Wij hebben de Amerikaansche wet vergeleken met de Romeinsche, wij
willen haar thans met eene andere slavenwet vergelijken, namelijk
met de Israëlitische.
Die vergelijking is te belangrijker, omdat de slavernij in Amerika
steeds verdedigd is op grond, dat God de slavernij onder de Joden
veroorloofde.
De vraag is nu slechts welke soort van slavernij was onder de Joden
geoorloofd? Want bij verschillende volken zijn verschillende stelsels
met den algemeenen naam van slavernij betiteld.
Dat de aartsvaderlijke lijfeigenschap, die in den tijd van Abraham
bestond, iets geheel anders was dan de slavernij in Amerika, kunnen
eenige weinige bijbelteksten doen zien. Wij lezen toch, dat toen de
engelen Abraham bezochten, hij, zoo als het verhaal luidt, ofschoon
hij drie honderd dienstbaren in zijne woning had, terstond een kalf
haalde en slagtte, en het aan een knecht gaf om het toe te bereiden;
en dat Sara drie maten meel nam en daarvan koeken maakte; en dat hij,
toen dit alles gedaan was, zelf het aan zijne gasten voorzette.
Uit verschillende andere omstandigheden, die in de geschiedenis
der aartsvaderen worden medegedeeld, blijkt, dat de betrekking van
de tot dienstbaarheid geborenen tot hun heer meer was die van een
Schotschen clan tot zijn feodalen heer, dan van een Amerikaanschen
slaaf tot zijn meester. Zoo schijnt het ook, dat, indien Abraham
zonder kinderen gestorven ware, de eerste dienstknecht zijn erfgenaam
zou zijn geweest. Gen. XV: 3.
Van welken aard dan was de slavernij, die God onder de Joden
veroorloofde? Door welke wetten was zij geregeld?
In het Nieuwe Testament wordt van het geheele stelsel der Joodsche
wetten, als betrekkelijk zeer onvolkomen gesproken, en als verviel
het door het Christendom. Hebr. VIII, 13.
Wij moeten dus het Joodsche stelsel als een stelsel van opvoeding
beschouwen, waardoor een verbasterd half beschaafd volk, dat, door de
slavernij in den ergsten zin onder de Egyptenaren, diep gezonken was,
weder trapsgewijze tot beschaving werd opgevoerd.
Toen zij Egypte verlaten hadden, schijnt het, dat de afschuwelijkste
gewoonten, de ongehoordste en onnatuurlijkste onreinheden onder hen
heerschten; zoodat het noodzakelijk was wetten te stellen voor zaken,
waarvan het Christendom zelfs den naam niet meer noemt.
Bovendien waren veelwijverij, oorlog en slavernij de heerschende
gewoonten onder de volken.
In het Nieuwe Testament wordt gezegd, dat God, bij de opvoeding van
zijn volk, trapsgewijze te werk ging, even als een wijs vader met
zijne kinderen.
Hij bepaalde zich tot eenige der hoofdzonden en verbood hun die door
eene stellige wet en onder bedreiging van strenge straffen.
Het dienen van andere goden, werd bij de Joodsche wet gelijkgesteld
met landverraad bij ons, en onverbiddelijk met den dood gestraft.
Daar de kennis van den waren God en godsdienstig onderwijs niet door
boeken kon geleerd en bevorderd worden, werd er één dag in de week
afgezonderd om in het hart des volks het aandenken aan Hem en de
pligten, die zij jegens Hem hadden, levendig te houden. Hij, die dien
dag aan iets anders wijdde, werd met den dood gestraft; blijkbaar was
de heiligheid van dien dag een der middelen, om den band van het volk
tot zijnen God in stand te houden, en de schending van den Sabbath
leidde dus noodzakelijk tot hoogverraad jegens het hoofd van den Staat.
Met betrekking tot andere misbruiken, die onder de Joden, even als
onder de heidensche volken heerschten, zien wij dat God denzelfden
weg volgde als alle wijze wetgevers hebben ingeslagen.
Toen Lycurgus het geld en de weelde, die er het gevolg van was,
uit Sparta wenschte te zien verdwijnen, verbood hij het niet door
eene stellige wet, maar voerde eene munt in, zoo grof en zwaar dat,
zoo als Rollin ons zegt, men eene kar met een paar ossen noodig had,
om den prijs van een zeer eenvoudig voorwerp naar huis te brengen.
Zoo beperkte God ook de veelwijverij, den oorlog, de bloedwraak en
de slavernij door bepalingen, die trapsgewijze en onvermijdelijk tot
de algeheele afschaffing moesten leiden.
