Nu is het bijna niet mogelijk, dat iemand, die van kindsbeen aan
gewoon is geweest zulke advertentiën te zien en ze met zoo veel
onverschilligheid te doorloopen als wij advertentiën van canapé's
en stoelen doen, er zoodanig door zou getroffen worden, als degeen
die geheel ongewoon is aan zulk eene wijze om menschelijke wezens
te beschouwen en te verhandelen. Zij maken op hem geen indruk. De
bedienden van zijne eigene familie of die zijner vrienden worden niet
geveild, en hij weet ook niet dat het met iemand daarvan gebeurd
is. Onder de advertentiën kunnen er honderde geweest zijn, die in
zijne nabijheid zulke tooneelen te weeg bragte, als in de Negerhut
geschetst zijn. Toen Charles Dickens tafereelen ophing van het gebrek
en de ellende te Londen, is welligt eene soortgelijke ongeloovigheid
achter de damasten staatsie-gordijnen van menig schitterend salon
aan den dag gelegd. Zij hadden nooit iets dergelijks gezien en
toch altijd te Londen gewoond. Doch evenwel deed Dickens in menige
adellijke en aristocratische borst het menschelijk medegevoel voor de
ongelukkigen ontwaken, en leerde hij hen gevoelen, hoeveel rampspoed
in hunne onmiddellijke nabijheid bestaan kon, waarvan zij volslagen
onbewust waren. Men heeft hem nooit als een verguizer van zijn land
beschouwd, ofschoon hij veel van het daarin aanwezige lijden, verdriet
en misbruik aan den dag bragt. De schrijfster moet ernstig verzoeken,
dat de schrijver dier verhandeling eens de moeite wille nemen om de
"statistiek" van den Amerikaanschen binnenlandschen slavenhandel na te
gaan; dat hij een of ander nieuwsblad eens geregeld doorloope en een
paar maanden aanteekening gelieve te houden van het aantal menschelijke
wezens, met harten, hoop en aandoeningen gelijk de zijnen, die geregeld
onderworpen worden aan al de onzekerheden en veranderingen van roerend
goed. De schrijfster houdt zich verzekerd, dat hij het niet lang zou
kunnen doen, zonder in zijn boezem den wensch te voelen oprijzen, om,
niet de verdediger, maar de hervormer der instellingen zijns lands
te worden.
De nieuwsbladen van Zuid-Carolina staan in dit opzigt niet alleen;
zij zijn gelijk aan honderde andere bladen uit elken anderen Staat.
Dat de lezer een oogenblik stil sta, en nog eens de aangehaalde
advertentiën van twee weken doorzie. Dit is geen romanschrijven,--dit
zijn feiten. Zie die menschelijke wezens, voor het publiek uitgestald,
te gelijk met paarden, muilezels, karren, katoenzaad, ledekanten
enz.,--terwijl Christelijke dames in hetzelfde blad zeggen, dat
zij, "in den gebede Gods Woord onderzoeken," en gelooven dat de
instellingen van haar land Zijne goedkeuring wegdragen! Zou hij
denken, dat hier, in deze twee weken, geene tooneelen van lijden
geweest zijn? Verbeeld u de droefenis dezer gezinnen, de angstige
nachten van deze moeders en kinderen, vrouwen en mannen, als de
veilingen gehouden zullen worden! Stel u de tooneelen bij den verkoop
voor! Eene jonge dame, vriendin van schrijfster dezes, die een winter
in Carolina doorbragt, gaf haar eene schets van den verkoop van eene
vrouw en hare kinderen. Toen een zevenjarig meisje op de tafel van den
verkooper geplaatst werd, viel het kind van vrees en zenuwachtigheid in
flaauwte. Zij werd weggenomen, kwam weder bij en werd teruggebragt;
de flaauwte kwam terug,--drie malen werd de proef met denzelfden
uitslag herhaald, en eindelijk werd de verkoop van het kind uitgesteld!
