ontwikkeling, en golden dus
buitengemeen hoog op de markt. De geheele familie, berekend naar
de marktprijzen die er voor enkele leden van besteed waren, kon op
eene waarde van 15,000 dollars geschat worden. Zij kenmerkten zich
door verstand, eerlijkheid en getrouwheid, maar bovenal door eene
innige gehechtheid aan elkander. Deze kinderen, zoo vol bevatting,
werden alle als slaven gehouden in de stad Washington, de hoofdstad
waar ons nationaal bestuur is gevestigd. De hooge waarde die hunne
eigene moeder hen in de vrijheid leerde stellen, moest natuurlijk
aangewakkerd en versterkt worden door allerhande aanspraken,
plegtigheden en redevoeringen, die, gelijk bekend is, gedurig bij
deze en gene gelegenheid in onze nationale hoofdstad gehouden worden.
Op den 13den April kwam de kleine schoener de Parel, onder bevel van
Daniel Drayton, in de Potomak-rivier te Washington voor anker.
De tijding van eene omwenteling in Frankrijk, en de vestiging eener
democratische regering was juist aangekomen en geheel Washington was
in rep en roer om de zegepraal der Vrijheid te vieren.
Tusschen de boomen in de allée waren fantastische veelkleurige
lantaarnen gehangen; de trommels werden geroerd, de muziekcorpsen
lieten zich hooren, de woningen van den President en andere hooge
staatsbeambten waren verlicht, en mannen, vrouwen en kinderen waren
allen op de been om den optogt te zien en deel te nemen aan het
gejubel der vrijheid, waar de lucht van weergalmde. Al de slaven
van de stad, levendig, fantastisch, gevoelig en ligt opgewonden als
ze zijn door muziek en verblindende schouwspelen, luisterden, keken
en verlustigden zich natuurlijk overal vol onwetende blijdschap. Al
de hoofden van de departementen, senatoren, vertegenwoordigers en
grootwaardigheidbekleeders van allerhanden aard, togen in optogt
naar een opengebleven plek van Pennsylvania Avenue, en hielden daar
toespraken vol gelukwenschingen over den voortgang der algemeene
vrijheid. Met ongehoorde onvoorzigtigheid ontboezemden daar de
krachtigste verdedigers van de instelling der slavernij voor de
luisterende menigte, zoowel zwarten als blanken, lijfeigenen als
vrijen, de oproerigste en meest ophitsende gevoelens. Zulke bij
voorbeeld, als de volgende taal van den honorable Frederik P. Stanton
van Tennessee:
"Wij planten inderdaad onze beginselen niet voort door middel van
het zwaard; maar in éénen zin zijn wij propagandisten. Het is niet
onze schuld, dat wij zoo bestaan. Ons voorbeeld is besmettelijk. In
de afdeeling van dit groote land, waar ik woon, aan de oevers van
den magtigen Mississippi, bezitten wij het ware zinnebeeld van den
boom der vrijheid. Daar ziet gij hoe het reusachtige katoenbosch
zijne takken naar al de hemelstreken uitspreidt. Somtijds woelt
de stroom zijne wortels bloot, en gij ziet hoe hij ze ver in de
rondte uitstrekt en ze tot eene onmetelijke diepte in den grond
laat binnendringen. Wanneer de tijd der rijpheid gekomen is, is de
lucht met vezelen vervuld, die naar iedere rigting henenstuiven,
en op hare ligte wieken de levende zaden van den magtigen boom
met zich voeren. Aldus zijn de zaden der vrijheid uit den boom
onzer vrijheden voortgesproten; zij vervullen de lucht; zij zijn
naar alle deelen van den bewoonden aardbodem verspreid; en zelfs
zijn zij bestemd om in de barre zandwoestijnen der dwingelandij
wortel te schieten. De boom der vrijheid zal alom opwassen en de
volkeren zullen zich in zijne schaduw ter ruste leggen."
Senator Foote, van Mississippi, gebruikte eveneens de volgende woorden:
"Zoodanig is de buitengewone loop der gebeurtenissen in Frankrijk
en Europa, gedurende de beide laatste maanden geweest, dat,
hoe oplettender wij het tooneel overzien, hetwelk zich voor
onze blikken uitbreidt, en hoe strenger wij het gedrag van
de acteurs die er optreden onderzoeken, des te vaster onze
overtuiging gegrondvest wordt, dat het niet falen kan of het
roemvolle werk, hetwelk zoo heerlijk is aangevangen, moet even
heerlijk voleindigd worden; dat de tijd der DWINGELANDEN EN DER
SLAVERNIJ haastig ten einde spoedt; en dat het gelukkige tijdperk,
hetwelk door de algemeene bevrijding der menschen uit de ketens
der burgerlijke verdrukking, en de erkenning in alle landen van
de groote beginselen der volks-souvereiniteit, gelijkheid en
BROEDERSCHAP, gekenmerkt wordt, blijkbaar is aangebroken."
Kan het iemand na dit alles verwonderen, dat zeven en zeventig
der verstandigste jonge slaven, zoo mannen als vrouwen, in de stad
Washington, den heer Foote en zijne medesenatoren eerlijk bij hun woord
houdende, en geloovende dat de tijd van dwingelandij en slavernij ten
einde spoedde, zich vereenigden en eene poging aanwendden om hun deel
te erlangen in dit rijk van algemeene broederschap?
De schoener de Parel lag in de haven en men bevond, dat kapitein
Drayton een menschelijk hart bezat. Misschien had ook hij de
redevoeringen in Pennsylvania Avenue aangehoord en in de onschuld van
zijn hart geloofd, dat iemand, die werkelijk iets deed om algemeene
gelijkheid te bevorderen, niet slechter was dan zij die er enkel
redevoeringen over hielden.
Drayton was er toe overgehaald om dezen zeven en zeventig slaven te
vergunnen, zich in het ruim van zijn vaartuig te verbergen, en onder
deze bevonden zich zes kinderen van Paul en Milly Edmondson.
Wat er verder geschiedde zal nu worden medegedeeld volgens het
verhaal van Mary en Emily Edmondson, door de dame bij wier familie
de schrijfster haar ter opvoeding geplaatst had.
Eenige voorafgaande inlichtingen zullen echter noodig zijn tot goed
begrip van het verhaal.
Een achtingswaardige kleurling, Daniel Bell genaamd, die zich-zelf had
vrij gekocht, woonde te Washington. Zijne vrouw en hare acht kinderen
waren door haar meester op zijn doodbed in vrijheid gesteld. De
erfgenamen trachtten het testament te verbreken, op grond dat hij,
op het oogenblik toen het gemaakt werd, niet bij zijn volle verstand
was. De overheidspersoon, voor wien het was verleden, was echter
door zijne persoonlijke bekendheid met den toestand van den man op
dat tijdstip, in staat hun voornemen te verijdelen; het huisgezin
leefde dus eenige jaren in volkomene vrijheid. Bij den dood van
dezen overheidspersoon, bragten de erfgenamen de zaak op nieuw voor
het geregtshof, en daar het scheen dat de zaak ten nadeele van het
gezin zou worden uitgewezen, zoo besloten zij, zich van hun wettig
regt te verzekeren door de vlugt, en bestelden plaatsen aan boord van
kapitein Drayton's vaartuig. Een aantal hunner makkers en vrienden,
waarschijnlijk aangespoord door de plaats gehad hebbende demonstratiën
ten voordeele der vrijheid, vroegen verlof hen op hunne vlugt te
vergezellen. De zaden van het katoenbosch verspreidden zich overal,
en ontloken in aller harten; zoodat in den aan gebeurtenissen rijken
avond van den 15den April 1848, niet minder dan zeven en zeventig
mannen, vrouwen en kinderen met kloppende harten, en in het diepste
geheim, zich verscholen in het ruim van den kleinen schoener, en
kapitein Drayton was zoo goddeloos, dat hij, al ware er zijn leven
meê gemoeid, tot niemand hunner "neen" kon zeggen.
Richard Edmondson had reeds lang getracht zich vrij te koopen; had
er van 's morgens vroeg tot 's avonds laat voor gearbeid, maar de
daarvoor gestelde prijs was zoo hoog, dat hij wanhoopte dien ooit te
zullen verwerven. Dezen avond meenden hij en zijne drie broeders,
dat, als het rijk van algemeene broederschap aangevangen, en dat
der tirannen en der slavernij geëindigd was, zij voor zich en hunne
zusters dat heilige geschenk der vrijheid konden aannemen, waarvan
aan geheel Washington, twee avonden te voren, was verkondigd, dat
het de bijzondere bestemming van Amerika was, het aan alle natiën
te verschaffen. Hunne beide zusters, zestien en veertien jaar oud,
waren aan familiën in de stad verhuurd. Dezen avond begaf zich
Samuel Edmondson naar het huis waar Emily woonde, en deelde haar het
voorgenomen plan mede.
"Maar wat zal moeder wel denken?" zeide Emily.
"Houd u niet op met aan haar te denken; zij zal veel liever zien
dat wij vrij zijn, dan dat wij tijd verspillen met er haar over
te spreken."
