WORDT DE SLAAF DOOR DE OPENBARE MEENING BESCHERMD?

De volstrekte ontoereikendheid van de wet, om den slaaf in eenig

opzigt te beschermen, hebben wij in het licht gesteld.

Men zegt evenwel, dat, juist dewijl de wet den slaaf geene bescherming

verleent, de openbare meening des te krachtiger in zijn voordeel

spreekt.

Bij het doorloopen van de verhandelingen der geregtshoven in de

slavenhoudende Staten, treft niets veelvuldiger het oog, dan bewijzen

van het verregaande onvermogen der wet, om de onbillijkheid jegens

dat rampzalige geslacht te lenigen, gepaard aan lofspraken over dien

prijzenswaardigen staat van het gevoel des algemeens, dat die erkende

onvolledigheid der wet geheel moet aanvullen.

Te dezen opzigte is het welligt genoegzaam, zoo wij den lezer, hetzij

hij wone in het Noorden of in het Zuiden, verzoeken, bij zich-zelven

de geregtelijke documenten na te gaan die wij bijgebragt hebben,

en zich af te vragen, welk gevolg, met betrekking tot den staat van

dat gevoel des algemeens, getrokken moet worden uit de aangevoerde

stukken, uit de pleidooijen der regtsgeleerden, de uitspraken der

regters, de door getuigen bezworene feiten en den algemeenen loop en

geest van de geregtelijke verhandelingen.

Ten einde dit des te beter te kunnen waarderen, willen wij een geding

in een vrijen Staat vergelijken met een ander in een slavenhoudenden

Staat.

In den vrijen Staat Massachusetts bragt een man van aanzien,

geleerdheid en voorname betrekkingen een ander man om het leven. Hij

martelde hem niet, maar zond hem met één slag de eeuwigheid in. De

moordenaar had elk denkbaar voordeel van stand en vrienden; ja, men

kan zeggen, dat hij de sympathie van ons geheele Gemeenebest bezat;

en toch, hoe kalm, met welk eene onverstoorbare en ontzagwekkende

bedaardheid, werd het geregtelijk onderzoek voortgezet! De moordenaar

werd ter dood veroordeeld--ontroering kwam over het Land! Zelfs

souvereine Staten traden op als smeekelingen ten zijnen behoeve.

Er verhief zich van Maine tot New-Orleans eene stem om genade. Er

werden vertoogen geopperd, bedreigingen geuit; en evenwel, hoe

vastberaden, maar zonder hartstogt, vervolgde de wrekende geregtigheid

haar weg! Ofschoon de mannen, die de uitvoerders waren van hare

bevelen, aangedaan waren en van barmhartigheid bewogen, moesten zij

zich toch zwijgend buigen voor haar hoogeren wil. In weêrwil van al

wat invloed en rijkdom vermogen, onderging een beschaafd en verstandig

man dezelfde straf, welke ieder ander moest treffen, die de heiligheid

des levens zou durven aanranden.

Stel hier nu tegenover een regtsgeding in een slavenhoudenden Staat. In

Virginia heeft iemand, dien wij Souther zullen noemen, ook een mensch

vermoord; doch hij bragt hem niet om het leven door één genadeslag,

maar door twaalf uren van eene zoo vreeselijke marteling, dat weinig

lezers de loutere beschrijving zouden kunnen verduren. Het was eene

wijze van sterven, die, om de woorden te gebruiken, welke Cicero in

zijn tijd op de kruisiging toepaste, "voor altijd diende verwijderd

te worden uit het gehoor, het gezigt, ja zelfs uit de gedachten van

het menschdom." En van dit afgrijselijk tooneel waren twee blanken

getuigen geweest!

Let nu wel op de wijze waarop beide gevallen behandeld werden en de

mate van aandacht die zij trokken. Hoor de advocaten, in de zaak van

Souther, koeltjes bespreken of hier zelfs wel aan eene misdaad te

denken viel. Hoor de uitspraak van de regtbank van eersten aanleg,

dat het moord is met verzachtende omstandigheden, waarop eene

gevangenisstraf van vijf jaren moet toegepast worden. Geef acht,

hoe de menschenslagter met de houding van een verongelijkt man voor

het hoog geregtshof verschijnt! Het proces wordt in de dagbladen

eenvoudig vermeld als dat van "Souther contra de Republiek:" en nu

willen wij vragen aan elk verstandig man, in het Noorden of in het

Zuiden, welk gevoel het algemeen voor zulk eene zaak aan den dag legt?

