SLAVERNIJ IS DESPOTISMUS.

Het is altijd van het hoogste belang, bij de beschouwing eener zaak,

juist voor oogen te hebben wat zij is.

Het eenige middel om juist te weten, wat deze of gene burgerlijke

instelling is, bestaat in het onderzoek van de wetten, waardoor

zij geregeld wordt. In verschillende tijden en bij verschillende

volken, werden verschillende instellingen met den naam van slavernij

bestempeld. De dienstbaarheid onder de aartsvaders was iets anders dan

de dienstbaarheid bij de Israëlieten, en deze weder iets anders dan

de dienstbaarheid bij de Grieken en Romeinen; al deze instellingen

verschillen zeer veel van elkander. En wat is nu de Amerikaansche

slavernij, zoo als wij die leeren kennen uit de wet en uit de

regtspleging?

Laat ons beginnen met te zeggen wat zij niet is:

1. Zijn de slaven niet wat de arbeidende klasse is.

2. Is zij geene voogdij.

3. Is het in geenen deele een stelsel van opvoeding van een

zwakker geslacht door een sterker.

4. Is het geluk van den slaaf in geen opzigt haar doel.

5. Is evenmin de tijdelijke welvaart of het eeuwig geluk van den

slaaf hare strekking.

Haar doel wordt zeer bepaaldelijk aangegeven in een vonnis van den

regter Ruffin. "Het doel is het voordeel van den meester, zijne

zekerheid en de publieke veiligheid."

Slavernij, dus, is onbeperkt despotisme, in den ruimsten vorm.

Het zou echter eene onregtvaardigheid zijn jegens het despotismus in

een beschaafden Staat, wanneer wij daarmede de Amerikaansche slavernij

vergeleken. De absolute regeringen in Europa beweren geen van allen

gegrondvest te zijn op het eigendomsregt van den heerscher over de

personen en vermogens van den beheerschte.

Dit is een vorm van het despotismus, zoo als slechts in de meest

barbaarsche streken der wereld bestaat, zoo als, bij voorbeeld,

in Dahomey.

Het absolutismus of despotismus in Europa erkent tot zekere hoogte

het geluk en de welvaart van den onderdaan, als den grondslag van

het gouvernement; en de wetgever wordt geacht zijne magt te bezitten

tot bevordering van het volksgeluk; zijn regt als wetgever wordt

verondersteld eenigzins voort te spruiten uit het denkbeeld, dat

hij beter het geluk van het volk begrijpt, dan het volk zelf. Geene

regering in de beschaafde wereld omhelst meer dat zuiver despotische

beginsel, dat bestond in de dagen der Persische en Assyrische

heerschappij.

De argumenten, die de slavernij verdedigen, moeten in hoofdzaak

dezelfde zijn als die, welke het despotismus van een anderen aard

verdedigen; en de bezwaren, die er zijn tegen in te brengen, zijn

ook juist van dezelfde soort als die, welke tegen het despotismus

van anderen aard zijn aan te voeren. De gewoonten en daden waarvan

zij oorzaak zijn, komen eveneens geheel overeen met die, waartoe

despotismus ten allen tijde aanleiding heeft gegeven.

Wordt de slaaf van misdaad verdacht, zijn meester heeft het regt

om zijne schuld te onderzoeken door pijniging (zie de Staat tegen

Castleman). Zijn meester heeft, door de daad, meestal magt over

leven en dood, ten gevolge der uitsluiting van het getuigenis van een

slaaf. Hij heeft de magt den slaaf, ten allen tijde, te verbannen,

zonder daarvoor aan iemand rekenschap te zijn verschuldigd, naar eene

plaats, nog verschrikkelijker dan Siberië, en hem te veroordeelen

tot een arbeid, zwaarder dan op de galeijen. Hij heeft ook eene

onbeperkte magt over de eer van zijn slaaf; hij kan hem beschuldigen

van elke misdaad, en toch hem alle onderzoek of verhoor onthouden,

en eindelijk hem verkoopen, terwijl zijne eer door eene lasterlijke

aantijging, die hij niet van zich heeft kunnen werpen, bezoedeld is.

Dit zijn ook allen misbruiken, die men in eene despotische regering

gelaakt heeft. Het zijn regten, waarvan goede despoten geen misbruik

hebben gemaakt, maar onder bescherming van iederen slaven-houdenden

Staat, en onder bescherming van al de Vereenigde Staten, worden zij

zonder gewetensbezwaar door achtenswaardige menschen misbruikt.