"Nu dan, als Mary wil, wil ik ook."
De meisjes geven als eene reden van haar verlangen om te vlugten,
op, dat, ofschoon zij nooit mishandelingen ondergaan hadden of
onvriendelijk behandeld waren, het haar echter bekend was, dat zij den
een of anderen dag tot harde slavernij konden verkocht en gescheiden
worden van al wat haar lief was.
Zij begaven zich dus allen aan boord van de Parel, die op eenigen
afstand van de plaats, waar de schepen gewoonlijk aanleggen,
geankerd lag. Daar troffen zij een gezelschap van slaven, zeven en
zeventig in getal, aan. 's Nachts ten twaalf ure werden de zeilen
van den kleinen schoener in stilte geheschen en gleed het vaartuig,
met zijne vreesachtige en geheimzinnige vracht, den stroom af. Eene
frissche koelte verhief zich en ten elf ure van den volgenden nacht,
was men twee honderd mijlen ver van Washington verwijderd en begon
men te gelooven dat men de vrijheid verkregen had.
Zij ankerden in een plaats, Cornfield-Harbour geheeten, met het
voornemen, om het aanbreken van den morgen af te wachten. Allen lagen
vredig en wel te rusten, door het geschommel van het vaartuig en het
gekabbel van het water, in slaap gewiegd.
Maar 's nachts ten twee ure werden zij gewekt door een geweldig
geschermutsel, geschreeuw, gevloek en gesteun op het dek. Een stoomboot
was hen nagezonden en had hen ingehaald, en de kleine schoener was
door een woedenden hoop gewapenden aan boord geklampt.
In één oogenblik waren de kapitein, de stuurman en al het volk gegrepen
en gekneveld, onder de vreeselijkste vloeken en bedreigingen. Toen zij,
razende en vloekende de luiken van de weêrlooze gevangenen beneden
openrukten, trad Richard Edmondson naar voren, en sprak hun op een
bedaarden toon toe: "Mijne heeren, maakt geen ongelukken; wij zijn
allen hier." Allen onder de slaven, uitgezonderd deze, waren zoo stil
als de wanhoop hen maar maken kon; er werd door niemand hunner een
enkel woord geuit. De mannen werden allen gebonden en op het stoomschip
overgebragt, de vrouwen werden aan boord van den schoener gelaten,
die op sleeptouw werd genomen.
De aanleiding tot hunne gevangenneming werd op de volgende wijze
verklaard.--Den morgen nadat zij waren uitgezeild, misten een aantal
familiën in Washington hunne slaven, en dit voorval verwekte niet
minder opschudding, dan twee dagen vroeger de bevrijding van Frankrijk
had te weeg gebragt. Dien tijd hadden zij op de vriendelijkste wijze
geluisterd naar de verdediging, dat het rijk der slavernij ten einde
spoedde, omdat zij niet het geringste denkbeeld hadden, dat die taal
iets te beteekenen had; en zij waren ten sterkste getroffen door de
practische toepassing er van. Over de honderd mannen stegen te paard,
om in den omtrek deze nieuwe leerlingen van het leerstelsel der
algemeene emancipatie na te zetten. Maar een kleurling, Judson Diggs
geheeten, verried den geheelen aanleg. Hij was toornig geworden, omdat,
toen hij eene arme vrouw met haar goed naar de boot had gebragt, zij
niet in staat was geweest hem de vijf en twintig centen te betalen,
die hij geëischt had. Daarom verhaalde hij deze bewonderaars van
algemeene broederschap, dat zij niet naar buiten behoefden te rijden,
daar hunne slaven de rivier waren afgezakt, en op dit oogenblik toch
ver genoeg waren. Terstond werd een stoomboot met twee honderd soldaten
bemand en uitgezonden om hen na te zetten.
Toen het schip met de gevangen slaven aan wal kwam, greep er eene
geweldige opschudding in de stad plaats. De mannen werden, twee
aan twee gebonden, door de stad gedreven. Van alle kanten werden
zij bespot, beschimpt en uitgejouwd. Iemand vroeg aan een van de
meisjes: "of zij het niet prettig vond om gevat te worden als zij was
weggeloopen?" en een ander vroeg haar: "of het haar niet speet?" Zij
antwoordde: "Neen, als ik het morgen weêr doen kon, zou ik hetzelfde
doen." De man keerde zich tot een der omstanders en zeide: "Heeft ze
geen courage?"
Maar het meest was men op Drayton en Sayres gebeten, den kapitein en
den stuurman van het vaartuig. Booswichten met dolken en pistolen
gewapend, schoolden rondom hen bijeen en braakten de hevigste
bedreigingen uit. Een van hen drong zoo digt bij Drayton, dat hij hem
in het oor sneed, hetwelk Emily zag dat bloedde. Intusschen mengden
zich onder de menigte een aantal betrekkingen der gevangenen, die,
daar zij hen als zoo vele veroordeelde slagtoffers beschouwden,
over hen weenden en jammerden. Een schoonbroeder der Edmondsons
werd zoo van smart overweldigd toen hij ze ontwaarde, dat hij op
de straat in zwijm viel en bewusteloos naar huis werd gedragen. Het
droevige nieuws drong tot de hut van Paul en Milly Edmondson door,
en wetende dat al hunne kinderen nu waarschijnlijk voor de zuidelijke
markt zouden bestemd worden, lieten zij den vrijen teugel aan hunne
smart. "O, welk een dag was dat!" zeide de oude moeder, toen zij dat
tooneel voor de schrijfster beschreef. "Ik kon geen enkele bete meer
over mijne lippen brengen. Paul en ik, wij vastten en riepen den Heer
nacht en dag aan, om den wille onzer arme kinderen!"
De algemeene opinie van de stad sloeg tot de innigste verontwaardiging
over. Het ging van mond tot mond, dat zij zacht waren behandeld
en nooit eene mishandeling ondergaan hadden; en wat kon er hen toe
gebragt hebben, om te trachten hunne vrijheid te erlangen? Alles wat
de heer Stanton gezegd had van den langzaam voortgaanden invloed
dor Amerikaansche instellingen en al zijne aardige vergelijkingen
van de zaden der katoenbosschen, schenen geheel en al aan het
geheugen der burgers ontsnapt te zijn, en zij konden in de poging
van dit volk om zich te bevrijden, niets anders dan de verregaandste
snoodheid zien. Een aantal raadde hunne eigenaren aan dat zij hun geen
vergiffenis schenken zouden--dat er geen genade moest bewezen worden,
maar dat zij op staanden voet moesten worden overgegeven in handen
der handelaars, om naar de zuidelijke markt te worden gebragt--dat
Siberië der onverantwoordelijke dwingelanden van Amerika. Toen al
de gevangenen in de gevangenis waren geworpen, kwamen de eigenaars
derwaarts, om onder eede te verklaren dat zijn hun eigendom waren,
en de eigendom werd ook opgeroepen om onder eede te verklaren, wie
hunne meesters waren. Met hen kwamen ook de gehuwde zusters van
Mary en Emily; maar het werd haar niet toegestaan een voet in de
gevangenis te zetten. De meisjes gluurden door de ijzeren traliën
der vensters van de derde verdieping en zagen hare zusters beneden,
die op de plaats stonden te weenen.
De voogd der Edmondsons, die voor den wettigen eigenaar optrad,
oogenschijnlijk door hunne smart getroffen, beloofde hunne familie
en vrienden, die, zoo mogelijk, hen wenschten te koopen, dat zij den
volgenden morgen daartoe gelegenheid zouden hebben. Misschien was
hij op dat oogenblik voornemens ze hem te geven; maar, toen Bruin
en Hill, de houders van het groote slavenkoophuis in Alexandria, hen
vier duizend vijf honderd dollars voor de zes kinderen boden, waren
zij onherroepelijk vóór den volgenden morgen verkocht. Bruin wilde
naar geene voorslagen hooren, door eenige hunner vrienden gedaan. De
dame, bij wie Mary gewoond had, bood duizend dollars voor haar, maar
Bruin sloeg het aanbod af, zeggende: dat hij het dubbel van die som
op de markt van New-Orleans van haar maken kon. Hij zeide, dat hij
al twaalf jaar lang het oog op die familie gehad had, en beloofd had
ze te zullen koopen, als ze maar te koop kwamen.
Terwijl de meisjes in de gevangenis waren, hadden zij bedden noch
stoelen, en slechts ieder een deken, schoon de nachten verstijvend
waren; maar vernemende dat de vertrekken beneden, waar hare broeders
waren opgesloten, nog kouder waren, en dat men hun daar geen dekens
gegeven had, zonden zij er de hare heen. Des morgens werd het haar
vergund eenige oogenblikken op de plaats te wandelen, en van dat
oogenblik maakten zij gebruik om naar het venster van het vertrek
harer broeders te snellen, hun goeden morgen te wenschen en door de
traliën heen te kussen.