Blijkt er het geloof uit, dat een neger een mensch is? Bewijst het niet

bepaaldelijk, dat hij niet beschouwd wordt als een mensch? Let eens

verder op het afgrijselijke beginsel, hetwelk, in dit geval weder

bevestigd, de wet is van Virginia: Met opzigt tot de verhouding

tusschen meester en slaaf, en ten einde voor eene behoorlijke

ondergeschiktheid van de zijde van dezen laatste te zorgen, is de

strekking der wet, den meester te beschermen tegen vervolging in

alle zoodanige gevallen, zelfs indien de geeseling en bestraffing

kwaadwillig, wreed en overdreven geweest is!

Wanneer de beschaafdste en verstandigste mannen in den Staat, bepaald

en bedaard en schijnbaar zonder te bemerken dat zij iets onmenschelijks

zeggen, zulk eene verbazingwekkende uitspraak doen, wat moet men

dan daarvan denken? Indien zij dit niet als wreedaardig beschouwen,

wat is dan wreedaardig? En, indien hun gevoel zoo verstompt is, dat

zij in zulk eene uitspraak geene wreedheid zien, welke hoop kan men

dan nog koesteren op eenigerhande bescherming voor den slaaf?

Deze wet is eene onbewimpelde en duidelijke vergunning voor zulke

ellendelingen als Souther, om den hulpeloozen slaaf elke pijniging

te doen ondergaan, die zij goedvinden, zonder blootgesteld te zijn

aan eene beschuldiging van misdaad. Zij verklaart hem, en de blanken

die van zijne daad getuigen waren en elke andere lage ziel, dat de

strekking der wet is, hem te handhaven in de toepassing van zijne

kwaadwillige, wreede en overdrevene straffen.

Welke opleiding geven de verstandige en beschaafde mannen van een Staat

daardoor aan de lagere en minder beschaafde klasse? Veronderstel, dat

in Massachusetts plegtig wordt afgekondigd, met opzigt tot de vrije

arbeiders of leerjongens, dat, om de ondergeschiktheid te bevorderen,

de wet de strekking heeft om den meester te beschermen wanneer hij

straf toepast, hoe kwaadwillig, wreed en overdreven dan ook, mits

de dood er maar niet op volge. Wij kunnen ons de openbaarmaking

van zulk een beginsel niet voorstellen, zonder een opstand en eene

uitbarsting van volkswoede, waarbij die van Bunkers Hill onbeduidend

zou schijnen; doch, gesteld, de Staat Massachusetts ware zoo ontzenuwd,

dat zulk een besluit kon doorgaan zonder tegenstand van de zijde

der arbeidende klasse,--gesteld, het ging door en werd eene tastbare

wezenlijkheid, welk een invloed zou het hebben op de volksopvoeding

in het Gemeenebest? Welke schatting van de arbeidende klasse zou het

aanduiden in de gemoederen van hen, die de wet maken en uitvoeren?

Hoezeer zou eene dergelijke wet, blijkbaar opgesteld om de menschen

in hunne wreedheid te stijven, onmiddellijk ruimen teugel geven aan

laagheid en woestheid! Bezitten de menschen niet reeds wreedheid

genoeg, zonder dat de majesteit der wet noodig zij om haar te

bekrachtigen en eervol te maken?

En zoo men ter verdediging van zulk eene wet wilde zeggen:

"O! natuurlijk zal nimmer eenig achtenswaardig of menschelijk man

er zich van bedienen!" zouden wij dan den ouden Staat Massachusetts

niet zeer diep gezonken moeten achten, dat zij in haar wetboek

regtstreeksche verzekeringen van bescherming opgenomen had voor daden,

die geen man van eer immer zou willen bedrijven?