Men leze ook het volgende, dat Dr. Elwood Harvey, redacteur van een
blad in een der westelijke Staten, in den Pennsylvania Freeman van
25 December 1846 plaatste:
Wij woonden eene verkooping van landerijen en andere goederen in
den omtrek van Petersburg, in Virginia, bij, en zagen onvoorbereid
tevens slaven in openbare veiling verkoopen. Men had den slaven,
die, voor het huis geschaard, de vergaderde menigte aanzagen,
gezegd, dat zij niet verkocht zouden worden. Toen de landerijen
verkocht waren, riep de vendu-meester op luiden toon: "Breng de
negers voor!" Eene uitdrukking van verbazing en schrik vertoonde
zich op hun gelaat, terwijl zij eerst elkander aanzagen en
toen den drom van koopers, die thans het oog op hen gevestigd
hield. Toen hun de vreeselijke waarheid klaar voor den geest
stond dat zij verkocht zouden worden en van bloedverwanten
en vrienden voor eeuwig gescheiden, werd het tooneel boven
beschrijving hartbrekend. Vrouwen grepen hare zuigelingen op en
ijlden gillende in de hutten. De kinderen verborgen zich achter de
hutten en huisjes, en de mannen stonden in stomme vertwijfeling. De
verkooper stond voor den ingang van het huis, en de "mannen en
jongens" werden op het plein ter bezigtiging gerangschikt. Er werd
aangekondigd, dat men voor de gezondheid niet instond, en dat
de koopers zelven behoorden te onderzoeken. Eenige oude mannen
werden verkocht tot prijzen tusschen dertien en vijf-en-twintig
dollars, en het was pijnlijk om aan te zien hoe bejaarde mannen,
gebogen onder den last van werk en leed, zich moesten oprigten
om de spot van onbeschofte dwingelanden te zijn, en hen hunne
ziekelijkheid en onnutheid te hooren vertellen, uit vreeze,
dat zij door slavenhandelaars zouden opgekocht worden voor de
zuidelijke markten.
Een blanke knaap van ongeveer vijftien jaren, werd op do tafel
geplaatst. Zijn hair was bruin en glad, zijne huid van dezelfde
kleur als die van andere blanken, en er was geen merkbare negertrek
in zijn gelaat waar te nemen.
Er werden eenige laffe aardigheden gezegd over zijne kleur,
en twee honderd dollars werden voor hem geboden; doch uit den
hoop werd geroepen, dat "dit geen genoegzame inzet was voor
zulk een fikschen jongen neger." Sommigen zeiden, dat zij hem
"niet om niet" zouden willen hebben. Eenigen merkten aan,
dat een witte neger meer last gaf dan voordeel. Eén man zeide,
dat het onbetamelijk was, blanken te verkoopen. Ik vroeg hem,
of dit slechter was dan zwarten te verkoopen, waarop hij geen
antwoord gaf. Eer de knaap verkocht werd, snelde zijne moeder
uit het huis, en riep met waanzinnige smart: "Mijn zoon, o mijn
jongen, wegnemen willen zij mijn dierbaren...." Hier verstomde hare
stem, daar zij op eene ruwe manier weggeduwd en de deur gesloten
werd. De verkoop werd geen oogenblik afgebroken, en niemand onder
de menigte scheen door dit tooneel in het minst aangedaan. De
arme jongen, die niet van harte durfde uitweenen in het bijzijn
van zoo veel vreemden, die niet het geringste medelijden aan den
dag legden, beefde en veegde met zijne mouw de tranen van zijne
wangen. Hij vond voor ongeveer twee honderd vijftig dollars een
kooper. Gedurende den verkoop weêrgalmde de plaats zoodanig van
geween en gekerm, dat het mij eng om het hart werd. Eene vrouw
werd daarop bij name geroepen. Alvorens haar kind aan eene oude
vrouw over te geven, omhelsde zij het met een woesten druk, en
spoedde zich toen werktuigelijk om aan de oproeping te voldoen;
doch plotseling bleef zij staan, hief hare armen omhoog, gaf een
gil en was buiten staat een stap verder te doen.