Niemand zal beweren, dat de wetten, die God gaf ten aanzien der
veelwijverij, vrijplaatsen, enz., bij de Christenvolken van eenige
toepassing zijn.
De volgende opgave van eenige dier voorschriften uit de Mozaïsche
wet, werd ons ter hand gesteld door Dr. C. E. Stowe, professor in de
Bijbelsche letterkunde aan het Andover Theological Seminary.
1. De Israëliet moest, al was hij getrouwd en al had hij vrouw
en kinderen, de weduwe van zijn overleden broeder tot zich nemen
en kinderen bij haar verwekken. Deut. XXV, 5-10.
2. Het was den Israëlieten, onder zekere omstandigheden
veroorloofd, bijwijven te nemen, of vrouwen gedurende een zekeren
tijd, of vrouwen die krijgsgevangenen waren. Deut. XXI, 10-19.
3. Een Israëliet, die reeds eene vrouw had, mogt eene tweede
vrouw nemen, onder dien verstande, dat hij den omgang met de
eerste als echtgenoot niet staakte, en haar liefderijk en goed
behandelde. Exod. XXI, 9-11.
4. Volgens de Mozaïsche wet, mogt de naaste bloedverwant van een
vermoorden Israëliet den moordenaar vervolgen en dooden, tenzij
deze eene vrijplaats kon bereiken; hetzelfde verlof gold wanneer
de daad toevallig was. Num. XXXV, 9-39.
5. Aan de Israëlieten werd bevolen de Kanaäniten, mannen, vrouwen
en kinderen uit te roeijen. Deut. IX, 12; XX, 16-18. Elk dezer
daden werd door de Mozaïsche wet geregtvaardigd, zoowel als het
houden van slaven.
Ieder dezer wetten, ofschoon zij in dien tijd verbeteringen
invoerden, die eene barbaarsche gewoonte moesten doen ophouden,
en den overgang uitmaken tot een hoogeren trap van beschaving,
behoort ongetwijfeld tot dat stelsel, hetwelk volgens Paulus
verouderd was. Zij, maakten een deel uit van het verbond, dat
verdwijnen moest, omdat het verkeerd en nadeelig was, en dat,
in den tijd dat hij schreef, verouderd en zijne verdwijning nabij
was. En Christus zelf zegt, met betrekking tot zekere veroorloofde
handelingen volgens dat stelsel, dat die veroorloofd waren geworden
om "hunne verhardheid in het kwade" omdat eene poging om wetten
in te voeren, die hen meer aan banden legden, slechts grootere
misbruiken zou ten gevolge hebben gehad.
De volgende beschouwing der Joodsche slavenwetten is getrokken uit
het werk van Barnes over de slavernij en een manuscript van professor
Stowe.
In de eerste plaats maakt die wetgeving de grootste en meest algemeene
bron der slavernij, het stelen van kinderen, tot eene misdaad, waarop
de doodstraf staat.
Dat verbod luidt als volgt: "die een mensch steelt, hetzij dat
hij dien verkocht heeft, of dat hij in zijne hand gevonden wordt,
zal zekerlijk gedood worden."
De bronnen, waaruit dus slaven voortsproten, waren tot twee beperkt:
vooreerst door den vrijwilligen verkoop van zich-zelven, dat zeker
niet kan aangemerkt worden als gedwongen dienstbaarheid, en ten tweede
door de toeëigening van krijgsgevangenen en het koopen van heidenen.
Wat de slavernij betreft, die de Israëliet zich vrijwillig oplegde door
zich te verkoopen, deze eindigde, krachtens de wet, na zeven jaren;
zoo dat de ergste beteekenis die er aan te geven is, deze is, dat
het eene verbindtenis was om gedurende een zekeren tijd te arbeiden.
De dienstbaren van de heidenen gekocht, of de vreemdelingen in het
land, werden, volgens eene bepaling der wet, na vijftig jaar ontslagen.
Door het uit zijn verband rukken van eenige voorschriften uit de
Mozaïsche wet, heeft men wel eens afgeleid, dat God bepaaldelijk
beval den slaaf die vreemdeling was, met meer gestrengheid dan den
Israëlitischen te behandelen. Dat dit niet zoo was blijkt uit de
volgende teksten, die uitsluitend betrekking hebben op vreemdelingen.
De vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder
u zijn als een inboorling van ulieden; gij zult hem lief hebben
als u-zelven: want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland:
Ik ben de Heer uw God! (Lev. XIX, 39.)
Gij zult ook den vreemdeling geenen overlast aandoen, noch
hem onderdrukken: want gij zijt vreemdelingen geweest in
Egypteland. (Exod. XXII, 21.)