Maar, wij hebben het reeds gezegd, het ergste despotismus is dat,

hetwelk zich ook over de ziel uitstrekt, die de vrijheid van het

geweten aan banden kan leggen, en den mensch berooft van het regt om

God te leeren kennen en te dienen, zooals hij verlangt. In vroeger

dagen sidderden de koningen op hun troon en de landman aan zijn haard

evenzeer voor een despotismus, dat zich bevoegd verklaarde, te binden

en los te maken, het Koningrijk der Hemelen te openen en te sluiten.

En toch, die magt om het geweten te dwingen, om de regten te loochenen

die de godsdienst geeft, en al de middelen, die een mensch ten

dienste staan om zijn Maker te leeren kennen, en naar Zijn wil te

leeren handelen, hem te onthouden, die magt is onder bescherming van

iederen Staat en van al de Vereenigde Staten geplaatst in handen van

een ieder, van welk karakter ook, die daarvoor kan betalen.

Het is eene treurige maar ernstige waarheid, dat de grootste Republiek

der wereld, onder hare nationale bescherming het drukkendste stelsel

van despotismus heeft genomen, dat met mogelijkheid bestaan kan.

Met betrekking tot een der punten, die wij hier opnoemden, namelijk het

regt van den meester om zijn slaaf, dien hij van misdaad beschuldigt,

een regterlijk onderzoek te onthouden, vinden wij een krachtig

voorbeeld in hetgeen voor ongeveer twee jaren in het district Columbia

voorviel. Het gebeurde komt, zooals het in verschillende nieuwsbladen

van dien tijd werd medegedeeld, hoofdzakelijk hierop neder. Een

aanzienlijk man te Washington, de hoofdstad van onze gansche Republiek,

ouderling der presbyteriaansche gemeente, bezat eene slavin die voor

eenige jaren hare belijdenis bij de Doopsgezinden had afgelegd. Hij

beschuldigde haar van eene poging om zijn gezin te vergiftigen, en

leverde haar terstond in handen van een slavenhandelaar, die haar met

zich zou nemen naar Alexandria en in een slavenhuis gevangen zette,

tot dat het schip waarmede hij vertrekken wilde, reisvaardig zou

zijn. Het arme meisje had eene moeder, die leed als elke natuurlijke

moeder lijden moest.

Toen zij het lot van hare dochter vernam snelde zij naar het

slavenhuis, en smeekte met tranen in de oogen dat haar een onderhoud

met hare dochter werd toegestaan; maar zij werd onbarmhartig

teruggestooten en weggejaagd! Toen trachtte zij een onderhoud te

hebben met den ouderling; maar ook dit gelukte haar niet. Genoeg geld

was haar toegezegd om hare dochter te koopen, maar de eigenaar wilde

naar geene belofte luisteren.

Wanhopend begaf zich de moeder naar een advokaat te Washington,

en verzocht hem voor haar een brief op te stellen. Zij vertelde hem

wat zij verlangde dat er in gezegd zou worden, en hij kweet zich van

zijne taak, zooals zij-zelve het zou gedaan hebben, wanneer zij niet

van het voorregt om onderwijs te genieten ware verstoken geweest. Haar

brief luidde als volgt:

Washington, 25 Julij 1851.

Mijnheer,

Ik wend mij tot u, als tot een rijk Christen, vrijgeborene en

vader, ofschoon ik-zelve slechts eene arme slavenmoeder ben. Ik

wil met u spreken over een eenig kind, dat ik lief heb, die de

Christen godsdienst, even als gij-zelf, belijdt, en lidmate

is der Christelijke kerk, en die door de uitoefening van uw

regt van eigendom, nu wegkwijnt als gevangene in een hatelijk

mannen-slavenhuis, waar zij blijven moet tot zij verkocht zal

zijn. Ik kom om vóór u te bepleiten de toepassing dier heilige wet:

"Wat gij wilt dat u de menschen doen zullen, doe dat alzoo."

Met groote moeite heb ik vrienden gevonden, die mij willen

helpen mijn kind te koopen, om ons voor die wreede scheiding

te bewaren. Gij, als vader, kunt begrijpen wat ik voelde, toen

men mij zeide, dat gij besloten hadt haar verre heen te bannen,

en mij dus de hoop ontnomen hadt haar ooit weder te zien.