Donderdag avond ten tien ure deed men hare broeders handboeijen
aan, en werden zij met hunne zusters door hunne nieuwe eigenaars op
wagens geplaatst, naar Alexandria vervoerd en in eene gevangenis, een
"Georgia Pen" genaamd, geworpen. De meisjes werden alleen in een groot
vertrek gelaten, waar eene volslagene duisternis heerschte, zonder
bed of deken, waar zij den nacht weenende en zuchtende doorbragten,
in volslagene onbekendheid met het lot harer broeders. 's Morgens
ten acht ure werden zij geroepen om te ontbijten, toen zij tot hare
groote vertroosting ontdekten, dat hare vier broeders met haar in
deze zelfde gevangenis waren opgesloten.
Hier bleven zij ongeveer vier weken, terwijl het haar doorgaans
vergund werd over dag bij hare broeders te verblijven en des nachts
naar haar eigen vertrek terug te keeren. Hare broeders waren ten
hoogste bezorgd over haar, daar zij bevreesd waren, dat zij in het
Zuiden zouden worden verkocht. Samuel vooral was zeer neêrgedrukt,
daar hij de hoofdbewerker van haar ongeluk was. Hij zeide menigmalen,
dat hij met blijdschap voor haar wilde sterven, als dit haar redden
kon van het lot, dat hij duchtte. Hij weende bijna den ganschen tijd,
schoon hij in hare tegenwoordigheid zijne tranen zocht te bedwingen.
Inmiddels werden zij in de gevangenis gebezigd om voor dertien man
te wasschen, ofschoon hare broeders een groot deel van haar werk op
zich namen. Eer zij de gevangenis verlieten, werden zij gemeten en
hun signalement opgemaakt door hunne eigenaars. Eindelijk werden
zij naar buiten gebragt, den broeders de handboeijen aangedaan,
en alle aan boord van een stoomboot gebragt, waarop zich ongeveer
veertig slaven, meest mannen, bevonden, die naar Baltimore werden
vervoerd. De reis duurde een etmaal. Toen zij te Baltimore aankwamen,
werden zij in een slaven-schuthok geworpen dat aan een compagnon
van Bruin en Hill toebehoorde. Hij was een ruwe, lompe kerel,
die gewoonlijk de goddeloosste taal uitsloeg, en verschrikkelijk
gemeen en beleedigend in zijne aanmerkingen omtrent vrouwen was. Hier
werd het hun verboden met elkander te bidden, zooals zij tot nu toe
waren gewoon geweest. Maar door des morgens zeer vroeg op te staan,
maakten zij zich een oogenblik ten nutte, waarin zij hunne gewoonte
ongestoord konden opvolgen. Zij, en vier of vijf andere vrouwen, in
de gevangenis, kwamen voor het aanbreken van den dag bij elkander om
hare harten uit te storten voor de Toevlugt van iederen bedrukte van
ziel; en in deze gebeden gedacht men de hardvochtige slavenhandelaars
iederen dag. De broeders van Mary en Emily gedroegen zich zeer lief en
hartelijk jegens hunne zusters, hetgeen een grooten invloed uitoefende
op de andere mannen die met hen waren.
In deze plaats werden zij bekend met Tante Rachel, eene zeer
godvreezende vrouw van middelbaren leeftijd, die men van haar man
gescheiden, verkocht en in de gevangenis geworpen had. Haar echtgenoot
kwam menigmalen naar de gevangenis en den handelaar smeeken haar
aan zijne meesters te verkoopen, die hij meende dat genegen waren
haar te koopen, als de prijs niet al te hoog was. Maar hij werd met
vreeselijke bedreigingen en vloeken weggejaagd. Zij bleven ongeveer
drie weken in Baltimore.
De vrienden in Washington, ofschoon tot nog toe niet geslaagd in hunne
pogingen om het gezin te bevrijden, waren nog altijd ten hunnen behoeve
werkzaam; en op zekeren avond werd er een berigt met de telegraaf
overgebragt, inhoudende, dat den volgenden morgen met den spoortrein
iemand zou komen om een bod te doen voor het gezin en dat een gedeelte
van het geld gereed lag. Maar de handelaar was onverbiddelijk; en
den volgenden morgen, één uur vóór de aankomst van den trein, werden
zij allen ingescheept aan boord van de brik de Unie, die onder zeil
lag naar New-Orleans. De bode kwam en bragt negen honderd dollars in
klinkende specie mede, het geschenk van een kleinzoon van John Jacob
Astor. Deze som was bepaaldelijk bestemd voor den aankoop van Richard
Edmondson, daar zijne vrouw en kinderen in Washington ziek lagen;
en de handelaar wilde de meisjes op geenerhande voorwaarde verkoopen,
ja wilde zelfs niet dulden, dat Richard van de brik werd teruggebragt,
die nog voor anker lag. De koop was evenwel gesloten en het geld in
Baltimore gedeponeerd.
Op deze brik werden de elf vrouwen in een zeer eng verblijf geplaatst
en de dertig of veertig mannen in een daaraan grenzend. Emily was
gedurende den geheelen overtogt geweldig zeeziek en hare broeders
vreesden dat zij bezwijken zou. Zij droegen haar gewoonlijk naar
boven en naar onder, kochten eenige kleine versnaperingen voor hare
zusters en droegen alle mogelijke zorg voor haar.
Aanhoudende tegenwinden voerden hen gedurig terug; en in hunne
bijeenkomsten tot het gebed, die zij iederen avond hielden, waren
zij gewoon te bidden, dat de tegenwinden hen naar New-York mogten
wederbrengen, en een van de matrozen verklaarde, dat indien zij tot
op honderd mijlen afstands van New-York konden komen, en de slaven
hen wilden bijstaan, hij den kapitein van kant zou maken, en hen in
New-York-zelve binnen brengen.
Toen zij digt bij Key West kwamen, seinden zij om een loods, daar de
kapitein bevreesd was voor de blinde klippen van die plaats en hij
niet wist hoe ze te ontkomen. Toen de loodsboot naderde, werden al
de slaven beneden opgesloten en een zwaar zeildoek over het groote
luik gespannen, waardoor zij van alle lucht verstoken werden, en bijna
stikten. De kapitein en de loods onderhandelden een geruimen tijd over
den prijs en er volgde eenig krakeel, daar de kapitein ongeneigd was
de door den loods gevraagde som te geven; gedurende al dien tijd was
het lijden beneden ondragelijk. De vrouwen geraakten zoo uitgeput,
dat zij meest allen buiten kennis waren, en de toestand der mannen
was niet veel beter, schoon zij beproefden met een stuk hout eenige
gaten aan hunnen kant in het zeildoek te maken, ten einde eenige
lucht in te laten, maar slechts een paar van de sterksten mogt het
gelukken hierin te slagen. Eenigen hunner schreeuwden om hulp zoo
lang hunne krachten het toelieten; en eindelijk, na hetgeen hun
een schier eindelooze zamenkomst toescheen, vertrok de loods, die
weigerde hen bij te staan; het zeildoek werd weggenomen, en de brik
verpligt te wenden en een anderen koers te nemen. Daarop kroop de een
na den ander, toen hij weder was bijgekomen en genoegzame kracht had,
op het dek. Mary en Emily werden door hare broeders zoo spoedig zij
daartoe maar in staat waren, naar boven gedragen.
Kort hierop begon de voorraad van levensmiddelen te verminderen,
en kwam er gebrek aan water, zoodat de slaven op rantsoen van een
maatje daags werden gesteld. De matrozen kregen ieder een kwart en
gaven dikwijls een pint er van aan de Edmondsons voor hunne zusters,
die het met de andere vrouwen deelden, zoo als zij altijd met iedere
kleinigheid deden, welke zij op dergelijke wijze ontvingen.
Den dag toen zij aan den mond van den Mississippi kwamen, stak er een
geweldige storm op en verhieven zich de golven bergenhoog, zoodat,
toen de loodsboot naderde, het nu en dan was of zij door den afgrond
verzwolgen en dan weder opgeworpen werd om op nieuw door de diepte
verslonden te worden. Eindelijk werden zij in en op de rivier door eene
stoomboot geboegseerd en zagen daar voor het eerst katoenplantages,
waarin geheele troepen slaven aan den arbeid waren.
Zij kwamen in den nacht te New-Orleans aan, en omstreeks tien ure
van den volgenden morgen werden zij ontscheept en moesten zij zich
naar de zoogenaamde uitstalkamers begeven; op de plaats komende,
vonden zij daar een aantal mannen en vrouwen in de rondte zitten met
zulke droevige gezigten, dat Emily weldra begon te schreijen, waarop
een opzigter haar te gemoet trad en haar onder de kin streek en haar
verzocht "met huilen op te houden, of dat hij haar anders iets geven
zou waarom zij huilen kon." Vervolgens haar naar iets heen wijzende,
zeide hij "dat daar de Calaboos was, waar diegenen die zich niet goed
gedroegen gegeeseld werden." Niet zoo ras was hij verdwenen of een
slavin kwam naar haar toe en ried haar een vrolijk gezigt te zetten,
als zij het maar eenigzins kon, daar dit verre weg het beste voor haar
zijn zou. Spoedig kwam een van hare broeders haar vragen wat de vrouw
haar gezegd had, en toen zij het hem had verhaald, ried hij Emily aan,
haren raad op te volgen, en wenschte hij er zelf voordeel mede te doen.
