20 December 1852.

Nu is het bijna niet mogelijk, dat iemand, die van kindsbeen aan

gewoon is geweest zulke advertentiën te zien en ze met zoo veel

onverschilligheid te doorloopen als wij advertentiën van canapé's

en stoelen doen, er zoodanig door zou getroffen worden, als degeen

die geheel ongewoon is aan zulk eene wijze om menschelijke wezens

te beschouwen en te verhandelen. Zij maken op hem geen indruk. De

bedienden van zijne eigene familie of die zijner vrienden worden niet

geveild, en hij weet ook niet dat het met iemand daarvan gebeurd

is. Onder de advertentiën kunnen er honderde geweest zijn, die in

zijne nabijheid zulke tooneelen te weeg bragte, als in de Negerhut

geschetst zijn. Toen Charles Dickens tafereelen ophing van het gebrek

en de ellende te Londen, is welligt eene soortgelijke ongeloovigheid

achter de damasten staatsie-gordijnen van menig schitterend salon

aan den dag gelegd. Zij hadden nooit iets dergelijks gezien en

toch altijd te Londen gewoond. Doch evenwel deed Dickens in menige

adellijke en aristocratische borst het menschelijk medegevoel voor de

ongelukkigen ontwaken, en leerde hij hen gevoelen, hoeveel rampspoed

in hunne onmiddellijke nabijheid bestaan kon, waarvan zij volslagen

onbewust waren. Men heeft hem nooit als een verguizer van zijn land

beschouwd, ofschoon hij veel van het daarin aanwezige lijden, verdriet

en misbruik aan den dag bragt. De schrijfster moet ernstig verzoeken,

dat de schrijver dier verhandeling eens de moeite wille nemen om de

"statistiek" van den Amerikaanschen binnenlandschen slavenhandel na te

gaan; dat hij een of ander nieuwsblad eens geregeld doorloope en een

paar maanden aanteekening gelieve te houden van het aantal menschelijke

wezens, met harten, hoop en aandoeningen gelijk de zijnen, die geregeld

onderworpen worden aan al de onzekerheden en veranderingen van roerend

goed. De schrijfster houdt zich verzekerd, dat hij het niet lang zou

kunnen doen, zonder in zijn boezem den wensch te voelen oprijzen, om,

niet de verdediger, maar de hervormer der instellingen zijns lands

te worden.

De nieuwsbladen van Zuid-Carolina staan in dit opzigt niet alleen;

zij zijn gelijk aan honderde andere bladen uit elken anderen Staat.

Dat de lezer een oogenblik stil sta, en nog eens de aangehaalde

advertentiën van twee weken doorzie. Dit is geen romanschrijven,--dit

zijn feiten. Zie die menschelijke wezens, voor het publiek uitgestald,

te gelijk met paarden, muilezels, karren, katoenzaad, ledekanten

enz.,--terwijl Christelijke dames in hetzelfde blad zeggen, dat

zij, "in den gebede Gods Woord onderzoeken," en gelooven dat de

instellingen van haar land Zijne goedkeuring wegdragen! Zou hij

denken, dat hier, in deze twee weken, geene tooneelen van lijden

geweest zijn? Verbeeld u de droefenis dezer gezinnen, de angstige

nachten van deze moeders en kinderen, vrouwen en mannen, als de

veilingen gehouden zullen worden! Stel u de tooneelen bij den verkoop

voor! Eene jonge dame, vriendin van schrijfster dezes, die een winter

in Carolina doorbragt, gaf haar eene schets van den verkoop van eene

vrouw en hare kinderen. Toen een zevenjarig meisje op de tafel van den

verkooper geplaatst werd, viel het kind van vrees en zenuwachtigheid in

flaauwte. Zij werd weggenomen, kwam weder bij en werd teruggebragt;

de flaauwte kwam terug,--drie malen werd de proef met denzelfden

uitslag herhaald, en eindelijk werd de verkoop van het kind uitgesteld!