Bijna zes jaren lang heeft mijn kind slavenarbeid bij u verrigt,

van haar zestiende tot haar twee-en-twintigste jaar heeft zij hard

gewerkt in uwe woonkamer, uwe keuken, uw kelder en uw stal. Bij

dag en bij nacht was uw wil en uw bevel voor haar de hoogste wet;

maar dit alles was te vergeefs. Indien haar zelfs in al dien tijd

een weinig koffij of thee gegeven is, dan was het op kosten van

hare slavenmoeder, niet op uwe kosten.

Gij zijt een voorganger in de gemeente en een man des gebeds. Als

zoodanig en als de oppermagtige eigenaar van mijn kind, vraag ik

ootmoedig, of zij die zachte en liefderijke behandeling genoten

heeft, dat schoone voorbeeld heeft gezien, die haar in haar

treurigen toestand konden bemoedigen? Heeft zij uit uwe handen,

door een waarachtig godsdienstig onderwijs in het woord van God,

eene volkomene en goede voldoening gehad voor al haren arbeid? Het

is niet aan mij alleen dat gij die vragen moet beantwoorden. Gij

erkent het gezag der wetten van Hem, die vrijmaking aan den

gevangene verkondigde, en die u beveelt uwe dienstmaagd te geven

"wat regt en billijk is." O! ik bezweer u, onthoud in deze bange

ure mijn kind niet datgene, wat haar laatste hoop zal wegnemen,

en dat uwe eigene ziel in het verderf zal storten.

Men zegt mij dat gij mijne dochter van misdaad beschuldigt. Kan

dit waarlijk zoo zijn? Kan het zijn dat gij uwe pligten als eerlijk

man en goed burger vergeet; dat gij liever de schuldige voor geld

verkoopt, dan haar voor den regter te dagen, waar gij weet dat zij

gaarne zou verschijnen? Wat zoudt gij zeggen, indien men u van eene

misdaad beschuldigde, en weigerde u voor de regtbank te roepen? Is

haar goede naam niet evenveel waard aan haar, in de Gemeente,

waartoe zij behoort, als uw goede naam aan u dierbaar kan wezen?

Denk, voor een oogenblik, dat uwe dochter, die gij liefhebt, in

plaats van de mijne in deze heete dagen in eene slavengevangenis

zat, gevoed werd met het ellendigste voedsel, geheel overgegeven

was aan den wil van een slecht mensch en van het regt verstoken

was, dat zelfs den moordenaar niet ontzegd wordt, om het gelaat

zijner vrienden te zien. O! dan zoudt gij ook lijden! Och! heb

dan ook medelijden met eene arme slavenmoeder en haar kind, en

doe voor ons wat gij zoudt willen dat men voor u deed, wanneer

gij verschijnen zult voor den Hoogsten Regter, en wanneer uwe

grootste vreugde zal zijn te kunnen zeggen: "Ik heb de verdrukten

vrijgemaakt."

Ellen Brown.

Maar het meisje werd naar het Zuiden gezonden en daar verkocht.

De schrijfster heeft deze mededeelingen ontvangen van hem, die den

brief schreef. Of de handelwijze van den eigenaar stipt wettig was,

is iets waarvan wij niet geheel overtuigd zijn. Dat het eene daad

was, waarin de wet zich niet kon mengen, is zeker, maar even zeker

is het, dat het eene daad was, waartegen de publieke geest niet

opkwam. De man, die zijne magt aldus uitoefende, stond bekend als

een godsdienstig man, bekleedde eene belangrijke betrekking bij de

Christelijke kerk; en geene enkele handeling der Christen-gemeente,

waartoe hij behoorde, toont aan, dat men zijne daad niet als zeer te

regtvaardigen beschouwde.

En is niet juist deze uitoefening van magt hetgeen ons het meest

schokt, wanneer wij ze van vreemde despoten zien?

Lezen wij niet met siddering, dat in Rusland of Oostenrijk een man,

die van eene misdaad verdacht wordt, wordt opgeligt, van zijne vrienden

wordt gescheiden, geene gelegenheid wordt gelaten om voor den regter

zich te verdedigen, maar naar Siberië of eenige andere vreeselijke

plaats van verbanning wordt gevoerd?

Waarom is het despotismus in eenig opzigt erger wanneer het door een

Staat, dan wanneer het door een persoon gepleegd wordt?

Er bestaat tegenwoordig een heftige strijd tusschen het despotisch en

republikeinsch beginsel. Alle argumenten, die ter verdediging van de

slavernij worden aangevoerd, zijn evenzeer geldig voor de verdediging

der despotische regering, en er gelden zelfs enkele argumenten ten

gunste der laatste, die niet voor de eerste van kracht zijn.