Dien eigen avond werd het hair der vier broeders kort geknipt,
hunne knevels afgeschoren, en hunne gewone kleeding verwisseld met
een blaauwe buis en broek, door al hetwelk zij zulk eene verandering
ondergingen, dat hunne zusters hen op dat gezigt niet herkenden. Daarop
werden zij drie achtereenvolgende dagen genoodzaakt zich in een open
portaal voor aan de straat te vertoonen, om door de voorbijgangers
te worden opgemerkt; uitgenomen als er een afgemat was, wanneer
zij voor een poosje naar binnen mogten gaan, en een ander hunne
plaats innemen. Wanneer er echter koopers kwamen, werd zij in de
verkoopzaal op rijen ten toon gesteld en aan ruwe scherts en schimp
prijs gegeven. Als iemand gading had in een of ander meisje uit den
hoop, riep hij haar tot zich, pakte hij haar beet, deed haar mond open,
bezag hare tanden en betastte haar op eene ruwe wijze, terwijl hij over
het algemeen smerige aanmerkingen maakte; en zij moest ze aanhooren en
verduren zonder den minsten tegenstand. Mary en Emily beklaagden zich
bij hare broeders, dat zij zich aan zulk eene behandeling niet konden
onderwerpen. Zij spraken er met Wilson over, een der compagnons van
Bruin en Hill, die met het opzigt over de slaven in deze gevangenis
belast waren. Zij werden hierop met meer kieschheid behandeld.
Een ander broeder der meisjes, Hamilton genaamd, was slaaf geweest in
of bij New Orleans en had zich juist voor duizend dollars vrijgekocht;
dat geld had hij reeds vroeger eens voor zich verdiend, maar men had
het hem toen afgenomen. Daar Richard nu werkelijk vrij was dewijl het
losgeld voor hem in Baltimore was gedeponeerd, vond hij hem daags na
hunne aankomst te New-Orleans uit en bragt hem naar de gevangenis om
zijne broeders en zusters te bezoeken. De ontmoeting was boven alle
beschrijving aandoenlijk.
Hij had zijne zuster Emily vroeger nooit gezien, daar hij voor hare
geboorte uit het huis zijner ouders verkocht was.
In het verblijf der meisjes bevonden zich 's nachts tusschen de
twintig en dertig vrouwen, die allen op den blooten vloer sliepen,
ieder slechts met een deken. Eenige dagen later kwam er tijding (die
eigenlijk onjuist was) dat de helft van het geld was bijeengebragt
om Mary en Emily vrij te koopen. Daarop werd het haar, op dringend
verzoek harer broeders, vergund, naar het huis harer vrije broeders te
gaan, om den nacht door te brengen, en des morgens terug te keeren,
daar zij veel van de moskieten en andere insecten geleden hadden en
hare voeten gezwollen en vol builen waren.
Terwijl zij in deze gevangenis vertoefden, vernamen zij een aantal
voorvallen van vreeselijke wreedheid, ja vielen er zelfs onder hunne
oogen voor. Twee slaven, een vrouw en een jongen, werden, terwijl zij
er in waren, dood gegeeseld, ofschoon zij niet in hetzelfde schuthok
waren, of aan denzelfden handelaar als zij toebehoorden.
Niemand van de slaven was het vergund, op den dag een oog te luiken,
en somtijds werden kleine kinderen die den geheelen dag ledig zaten
of stonden, zoo slaperig, dat zij hunne oogen niet konden openhouden;
maar als de opzigter hen daarop betrapte, werden zij onbarmhartig
geslagen. Mary en Emily hielden hen gewoonlijk in het oog, en lieten
hen slapen tot dat zij de opzigters hoorden aankomen, en dan maakten
zij ze wakker en deden hen in een oogenblik overeind springen.
Eene jonge vrouw, die door de handelaars tot het ergste doel verkocht
was, was teruggekeerd, daar zij niet gelukkig genoeg was geweest haar
kooper te bevallen; en, gelijk in dergelijke gevallen de gewoonte is,
werd zij zoo gruwelijk gegeeseld--dat er versterving in een gedeelte
van haar vleesch ontstond, en men aan haar leven wanhoopte. Toen Mary
en Emily voor het eerst te New-Orleans aankwamen, zagen en spraken zij
haar. Zij was toen juist begonnen op te zitten, zag er zeer tenger
en mooi uit, met fraai regt hair, dat eertijds lang was geweest,
maar door hare onbeschofte pijnigers was afgesneden.
De opzigter, die haar gegeeseld had, zeide, ten hunne aanhooren, dat
hij een ander meisje nooit zoo geeselen zou, want het was te veel
voor iemand om te zeggen. Zij veronderstelden, dat de reden waarom
hij dit beloofde, daarin gelegen was, dat hij verpligt was haar op te
passen en daardoor getuige was van haar lijden. Zij was van Alexandria,
maar zij hadden haar naam vergeten.
Een jonge man en vrouw, die met hen in de gevangenis waren, en die
met elkander verbonden waren om te trouwen, en aan verschillende
meesters verkocht werden, waren zoo ter neêrgeslagen bij hunne
scheiding, dat zij niet goed werkten of konden werken, en de jonge
man werd spoedig teruggezonden met de klagt, dat hij niet aan het doel
beantwoordde. Natuurlijk moest het geld teruggegeven en hij gegeeseld
worden. Hij werd veroordeeld om een week lang iederen avond te worden
gegeeseld, en, nadat hij twee honderd slagen van den opzigter had
ontvangen, werd ieder der mannelijke slaven die in de gevangenis
waren, gedwongen om hem uit al zijne magt vijf slagen toe te brengen,
op straffe van zelf te worden gegeeseld. De jonge vrouw werd eveneens
teruggezonden met een briefje van hare nieuwe meesteres, waarin zij
verzocht, dat haar een zeker getal slagen zou worden toegediend, en
tevens het geld was gesloten, dat daarvoor stond; aan welk verzoek
op staanden voet voldaan werd.
Terwijl zij in New Orleans waren, zagen zij reeksen van aan elkander
geketende vrouwen de straten schoonmaken, waarvan sommige een zwaren
ijzeren kogel aan haar keten medesleepten; eene soort van straf,
over het algemeen in zwang voor werkmeiden, die hare meesteressen
mishaagd hadden.
Hamilton Edmondson, de broeder die zich-zelf had vrijgekocht, wendde
alle mogelijke pogingen aan om zijne broeders en zusters in New
Orleans een goed huis te bezorgen, zoodat zij niet ver van elkander
behoefden gescheiden te worden. Op zekeren dag nam Mr. Wilson, de
opzigter, Samuel met zich mede in een rijtuig en keerde zonder hem
terug. De broeders en zusters bemerkten spoedig, dat hij verkocht en
de Hemel wist waarheen gegaan was; maar het was hem op straffe van
zware kastijding verboden te weenen, of zelfs een droevig gezigt te
vertoonen. Tot hunne groote vreugde kwam hij echter den volgenden dag
bij hen in de gevangenis, en verhaalde hun, dat hij een goed huis in
de stad bij een Engelschman had gekregen, die duizend dollars voor
hem besteed had.
Nadat zij drie weken in deze gevangenis hadden doorgebragt, deelde
men de Edmondsons mede, dat door het toenemen van de gele koorts in
de stad, en doordien zij nog niet geacclimateerd waren, het voor
hen gevaarlijk werd om hier langer te blijven; en dat daarenboven
door dit alles de koopers weinig lust hadden om hooge prijzen te
besteden. Sommige slaven in het schuthok waren reeds ziek; eenige
hunner oud, arm en morsig, en daardoor grootelijks vatbaar voor
ziekte. Richard Edmondson was reeds vrijgekocht en moest dus worden
teruggezonden, en alles wel bezien oordeelde men het best om zonder
dralen een troep te maken en naar Baltimore te zenden.
De Edmondsons ontvingen dit berigt met groote blijdschap, want het was
hun niet onbekend gebleven dat het geld, hetwelk bijeen gebragt werd
om hen vrij te koopen, al vrij wat geklommen was. Hun broeder, die in
vrijheid was, voorzag hen van menig gemak voor dezen togt, zoo als een
matras, dekens, lakens en allerhande soort van eet- en drinkwaren; en,
door hunne vrienden naar het schip uitgeleide gedaan, werden zij juist
met den avond aan boord van de brik de Unie ingescheept en buiten de
rivier geboegseerd. De brik had bijna een volle lading van katoen,
siroop, suiker, enz. in, en derhalve was de ruimte voor de slaven al
zeer beperkt. De plek, die der vrouwen was toebedeeld, was een klein,
naauw, smerig vertrek, misschien acht of tien voet in het vierkant,
van binnen opgepropt met katoen, dat op twee of drie voet van den
zolder reikte, met uitzondering van de plek, die vlak onder het luik
was. Richard Edmondson hield zijne zusters bij zich op het dek, hoewel
zij daar zonder eenige beschutting waren: bereidde hun eten zelf,
maakte hun bed boven op de katoenbalen, of waar hij slechts een plekje
vinden kon, en legde zich dan nevens haar te slapen. Somtijds als er
een storm opstak in het holle van den nacht, sprong hij op en wekte
haar, en haar bed en beddegoed opnemende, geleidde hij haar naar een
kleine soort van voorraadkast, waar zij juist alle drie in staan konden
tot de storm over was. Somtijds wist hij hun uit stukken van planken
of iets anders op het dek een tijdelijke beschutting te bezorgen.