Men leze ook het volgende, dat Dr. Elwood Harvey, redacteur van een

blad in een der westelijke Staten, in den Pennsylvania Freeman van

25 December 1846 plaatste:

Wij woonden eene verkooping van landerijen en andere goederen in

den omtrek van Petersburg, in Virginia, bij, en zagen onvoorbereid

tevens slaven in openbare veiling verkoopen. Men had den slaven,

die, voor het huis geschaard, de vergaderde menigte aanzagen,

gezegd, dat zij niet verkocht zouden worden. Toen de landerijen

verkocht waren, riep de vendu-meester op luiden toon: "Breng de

negers voor!" Eene uitdrukking van verbazing en schrik vertoonde

zich op hun gelaat, terwijl zij eerst elkander aanzagen en

toen den drom van koopers, die thans het oog op hen gevestigd

hield. Toen hun de vreeselijke waarheid klaar voor den geest

stond dat zij verkocht zouden worden en van bloedverwanten

en vrienden voor eeuwig gescheiden, werd het tooneel boven

beschrijving hartbrekend. Vrouwen grepen hare zuigelingen op en

ijlden gillende in de hutten. De kinderen verborgen zich achter de

hutten en huisjes, en de mannen stonden in stomme vertwijfeling. De

verkooper stond voor den ingang van het huis, en de "mannen en

jongens" werden op het plein ter bezigtiging gerangschikt. Er werd

aangekondigd, dat men voor de gezondheid niet instond, en dat

de koopers zelven behoorden te onderzoeken. Eenige oude mannen

werden verkocht tot prijzen tusschen dertien en vijf-en-twintig

dollars, en het was pijnlijk om aan te zien hoe bejaarde mannen,

gebogen onder den last van werk en leed, zich moesten oprigten

om de spot van onbeschofte dwingelanden te zijn, en hen hunne

ziekelijkheid en onnutheid te hooren vertellen, uit vreeze,

dat zij door slavenhandelaars zouden opgekocht worden voor de

zuidelijke markten.

Een blanke knaap van ongeveer vijftien jaren, werd op do tafel

geplaatst. Zijn hair was bruin en glad, zijne huid van dezelfde

kleur als die van andere blanken, en er was geen merkbare negertrek

in zijn gelaat waar te nemen.

Er werden eenige laffe aardigheden gezegd over zijne kleur,

en twee honderd dollars werden voor hem geboden; doch uit den

hoop werd geroepen, dat "dit geen genoegzame inzet was voor

zulk een fikschen jongen neger." Sommigen zeiden, dat zij hem

"niet om niet" zouden willen hebben. Eenigen merkten aan,

dat een witte neger meer last gaf dan voordeel. Eén man zeide,

dat het onbetamelijk was, blanken te verkoopen. Ik vroeg hem,

of dit slechter was dan zwarten te verkoopen, waarop hij geen

antwoord gaf. Eer de knaap verkocht werd, snelde zijne moeder

uit het huis, en riep met waanzinnige smart: "Mijn zoon, o mijn

jongen, wegnemen willen zij mijn dierbaren...." Hier verstomde hare

stem, daar zij op eene ruwe manier weggeduwd en de deur gesloten

werd. De verkoop werd geen oogenblik afgebroken, en niemand onder

de menigte scheen door dit tooneel in het minst aangedaan. De

arme jongen, die niet van harte durfde uitweenen in het bijzijn

van zoo veel vreemden, die niet het geringste medelijden aan den

dag legden, beefde en veegde met zijne mouw de tranen van zijne

wangen. Hij vond voor ongeveer twee honderd vijftig dollars een

kooper. Gedurende den verkoop weêrgalmde de plaats zoodanig van

geween en gekerm, dat het mij eng om het hart werd. Eene vrouw

werd daarop bij name geroepen. Alvorens haar kind aan eene oude

vrouw over te geven, omhelsde zij het met een woesten druk, en

spoedde zich toen werktuigelijk om aan de oproeping te voldoen;

doch plotseling bleef zij staan, hief hare armen omhoog, gaf een

gil en was buiten staat een stap verder te doen.