Gij zult ook den vreemdeling niet onderdrukken: want gij kent
het gemoed des vreemdelings, dewijl gij vreemdelingen geweest
zijt in Egypteland, (Exod. XXIII, 9.)
Want de Heer, uw God, is een God der Goden, en een Heer der
Heeren; die groote, die magtige, en die vreeselijke God, die geen
aangezigt aanneemt, noch geschenk ontvangt;--die het regt van
den wees en van de weduwe doet, en den vreemdeling lief heeft,
dat Hij hem brood en kleeding geve.--Daarom zult gijlieden den
vreemdeling lief hebben, want gij zijt vreemdelingen geweest in
Egypteland. (Deut. XI, 17-19.)
En ik gebood uwe regters te zelfder tijd, zeggende: hoort de
verschillen tusschen uwe broederen, en rigt regt tusschen
den man en tusschen zijnen broeder, en tusschen deszelfs
vreemdeling. (Deut. I: 16.)
Vervloekt zij, die het regt van den vreemdeling, van den wees en
van de weduwe buigt! en al het volk zal zeggen: Amen. (Deut. XXVII,
19.)
In plaats van de slavernij ten aanzien van den vreemdeling tot een
stelsel van verdrukking te maken, deed God het een stelsel zijn,
waardoor de Heidenen opgenomen werden in den Joodschen staat, opgevoed
en onderwezen in de dienst van den waren God en ter geschikter ure
vrijgelaten.
In de eerste plaats werden zij door de wet beschermd tegen persoonlijk
geweld. Het verlies van een oog of een tand, door geweld van den
meester, stelde den slaaf geheel buiten zijne magt en gaf hem zijne
vrijheid weder. Voorts, wanneer het gedrag van den meester zoodanig
was, dat dit hem tot de vlugt aanzette, mogt niemand den meester
bijstaan om hem weder in diens magt te brengen, en mogt hij wonen
in dat gedeelte van het land waar hij wilde, zonder dat hij eenigen
overlast behoefde te vreezen. Ten derde verzekerde de wet aan den
slaaf veel tijd, dien hij naar eigen goedvinden kon doorbrengen. Elk
zevende jaar stond ter zijner beschikking. Lev. XXV, 4. Ook elke
zevende dag was hem gelaten. Exod. XX, 10.
De dienstbare had het voorregt de drie groote nationale feesten mede
te vieren, wanneer alle mannen onder het volk te Jeruzalem voor God
moesten verschijnen. Exod. XXXIV, 23. Met elk dezer feesten berekent
men, dat drie weken heengingen.
De slaaf was ook gast bij de familiefeesten. In Deut. XII, 12 wordt
gezegd: "En gij zult vrolijk zijn voor het aangezigt des Heeren, uws
Gods, gijlieden, en uwe zonen, en uwe dochteren, en uwe dienstknechten,
en uwe dienstmaagden, en de Leviet, die in uwe poorte is; want hij
heeft geen deel noch erve met ulieden."--
D. Barnes schat den gezamenlijken tijd, dien een slaaf voor zich-zelven
had, op omstreeks drie-en-twintig jaren van de vijftig, of ongeveer
op de helft van den tijd zijner dienstbaarheid.
Nog had de slaaf volkomen gelijke regten met zijn meester, ten aanzien
zijner godsdienstpligten.
Wanneer wij nu in aanmerking nemen, dat in den tijd van Mozes God en de
koning van het volk één en dezelfde persoon waren, en dat de burger-
en godsdienstpligten één en dezelfde waren, volgt daaruit, dat de
slaaf en zijn meester op gelijk standpunt stonden, met betrekking
tot hunne pligten jegens den Staat.
Zoo wordt ons in Deut. XXIX een plegtig volksfeest beschreven, dat
voor den dood van Mozes plaats had, toen het gansche volk werd bijeen
geroepen, om, na een plegtig overzigt hunner nationale geschiedenis,
den eed van getrouwheid te hernieuwen aan hunne hoogste overheid
en God.
Bij die gelegenheid spreekt Mozes hun aldus toe:
"Gij staat heden allen voor het aangezigt des Heeren, uws Gods:
de Hoofden uwer stammen, uwe Oudsten en uwe Ambtslieden, alle
mannen van Israël! uwe kinderkens, uwe vrouwen en uw vreemdeling,
die in het midden van uw leger is, van uwen houthouwer tot uwen
waterputter toe; om over te gaan in het verbond des Heeren,
uws Gods, en in zijnen vloek, hetwelk de Heer, uw God, heden met
u maakt."