Een mijner reisgenooten stiet mij aan en zeide: "Kom, laten
wij heen gaan; ik kan het niet langer aanzien." Wij verlieten
die plaats dus. De man, die ons rijtuig van Petersburg had
gereden, bezat twee zonen, kleine jongens, die tot de plantage
behoorden. Hij had de belofte verkregen, dat zij niet verkocht
zouden worden. Wij vroegen, of zij zijne eenige kinderen waren. "De
eenige overgeblevene van acht," was zijn antwoord. Drie waren
naar het Zuiden verkocht, van wie hij nimmer meer iets zou zien
of hooren.
Daar de menschen in het Noorden zulke dingen niet zien, is
het noodig dat zij er dikwijls genoeg van hooren, ten einde
aandachtig te blijven op het lijden van de slagtoffers hunner
onverschilligheid.
Dit zijn de gewone omstandigheden, niet de vergunde wreedheden, van
een stelsel, hetwelk de menschen zich-zelven hebben wijs gemaakt,
dat in overeenstemming is met Gods Woord!
Laten wij aannemen, dat "de familie-betrekking ontzien wordt, voor
zoover dit mogelijk is." Dan doet zich de vraag op: Tot hoever is
het mogelijk? Advertentiën van zulke verkoopingen doen zich week
aan week in bijna hetzelfde aantal voor in dezelfde nieuwsbladen, in
denzelfden omtrek; en handelaars van beroep maken er hun werk van,
ze bij te wonen en slagtoffers op te koopen. Indien nu de bewoners
van eene bepaalde streek zich belasten met de zorg om toe te zien
dat in dezen stroom van veilingen geene gezinnen gescheiden worden,
dan moet men tot de overtuiging komen, dat zij weinig anders te doen
zouden hebben. Het is eene waarheid--en die onze menschelijke natuur
in het algemeen eere aandoet--dat de smart en zielsangst der arme,
hulpelooze schepsels, dikwijls vrienden voor hen doet opstaan onder de
edelen van harte. Er zijn menschen in het Zuiden, die al het mogelijke
doen en zelfs boven hunne krachten gaan om de wreede operatiën van den
slavenhandel te stuiten en in afzonderlijke gevallen verligting aan te
brengen. Er zijn er in het Zuiden, die zouden kunnen vertellen, indien
zij wilden, hoe hun, wanneer zij den laatsten dollar besteed hadden,
waarover zij in eene week konden beschikken, in de volgende week juist
even zulk een geval voorkwam, waaraan zij niet konden voldoen. Er
zijn meesters in het Zuiden, die zouden kunnen mededeelen, indien
zij wilden, hoe zij hebben staan bieden tegen een slavenhandelaar,
om een of anderen hunner eigene arme slaven te bevrijden, totdat het
bod al hooger en hooger steeg en de gebiedende noodzakelijkheid hun
eindelijk den mond sloot. Goedhartige verkoopers weten zeer wel,
hoe dikwijls zij worden aangezocht om medewerking, ten einde een
armen man buiten de klaauwen van den slavenhandelaar te houden,
en hoe zij daarin soms slagen, soms falen.
Juist de strijd, dien regtschapene mannen in het Zuiden voeren om den
geregelden slavenhandel te knakken, doet hun de hopeloosheid hunner
pogingen zien. Wij geven gaaf toe, dat velen hunner evenveel of meer
doen, dan wij in soortgelijke omstandigheden doen zouden; maar toch
weten zij, dat, wat zij uitrigten, niets meer dan eene beuzeling is.
Doch wij zullen verder redeneren op getuigenis van advertentiën. Wat
moet men opmaken uit het onderstaande, voorkomende in den Memphis
Eagle and Inquirer, van Zaturdag 13 November 1852? Onder het motto
aan het hoofd van dat blad: "Vrijheid en eenheid, thans en immer,"
vinden wij het volgende fraais:
No. I.
Vijf en zeventig Negers.
Ik heb zoo even uit de oostelijke streken ontvangen 75 gesorteerde
A No. 1 negers. Kom spoedig, zoo gij keuze wilt hebben.
Benj. Little.
No. II.
Contant geld voor Negers.
Ik zal zoo hooge contante prijzen voor eenige fiksche jonge
negers betalen als eenig handelaar in deze stad;--ook in
commissie ontvangen en verknopen op Byrd Hill, de oude plaats,
in Adamsstreet, te Memphis.