Een mijner reisgenooten stiet mij aan en zeide: "Kom, laten

wij heen gaan; ik kan het niet langer aanzien." Wij verlieten

die plaats dus. De man, die ons rijtuig van Petersburg had

gereden, bezat twee zonen, kleine jongens, die tot de plantage

behoorden. Hij had de belofte verkregen, dat zij niet verkocht

zouden worden. Wij vroegen, of zij zijne eenige kinderen waren. "De

eenige overgeblevene van acht," was zijn antwoord. Drie waren

naar het Zuiden verkocht, van wie hij nimmer meer iets zou zien

of hooren.

Daar de menschen in het Noorden zulke dingen niet zien, is

het noodig dat zij er dikwijls genoeg van hooren, ten einde

aandachtig te blijven op het lijden van de slagtoffers hunner

onverschilligheid.

Dit zijn de gewone omstandigheden, niet de vergunde wreedheden, van

een stelsel, hetwelk de menschen zich-zelven hebben wijs gemaakt,

dat in overeenstemming is met Gods Woord!

Laten wij aannemen, dat "de familie-betrekking ontzien wordt, voor

zoover dit mogelijk is." Dan doet zich de vraag op: Tot hoever is

het mogelijk? Advertentiën van zulke verkoopingen doen zich week

aan week in bijna hetzelfde aantal voor in dezelfde nieuwsbladen, in

denzelfden omtrek; en handelaars van beroep maken er hun werk van,

ze bij te wonen en slagtoffers op te koopen. Indien nu de bewoners

van eene bepaalde streek zich belasten met de zorg om toe te zien

dat in dezen stroom van veilingen geene gezinnen gescheiden worden,

dan moet men tot de overtuiging komen, dat zij weinig anders te doen

zouden hebben. Het is eene waarheid--en die onze menschelijke natuur

in het algemeen eere aandoet--dat de smart en zielsangst der arme,

hulpelooze schepsels, dikwijls vrienden voor hen doet opstaan onder de

edelen van harte. Er zijn menschen in het Zuiden, die al het mogelijke

doen en zelfs boven hunne krachten gaan om de wreede operatiën van den

slavenhandel te stuiten en in afzonderlijke gevallen verligting aan te

brengen. Er zijn er in het Zuiden, die zouden kunnen vertellen, indien

zij wilden, hoe hun, wanneer zij den laatsten dollar besteed hadden,

waarover zij in eene week konden beschikken, in de volgende week juist

even zulk een geval voorkwam, waaraan zij niet konden voldoen. Er

zijn meesters in het Zuiden, die zouden kunnen mededeelen, indien

zij wilden, hoe zij hebben staan bieden tegen een slavenhandelaar,

om een of anderen hunner eigene arme slaven te bevrijden, totdat het

bod al hooger en hooger steeg en de gebiedende noodzakelijkheid hun

eindelijk den mond sloot. Goedhartige verkoopers weten zeer wel,

hoe dikwijls zij worden aangezocht om medewerking, ten einde een

armen man buiten de klaauwen van den slavenhandelaar te houden,

en hoe zij daarin soms slagen, soms falen.

Juist de strijd, dien regtschapene mannen in het Zuiden voeren om den

geregelden slavenhandel te knakken, doet hun de hopeloosheid hunner

pogingen zien. Wij geven gaaf toe, dat velen hunner evenveel of meer

doen, dan wij in soortgelijke omstandigheden doen zouden; maar toch

weten zij, dat, wat zij uitrigten, niets meer dan eene beuzeling is.

Doch wij zullen verder redeneren op getuigenis van advertentiën. Wat

moet men opmaken uit het onderstaande, voorkomende in den Memphis

Eagle and Inquirer, van Zaturdag 13 November 1852? Onder het motto

aan het hoofd van dat blad: "Vrijheid en eenheid, thans en immer,"

vinden wij het volgende fraais:

No. I.

Vijf en zeventig Negers.

Ik heb zoo even uit de oostelijke streken ontvangen 75 gesorteerde

A No. 1 negers. Kom spoedig, zoo gij keuze wilt hebben.

Benj. Little.

No. II.

Contant geld voor Negers.

Ik zal zoo hooge contante prijzen voor eenige fiksche jonge

negers betalen als eenig handelaar in deze stad;--ook in

commissie ontvangen en verknopen op Byrd Hill, de oude plaats,

in Adamsstreet, te Memphis.