Na eene reis van zestien dagen, kwamen zij te Baltimore aan, in de
zekere verwachting dat de dagen hunner slavernij waren geteld. Hier
werden zij weder naar dezelfde oude gevangenis gebragt, waaruit zij
eenige weken geleden genomen waren, ofschoon zij veronderstelden
dat het slechts voor een uur of wat wezen zou. Mr. Bigelow, van
Washington, kwam terstond om Richard. Toen de meisjes ontwaarden
dat ook zij niet in vrijheid gesteld werden, was hunne smart en
teleurstelling onuitsprekelijk. Maar zij werden gescheiden--Richard
om naar zijn huis, zijne vrouw en kinderen te gaan, en zij om in de
slavengevangenis achter te blijven. Er verliepen allerverdrietigste
dagen en nachten. Des morgens waren zij genoodzaakt om de plaats op
de muziek van vedels, banjoes, enz. in het rond te loopen; op den dag
waschten en streken zij voor de mannelijke slaven, en versliepen of
bragten het overige gedeelte met weenen door. Na eenige weken kwam
haar vader haar bezoeken, vergezeld door hare zuster.
Het was gedeeltelijk zijn doel om zich te vergewissen wat de laagste
prijs was waarvoor hun eigenaar de meisjes zou willen verkoopen, daar
hij eene flaauwe hoop koesterde, dat op de eene of andere wijze het
geld zou worden bijeen gebragt, als men er den noodigen tijd maar voor
liet. De handelaar verklaarde, dat hij ze spoedig naar eene andere
slavenmarkt zenden zou, maar dat hij twee weken wilde wachten en,
als de vrienden in dien tijd het geld konden magtig worden, zij haar
zouden hebben.
Den nacht, dien haar vader en zuster met haar in de gevangenis
doorbragten, lag hij in het vertrek boven haar; en zij konden hem den
ganschen nacht hooren kermen; terwijl hare zuster aan hare zijde zat
te weenen. Geen hunner kon dien nacht een oog luiken.
Den volgenden morgen begon op nieuw de verdrietelijke routine van
de slavengevangenis. De oude Paul wandelde bedaard over de plaats,
en zette zich neder om de arme slaven, die daar rondliepen, te
beschouwen. Hij had zijne dochters vroeger nooit in zulk een toestand
gezien, en hij werd door zijn gevoel overweldigd. De plaats was niet
groot, en de meisjes, als zij langs hem henen wandelden, raakten hem
bijna met hare kleederen aan, en konden hem in zich-zelven hooren
jammeren. "O mijne kinderen, mijne kinderen!"
Na het ontbijt, hetwelk geen van haar in staat was te nuttigen,
scheidden zij van elkander, terwijl de vader den handelaar smeekte,
om haar naar New Orleans te zenden, als het geld niet kon worden
bijeengebragt, dewijl hare broeders haar daar misschien goede meesters
konden bezorgen.
Twee of drie weken later bezochten Bruin en Hill de gevangenis,
ontbonden hunne compagnieschap met den handelaar, sloten de rekening
met elkander en namen de Edmondsons op nieuw in hun bezit.
De meisjes werden 's nachts ten elf ure, toen zij pas in slaap waren
geraakt, gewekt en gelast zich terstond gereed te maken om naar huis
te gaan. Zij hadden geleerd, dat het woord van een slavenhouder niet
te vertrouwen is, en vreesden dat zij naar Richmond of Virginia zouden
gezonden worden, omdat zij daarvan hadden hooren praten. Zij waren
spoedig met den spoortrein op weg met Bruin, en kwamen een weinig na
middernacht te Washington aan.
Hare harten klopten van vreugde, toen zij, na deze maanden-lange
bittere gevangenschap, zich weder in dezelfde stad bevonden,
waar hare broeders, zusters en bloedverwanten woonden. Maar het
werd haar niet toegestaan iemand der haren te zien; zij werden
in een rijtuig geplaatst en terstond naar de slavengevangenis van
Alexandria overgebragt, waar zij, omstreeks twee uren in den nacht,
zich op nieuw in hetzelfde ellendige oude vertrek geworpen zagen,
waar haar gevangenis-tijdperk een aanvang had genomen.
Dit gebeurde op het einde van Augustus. Andermaal werden zij gebezigd
om over dag te wasschen, te strijken en te naaijen, terwijl zij des
nachts werden opgesloten. Nu en dan werd het haar toegestaan in het
huis van Bruin te naaijen en er zelfs te eten. Toen zij een week of
drie in Alexandria geweest waren, kwam hare oudste gehuwde zuster,
die sedert geruimen tijd niets van haar gehoord had, bij Bruin, om
zoo mogelijk iets van haar te vernemen, en hare verrassing en vreugde
waren niet gering, toen zij haar nog eens en zelfs daar zag. Eenige
weken later kwam haar oude vader haar op nieuw bezoeken. Hoe hopeloos
het denkbeeld van hare bevrijding ook mogt schijnen, toch bleef
hij er aan vasthouden. Hij had eenige aanmoediging en bijstand te
Washington ontvangen, en was voornemens naar het Noorden te gaan om
te zien of hij daar iets kon gedaan krijgen; en hij verlangde vurig
van Bruin te hooren, wat wel de laagst mogelijke prijs was, waarvoor
hij zijne dochters kon inkoopen. Bruin stelde zijne voorwaarden op
in het volgende document, hetwelk wij hier laten volgen:
Alexandria, (Virginia) 5 Sept. 1848.
Houder dezes is Paul Edmondson, de vader van twee meisjes,
Mary Jane en Emily Catharina Edmondson. Deze meisjes zijn
door ons gekocht en ééns naar de zuidelijke markt gezonden,
en op de stellige verzekering dat het geld voor haar zou zijn
bijeen gebragt, als zij terug gevoerd werden, waren zij terug
gekeerd. Naar het schijnt is in dit opzigt tot nog toe niets door
hen, die het beloofden, verrigt, en wij zijn op het punt om haar
andermaal naar de zuidelijke markt te zenden, en wij verklaren het
opregtelijk, dat, als zij er weder heengaan, wij niet het minste
acht zullen slaan op beloften, die in betrekking tot haar mogten
gedaan worden. De vader wenscht het geld, dat voor haar betaald
moet worden, bijeen te brengen, en is voornemens een beroep te
doen op de milddadigheid van de menschlievenden en goeden om hem
bij te staan, en heeft ons verzocht de voorwaarden, waarop wij
zijne dochters willen verkoopen, in schrift te stellen.
Wij zijn voornemens onze bedienden binnen weinige dagen naar
het Zuiden te zenden. Als de som van twaalf honderd (1200)
dollars binnen veertien dagen aan ons wordt ter hand gesteld,
of wij zekerheid voor dit bedrag ontvangen hebben, zullen wij
haar nog vijf en twintig dagen langer ophouden, om gelegenheid
te geven tot het verkrijgen der andere duizend en vijftig (1050)
dollars, anders zullen wij genoodzaakt zijn haar met onze andere
bedienden te verzenden.
Bruin en Hill.
Paul nam zijne papieren en scheidde met een beklemd gemoed van
zijne dochters. Van dat oogenblik af leefden zij in de grootste
onzekerheid. Gedurig zagen zij naar een brief of een bode uit en
baden God, dat Hij haar ergens een bevrijder mogt verwekken. Maar
dag op dag en week op week ging voorbij, en de gevreesde tijd kwam al
nader en nader. De voorbereidende werkzaamheden tot het gereed maken
van een troep voor Zuid-Carolina namen een aanvang. Kleurig katoen
werd voor haar gekocht om er pronkkleederen van te vervaardigen,
waarin zij ten verkoop zouden worden aangeboden. Zij maakten ze met
vrij wat bitterder smart op dan waarmede zij hare eigene doodshemden
zouden vervaardigd hebben. De hoop was bijna in haar binnenste
gestorven. Eenige dagen voor dat de troep zou worden afgezonden,
bragt hare zuster haar een droevig afscheidsbezoek. Zij vermengden
hare gebeden en tranen met elkander, en de meisjes maakten kleine
souveniers, die zij als afscheidsgeschenken aan hare broeders en
zusters en haar bejaarde vader en moeder zonden, en met een vaarwel,
veel smartelijker dan dat van een sterfbed, scheidden de zusters.
