Men zie ook de New-Orleans Bee, van 28 October. Op de aankondiging
van den verkoop der plantage van wijlen Madeline Lanoux, volgt de
lijst der losse goederen:
Twaalf slaven, zoo mannen als vrouwen; een kleine, geheel nieuwe
schoener; een veerpont; eenige koeijen, kalven, ossen en schapen;
eene partij huisraad; een winkelvoorraad bestaande in ijzer-
en aardewerk, kruidenierswaren enz.
Onderstel nu, dat alle ouders zoo Godsdienstig en welgezind zijn als de
heer Jones (iets, dat bij den tegenwoordigen staat van zaken zeker niet
te verwachten is), en dat zij hun best doen om het kind in te prenten,
dat alle zielen voor het oog van God van gelijke waarde zijn; dat de
ziel van den neger evenzeer bemind wordt door Christus en vrijgekocht
door zijn bloed, als de ziel van zijn meester: zal men dat kind kunnen
nopen, dit te gelooven of er naar te handelen? Zal het gelooven kunnen,
dat datgeen, hetwelk hij iedere week geadverteerd ziet met varkens en
paarden en veevoeder en oude meubelen, ledikanten, tafels en stoelen,
werkelijk een zoo Goddelijk iets is? Wij willen onderstellen, dat het
kleine kind een of anderen Godvruchtigen slaaf kent; dat het hem aan
de Avondmaalstafel op eene afgezonderde wijze het sacramentele brood
en den wijn ziet gebruiken. Het ziet zijn vromen vader en moeder den
slaaf als een Christenbroeder bejegenen; zij verzekeren hem dat hij
"een erfgenaam van God is, mede-erfgenaam van Jezus Christus;"--en
de volgende week ziet het denzelfden man in de courant geadverteerd
met varkens, runderen en veevoeder. Kan het kind, dit ziende, bij
mogelijkheid geloof slaan aan hetgeen zijne Christelijke ouders hem
hebben medegedeeld?
Wij hebben tot nog toe alleen gesproken van de gewone advertentiën;
maar stel, dat het kind in zekere bepaalde districten woont waar zijn
oog moet vallen op aankondigingen van nog meer verlagenden aard. In
den Staat Alabama bevat een nieuwsblad, dat aan politiek, letterkunde
en opvoeding gewijd is, iedere week de volgende advertentie:
Let Wel!
De ondergeteekende, een uitmuntend stel honden te zijner
beschikking hebbende tot het opsporen en achterhalen van ontvlugte
slaven, berigt aan het publiek, dat bij vervolg zijne prijzen
voor diensten van dien aard zullen zijn:
Voor elken dag jagen of nasporen. 2 dollars 50 cents.
Voor het achterhalen van elken slaaf 10 dollars
Voor een togt van meer dan tien mijlen
en het achterhalen van slaven 20 dollars
Zoo hij ontboden wordt zullen de bovenstaande prijzen contant
gevorderd worden. De ondergeteekende woont anderhalve mijl ten
zuiden van Dadeville in Alabama.
Dadeville, 1 September 1852. B. Black.
Deze advertentie valt aan het kind iedere week in het oog. Het blad,
waaruit wij haar hebben overgenomen, bevat in zijne mengelingen stukken
uit de Household Words van Dickens, uit professor Feltons opstel in
den Christian Examiner, over de wederzijdsche verhouding der seksen, en
een treffend en ridderlijk beroep van den welsprekenden senator Soulé,
op de wettige regten der vrouwen. Laten wij nu mogen vragen, daar dit
blad ook aan de zaak der opvoeding gewijd is, welke soort van invloed
op de opvoeding zoodanige advertentiën hebben? En natuurlijk kan zulk
eene inrigting niet bestaan zonder begunstigers. Waar negerjagers
advertentiën plaatsen in de bladen, worden ook negerjagten gehouden
en honden op het negerzoeken afgerigt; en dit alles geschiedt onder
het oog der kinderen. Welke opvoeding is dit nu?