Benj. Little.

No. III.

Vijf honderd Negers benoodigd.

Wij betalen den hoogsten contanten prijs voor alle goede negers,

die ons te koop geboden worden. Ieder, die negers te koop heeft,

noodigen wij uit zich te vervoegen aan ons kantoor. Wij zullen

eerlang ook eens aanzienlijke partij Virginia-negers te koop

hebben. Onze gevangenis is zoo sterk als eenige andere in het land,

en wij kunnen er negers, die men zou wenschen te doen opsluiten,

veilig bewaren.

Bolton, Dickins & Co.

Laten wij onderdanig mogen vragen wat in de eerste advertentie bedoeld

wordt met gesorteerde A No. 1 negers? Is het waarschijnlijk, dat het

beteekent, negers die bij geheele gezinnen verkocht worden? Wat meent

de uitnoodiging: "Kom spoedig, zoo gij keuze wilt hebben?"

Zoo veel wat de eerste advertentie betreft. Laten wij nu den ingewijden

eenige vragen aangaande No. II mogen doen. Wat bedoelt mijnheer

Benjamin Little met te zeggen: "Ik zal zoo hooge contante prijzen

voor eenige fiksche jonge negers betalen als eenig handelaar in deze

stad?" Bestaan huisgezinnen doorgaans alleen uit fiksche jonge negers?

Ook aangaande de derde advertentie zouden wij gaarne eenige

inlichtingen bekomen. De heeren Bolton, Dickins & Co. melden dat zij

"eene aanzienlijke partij Virginia-negers" verwachten.

Ongelukkige heeren Bolton, Dickins & Co.! Zoudt gij denken, dat

familiën in Virginia hare negers zullen verkoopen? Hebt gij dan

mijnheer J. Thornton Randolph's laatsten roman niet gelezen, en daaruit

gezien dat oude familiën in Virginia nimmer aan slavenhandelaren

verkoopen? en--nog meer--dat zij zich altijd vereenigen en de negers

opkoopen, die in de nabuurschap geveild worden, en de slavenhandelaars,

als zij zich durven vertoonen, met weinig omslag weggejaagd worden? Men

zou waarlijk gaan denken, dat gij uwe begrippen omtrent de zaak uit de

Negerhut geput hadt. Want in het meermalen aangehaalde, artikel uit

Fraser's Magazine wordt verzekerd, dat allen, die hunne denkbeelden

omtrent de slavernij aan dat boek ontleend hebben, "de slavengezinnen

als uiterst ongevestigd en zwervend beschouwen."

Doch eer wij terugkomen van onze verbazing, nemen wij den Natchez

(Mississippi) Courier van 20 November 1852 ter hand en lezen daar:

Negers.

De ondergeteekende neemt de vrijheid het publiek te berigten, dat

hij voor den tijd van verscheidene jaren gehuurd heeft de plaats

aan den Driesprong nabij Natchez, en dat hij aldaar het geheele

jaar door eene aanzienlijke hoeveelheid negers in voorraad zal

hebben. Zijne prijzen zullen even laag of lager zijn dan die van

eenig ander handelaar alhier of te New-Orleans.

Hij is juist uit Virginia gearriveerd met eene zeer bezienswaardige

partij veld-arbeiders en arbeidsters; ook huisbedienden, drie

keukenmeiden en een timmerman. Komt en ziet.

Tevens zijn bij hem drie paarden te koop.

Natchez, 28 September 1852. Thos. G. James.

Waar ter wereld heeft die gelukkige mijnheer James dit fraaije

"assortiment" Virginia-negers opgedaan? Waarschijnlijk in een of

ander graafschap, dat de heer Randolph nooit bezocht heeft. En

heeft men geene gezinnen behoeven te scheiden, om dat assortiment

tot stand te brengen? Waar zijn hunne kinderen? Wij hooren van eene

partij huisbedienden, van drie keukenmeiden en een timmerman, zoowel

als van drie paarden. Hadden die ongelukkige keukenmeiden en die

timmerman geene betrekkingen? Vloeiden geene droevige tranen langs

hunne donkere wangen, toen zij "gesorteerd" werden voor de markt van

Natchez? Rijst uit geen dier treurige harten het lied op:

O voer mij naar 't oude Virgienje terug?