En wanneer deze stuitende vergunning ter toetse gebragt zal worden

voor den regterstoel van Christus, en de ontzaggelijke regter aan

hare ontwerpers, uitvoerders en verdedigers zal vragen: "Waar is

uw broeder?"--wanneer al de zielen, die van onder het altaar hebben

geroepen: "Hoe lang, o Heerscher, oordeelt en wreekt gij ons bloed

niet," zich rondom dien regterstoel zullen scharen als eene wolke van

getuigen, en het oordeel wordt aangevangen en het boek geopend,--welk

antwoord zal dan kunnen gegeven worden voor wetten en uitspraken

als deze?

Zal men den grooten Regter te gemoet voeren, dat zij noodig waren

om de slavernij in stand te houden,--dat deze anders niet had kunnen

gehandhaafd worden?

Zal men, met zulk eene bekentenis op de lippen, die oogen durven

ontmoeten, die als vuurvlammen flonkeren?

Zal Hij dan niet, als met eene stemme des donders, antwoorden: "Gij

hebt den arme en den nooddruftige omgebragt, en vergeten dat de Heer

zijn toeverlaat was"?

De doodzonde der slavernij is, dat zij de menschelijkheid

verloochent. Dit is de zonde geweest, die der verdrukking door alle

tijden heen aankleefde. Het vertreden, schenden en verbrijzelen van

Gods beeld in den persoon der armen en geringen is de groote zonde

der menschen geweest sinds de grondlegging der wereld. Tegen deze

zonde hebben al de profeten van den ouden tijd zich met krachtige stem

verheven. Nog sterker getuigenis werd tegen deze zonde ingebragt, toen

God in Jezus Christus de menschelijke natuur aannam en elk menschelijk

wezen tot een broeder des Heeren maakte. Doch de laatste en meest

verhevene getuigenis zal worden geleverd ten dage als een mensch de

geheele aarde zal oordeelen,--een Mensch, die den geringsten slaaf,

evenzeer als den fiersten meester, als broeder zal erkennen.

In hoogst merkwaardige en treffende bewoordingen wordt in den Bijbel

gemeld, dat de Vader het geheele oordeel heeft opgedragen aan den Zoon,

omdat deze de Zoon des Menschen is. Die menschelijke natuur, welke,

in den persoon van den armen slaaf, is veracht en verworpen, bespot en

verguisd, gegeeseld en gemarteld, zal te dien dage verheerlijkt worden;

en het zal de vreeselijkste zonde blijken te zijn, zoo men ligtvaardig

heeft gehandeld ten aanzien van het geheiligde karakter der menschheid,

gelijk deze slavenwetten en instellingen hebben gedaan; want het

geheele stelsel der wetgeving, in zake van slavernij, de praktijk

van het slavenhouden, en de denkbeelden, welke zich dienaangaande bij

het algemeen vormen,--dit alles berust op de grootste der ketterijen,

de verloochening van het begrip dat alle menschen broeders zijn. Een

geheel geslacht is uit de rij van het menschdom geworpen, zijne

onsterfelijkheid voorbijgezien;--hunne waardigheid als kinderen

Gods wordt bespot, hunne betrekking als broeders van Christus voor

eene fabel gehouden; wet en openbare meening en praktijk ten hunnen

aanzien zijn zoodanig, dat men het alleen zou kunnen begrijpen indien

zij een ras van redelooze dieren waren.

En juist omdat de neger beschouwd wordt als een redeloos dier en

geener betere behandeling waardig, houdt men de gedragslijn, die ten

zijnen opzigte gevolgd wordt en de behandeling, die hem ten deel valt,

voor menschelijk.

Neem eene klasse van blanken, hoe onbeschaafd ook, plaats hen onder

hetzelfde stelsel van wetten en maak hun civielen toestand in alles

gelijk aan dien van den neger: zou dit niet als het toppunt van de

onverantwoordelijkste wreedheid beschouwd worden?