Benj. Little.
No. III.
Vijf honderd Negers benoodigd.
Wij betalen den hoogsten contanten prijs voor alle goede negers,
die ons te koop geboden worden. Ieder, die negers te koop heeft,
noodigen wij uit zich te vervoegen aan ons kantoor. Wij zullen
eerlang ook eens aanzienlijke partij Virginia-negers te koop
hebben. Onze gevangenis is zoo sterk als eenige andere in het land,
en wij kunnen er negers, die men zou wenschen te doen opsluiten,
veilig bewaren.
Bolton, Dickins & Co.
Laten wij onderdanig mogen vragen wat in de eerste advertentie bedoeld
wordt met gesorteerde A No. 1 negers? Is het waarschijnlijk, dat het
beteekent, negers die bij geheele gezinnen verkocht worden? Wat meent
de uitnoodiging: "Kom spoedig, zoo gij keuze wilt hebben?"
Zoo veel wat de eerste advertentie betreft. Laten wij nu den ingewijden
eenige vragen aangaande No. II mogen doen. Wat bedoelt mijnheer
Benjamin Little met te zeggen: "Ik zal zoo hooge contante prijzen
voor eenige fiksche jonge negers betalen als eenig handelaar in deze
stad?" Bestaan huisgezinnen doorgaans alleen uit fiksche jonge negers?
Ook aangaande de derde advertentie zouden wij gaarne eenige
inlichtingen bekomen. De heeren Bolton, Dickins & Co. melden dat zij
"eene aanzienlijke partij Virginia-negers" verwachten.
Ongelukkige heeren Bolton, Dickins & Co.! Zoudt gij denken, dat
familiën in Virginia hare negers zullen verkoopen? Hebt gij dan
mijnheer J. Thornton Randolph's laatsten roman niet gelezen, en daaruit
gezien dat oude familiën in Virginia nimmer aan slavenhandelaren
verkoopen? en--nog meer--dat zij zich altijd vereenigen en de negers
opkoopen, die in de nabuurschap geveild worden, en de slavenhandelaars,
als zij zich durven vertoonen, met weinig omslag weggejaagd worden? Men
zou waarlijk gaan denken, dat gij uwe begrippen omtrent de zaak uit de
Negerhut geput hadt. Want in het meermalen aangehaalde, artikel uit
Fraser's Magazine wordt verzekerd, dat allen, die hunne denkbeelden
omtrent de slavernij aan dat boek ontleend hebben, "de slavengezinnen
als uiterst ongevestigd en zwervend beschouwen."
Doch eer wij terugkomen van onze verbazing, nemen wij den Natchez
(Mississippi) Courier van 20 November 1852 ter hand en lezen daar:
Negers.
De ondergeteekende neemt de vrijheid het publiek te berigten, dat
hij voor den tijd van verscheidene jaren gehuurd heeft de plaats
aan den Driesprong nabij Natchez, en dat hij aldaar het geheele
jaar door eene aanzienlijke hoeveelheid negers in voorraad zal
hebben. Zijne prijzen zullen even laag of lager zijn dan die van
eenig ander handelaar alhier of te New-Orleans.
Hij is juist uit Virginia gearriveerd met eene zeer bezienswaardige
partij veld-arbeiders en arbeidsters; ook huisbedienden, drie
keukenmeiden en een timmerman. Komt en ziet.
Tevens zijn bij hem drie paarden te koop.
Natchez, 28 September 1852. Thos. G. James.
Waar ter wereld heeft die gelukkige mijnheer James dit fraaije
"assortiment" Virginia-negers opgedaan? Waarschijnlijk in een of
ander graafschap, dat de heer Randolph nooit bezocht heeft. En
heeft men geene gezinnen behoeven te scheiden, om dat assortiment
tot stand te brengen? Waar zijn hunne kinderen? Wij hooren van eene
partij huisbedienden, van drie keukenmeiden en een timmerman, zoowel
als van drie paarden. Hadden die ongelukkige keukenmeiden en die
timmerman geene betrekkingen? Vloeiden geene droevige tranen langs
hunne donkere wangen, toen zij "gesorteerd" werden voor de markt van
Natchez? Rijst uit geen dier treurige harten het lied op:
O voer mij naar 't oude Virgienje terug?