Al verder ontmoeten wij in hetzelfde blad het volgende:

Slaven! Slaven! Slaven!

Wekelijks versche aanvoer.--Daar wij ons gevestigd hebben aan den

Driesprong, nabij Natchez, bij een contract voor verscheidene

jaren, hebben wij thans voorhanden, gelijk wij het heele jaar

zullen hebben, een uitgebreiden en goed gesorteerden voorraad

negers, bestaande in veld-arbeiders, huisbedienden, ambachtslieden,

keukenmeiden, naaisters, waschvrouven, strijksters, enz., welke wij

even laag of lager dan eenig ander huis alhier of te New-Orleans

kunnen en willen verkoopen.

Personen, die aankoopen wenschen te doen, worden aangemaand

ons te bezoeken, alvorens zich elders te verbinden, daar onze

geregelde aanvoer ons steeds voorziet van een goed en aanzienlijk

assortiment. Wij geven den koopers vele faciliteiten. Komt en ziet!

Natchez, 15 October 1852. Griffin & Pullam.

Inderdaad! De heeren Griffin en Pullam schijnen even gelukkig

te zijn! Zij hebben elke week verschen aanvoer en zullen "een

uitgebreiden en goed gesorteerden voorraad negers" gereed houden,

"bestaande in veld-arbeiders, huisbedienden, ambachtslieden", enz.

Laten wij eerbiedig mogen vragen op welke wijze een slavenhandelaar

een goed gesorteerden voorraad bijeenkrijgt. Hij gaat naar Virginia om

hen uit te zoeken. Men heeft hem order gegeven, b. v. voor een dozijn

keukenmeiden, een half dozijn timmerlieden, zooveel huisbedienden,

enz., enz. Elk van deze personen heeft zijne eigene betrekkingen;

behalve dat zij keukenmeiden, timmerlieden en huisbedienden zijn,

zijn zij ook vaders, moeders, mannen en vrouwen: maar wat doet er dat

toe? Zij moeten uitgezocht worden, er is een assortiment noodig. De

heer, die eene keukenmeid bestelde, heeft natuurlijk niets te maken met

hare vijf kinderen; en de planter, die order gaf op een timmerman,

heeft de keukenmeid, zijne vrouw, niet noodig. Een timmerman is

bovendien een kostbaar voorwerp, dat duizend tot vijftien honderd

dollars geldt; en een man, die zulk eene som moet betalen, kan zich

niet altijd de weelde veroorloven van aan zijne menschlievendheid toe

te geven. Wat de kinderen betreft, die moeten in den slavenkweekenden

Staat gelaten worden. Want, indien het reeds volwassene product

wekelijks te Natchez of New-Orleans aangevoerd wordt, is het dan

denkelijk dat de inwoners zich zullen bezwaren met den last van

het opkweeken van kinderen? Neen, in elk welingerigt bedrijf moet

verdeeling van arbeid in acht genomen worden. De noordelijke Staten

kweeken het artikel aan, de zuidelijke consumeren het.

Wij hebben tot nu toe meer bepaald uittreksels gemaakt uit de

nieuwsbladen van de zuidelijke Staten. Zoo de lezer nieuwsgierig is om

te weten hoe het "sorteren" gaat in de noordelijke Staten, dan zal de

dagbladpers hem verder op de hoogte stellen. In den Daily Virginian

van 19 November 1852 geeft de heer J. B. McLendon volgenderwijze te

kennen dat hij zich gevestigd heeft voor die zaak:

Negers benoodigd.

De ondergeteekende, zich te Lynchburg gevestigd hebbende, geeft de

hoogste contante prijzen voor negers tusschen 10 en 30 jaren. Zij,

die Negers te verkoopen hebben, zullen in hun belang handelen

door zich mondeling of schriftelijk tot hem te wenden in het

Washington-Hotel te Lynchburg.

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 107 / 220 题