2 September. Samuel J. Randell.

Men zie ook de New-Orleans Bee, van 28 October. Op de aankondiging

van den verkoop der plantage van wijlen Madeline Lanoux, volgt de

lijst der losse goederen:

Twaalf slaven, zoo mannen als vrouwen; een kleine, geheel nieuwe

schoener; een veerpont; eenige koeijen, kalven, ossen en schapen;

eene partij huisraad; een winkelvoorraad bestaande in ijzer-

en aardewerk, kruidenierswaren enz.

Onderstel nu, dat alle ouders zoo Godsdienstig en welgezind zijn als de

heer Jones (iets, dat bij den tegenwoordigen staat van zaken zeker niet

te verwachten is), en dat zij hun best doen om het kind in te prenten,

dat alle zielen voor het oog van God van gelijke waarde zijn; dat de

ziel van den neger evenzeer bemind wordt door Christus en vrijgekocht

door zijn bloed, als de ziel van zijn meester: zal men dat kind kunnen

nopen, dit te gelooven of er naar te handelen? Zal het gelooven kunnen,

dat datgeen, hetwelk hij iedere week geadverteerd ziet met varkens en

paarden en veevoeder en oude meubelen, ledikanten, tafels en stoelen,

werkelijk een zoo Goddelijk iets is? Wij willen onderstellen, dat het

kleine kind een of anderen Godvruchtigen slaaf kent; dat het hem aan

de Avondmaalstafel op eene afgezonderde wijze het sacramentele brood

en den wijn ziet gebruiken. Het ziet zijn vromen vader en moeder den

slaaf als een Christenbroeder bejegenen; zij verzekeren hem dat hij

"een erfgenaam van God is, mede-erfgenaam van Jezus Christus;"--en

de volgende week ziet het denzelfden man in de courant geadverteerd

met varkens, runderen en veevoeder. Kan het kind, dit ziende, bij

mogelijkheid geloof slaan aan hetgeen zijne Christelijke ouders hem

hebben medegedeeld?

Wij hebben tot nog toe alleen gesproken van de gewone advertentiën;

maar stel, dat het kind in zekere bepaalde districten woont waar zijn

oog moet vallen op aankondigingen van nog meer verlagenden aard. In

den Staat Alabama bevat een nieuwsblad, dat aan politiek, letterkunde

en opvoeding gewijd is, iedere week de volgende advertentie:

Let Wel!

De ondergeteekende, een uitmuntend stel honden te zijner

beschikking hebbende tot het opsporen en achterhalen van ontvlugte

slaven, berigt aan het publiek, dat bij vervolg zijne prijzen

voor diensten van dien aard zullen zijn:

Voor elken dag jagen of nasporen. 2 dollars 50 cents.

Voor het achterhalen van elken slaaf 10 dollars

Voor een togt van meer dan tien mijlen

en het achterhalen van slaven 20 dollars

Zoo hij ontboden wordt zullen de bovenstaande prijzen contant

gevorderd worden. De ondergeteekende woont anderhalve mijl ten

zuiden van Dadeville in Alabama.

Dadeville, 1 September 1852. B. Black.

Deze advertentie valt aan het kind iedere week in het oog. Het blad,

waaruit wij haar hebben overgenomen, bevat in zijne mengelingen stukken

uit de Household Words van Dickens, uit professor Feltons opstel in

den Christian Examiner, over de wederzijdsche verhouding der seksen, en

een treffend en ridderlijk beroep van den welsprekenden senator Soulé,

op de wettige regten der vrouwen. Laten wij nu mogen vragen, daar dit

blad ook aan de zaak der opvoeding gewijd is, welke soort van invloed

op de opvoeding zoodanige advertentiën hebben? En natuurlijk kan zulk

eene inrigting niet bestaan zonder begunstigers. Waar negerjagers

advertentiën plaatsen in de bladen, worden ook negerjagten gehouden

en honden op het negerzoeken afgerigt; en dit alles geschiedt onder

het oog der kinderen. Welke opvoeding is dit nu?