Al verder ontmoeten wij in hetzelfde blad het volgende:
Slaven! Slaven! Slaven!
Wekelijks versche aanvoer.--Daar wij ons gevestigd hebben aan den
Driesprong, nabij Natchez, bij een contract voor verscheidene
jaren, hebben wij thans voorhanden, gelijk wij het heele jaar
zullen hebben, een uitgebreiden en goed gesorteerden voorraad
negers, bestaande in veld-arbeiders, huisbedienden, ambachtslieden,
keukenmeiden, naaisters, waschvrouven, strijksters, enz., welke wij
even laag of lager dan eenig ander huis alhier of te New-Orleans
kunnen en willen verkoopen.
Personen, die aankoopen wenschen te doen, worden aangemaand
ons te bezoeken, alvorens zich elders te verbinden, daar onze
geregelde aanvoer ons steeds voorziet van een goed en aanzienlijk
assortiment. Wij geven den koopers vele faciliteiten. Komt en ziet!
Natchez, 15 October 1852. Griffin & Pullam.
Inderdaad! De heeren Griffin en Pullam schijnen even gelukkig
te zijn! Zij hebben elke week verschen aanvoer en zullen "een
uitgebreiden en goed gesorteerden voorraad negers" gereed houden,
"bestaande in veld-arbeiders, huisbedienden, ambachtslieden", enz.
Laten wij eerbiedig mogen vragen op welke wijze een slavenhandelaar
een goed gesorteerden voorraad bijeenkrijgt. Hij gaat naar Virginia om
hen uit te zoeken. Men heeft hem order gegeven, b. v. voor een dozijn
keukenmeiden, een half dozijn timmerlieden, zooveel huisbedienden,
enz., enz. Elk van deze personen heeft zijne eigene betrekkingen;
behalve dat zij keukenmeiden, timmerlieden en huisbedienden zijn,
zijn zij ook vaders, moeders, mannen en vrouwen: maar wat doet er dat
toe? Zij moeten uitgezocht worden, er is een assortiment noodig. De
heer, die eene keukenmeid bestelde, heeft natuurlijk niets te maken met
hare vijf kinderen; en de planter, die order gaf op een timmerman,
heeft de keukenmeid, zijne vrouw, niet noodig. Een timmerman is
bovendien een kostbaar voorwerp, dat duizend tot vijftien honderd
dollars geldt; en een man, die zulk eene som moet betalen, kan zich
niet altijd de weelde veroorloven van aan zijne menschlievendheid toe
te geven. Wat de kinderen betreft, die moeten in den slavenkweekenden
Staat gelaten worden. Want, indien het reeds volwassene product
wekelijks te Natchez of New-Orleans aangevoerd wordt, is het dan
denkelijk dat de inwoners zich zullen bezwaren met den last van
het opkweeken van kinderen? Neen, in elk welingerigt bedrijf moet
verdeeling van arbeid in acht genomen worden. De noordelijke Staten
kweeken het artikel aan, de zuidelijke consumeren het.
Wij hebben tot nu toe meer bepaald uittreksels gemaakt uit de
nieuwsbladen van de zuidelijke Staten. Zoo de lezer nieuwsgierig is om
te weten hoe het "sorteren" gaat in de noordelijke Staten, dan zal de
dagbladpers hem verder op de hoogte stellen. In den Daily Virginian
van 19 November 1852 geeft de heer J. B. McLendon volgenderwijze te
kennen dat hij zich gevestigd heeft voor die zaak:
Negers benoodigd.
De ondergeteekende, zich te Lynchburg gevestigd hebbende, geeft de
hoogste contante prijzen voor negers tusschen 10 en 30 jaren. Zij,
die Negers te verkoopen hebben, zullen in hun belang handelen
door zich mondeling of schriftelijk tot hem te wenden in het
Washington-Hotel te Lynchburg.