Stel, bijv., dat de slaven-wetten in ons land van toepassing werden

gemaakt op al de Ieren en dat zij verklaard werden tot eigendom

van ieder, die geld genoeg had om hen te koopen. Stel dat hun

regt om te stemmen, om regtsgedingen in te stellen, om getuigenis

in regtszaken af te leggen, om een wettig huwelijk te sluiten,

om eigendommen te bezitten of overeenkomsten van allen aard aan te

gaan, door ééne pennestreek werd uitgeschrapt. Onderstel al verder,

dat het verboden ware hun lezen en schrijven te leeren, en dat hunne

kinderen gedoemd waren om tot in de lengte der dagen zonder kennis

te blijven voortleven. Onderstel, dat in de geregtszaal verklaard

werd, dat het enkel slaan van een Ier, "zonder gepaard te gaan met

wreedheid of met eenigerhande toeleg om een moord te plegen," geene

overtreding kan geheeten worden. Onderstel, dat er verklaard werd, dat,

tot bevordering van de ondergeschiktheid bij hen, de wet den meester

zou beschermen, al bleek het ook dat de straf, die hij uitgeoefend

had, kwaadwillig, wreed of overdreven was geweest; en onderstel,

dat monsters, gelijk Souther, van die vergunning gebruik makende, nu

en dan Ieren doodmartelden, doch dat dit van niet genoegzaam belang

gerekend werd om den meester eenigen dwang op te leggen. Onderstel

dat men koeltjes zeide: "O ja, wij weten wel, dat Ieren wel eens

worden doodgemarteld, doch dit is geen doorgaande regel; niemand,

van eenigen stand in de maatschappij, zou het doen, en zoo dergelijke

gevallen zich voordoen, wekken zij algemeene verontwaardiging."

Onderstel, dat als reden waarom de wet, die de magt van den meester

afbakent, niet strenger kan gemaakt worden, werd opgegeven, dat het

algemeene stelsel niet in stand kan gehouden worden, zonder die ruimte

van magt aan den meester te verleenen.

Onderstel, dat, wanneer men al de Ieren in dit land tot dien

toestand gebragt had, deze verzekerden, dat het algemeen gevoel van

menschelijkheid ten hunnen opzigte zich zoo krachtig deed kennen, dat

het ruimschoots opwoog tegen het gemis van alle wettelijke regten en

hun toestand over het geheel gelukkiger maakte dan wanneer zij vrij

waren. Zouden wij niet moeten zeggen, dat een "algemeen gevoel",

hetwelk geene wreedheid zag in het ontnemen aan een geheel geslacht

van alle regten, die der menschheid dierbaar zijn, dan niets als wreed

kan beschouwen en bewezen had geheel onbevoegd te zijn om over dit

onderwerp eenig oordeel uit te spreken? Wie zou niet liever zijne

kinderen in het graf dan in slavernij zien? Wie, zoo hij morgen

ontwaakte als Amerikaansch slaaf, zou zich niet op de rustplaats

der dooden wenschen? En toch gaan alle verdedigers van de slavernij

uit van de stelling, dat deze wettelijke toestand op zich-zelf geene

wreedheid is! Zij zouden het voor zich of voor eenigen blanke als de

uiterste grenspaal van wreedheid beschouwen; waarom beschouwen zij

het dan in het geheel als geene wreedheid, wanneer het een neger geldt?

De schrijver, die de slavernij in Fraser's Magazine verdedigt,

poogt deze ontzetting van eene geheele klasse van hare wettige

regten te regtvaardigen door de bewering: "dat het goede, dat in den

menschelijken aard ligt, aan de gebreken van de menschelijke wetgeving

zal te gemoet komen." Deze opmerking is een veelbeteekenende maatstaf

van den staat der begrippen, die zelfs in een edelaardig gemoed door

het slavernij-stelsel te weeg gebragt worden. Die schrijver denkt

dat het goede, hetwelk in den menschelijken aard ligt, voorzien

zal in het gemis van wettige regten bij duizenden en millioenen

menschelijke wezens. Hij zou niet aarzelen hun ligchaam en hunne ziel

toe te vertrouwen aan het goede, dat in den menschelijken aard ligt;

maar toch zou diezelfde man geen bankbiljet van vijftig dollars in

een onverzegelden omslag en vertrouwende op "het goede, dat in den

menschelijken aard ligt", over den post willen verzenden.

Zou die man zijne kinderen in den toestand van slaven geplaatst

willen zien en hen overlaten aan "het goede, dat in den menschelijken

aard ligt?"