Schrijfster dezes heeft een overzigt van de wijze waarop de honden

tot dit bedrijf worden afgerigt, ontvangen van een heer, die het op

zijne beurt gekregen had van een neger, voor wien dit eene zoo gewone

zaak schijnt geweest te zijn, dat hij er met even weinig gevoel over

uitweidt, als hadde hij gesproken van eene jagt op wild. De bedoelde

opgave is vervat in een brief uit het zuiden der Vereenigde Staten,

en luidt aldus:

Men moet zeer jonge honden nemen, schier onverschillig van welke

soort, want bijna alle zijn er geschikt voor; zij moeten opgesloten

worden en mogen geen neger zien, eer zij groot genoeg zijn om

onderwezen te worden. Dan leere men ze, een neger na te loopen;

hebben zij hem bereikt, dan geve men ze vleesch. De neger moet

zoo hard loopen als hij kan en dan in een boom klimmen, ten einde

de honden te leeren den vlugteling in een boom te ontdekken;

neem dan de schoen van een neger en leer hen den neger vinden,

die er eigenaar van is; dan een stuk zijner kleederen, en zoo

verder. Men moet vooral zorgen, den neger in een boom te laten

klimmen, en den hond te leeren wachten onder den boom en blaffen

tot men hem zijn vleesch geeft.

Men leze ook de volgende advertentie in het Ouachita Register,

gedateerd: "Monroe, Dingsdag avond, 1 Junij 1852":

Negerhonden.

De ondergeteekende berigt aan het geëerde publiek van Ouachita

en omstreken, dat hij zich gevestigd heeft ongeveer 2 1/2 mijl

beoosten John White, aan den weg van Monroe naar Bastrop, en dat

hij een fraai stel honden heeft om negers te vangen. Personen,

die negers wenschen te doen opvangen, worden uitgenoodigd hem te

bezoeken. Hij is steeds aan zijn huis te spreken, zoo hij niet

op de negerjagt is, en zelfs dan nog kan men doorgaans in zijne

localen informatiën nemen waar hij zich bevindt.

Voorwaarden: Vijf dollars per dag wanneer geen spoor aangewezen

is. Zoo er wel een spoor is aangewezen, worden vijf en twintig

dollars voor het vangen van den slaaf in rekening gebragt.

Monroe, 17 Februarij 1852. M. C. Goff.

Welnu, maken de in dit hoofdstuk gegevene tafereeltjes niet een

goed stelsel van opvoeding uit voor de kinderen van een Christelijk

volk? En moet het ons verwonderen, wanneer aldus gevormde kinderen

geene wreedheid zien in de slavernij? Kunnen kinderen zich voorstellen,

dat wezens, waarop men aldus jagt maakt, even als zij, kinderen van

één Hemelschen Vader zijn?

Maar stel, de knaap groeit op tot man en woont de zittingen der

geregtshoven bij, en hoort schrandere, geleerde mannen van den

regterzetel verklaren, dat "het enkel slaan van een slaaf, wanneer

het niet vergezeld is gegaan van wreedheid of van poging tot moord,

geene overtreding kan genoemd worden." Stel, dat hij ter zelfder

plaatse hoort beslissen, dat geene beleediging of hoon jegens een

slaaf vatbaar is voor eene geregtelijke behandeling, tenzij zijne

waarde als verhandelbaar eigendom er door mogt verminderd zijn. Stel,

dat hij hoort--gelijk in Virginia gebeuren zou--dat de wet de strekking

heeft den meester te beschermen, al past hij ook eene wreedaardige,

kwaadwillige of overdrevene straf op den slaaf toe. Stel, dat een

slaaf vermoord is, en hij nu de regtsgeleerden hoort betoogen, dat

dit voor geen moord gehouden kan worden, dewijl een slaaf, in het oog

der wet, geen menschelijk wezen is; en dat hij, als de zaak voor een

hooger hof gebragt wordt, den regter al zijn talent hoort besteden aan

eene uitgewerkte en sierlijke verhandeling, ten bewijze, dat de slaaf

een menschelijk wezen is, ten minste evenzeer als een waanzinnige,

een onnoozele of een ongeboren kind, en dat hij dus vermoord kan

worden. (Zie de redevoering van den regter Clarke, blz. 175). Stel,

dat hij ziet, dat de geheele werking der wet, met opzigt tot den slaaf,

uitgaat van het denkbeeld, dat deze volstrekt niets anders is dan

een baal koopwaren. Stel, dat hij zulke taal hoore als de volgende,

die in het proces van Brazealle voorkomt en die een niet onaardig

staaltje is van de wijze waarop zoodanige onderwerpen doorgaans

besproken worden: "De slaaf heeft geen meerdere politieke regten,

geen meerder regt om eigendommen te koopen, te bezitten of over te

dragen, dan de muilezel regt heeft op den ploeg; hij zelf is niets

dan roerend goed, dat altijd iemand tot eigenaar moet hebben." Stel,

dat hij in de wets-verzamelingen bepalingen vinde als de volgende,

voorkomende in het burgerlijk wetboek van Louisiana:

Art. 2500. De gebreken van slaven en dieren worden verdeeld in twee

soorten,--gebreken van het ligchaam en gebreken in het karakter.