De avond, voor dat de troep vertrekken zou, naderde. Mary en
Emily begaven zich naar het huis om afscheid van Bruins familie te
nemen. Bruin had een dochtertje dat een speelpopje en lievelinge
van de meisjes geweest was. Zij klemde zich aan haar vast, huilde
en bad, dat men haar niet zou laten vertrekken. Emily zeide haar,
dat als zij wilde dat zij zouden blijven, zij het aan haar vader
moest gaan vragen. Vervuld met hare boodschap, huppelde de kleine
pleitster henen, en plaagde hem zoo geducht en hield zoo sterk aan,
dat hij, om haar te vrede te stellen, er in bewilligde om haar te laten
blijven, als zijn compagnon Hill er in toestemde. Op dit oogenblik
ging Bruin, die Mary overluid in de gevangenis hoorde kermen, naar
haar toe. Met al de kracht der wanhoop deed zij een laatste beroep op
zijn hart. Zij smeekte hem, zich in hare plaats te stellen, te denken
aan zijne eigene kleine dochter; zij stelde hem voor wat het zijn
zou, als zij werd ontrukt aan alles wat zij op aarde bezat, en alle
hoop van bevrijding voor haar verloren ging, op het eigen oogenblik,
dat zij de vrijheid verwachtte! Bruin was niet bepaald van steen,
en dit vreeselijke beroep bragt hem de tranen in de oogen. Hij gaf
haar eenige hoop, dat, als Hill er in wilde toestemmen, zij niet met
den troep zou worden verzonden. Een slapelooze, in tranen, gebeden en
zuchten doorgebragte nacht volgde. Eindelijk brak de morgen aan, en,
overeenkomstig de bevelen die zij den vorigen dag ontvangen hadden,
maakten zij zich gereed om te vertrekken, zetten zelfs hare mutsen op,
sloegen hare doeken om en stonden te wachten tot het sein zou worden
gegeven. Toen de laatste traan der hoop was gedroogd en zij naar
buiten waren gekomen om zich bij den troep te voegen, werd Bruins
hart tot zachtheid geneigd. Hij riep haar tot zich, en zeide haar
dat zij mogten blijven! O! wat werden hare harten hierdoor verblijd,
daar zij nu een weinig langer mogten hopen! Of de smeekingen van de
kleine Martha òf Mary's aandrang, hadden de overwinning behaald.
Spoedig vertrok de troep te voet; mannen, vrouwen en kinderen, twee
aan twee, de mannen allen met handboeijen aan elkander vastgehecht,
de regtervuist van den een tegen de linkervuist van den ander,
terwijl een keten, die tusschen de handboeijen doorliep, het eene
paar aan het andere verbond.
De vrouwen en kinderen liepen aldaar op dezelfde wijze, met handboeijen
of ketens aan. Drijvers liepen vooraan en op zijde, om diegenen op te
nemen, die ziek of gebrekkig waren; zij waren verpligt zich zingende
in beweging te stellen! begeleid door vedels en banjoes!--"Want zij,
die ons als gevangenen wegvoerden, eischten van ons een lied, en zij,
die ons aan de ellende prijs gaven, eischten vrolijkheid van ons." En
dit is een tooneel dat men dagelijks kan zien in een Christelijk
land!--en verkondigers van Christus zeggen, dat het regt om zulke
dingen te bedrijven, door God zelven gegeven is!!
Intusschen trok Paul Edmondson naar het Noorden om daar hulp in te
roepen. Iemand die in die dagen met den spoortrein reisde, moet er
een eerwaardigen zwarten man in hebben aangetroffen, wiens geheele
voorkomen en houding den geduldigsten ootmoed verried en die een
zwaren last van verpletterend lijden met zich scheen om te dragen,
als iemand die lang de smart had gekend. Die man was Paul Edmondson.
Alleen, zonder vrienden, onbekend, en wat nog het ergste van allen is,
zwart van huid, kwam hij in de uitgestrekte, woelige stad New York, om
te zien, of er ook iemand zijn mogt, die hem vijf en twintig honderd
dollars kon geven, om daarmede zijne dochters vrij te koopen. Kan
iemand beschrijven wat een arm man gevoelt, die, met dat doel,
eene bedrijvige, rijke stad, alleen en onbekend, binnentreedt? De
schrijfster bezit nu in den brief eens slavenvaders en echtgenoot,
die naar Portland was gekomen met een dergelijke boodschap, eene
roerende uitdrukking van dat gevoel:--
Ik liep den ganschen dag, tot dat ik uitgeput van vermoeijenis
en ontmoedigd was. O! mevrouw S.--als ik zoo veel menschen zie,
die zoo veel meer dingen schijnen te bezitten dan zij noodig
hebben, of weten wat zij er meê doen zullen, en dan indenk, dat
ik tot boven mijn veertigste jaar, mijn geheele leven door hard
gewerkt heb, en zelfs mijne eigene vrouw en kinderen niet tot
mijn eigendom kan maken, voel ik mij, o, zoo krank en neêrslagtig!
Zoo krank van ziel en terneêrgeslagen gevoelde zich Paul Edmondson. Hij
begaf zich naar het anti-slavernij-kantoor, en zeide wat er hem henen
dreef. Het was zulk een groote som en ze scheen zoo geweldig hoog,
dat, ofschoon men den armen vader beklaagde, men den moed niet had,
om te trachten die bij elkaâr te krijgen. De beambten schreven naar
Washington, om zich van de waarheid van onderscheidene punten te
overtuigen, en schreven aan Bruin en Hill, om te beproeven of zij niet
iets van den prijs wilden laten vallen. Intusschen ging de arme oude
man van den eenen raadsman naar den ander. Men had hem aanbevolen naar
den eerwaarden H. W. Beecher te gaan, en dien zijne geschiedenis te
verhalen. Hij vroeg den weg naar zijn huis--klom de trappen van het
bordes op om aan te schellen, maar zijn hart ontzonk hem--hij bleef
schreijende op de trappen zitten.
Daar werd hij door Mr. Beecher gevonden. Hij nam hem met zich naar
binnen, en vroeg hem naar zijne geschiedenis. Dien avond zou er een
openbare vergadering zijn ter inzameling van gelden. De rampzalige
vader smeekte hem er heen te gaan en de zaak zijner kinderen te
bepleiten. Hij ging er heen en sprak, alsof hij voor zijn eigen vader
en zusters sprak. Andere geestelijken gingen op dezelfde wijze met
spreken voort,--de vergadering werd enthousiastisch, en het geld werd
op de plek ingezameld, en de arme Paul legde dien avond zijn hoofd tot
dankbaarheid neêr op zijn kussen--niet om te slapen, maar om te danken!
Inmiddels hadden de meisjes vreeselijk lange dagen in de gevangenis
doorgebragt. Daar werden zij gebezigd om voor Bruin's huisgezin te
naaijen, terwijl ze nu eens in de gevangenis en dan weder in het
huis werkten.
Het verdient vermeld te worden dat Mr. Bruin van geheel anderen aard
is dan een aantal mannen van zijn beroep. Hij is iemand dien men nooit
onder de slavenhandelaars zou hebben aangetroffen, indien niet het
achtingswaardigste gedeelte der maatschappij het regt verdedigd had,
om te koopen en te verkoopen, als eene instelling van God zelven. Waar
is het, dat Mr. Bruin een van de eerste inteekenaars op de National
Era in het district Columbia was, en toen een zeker iemand zich daar
in groot gevaar bragt, door het bijstaan van slaven in hunne vlugt,
en er niemand te vinden was die voor hem wilde borg blijven, kwam
Mr. Bruin te voorschijn en was zoo vriendelijk zich borg te stellen.
Terwijl wij het afschuwelijke stelsel en dien afschuwelijken handel
met geheel ons hart verfoeijen, gelooven wij, dat er geen kwaad in
gelegen is, te wenschen, dat zoo iemand een beter bedrijf had om uit te
oefenen. Toch kunnen wij niet nalaten al de zoodanigen te herinneren,
dat, wanneer wij voor den regterstoel van Christus geroepen worden,
iedereen voor zich-zelf alleen zal verantwoorden, en dat Christus
niet als eene verontschuldiging der zonde, de woorden van al de
geestelijken en al de synoden des lands zal aannemen. Hij heeft
ons de schoone les geschonken: "Wacht u voor de valsche profeten;"
en als de menschen er zich niet voor willen wachten, komt hun bloed
over hunne eigene hoofden.
Terwijl de meisjes onder Mr. Bruin's bewaring waren, werden zij
met zoo veel vriendelijkheid en onderscheiding behandeld, als
maar bij eenige mogelijkheid bestaan kon, met het voornemen om ze
te verkoopen. Het valt niet te betwijfelen, of Bruin voor zich,
behandelde haar vriendelijk, en wenschte opregtelijk dat zij mogten
worden vrij gekocht; maar dan zag hij geen reden om twee duizend vijf
honderd dollars te verliezen. Hij was, met betrekking tot dit punt,
juist in dezelfde moeijelijkheid geplaatst als sommige leden van
verschillende kerken te New York, toen hun slaven als onderpand voor
gelden, die men in het Zuiden schuldig was, waren toebedeeld. Het
speet hem om harent wille en hij wenschte wel en hoopte, dat de
Voorzienigheid voor haar zoude zorgen, wanneer zij verkocht waren,
maar toch kon hij er niet toe overgaan om zijn geld te verliezen, en
zoo lang zulke lieden ouderlingen en avondmaalgangers in kerken van
New York blijven, moeten wij ons niet verwonderen dat er in Alexandria
slavenhandelaars blijven bestaan.