Schrijfster dezes heeft een overzigt van de wijze waarop de honden
tot dit bedrijf worden afgerigt, ontvangen van een heer, die het op
zijne beurt gekregen had van een neger, voor wien dit eene zoo gewone
zaak schijnt geweest te zijn, dat hij er met even weinig gevoel over
uitweidt, als hadde hij gesproken van eene jagt op wild. De bedoelde
opgave is vervat in een brief uit het zuiden der Vereenigde Staten,
en luidt aldus:
Men moet zeer jonge honden nemen, schier onverschillig van welke
soort, want bijna alle zijn er geschikt voor; zij moeten opgesloten
worden en mogen geen neger zien, eer zij groot genoeg zijn om
onderwezen te worden. Dan leere men ze, een neger na te loopen;
hebben zij hem bereikt, dan geve men ze vleesch. De neger moet
zoo hard loopen als hij kan en dan in een boom klimmen, ten einde
de honden te leeren den vlugteling in een boom te ontdekken;
neem dan de schoen van een neger en leer hen den neger vinden,
die er eigenaar van is; dan een stuk zijner kleederen, en zoo
verder. Men moet vooral zorgen, den neger in een boom te laten
klimmen, en den hond te leeren wachten onder den boom en blaffen
tot men hem zijn vleesch geeft.
Men leze ook de volgende advertentie in het Ouachita Register,
gedateerd: "Monroe, Dingsdag avond, 1 Junij 1852":
Negerhonden.
De ondergeteekende berigt aan het geëerde publiek van Ouachita
en omstreken, dat hij zich gevestigd heeft ongeveer 2 1/2 mijl
beoosten John White, aan den weg van Monroe naar Bastrop, en dat
hij een fraai stel honden heeft om negers te vangen. Personen,
die negers wenschen te doen opvangen, worden uitgenoodigd hem te
bezoeken. Hij is steeds aan zijn huis te spreken, zoo hij niet
op de negerjagt is, en zelfs dan nog kan men doorgaans in zijne
localen informatiën nemen waar hij zich bevindt.
Voorwaarden: Vijf dollars per dag wanneer geen spoor aangewezen
is. Zoo er wel een spoor is aangewezen, worden vijf en twintig
dollars voor het vangen van den slaaf in rekening gebragt.
Monroe, 17 Februarij 1852. M. C. Goff.
Welnu, maken de in dit hoofdstuk gegevene tafereeltjes niet een
goed stelsel van opvoeding uit voor de kinderen van een Christelijk
volk? En moet het ons verwonderen, wanneer aldus gevormde kinderen
geene wreedheid zien in de slavernij? Kunnen kinderen zich voorstellen,
dat wezens, waarop men aldus jagt maakt, even als zij, kinderen van
één Hemelschen Vader zijn?
Maar stel, de knaap groeit op tot man en woont de zittingen der
geregtshoven bij, en hoort schrandere, geleerde mannen van den
regterzetel verklaren, dat "het enkel slaan van een slaaf, wanneer
het niet vergezeld is gegaan van wreedheid of van poging tot moord,
geene overtreding kan genoemd worden." Stel, dat hij ter zelfder
plaatse hoort beslissen, dat geene beleediging of hoon jegens een
slaaf vatbaar is voor eene geregtelijke behandeling, tenzij zijne
waarde als verhandelbaar eigendom er door mogt verminderd zijn. Stel,
dat hij hoort--gelijk in Virginia gebeuren zou--dat de wet de strekking
heeft den meester te beschermen, al past hij ook eene wreedaardige,
kwaadwillige of overdrevene straf op den slaaf toe. Stel, dat een
slaaf vermoord is, en hij nu de regtsgeleerden hoort betoogen, dat
dit voor geen moord gehouden kan worden, dewijl een slaaf, in het oog
der wet, geen menschelijk wezen is; en dat hij, als de zaak voor een
hooger hof gebragt wordt, den regter al zijn talent hoort besteden aan
eene uitgewerkte en sierlijke verhandeling, ten bewijze, dat de slaaf
een menschelijk wezen is, ten minste evenzeer als een waanzinnige,
een onnoozele of een ongeboren kind, en dat hij dus vermoord kan
worden. (Zie de redevoering van den regter Clarke, blz. 175). Stel,
dat hij ziet, dat de geheele werking der wet, met opzigt tot den slaaf,
uitgaat van het denkbeeld, dat deze volstrekt niets anders is dan
een baal koopwaren. Stel, dat hij zulke taal hoore als de volgende,
die in het proces van Brazealle voorkomt en die een niet onaardig
staaltje is van de wijze waarop zoodanige onderwerpen doorgaans
besproken worden: "De slaaf heeft geen meerdere politieke regten,
geen meerder regt om eigendommen te koopen, te bezitten of over te
dragen, dan de muilezel regt heeft op den ploeg; hij zelf is niets
dan roerend goed, dat altijd iemand tot eigenaar moet hebben." Stel,
dat hij in de wets-verzamelingen bepalingen vinde als de volgende,
voorkomende in het burgerlijk wetboek van Louisiana:
Art. 2500. De gebreken van slaven en dieren worden verdeeld in twee
soorten,--gebreken van het ligchaam en gebreken in het karakter.