Art. 2501. De ligchaamsgebreken worden onderscheiden in volstrekte

en betrekkelijke.

Art. 2502. De volstrekte gebreken der slaven zijn: melaatschheid,

krankzinnigheid en vallende ziekte.

Art. 2503. De volstrekte gebreken van paarden en muilezels zijn:

aamborstigheid, de droes en kreupelheid.

De indruk van deze taal op het jeugdige gemoed is te sterker, omdat

het niet is de uitbarsting van drift, of de taal der minachting,

maar eene kalme, regt op de zaak afgaande wettelijke bepaling.

Welk een gevoel moet het te weeg brengen bij den jongman, wanneer hij

ontwaart dat, hoe afgrijselijk en welbewezen de moord van een slaaf

ook zij, de moordenaar zonder uitzondering zijne straf ontgaat;

en dat, ofschoon de gevallen, waarin een slaaf het slagtoffer is

geworden van een blanke, veelvuldig zijn, het voorbeeld van eene

teregtstelling wegens zulk eene misdaad, in den lande bijna onbekend

is. Komt dit alles niet juist neder op de schatting der waarde van het

leven en geluk eens negers, hetwelk Frederik Douglass zegt, dat door

de blanke knapen, bij welke hij groot gebragt werd, uitgedrukt werd

met het spreekwoord: "'t Kost zes stuivers om een neger te dooden,

en nog zes stuivers om hem te begraven!"

De soort van openbare meening, die door deze wijze van opvoeding

gevormd wordt, blijkt uit het volgende artikeltje, hetwelk wij uit den

Cambridge Democrat, van 27 October 1852, overnemen. Dat blad had het

aan den Woodville Republican, van Mississippi, ontleend. Het schijnt,

dat zekere Josua Johns een slaaf gedood had en daarvoor tot twee jaar

cellulaire gevangenis veroordeeld was. De Republican betreurt zijn

droevig lot in de volgende bewoordingen:

De Staat tegen Josua Johns.

Dit geding is uitgeloopen op de veroordeeling van Johns tot twee

jaar cellulaire gevangenis. Ofschoon alle leden der jury, de

balie en velen van het publiek eene petitie aan den gouverneur

gezonden hebben om Johns vrij te stellen, was evenwel geene

feil te vinden in het verdict van de jury. De jeugdige jaren van

Johns en de omstandigheden onder welke hij den manslag bedreef,

wekten de algemeene sympathie voor hem op. Er is geen twijfel,

dat de neger door onbeschaamde taal hem tot de daad tergde; maar

hoe dikwijls moet gezegd worden, dat woorden geene dadelijkheden

kunnen verontschuldigen? Met leedwezen moeten wij zeggen, dat er

velen zijn, die denken, dat zij evenzeer regt hebben om een neger,

die hen beleedigt of ontvlugt, dood te schieten, als om een hond

neder te vellen; doch er bestaan wetten ter bescherming van den

slaaf, evenzeer als van den meester, en hoe eerder de bovengemelde

dwaling uit den weg wordt geruimd, des te beter zal het voor de

betrokkenen zijn.

De ongelukkige jongman, die thans den arm der wet over zich

gebragt heeft, had ongetwijfeld geen begrip van het bestaan

van zulk eene straf; en al ware hij er ook van bewust geweest,

dan moeten de herhaalde beleedigingen en tartingen van den neger

gewis als verzachtende omstandigheden in zijn voordeel aangemerkt

worden. Johns werd verdedigd door den heer I. D. Gildart, die

voorzeker al het mogelijke voor hem gedaan heeft.

De Democrat laat er op volgen:

Met bijzonder genoegen vernemen wij van den heer Curry,

onder-sheriff van Wilkinson County, dat de gouverneur aan Johns

kwijtschelding van straf verleend heeft.