Hoe verschillend is dit van de onverschillige en koelbloedige
verklaring omtrent den toestand der slaven in Amerika; bijzonder
in Zuid-Carolina! "Een slaaf wordt in den regel, volgens de wet,
niet geacht iets te maken te hebben met de rust van den Staat. Hij
is geen burger en heeft als zoodanig geen aanspraak op de bescherming
van den Staat."
Ten aanzien van al de godsdienstpligten, die, zoo als wij uit de
Staatsregeling van de Israëlieten gezien hebben, burgerpligten
waren, stonden de slaaf en de meester gelijk. Er bestond geen dier
onderscheidingen, die eene bijzondere klasse of kaste kenschetsten. Er
bestonden geene bijzondere werkzaamheden voor hen; er waren voor
hen geene bijzondere zitplaatsen, om het besef bij hen levendig te
houden, dat zij tot eene lagere klasse behoorden. Evenmin werd hun
het onderwijs, dat God gegeven had, ten opzigte der gelijke regten
van den mensch, onthouden.
Ten vijfde. Het werd, bijna buiten twijfel, aangenomen, dat de slaaf
de Joodsche godsdienst en de dienst van Jehova zou aannemen en gewillig
al de verpligtingen vervullen, die aan de Israëlieten waren opgelegd.
Mr. Barnes haalt de woorden van Maimonides aan, om te doen zien hoe
dit gewoonlijk onder de Israëlieten begrepen werd. In de "Nasporing
naar de slavernij volgens den Bijbel," lezen wij:
Het zij een slaaf geboren was in de magt van een Israëliet,
of dat hij gekocht was van de Heidenen, de meester moest hem,
in ieder geval, in het verbond doen opnemen.
Maar die in huis geboren was, moest er den achtsten dag heengebragt
worden, en hij, dien hij voor geld gekocht had, den dag dat hij
hem ontving, ten zij de slaaf weigerde. "Want indien de meester
een verharden slaaf ontving, die onwillig was, moest de meester
hem trachten te overtuigen en te winnen door onderwijs en door
eene zachte behandeling gedurende een jaar. Wanneer hij dan nog
weigerde, mogt de meester hem niet langer houden. Dan zou de
meester hem terugzenden naar de vreemdelingen van wie hij gekomen
was; want de God van Jakob kon slechts gediend worden door een
gewillig harte." Maimon, Hilcoth Miloth.
Eene zesde voorname bepaling ten opzigte van den Israëlitischen slaaf
was, dat hij nimmer kon verkocht worden. Hieromtrent merkt Barnes aan:
Een Israëliet mogt, onder zekere omstandigheden, een man koopen,
maar was hij eenmaal gekocht, dan was de zaak ten einde. Er
bestaat niet het geringste bewijs dat de Israëliet ooit een
slaaf verkocht; en eenige bepaling te dien aanzien was in de
staatsregeling van het Joodsche volk niet te vinden. Van Abraham
wordt verhaald dat hij "dienstknechten voor geld gekocht had;"
maar nergens staat dat hij er een verkocht heeft, en nergens wordt
ook vermeld, dat dit door Izaäk of Jakob gedaan werd. Het eenige
voorbeeld van eene verkooping van dien aard in de geschiedenis
der aartsvaders, levert de daad van Jozefs broeders, die hem
aan de Ismaëlieten verkochten, maar die daad wordt dan ook zeer
streng gelaakt. In de wetten van Mozes wordt verlof gegeven tot
het koopen van slaven, maar niet tot het weder verkoopen; en de
omstandigheid dat dat verlof nooit gegeven is, bewijst genoeg
dat het niet in aanmerking kwam. Wanneer iemand slaaf werd,
kon hij niet van meester veranderen dan vrijwillig (Exod. XXI
: 5, 6), of wanneer de meester hem zijne vrijheid gaf en hij
zich weder dienstbaar maakte tot den tijd, dat hij, krachtens
de wet vrij zou zijn. Geene bepaling in de Mozaïsche wet zegt,
dat met slaven de schulden van een meester konden betaald worden;
noch dat zij in gijzeling konden worden gegeven; noch dat zij
konden worden overgedaan aan anderen, noch dat zij als geschenken
konden worden weggegeven. De gansche geschiedenis der Joden levert
hiervan ook geen enkel voorbeeld. Hunne wet was zeer stellig met
betrekking tot den Joodschen slaaf, en het beginsel der wet was
op alle andere slaven toepasselijk, Lev. XXV : 42. "Zij zullen
niet als dienstbaren worden verkocht." In al deze opzigten was
er een zeer groot verschil--en dat verschil was ook ongetwijfeld
bedoeld--tusschen de bepalingen omtrent den eigendom en die
omtrent de dienstbaren.