Zou hij van den achtenswaardigsten zijner vrienden een huis of een

landgoed koopen, zonder wettige bewijsstukken op te maken, zich alleen

verlatende op "het goede, dat in den menschelijken aard ligt?" En zoo

"het goede dat in den menschelijken aard ligt" niet alles-afdoende

is voor hem en zijne kinderen, hoe zal het dan genoegzaam zijn voor

zijn broeder en zijns broeders kinderen? Is zijn geluk in de oogen

van God van zooveel hooger waarde dan dat zijns broeders, dat het

zijne moet verzekerd worden door wettige banden, sloten en grendels,

en dat van zijn broeder zoo maar kan worden overgelaten aan "het goede,

dat in den menschelijken aard ligt?" Nooit gevoelen wij zoo diep de

volslagene ongenoegzaamheid van het algemeen gevoel om den slaaf te

beschermen, dan wanneer wij zulke stellingen hooren verkondigen door

menschen, die van nature edel en gevoelig zijn.

De eerwaarde C. C. Jones, een onvermoeid arbeider voor de slaven,

laat zich als volgt uit over de waardij van ééne ziel onder die

ongelukkigen:

Ware het ons geopenbaard, dat het uitgebreidste stelsel van

onderwijs, hetwelk wij bedenken kunnen, al vorderde het een

reusachtigen en eeuwen lang voortgezetten arbeid, onder de

genadige ontferming van onzen Heer zou uitloopen op de behoudenis

van één armen Afrikaan, wij zouden er aanleiding in vinden, om,

tot welken prijs en met welke opofferingen ook, met blijmoedigheid

die taak aan te vangen.

Welk een edele en verheven ziel spreekt uit deze woorden! Duiden zij

niet een geest aan, die tot de hoogste dingen in staat is?

En toch, zoo wij al zijne werken doorloopen, zullen wij er met smart

uit ontwaren, hoe het zedelijk gevoel van de reinste ziel verstompt

kan worden door voortdurende aanraking met zulk een stelsel.

Wij vinden van hem eene raadgeving aan de meesters om hunne slaven

mondeling te doen onderrigten in de Godsdienst. Op vele plaatsen

spreekt hij van het mondeling onderrigt als een onbetwistbaar gebrekkig

onderwijs, verre staande beneden datgeen, hetwelk voortvloeit uit het

persoonlijk lezen en onderzoeken van Gods Woord. Hij zegt ergens, dat

dit, om nut te stichten, vroeg begonnen moet worden, daar menschen van

gevorderde jaren het er zelden ver in brengen; en toch geeft hij als

zijne bepaalde meening te kennen, dat de slavernij eene aangelegenheid

is, waarin geen Christen zich behoeft te mengen.

Volgens zijne eigene aanwijzing wordt den slaven het beste middel

tot behoudenis hunner zielen benomen en beperkt men hen tot een van

verreweg mindere hoedanigheid. Deze beperking maakt hunne zielen tot

het verkrijgen van geestelijk voedsel even afhankelijk van anderen,

als een mensch zonder handen van anderen afhankelijk is voor stoffelijk

voedsel. Hij erkent--hetgeen zijne eigene ondervinding hem ook moet

geleerd hebben--dat de slaaf elk oogenblik kan overgaan in handen van

personen, die de moeite niet zullen nemen om hem aldus van geestelijk

voedsel te voorzien; ja, zoo wij dit gevolg mogen trekken uit zijn

dringend beroep op de meesters, dan heeft hij velen gezien, die, in

geestelijken zin de handen hunner slaven afgesneden hebbende, thans

weigeren hun het voedsel toe te dienen. Hij ontwaart, dat duizenden

geplaatst zijn in omstandigheden, waar de ziel schier onvermijdelijk

moet verloren gaan, en toch zegt hij, zich niet geroepen te gevoelen

om zich in het minst met hun civielen toestand in te laten!