Art. 2501. De ligchaamsgebreken worden onderscheiden in volstrekte
en betrekkelijke.
Art. 2502. De volstrekte gebreken der slaven zijn: melaatschheid,
krankzinnigheid en vallende ziekte.
Art. 2503. De volstrekte gebreken van paarden en muilezels zijn:
aamborstigheid, de droes en kreupelheid.
De indruk van deze taal op het jeugdige gemoed is te sterker, omdat
het niet is de uitbarsting van drift, of de taal der minachting,
maar eene kalme, regt op de zaak afgaande wettelijke bepaling.
Welk een gevoel moet het te weeg brengen bij den jongman, wanneer hij
ontwaart dat, hoe afgrijselijk en welbewezen de moord van een slaaf
ook zij, de moordenaar zonder uitzondering zijne straf ontgaat;
en dat, ofschoon de gevallen, waarin een slaaf het slagtoffer is
geworden van een blanke, veelvuldig zijn, het voorbeeld van eene
teregtstelling wegens zulk eene misdaad, in den lande bijna onbekend
is. Komt dit alles niet juist neder op de schatting der waarde van het
leven en geluk eens negers, hetwelk Frederik Douglass zegt, dat door
de blanke knapen, bij welke hij groot gebragt werd, uitgedrukt werd
met het spreekwoord: "'t Kost zes stuivers om een neger te dooden,
en nog zes stuivers om hem te begraven!"
De soort van openbare meening, die door deze wijze van opvoeding
gevormd wordt, blijkt uit het volgende artikeltje, hetwelk wij uit den
Cambridge Democrat, van 27 October 1852, overnemen. Dat blad had het
aan den Woodville Republican, van Mississippi, ontleend. Het schijnt,
dat zekere Josua Johns een slaaf gedood had en daarvoor tot twee jaar
cellulaire gevangenis veroordeeld was. De Republican betreurt zijn
droevig lot in de volgende bewoordingen:
De Staat tegen Josua Johns.
Dit geding is uitgeloopen op de veroordeeling van Johns tot twee
jaar cellulaire gevangenis. Ofschoon alle leden der jury, de
balie en velen van het publiek eene petitie aan den gouverneur
gezonden hebben om Johns vrij te stellen, was evenwel geene
feil te vinden in het verdict van de jury. De jeugdige jaren van
Johns en de omstandigheden onder welke hij den manslag bedreef,
wekten de algemeene sympathie voor hem op. Er is geen twijfel,
dat de neger door onbeschaamde taal hem tot de daad tergde; maar
hoe dikwijls moet gezegd worden, dat woorden geene dadelijkheden
kunnen verontschuldigen? Met leedwezen moeten wij zeggen, dat er
velen zijn, die denken, dat zij evenzeer regt hebben om een neger,
die hen beleedigt of ontvlugt, dood te schieten, als om een hond
neder te vellen; doch er bestaan wetten ter bescherming van den
slaaf, evenzeer als van den meester, en hoe eerder de bovengemelde
dwaling uit den weg wordt geruimd, des te beter zal het voor de
betrokkenen zijn.
De ongelukkige jongman, die thans den arm der wet over zich
gebragt heeft, had ongetwijfeld geen begrip van het bestaan
van zulk eene straf; en al ware hij er ook van bewust geweest,
dan moeten de herhaalde beleedigingen en tartingen van den neger
gewis als verzachtende omstandigheden in zijn voordeel aangemerkt
worden. Johns werd verdedigd door den heer I. D. Gildart, die
voorzeker al het mogelijke voor hem gedaan heeft.
De Democrat laat er op volgen:
Met bijzonder genoegen vernemen wij van den heer Curry,
onder-sheriff van Wilkinson County, dat de gouverneur aan Johns
kwijtschelding van straf verleend heeft.