Het is een der groote kunstgrepen van den vijand der zielen menschen
te verlokken om hunne deelneming in ééne soort van zonde te vergoeden,
door hun godvreezende afschuw van eene andere soort. De slavenhandelaar
is de algemeene zondebok, waarop al de partijen hare verontwaardiging
geladen hebben, terwijl zij van hem kochten of aan hem overdeden.
In den vijftigsten Psalm wordt eene geduchte waarschuwing gegeven
aan allen, die met woorden hun geloof hebben beleden, maar wier daden
getuigen, dat zij de ongeregtigheid goedkeuren, en waar Christus wordt
voorgesteld als hen van Zijnen regterstoel aldus toesprekende:--"Wat
hebt gij mijne inzettingen te vertellen en neemt mijn verbond in
uwen mond, dewijl gij de kastijding haat, en mijne woorden achter
u henenwerpt? Indien gij eenen dief ziet, zoo loopt gij met hem;
en uw deel is met de overspelers."
Één ding is zeker, dat al degenen die deze dingen, hetzij openlijk,
hetzij in het geheim bedrijven, ten laatste hunne rekening moeten
vereffenen met een regter die geen aannemer des persoons is, en
die even spoedig een ouderling van de kerk zal veroordeelen wegens
slavenhandel als een slavenhandelaar van beroep; ja hij zal het
verdragelijker maken voor het Sodom en Gomorra der slavenhandels,
dan voor hen;--want men kan veilig aannemen dat de handelaar, als hij
de middelen der genade gekend had zoo als zij, er reeds lang berouw
over zoude gehad hebben.
Maar keeren wij tot onze geschiedenis terug. De meisjes zaten voor het
open raam van haar kamertje te naaijen, toen Emily tot Mary zeide:
"Zie eens, Mary, daar hebt ge dien blanken man, dien wij uit het
Noorden hebben zien komen." Zij zagen beiden naar buiten en een
oogenblik later ontwaarden zij haar eigen dierbaren vader. Zij
sprongen en vlogen door het huis en het kantoor de straat op, en
huppelden terwijl zij liepen, gevolgd door Bruin, die zeide op dat
oogenblik gemeend te hebben dat de meisjes krankzinnig waren. In één
oogenblik lagen zij in haars vaders armen, maar bemerkten dat hij
ongemeen beefde en zijne stem zwak was. Zij vroegen hem daarbij of hij
het losgeld voor haar gekregen had. Bevreesd om al te spoedig hare
verwachtingen op te wekken eer de papieren van hare vrijverklaring
geteekend waren, zeide hij dat hij weldra met haar hoopte te spreken,
en begaf zich in het kantoor met Mr. Bruin en Mr. Chaplin. Mr. Bruin
verklaarde dat hij innig verheugd was, zoo als hij ook inderdaad was,
dat zij het geld hadden meêgebragt; maar scheen zeer getroffen over de
wijze, waarop de eerwaarde H. W. Beecher van hem had gesproken op de
"liberation meeting" te New-York, daar hij het hard oordeelde, dat er
geen onderscheid werd gemaakt tusschen hem en andere handelaars, daar
hij zich zooveel inschikkelijker en menschlievender had getoond dan
het grootste deel onder hen. Hij telde echter het geld na, teekende
de papieren van ganscher harte en nam er voor elk van de meisjes een
goud vijf dollarsstuk af tot een afscheidsgeschenk.
De zaak duurde langer dan zij zich hadden voorgesteld en de tijd
scheen de arme meisjes eene eeuw toe, die in de grootste onrust
nu eens naar binnen dan weder naar buiten liepen, in het onzekere
welk lot haar boven het hoofd hing. Zou haar vader het geld hebben
gebragt? Waarom beefde hij zoo? Zou hij het geld toch niet gekregen
hebben? Of zou hare moeder ook soms gestorven zijn, want zij hadden
gehoord dat zij zeer ziek was!!
Eindelijk kwam er een bode die haar toeriep:
"Gij zijt vrij, gij zijt vrij!" Emily gelooft dat zij bijna tot
aan den zolder sprong. Zij danste, klapte in de handen, lachte en
schreide overluid. Weldra kwam haar vader bij haar, omhelsde haar en
beproefde haar tot bedaren te brengen en zeide dat zij zich gereed
moesten maken om naar hare moeder te gaan. Dit deden zij, zonder
zelve te weten hoe, maar trouw geholpen door het geheele gezin, dat
van ganscher harte in hare blijdschap scheen deel te nemen. Haar
vader liet een rijtuig komen om haar naar de werf te brengen, en
met eene vreugde die alle beschrijving te boven gaat, namen zij een
allerteederst afscheid van geheel het huisgezin en gingen daarin zelfs
Bruin niet voorbij. Het goede dat in de menschelijke natuur is, had
in een oogenblik de overhand en allen waren tot tranen van deelnemende
blijdschap geroerd. Haar vader, die zijne vreugde zelf geweld aandeed,
wendde al het mogelijke aan, om hare opgewondenheid tot bedaren te
brengen, en ten langen laatste gelukte hem dit gedeeltelijk. Toen
zij te Washington aankwamen stond er een wagen gereed om haar naar
het huis harer zuster te brengen. Lieden van allerlei rang en stand
liepen te hoop om haar te zien. Hare broeders namen haar in hunne
armen en liepen met haar rond, bijna krankzinnig van blijdschap. Hare
bejaarde en eerbiedwaardige moeder, van hare ziekte bevrijd door
den tegenprikkel van het blijde nieuws, was daar en weende en dankte
den Almagtige. Ververschingen werden in het huis harer zuster gereed
gemaakt voor die haar kwamen bezoeken, en onder gegroet en gejuich,
tranen en blijdschap, gebeden en dankzeggingen, maar zonder den
minsten slaap, werd de nacht gesleten, en de morgen van den 4den
November 1848 lichtte over haar als over vrijen en gelukkigen.
Met de vorige lente en wel in de maand Mei, zoo als de schrijfster
reeds heeft te kennen gegeven, kwam de bejaarde moeder der
Edmondsonsche familie te New York, en de reden van hare komst kan
kortelijk worden medegedeeld. Zij had nog eene dochter, de steun en
de hulp van hare grijsheid, of, zoo als zij zich in hare eigenaardige
taal uitdrukte "de laatste droppel bloed in haar hart." Zij had ook
nog den zoon van een en twintig jaren, die nog slaaf was op eene
naburige plantage. Men hield het er voor, dat de ziekelijke vrouw,
in wier naam de bezitting werd beheerd, haar einde nabij was, en
de arme ouders waren door de vrees beklemd, dat wanneer zij stierf,
hunne beide overblijvende kinderen bij de scheiding van den boedel
verkocht en dus naar de gevreesde zuidelijke markt zouden gezonden
worden. Niemand kan het beschrijven welk een altoosdurende vrees
de slavengevangenissen en de slavenhandelaars aan al de ongelukkige
familiën in den omtrek inboezemen. Alles waarvan andere ouders op hunne
kinderen met vreugde en trots neêrzien, is voor deze arme schepsels
eene bron van onrust en verdriet, omdat het het kind slechts zoo veel
te meer tot een verkoopbaar artikel maakt. Het is dus geen wonder,
dat het licht in Paul's en Milly's hut door het verschrikkelijke
denkbeeld verduisterd werd.
Zij die over deze kinderen gesteld waren, hadden haar vader een
schriftelijke belofte gegeven, dat zij ze hem voor eene zekere som
zouden verkoopen, en door langdurig smeeken hadden zij honderd dollars
laten zakken van de twaalf honderd die hij behoefde. Maar hij was
nu door ziekte aan zijn bed gebonden. Na een vurig gebed te hebben
opgezonden, tot den Helper der hulpeloozen, zeide Milly op zekeren
dag tot Paul: "Ik zal u eens wat zeggen, Paul; ik zal zelf naar New
York gaan, om te zien of ik dat geld niet kan oploopen."
Paul antwoordde: "Maar beste Milly, hoe zoudt gij dat kunnen? Gij
moet eigenlijk in bed blijven, en gij zijt nog nooit van uw leven op
den spoortrein geweest?"
"Wees maar niet bang, Paul," zeide ik: "ik zal gaan vol vertrouwen
op den Heer; en de Heer zal mij in Zijne hoede nemen en Hij zal mij
geleiden, dat weet ik."