Doch, indien de ziel van iederen armen Afrikaan van die onschatbare

waarde is, welke de heer Jones er aan toekent, volgt daaruit dan

niet, dat hem het beste middel moet verschaft worden om den hemel

in te gaan? En verkeert hij, die den Bijbel zelf kan lezen, niet

in een beteren toestand dan degeen, die afhankelijk is van het

voorlezen van een ander? Zoo men zegt, dat zulk onderwijs niet kan

verleend worden, omdat de slaven dan geene veilige bezitting meer

zouden zijn, behoorde dan niet een geestelijke als de heer Jones,

van wien wij zoo even zulke treffende woorden hebben aangehaald,

den meesters onder het oog te brengen dat het hun beter ware, alle

wereldsch goed te verliezen, dan zich bloot te stellen aan het gevaar

van eenig verderf te brengen over die zielen? Al de beweeggronden,

welke de heer Jones zoo welsprekend heeft aangevoerd om de meesters

te overreden, dat zij hunne slaven mondeling onderrigt zouden geven,

pleiten met dubbele kracht voor hunne verpligting om den slaaf in

staat te stellen, persoonlijk den Bijbel te lezen.

Verder hooren wij den heer Jones gewagen van de magt, die de meesters

hebben over de zielen hunner ondergeschikten, waaromtrent hij zich

aldus uitlaat:

Wij kunnen, krachtens de in onze handen gestelde magt,

Godsdienstige bijeenkomsten en Godsdienstig onderrigt op onze

eigene plantagiën verbieden; wij kunnen onze onderhoorigen geheel

verbieden ter kerk te gaan, of hun bevelen alleen die kerken te

bezoeken, die wij voor hen kiezen zullen. Letterlijk kunnen wij

het Koningrijk der Hemelen voor menschen sluiten en hen, die op

den drempel staan, het binnentreden beletten.

En wanneer wij den heer Jones dit alles hooren zeggen, en daarbij

in aanmerking nemen, dat hij moet weten en gezien hebben, dat

deze ontzaggelijke magt dikwijls berust in handen van menschen

zonder Godsdienst, in handen van menschen van het verwerpelijkste

karakter, dan kunnen wij zijne goedkeuring van zulk een stelsel alleen

toeschrijven aan den verblindenden en verdoovenden invloed, dien de

gewoonte der slavernij op de achtenswaardigste karakters uitoefent.

Noch de heer Jones noch eenig ander Christenleeraar zou het behoorlijk

achten, dat de eeuwige gelukzaligheid zijner eigene kinderen aldus

gesteld werd in de magt van iemand, die geld zou hebben om hen te

betalen. Hoe kunnen zij het dan regtvaardig rekenen, dat die magt

verleend worde waar het hun Afrikaanschen broeder betreft?

Bewijst dit alles niet, dat, zelfs bij de meest menschelijk en

Christelijk-gezinde lieden, die theoretisch gelooven aan de gelijkheid

van alle zielen voor God, eene voortdurende aanraking met de slavernij

eene practische ontrouw in dit opzigt te weeg brengt; zoodat zij hunne

toestemming schenken aan wetten, die in werkelijkheid verklaren dat

de behoudenis der ziel van den dienaar van minder gewigt is dan het

behoud van den eigendom?

Men houde ons niet voor afgunstig of liefdeloos, wanneer wij zeggen,

dat, waar de slavernij bestaat, zoovele oorzaken noodwendig zamenloopen

om de openbare meening met opzigt tot den slaaf te verstompen, dat

zelfs de edelaardigste gemoederen dikwerf aan het dwalen geraken. In

de noordelijke en vrije Staten was de openbare meening (en is zij

nog heden) rampzalig bezoedeld door den invloed van het vroegere en

de nabijheid van het tegenwoordige slavernij-stelsel. Van daar de

onregtvaardigheid waarmede de neger in menigen onzer Staten behandeld

wordt. Van daar ook die verdediging der slavernij, waarmede de drukpers

in het Noorden zich soms belast, ja welke men daar zelfs wel van den

predikstoel hoort. Indien de overblijfselen der slavernij de openbare

meening zelfs in het Noorden zoo kunnen bederven, hoeveel te meer

moet dit dan niet het geval zijn ter plaatse waar die instelling nog

in volle kracht aanwezig is!

In zekere mate is het gevoel van de geheele Amerikaansche natie op

dit punt verstompt. Een heidensch schrijver zeide, dat de Goden ons

een schrikwekkend vermogen geschonken hadden, toen zij ons de gave

verleenden om aan iets gewoon te worden. Met volle regt kan dit op

Amerika toegepast worden. Wij hebben ons gewend aan dingen, die in

staat zouden zijn de dooden uit hunne graven te doen verrijzen.