Er zijn argumenten, en zeer tastbare, ten gunste van eene despotische

regering. Niemand kan ontkennen dat zij door despotismus eene zekere

kracht, eenheid, snelheid van werking erlangt, die uit den aard der

zaak eene republiek niet kan bezitten. Het despotismus heeft meer

deugdelijke stelsels van staatkunde tot stand gebragt en in stand

gehouden dan eenige republiek. De vorige Koning van Pruisen was door

zijne absolute magt in staat een beter stelsel van volksopvoeding in te

voeren, dan ons ooit gelukt is in Amerika tot stand te brengen. Hij

stelde districten naar goedvinden in en verpligtte ieder ouder,

of hij wilde of niet, zijne kinderen te doen schoolgaan.

Indien wij hierop antwoorden--zoo als wij ook doen--dat het geven van

absolute magt aan iemand, die er een regtmatig gebruik van zal maken,

ongetwijfeld gunstig werken moet op den Staat, maar dat er zóó weinige

menschen zijn, van wie dat rigtig gebruik is te veronderstellen, dat

deze regeringsvorm niet als veilig mag beschouwd worden, dan hebben

wij een argument aangevoerd, dat veel meer tegen de slavernij gerigt

is dan tegen eene despotische regering, want zeker is de kans oneindig

grooter om in een tijdvak van vijftig jaar één man te vinden, die in

staat is om een wijs gebruik van die magt te maken, dan om iederen dag,

in ons land, duizenden te vinden, die met zulk een magt kunnen bekleed

worden. Het is eene treurige en zeer ernstige waarheid, dat Amerika

zoowel in de handen van de slechtsten als van de besten uit het land,

die despotische magt legt, die zij onveilig acht zelfs in de handen

van den verlichten, wel opgevoeden en beschaafden keizer van Rusland.

Met al onze republikeinsche vooroordeelen, kunnen wij niet ontkennen

dat Nikolaas een man van talent, en door zijne opvoeding een zeer

liberaal man is; wij weten ook dat hij een man is van een ernstig

en godsdienstig karakter; hij voorzeker, die steeds handelen moet

voor het oog der gansche wereld, wordt door de publieke opinie

zeer aan banden gelegd, en moet zijne handelingen wel wegen. Maar

wie zijn zij, aan wie de Amerikaansche wetten eene magt verleenen,

onbeperkter nog dan die van den Keizer van Rusland of den Keizer van

Oostenrijk? Hij kan een zeeroover geweest zijn; hij kan een dronkaard

wezen; hij kan, als Souther, teregtgestaan hebben voor eene daad,

waarvoor de menschheid terugdeinst; maar niet te min schenkt hem de

Amerikaansche slavenwet eene onverantwoordelijke magt--magt over het

ligchaam, en magt over de ziel.

Aan welke zijde dan staat Amerika in dien grooten strijd, die thans

tusschen zelfregering en despotismus gestreden wordt? Aan welke zijde

moet Amerika staan in dien grooten strijd voor de vrijheid van geweten?

Verbieden die despoten in andere rijken hun onderdanen het lezen van

den Bijbel? De slaaf in Amerika is daarvan door de krachtdadigste

middelen uitgesloten. Zeggen wij: "ja, maar wij lezen den Bijbel

voor onze slaven en verkondigen hun het Evangelie mondeling"? Dit

is juist wat het kerkelijk despotismus in Italië zegt. Zeggen wij,

dat wij er niets tegen hebben, dat onze slaven den Bijbel lezen,

indien het daarbij blijft; maar dat te gelijk daarmede een stroom van

algemeene kennis zal binnendringen, die de bestaande orde van zaken

verbreken zal--welnu, ook dat is juist wat in Italië gezegd wordt.

Zeggen wij, dat wij het wenschelijk zouden achten, dat de slaaf

zelf den Bijbel las, maar dat hij, in zijne onkunde, er valsche

gevolgtrekkingen en dwaalbegrippen uit putten zou, en dat wij er daarom

de voorkeur aan geven hem die waarheden mondeling te verkondigen--ook

dit is juist wat het kerkelijke despotismus in Europa zegt.

Zeggen wij in onzen hoogmoed, dat eene despotische regering alles

weert wat het volk kan opvoeden en verheffen--bestaat diezelfde vrees

dan niet in al de despotische slaven-Staten van Amerika?

Aan welke zijde dan zal Amerika staan in dien grooten en gewigtigen

strijd?

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 84 / 220 题