Ik ging dus naar den trein en nam een blanke aan, die mij er inhielp
en, waarlijk, daar vond ik twee Bethel-predikers, en de een zat hier
en de andere daar naast mij den geheelen weg over; en zij zorgden voor
mijn briefjes en goed en zagen alles voor mij na, en deden alles voor
mij. Den geheelen weg over gebeurde er niets niet mij. Somtijds als
ik afstapte in de koffijkamers, zagen de menschen mij aan en schoven
met zulk een verachtelijken blik op! Wel, dacht ik, ik hoop dat de
Heer u tot betere gedachten brengen zal."
Emily en Mary, die ergens in New York naar school waren gezonden,
kwamen in de stad om hare moeder te bezoeken en zij bragten haar
terstond naar het huis van den eerwaarden Henry W. Beecher, waar de
schrijfster zich toen juist bevond. Schrijfster dezes stelt zich het
tooneel nog levendig voor den geest, toen zij het eerst deze moeder
en dochters ontmoette. Het dient vermeld te worden, dat zij elkander
toen in geen vier jaren gezien hadden. Zij zaten aan weêrskanten van
hare moeder, ieder met een harer handen in de hare, en de blik van
trots en liefde, waarmede zij haar aan de schrijfster voorstelden,
was roerend om te zien. Nadat zij was voorgesteld aan de schrijfster,
ging zij op nieuw tusschen haar zitten, nam eene hand van ieder,
en sloeg eerst op de eene en toen op de andere een ernstigen blik,
en opziende, zeide zij met een glimlach:
"O, die kinderen! hoe zij ons aan het harte liggen!"
Zij beschreef toen aan de schrijfster al haar kommer en angst
omtrent hare jongste kinderen. "Nu, mevrouw," zeide zij, "die man
door wien het groote handelshuis te Alexandria gehouden wordt, die
man," en zij drukte hierop met innige verontwaardiging, "heeft laten
vernemen of er nog meer kinderen van me waren, die verkocht konden
worden. Die man zeide dat hij mij verlangde te zien. Ja, mevrouw, hij
heeft gezegd twintig dollars te willen geven om mij te zien. Ik zou
hem niet willen zien, al gaf hij er mij honderd. Hij heeft mij laten
vragen om bij hem te komen en hem te zien, toen hij mijne dochters in
zijne gevangenis had opgesloten. Ik wilde niet gaan om hem te zien;
en ik had geen behoefte om haar daar te zien."
Hare beide dochters Emily en Mary werden hierop zeer boos en
uitten eene zeer natuurlijke maar bittere taal jegens alle
slavenhouders. "Stil kinderen! gij moet uwe vijanden vergeven,"
zeide zij. "Maar zij zijn zoo goddeloos," zeiden de meisjes. "Ach
kinderen de zonde moet gij haten, maar den zondaar liefhebben." "Nu,
moeder," zeide een van de meisjes, "als ik op nieuw eene slavin moest
worden, zou ik mij van kant maken." "Dat geloof ik niet, kind; dat
zou goddeloos zijn." "Maar moeder, ik zou het toch doen; ik weet dat
ik het nooit meer zou kunnen verdragen." "Draag het, mijn kind!" was
haar antwoord, "want de heerlijkheid zal hiernamaals des te grooter
zijn, naarmate men hier meer heeft verdragen."
Terwijl zij deze woorden sprak, was er iets onbeschrijfelijk gevoeligs
in hare stem en voorkomen, eene plegtigheid en kracht, maar gepaard
met zachtheid, die nooit uit mijn geheugen zullen worden gewischt.
Deze arme slavenmoeder, wier geheele leven eene lange beleediging
van hare heiligste gevoelens geweest was; wie men de gelegenheid
ontnomen had om Gods Woord te lezen; wier edele pelgrimstogt door
de ongeregtigheid eener Christelijke natie tot een dag van ellende
gemaakt was; zij had toch geleerd het grootste raadsel der Christelijke
zedeleer op te lossen en te doen wat zoo weinig hervormers doen
kunnen--de zonde te haten, maar den zondaar lief te hebben!
Door deze geschiedenis was eene groote belangstelling onder de
dames in Brooklyn ontstaan. Er werden verscheidene groote meetings in
verschillende salons gehouden, waarin de oude moeder hare geschiedenis
met groote eenvoudigheid en diep gevoel mededeelde, en spoedig werd
er eene inteekening geopend tot loskooping van de twee overgeblevenen
harer familie. Het zal misschien niet zonder belangstelling vernomen
worden, dat aan het hoofd der inteekenlijst de naam prijkte van de
beminnelijke en weldadige Jenny Lind Goldsmidt.
Eenige dames, die deze roerende geschiedenis hoorden verhalen,
stelden zooveel belang in miss Edmondson-zelve, dat zij verlangden
eene daguerreotype van haar te laten maken, opdat zij zoo wel gesterkt
mogten worden door haar rustig gelaat als de schoonheid van waarachtige
deugd, die daarvan afstraalde, er in te bewonderen. Overeenkomstig
dat verlangen vergezelde zij haar naar het atelier, met al den eenvoud
van een klein kind. "O," zeide zij tot eene der dames, "gij kunt niet
nagaan hoe gelukkig ik ben, dat ik hier ben gekomen, waar iedereen
zoo vriendelijk jegens mij is!" Toen ik den vorigen avond naar huis
ging, was ik zoo gelukkig, dat ik er niet van slapen kon. Ik moest
het gedurig aan mijn Heiland zeggen, hoe gelukkig ik was."
Eene dame sprak met haar om dit of dat te lezen. "God zegene u,
mijn liefje! Ik kan geen letter lezen."
"Hoe hebt gij dan," vroeg haar eene andere dame, "zooveel van God en
van de hemelsche dingen geleerd?"
"Wel, het gelijkt eene gift van boven."
"Kan men den Bijbel dan voor u lezen?"
"Wel zeker, Paul kan een beetje lezen; maar hij heeft over dag zoo
veel te werken, en als hij laat in den avond t'huis komt, is hij
zoo vermoeid! en zijne oogen zijn slecht. Maar dan onderwijst mij
de Geest."
"Gaat gij dikwijls naar de kerk?"
"Niet zeer veel; wij wonen zoo ver af. 's Winters kan ik het
nooit. Maar o! hoe dikwijls ben ik als 't ware ter kerk geweest,
en heb ik gebeden--en had ik gemeenschap met mijn Zaligmaker!" Nooit
zal ik den glimlach vergeten die haar onder het uiten dezer woorden
om den mond speelde. Een klein meisje van eene der dames maakte een
paar allerscherpste aanmerkingen over iets in het atelier van den
daguerreotypist en werd daarover door hare moeder bestraft.
De oude vrouw zag haar met haar rustigen glimlach aan.
"Dat herinnert me," zeide zij, "wat ik eens een predikant hoorde
zeggen. "Vrienden," zeide hij, "als gij dit of dat weet, hetwelk het
hart van uwen broeder kan verheugen, haast u dan om het te zeggen;
maar als het iets is dat hem slechts een zucht zal kosten, houdt
het dan voor u! houdt het dan voor u!" O, wat heb ik mijne kinderen
dikwijls gezegd: "Houdt het voor u, houdt het voor u!""
Toen schrijfster dezes van de oude vrouw afscheid nam, zeide zij tot
haar. "Nu, vaarwel, mijne waarde vriendin; blijf mijner gedenken en
bid voor mij."
"Voor u bidden!" zeide zij op ernstigen toon. "Zeker zal ik dat,
ik kan het niet helpen." En haar vinger opheffende zeide zij op
een nadrukkelijken toon, bijzonder eigen aan ouden van haar stam:
"Ik zal u wat zeggen, wij hebben zelf nooit goed brood totdat wij
beginnen het eerst voor onze broeders te vragen."
De schrijfster maakt van deze gelegenheid gebruik om al de vrienden
dezer vrouw, in verschillende County's, die zoo bereidwillig en
edelmoedig iets hebben bijgedragen tot de bevrijding dezer kinderen,
te berigten, dat zij eindelijk zijn vrijgekocht.
Het volgende uittreksel uit den brief eener dame in Washington zal
door hen gewis niet zonder belangstelling worden gelezen.
Ik heb de oude lieden Edmondson--Paul en zijne vrouw
Milly--gezien. Ik heb de vrije Edmondsons gezien--moeder, zoon,
dochter--den eigen dag nadat het groote tijdperk van hunne
vrijheid was begonnen, terwijl zij nog onder den indruk daarvan
waren, en het gelaat der moeder enkel licht en liefde was, het
oog des vaders nat en glinsterende van tranen, de zoon rustig
en vol mannelijke bewustheid van de verantwoordelijkheid die er
op hem rustte, de dochter (als ik mij niet bedrieg naauwelijks
boven de vijftien jaar) vol zoete waardering van de vreugde van
het tegenwoordige, en vol hoop op de toekomst, die zoo eensklaps
en geheel en al voor haar oprees.
Wij hebben verslag gedaan van het lot van eene der familiën, die
aan boord van de Parel gevat waren. Wij hebben nog eene andere
geschiedenis te verhalen, waarvan wij niet durven beloven, dat het
einde zoo gelukkig wezen zal.