Toen slechts een gering gedeelte van hetgeen hier dagelijks voorvalt,

in Engeland en Frankrijk en Italië en Duitschland bekend werd, ging

een algemeene kreet van verontwaardiging op. Amerika alleen blijft

koel en vraagt: "Wat is er gaande?"

Europa antwoordt: "Wat? wij hebben gehoord, dat de menschen gelijk

vee in uw land verkocht worden."

"Natuurlijk geschiedt dat," zegt Amerika; "maar wat verder?"

"Wij hebben vernomen," zegt Europa, "dat het millioenen menschen in

uw land verboden is te leeren lezen en schrijven."

"Dat weten wij wel," hervat Amerika: "maar wat beteekent nu dit

wraakgeroep?"

"Nog hebben wij vernomen," zegt Europa, "dat Christenmeisjes op uwe

markten verkocht en zoo aan de schande ter prooije geleverd worden!"

"Dat is niet geheel zoo als 't behoort," geeft Amerika ten antwoord:

"maar nog eens, waarvoor zoo veel beweging gemaakt?"

"Wij hooren dat drie millioenen onder u geen wettig huwelijk kunnen

aangaan," roept Europa terug.

"Zeer waar," is het antwoord van Amerika: "maar gij verhieft zulk

een kreet, dat wij dachten dat gij eene of andere gruweldaad hadt

zien begaan."

"En gij beweert een vrij land te zijn!" roept Europa in

verontwaardiging uit.

"Wij zijn ook inderdaad het meest vrije en verlichte land ter

wereld. Waar maakt gij u toch moeijelijk over?" herneemt Amerika weder.

"Gij vaardigt uwe zendelingen af om ons tot Christenen te maken,"

zegt Turkije: "en onze godsdienst heeft evenwel dat afschuwelijke

stelsel afgeschaft."

"Wat gaat het u aan? Gij zijt maar heidenen!" zoo besluit Amerika.

Menigeen schijnt inderdaad gedacht te hebben, dat alleen

verschrikkelijke overdrijving van het slavernij-stelsel de sensatie

kon hebben te weeg gebragt, die zich in geheel Europa onlangs heeft

doen gevoelen. Zij weten niet, dat de zaak waar aan zij gewend

geraakt zijn en die zij met zooveel onverschilligheid bij allerlei

gelegenheden behandeld hebben, aan andere volkeren als het toppunt van

laaghartigheid voorkomt. Terwijl het nieuwere Europa de oogen opent

en een blik werpt op de wettelijke theorie van het slavernij-stelsel

en op de wetten en wetsuitlegging waardoor deze zaak geregeld wordt,

voegt het met de woorden van den verontwaardigden Othello aan Amerika

toe: "Zoo gij iets dergelijks wilt regtvaardigen,

Bid dan niet meer, laat wat u wroeging baarde

Slechts varen; hoop met onvermoeide hand,

Meer euvlen nog den berg op van de schand

En gruwzaamheên; pleeg daden, waarvan de aarde

Verbaasd staat en waarom de hemel schreit;

Want gij kunt deez verdoemnis niet verzwaren,

Die reeds zoo zwaar is door de onmenschelijkheid."

Er bestaat een vreeselijke toestand van gemeenzaamheid met het kwade,

hetwelk de Apostel noemt, "dood zijn in overtredingen en zonde," een

toestand waarin men aan de waarheid weêrstand geboden en het kwade

hardnekkig verdedigd heeft, waarin men de toespraak des gewetens heeft

gesmoord en voor de stem van Gods Heiligen Geest de ooren gesloten. Er

bestaat eene vreeselijke ontzenuwing van het zedelijk gevoel, bij

welke de meest goddelooze handelingen en de ontzettendste misdaden

den geringsten indruk falen te maken. Die ontzenuwing, die steeds een

vreeselijke voorbode is van den dood en de ontbinding der natiën,

is eene dubbel gevaarlijke kwaal in een Gemeenebest, welks eenige

magt gelegen is in doorzigt, geregtigheid en deugd.

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 87 / 220 题