Wij geven gaarne toe, dat Johns niet al te streng kan gegispt worden
voor de bovengemelde dwaling, van te denken, dat men even straffeloos
een neger als een hond mag nederschieten. Hij is opgevoed in een
stand van zaken, waarvan eene dergelijke meening het noodwendig
gevolg moet wezen; en hij, persoonlijk, is verreweg minder schuldig,
dan diegenen, die het stelsel van wetten en de wijze van opvoeding
handhaven, die de jongelieden uit de zuidelijke Staten regtstreeks
tot deze gevolgtrekking brengen. Johns kan even edel van hart en van
nature even regtvaardig-gezind zijn als eenig jongman ter wereld;
maar het afgrijselijke stelsel, onder hetwelk hij is groot gebragt,
heeft hem onbekwaam gemaakt om te onderscheiden wat edelmoedigheid
en regtvaardigheid met betrekking tot een neger is.
De openbare meening in de slavenhoudende Staten is de meening van
lieden die aldus zijn opgevoed, een gevoel dat in alles, wat den neger
betreft, verstompt is en ontzenuwd. Wat hun, wanneer het blanken gold,
een verschrikkelijk onregt zou toeschijnen, is eene zaak die van zelf
schijnt te spreken, wanneer slaven er mede gemoeid zijn.
Naarmate deze strekking der opvoeding van geslacht op geslacht afdaalt,
wordt het zedelijk gevoel bij voortduring stomper, en het vermogen
om regt van onregt, waar het onderworpen ras in het spel komt, te
onderscheiden, meer en meer verzwakt.
Zoo wij een blik slaan in de geschriften van de uitstekende mannen,
die omstreeks den tijd onzer Amerikaansche omwenteling slavenhouders
waren, welke opgeklaarde denkbeelden vinden wij daar dan niet over de
onregtmatigheid der slavernij, welke krachtige woorden van afkeuring
passen zij er niet op toe! Bij mogelijkheid zou men zich niet sterker
over de kwade werking van het stelsel kunnen uitlaten, dan door de
woorden aan te halen van mannen als Washington, Jefferson en Patrick
Henry. In die dagen waren er geen mannen van hun verheven verstand,
die er aan dachten, de slavernij uit beginsel te verdedigen; thans is
er een overvloed van uitstekende lieden, in het Noorden en Zuiden,
staatslieden, ambtenaren, letterkundigen, zelfs geestelijken, die
het stelsel in verschillende mate pogen voor te staan, te verzachten
of openlijk te verdedigen. En welke andere oorzaak is hiervoor te
bedenken, dan dat de opvoeding de openbare meening bedorven en die
mannen beroofd heeft van het vermogen om een onbevangen oordeel te
vellen? De openbare meening zelfs van het vrije Amerika staat, met
opzigt tot de slavernij, achter bij die van alle andere beschaafde
natiën.
Wanneer de slavenhouders beweren, dat de slaven, over het algemeen,
menschelijk behandeld worden, wat bedoelen zij dan daarmede? Niet
dat zij zulk eene behandeling menschelijk zouden vinden, wanneer
zij hun-zelven en hunnen kinderen werd aangedaan--neen, waarlijk
niet!--maar dat zij menschelijk is voor slaven.
Zij plaatsen inderdaad den neger beneden de lijn der menschheid
en gelijk met die der redelooze dieren, en plooijen dan al hunne
begrippen van menschelijkheid in overeenstemming daarmede.
Zonder noodzaak zouden zij geen hond of neger een schop geven of hem
mishandelen. Zij kunnen een hond vertroetelen en doen het dikwerf een
neger. Er zijn menschen geweest, die goedvonden hunne paarden weelderig
te huisvesten in marmeren stallen en ze te laten eten uit gebeeldhouwde
troggen, maar zij bleven hen desniettemin als paarden beschouwen;
en bij al de gemakken, waarmede welgezinde meesters soms den slaaf
omringen, is hij voor hen altijd maar een neger, en geen mensch.
Hetgeen in dit hoofdstuk gezegd is, en overigens incidenteel blijkt
uit al de in dit deel aangehaalde feiten, levert overvloedige bewijzen,
dat, niettegenstaande er vele en edele voorbeelden van edelmoedigheid
jegens de negers bestaan, en ofschoon het gevoel van den man van eer en
de stem der Christelijke liefde allerwege protesteert tegen hetgeen men
gevoelt eene onmenschelijkheid te zijn, evenwel de openbare meening,
die uit het stelsel geboren wordt, noodwendig jammerlijk te kort moet
schieten in eenigerhande bescherming der regten van den slaaf. De
volgende hoofdstukken zullen aantoonen, gelijk gewis reeds opgekomen
is in denkende hoofden, dat de geheele loop der opvoeding het gemoed
van den slavenhouder moet verstompen voor den kreet die uit den mond
des negers opgaat als zijn medemensch en broeder.