Wij geven gaarne toe, dat Johns niet al te streng kan gegispt worden

voor de bovengemelde dwaling, van te denken, dat men even straffeloos

een neger als een hond mag nederschieten. Hij is opgevoed in een

stand van zaken, waarvan eene dergelijke meening het noodwendig

gevolg moet wezen; en hij, persoonlijk, is verreweg minder schuldig,

dan diegenen, die het stelsel van wetten en de wijze van opvoeding

handhaven, die de jongelieden uit de zuidelijke Staten regtstreeks

tot deze gevolgtrekking brengen. Johns kan even edel van hart en van

nature even regtvaardig-gezind zijn als eenig jongman ter wereld;

maar het afgrijselijke stelsel, onder hetwelk hij is groot gebragt,

heeft hem onbekwaam gemaakt om te onderscheiden wat edelmoedigheid

en regtvaardigheid met betrekking tot een neger is.

De openbare meening in de slavenhoudende Staten is de meening van

lieden die aldus zijn opgevoed, een gevoel dat in alles, wat den neger

betreft, verstompt is en ontzenuwd. Wat hun, wanneer het blanken gold,

een verschrikkelijk onregt zou toeschijnen, is eene zaak die van zelf

schijnt te spreken, wanneer slaven er mede gemoeid zijn.

Naarmate deze strekking der opvoeding van geslacht op geslacht afdaalt,

wordt het zedelijk gevoel bij voortduring stomper, en het vermogen

om regt van onregt, waar het onderworpen ras in het spel komt, te

onderscheiden, meer en meer verzwakt.

Zoo wij een blik slaan in de geschriften van de uitstekende mannen,

die omstreeks den tijd onzer Amerikaansche omwenteling slavenhouders

waren, welke opgeklaarde denkbeelden vinden wij daar dan niet over de

onregtmatigheid der slavernij, welke krachtige woorden van afkeuring

passen zij er niet op toe! Bij mogelijkheid zou men zich niet sterker

over de kwade werking van het stelsel kunnen uitlaten, dan door de

woorden aan te halen van mannen als Washington, Jefferson en Patrick

Henry. In die dagen waren er geen mannen van hun verheven verstand,

die er aan dachten, de slavernij uit beginsel te verdedigen; thans is

er een overvloed van uitstekende lieden, in het Noorden en Zuiden,

staatslieden, ambtenaren, letterkundigen, zelfs geestelijken, die

het stelsel in verschillende mate pogen voor te staan, te verzachten

of openlijk te verdedigen. En welke andere oorzaak is hiervoor te

bedenken, dan dat de opvoeding de openbare meening bedorven en die

mannen beroofd heeft van het vermogen om een onbevangen oordeel te

vellen? De openbare meening zelfs van het vrije Amerika staat, met

opzigt tot de slavernij, achter bij die van alle andere beschaafde

natiën.

Wanneer de slavenhouders beweren, dat de slaven, over het algemeen,

menschelijk behandeld worden, wat bedoelen zij dan daarmede? Niet

dat zij zulk eene behandeling menschelijk zouden vinden, wanneer

zij hun-zelven en hunnen kinderen werd aangedaan--neen, waarlijk

niet!--maar dat zij menschelijk is voor slaven.

Zij plaatsen inderdaad den neger beneden de lijn der menschheid

en gelijk met die der redelooze dieren, en plooijen dan al hunne

begrippen van menschelijkheid in overeenstemming daarmede.

Zonder noodzaak zouden zij geen hond of neger een schop geven of hem

mishandelen. Zij kunnen een hond vertroetelen en doen het dikwerf een

neger. Er zijn menschen geweest, die goedvonden hunne paarden weelderig

te huisvesten in marmeren stallen en ze te laten eten uit gebeeldhouwde

troggen, maar zij bleven hen desniettemin als paarden beschouwen;

en bij al de gemakken, waarmede welgezinde meesters soms den slaaf

omringen, is hij voor hen altijd maar een neger, en geen mensch.

Hetgeen in dit hoofdstuk gezegd is, en overigens incidenteel blijkt

uit al de in dit deel aangehaalde feiten, levert overvloedige bewijzen,

dat, niettegenstaande er vele en edele voorbeelden van edelmoedigheid

jegens de negers bestaan, en ofschoon het gevoel van den man van eer en

de stem der Christelijke liefde allerwege protesteert tegen hetgeen men

gevoelt eene onmenschelijkheid te zijn, evenwel de openbare meening,

die uit het stelsel geboren wordt, noodwendig jammerlijk te kort moet

schieten in eenigerhande bescherming der regten van den slaaf. De

volgende hoofdstukken zullen aantoonen, gelijk gewis reeds opgekomen

is in denkende hoofden, dat de geheele loop der opvoeding het gemoed

van den slavenhouder moet verstompen voor den kreet die uit den mond

des negers opgaat als zijn medemensch en broeder.

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 91 / 220 题