Wat de werking van het stelsel aangaat, zoo als die zich voordoet
in de gebeurtenissen, welke de gewijde geschiedenis beschrijft,
zij is juist zoo als wij haar van zulk een slavenstelsel zouden
verwachten. Zoo vinden wij bij voorbeeld in het negende hoofdstuk van
het eerste boek Samuël, dat, toen Saul en zijn dienstknecht Samuël
bezochten, deze, omdat hij wist, dat Saul eenmaal gezalfd Koning zou
worden, een groot feest voor hem aanlegde. In vers 22 wordt gezegd:
"Samuël dan nam Saul en zijnen jongen, en hij bragt ze in de kamer;
en hij gaf hun plaats aan het opperste der genoodigden."
Wij lezen ook in II Samuël IX : 10, van een dienstknecht van Saul,
die vele bezittingen had, en twee-en-twintig dienstknechten van
zich-zelven.
Wij vinden in I Kronijken II : 34, het volgende voorval vermeld:
"En Sesan had geene zonen, maar dochteren. En Sesan had eenen
Egyptischen knecht, wiens naam was Jarha. Sesan nu gaf zijne dochter
aan zijnen knecht Jarha tot eene vrouw;"
Gelijkt dit naar de Amerikaansche slavernij?
Wij vinden bovendien, dat die verbindtenis volstrekt niet als
vernederend werd beschouwd, want de zoon dierzelfde dochter werd
opgenomen onder de dapperste mannen van Davids leger.
Kortom, het verwondert ons niet te bespeuren, dat de instelling van
Mozes al de grondvesten der slavernij zoodanig ondermijnt, dat zij
lang voor de geboorte van Christus opgehouden had onder de Israëlieten
te bestaan. Barnes vraagt dan ook:
Welk feit zou men kunnen aanhalen om te bewijzen, dat er eenige
zweem van slavernij bestond in dat land, ten tijde der Maccabeërs
of bij de komst van Jezus? Er zijn tallooze bewijzen, zoo als wij
weten, dat zij in Griekenland en Rome bestond; maar, waar is het
bewijs, dat zij in Judea heerschte? Voor zoo ver ik in staat ben
dit te weten, is nooit beweerd, dat zij te vinden zou zijn in de
kanonieke boeken van het Oude Verbond of in Josephus. Nergens wordt
gezinspeeld op wetten of gebruiken, die haar doen veronderstellen;
er zijn geene feiten, die niet gemakkelijk kunnen worden uitgelegd
in de veronderstelling, dat de slavernij had opgehouden te bestaan.
Twee tegenwerpingen zijn er ingebragt tegen de uitlegging van twee
der bepalingen hier aangehaald.
Io. zegt men, dat de bepaling: "Gij zult aan zijn meester den slaaf
die ontsnapt is niet teruggeven," enz., alleen betrekking heeft op
slaven, die van Heidensche meesters naar het Joodsche volk vlugtten.
De volgende opmerkingen hieromtrent zijn getrokken uit het werk van
professor Stowe:
Deut. XXIII: 15, 16. Deze woorden stellen een voorschrift daar, dat,
als elk ander, streng moet worden toegepast. De bewoordingen geven
geen regt om de beteekenis er van te beperken; ook het verband,
waarin het voorkomt, geeft daartoe geene aanleiding; evenmin is er
iets in de geschiedenis der Mozaïsche wetgeving, dat de toepassing
van dit voorschrift zou beperken tot slaven, die aan vreemde meesters
ontvlugtten. Die veronderstelling is geheel willekeurig en, zoo
ver den Bijbel betreft, zonder het minste bewijs. Men heeft gezegd,
dat het dwaas zou zijn van Mozes om zulk eene wet uit te vaardigen,
wanneer de slavernij bij de Israëlieten bestond. Het zou zeker dwaas
geweest zijn, wanneer het oogmerk der Mozaïsche wetgeving geweest ware
de slavernij in stand te houden en van blijvenden duur te maken; maar,
wanneer het oogmerk van Mozes was, de slavernij te beperken, aan banden
te leggen en eindelijk te doen ophouden, dan beantwoordde die wet
waarlijk allezins aan dat oogmerk. Elke slaaf moest de godsdienstige
regten en het onderwijs genieten, waarop de kinderen van zijn meester
aanspraak hadden. Elk zevende jaar stelde den Israëlitischen slaaf
in vrijheid, en elk vijftigste jaar bragt eene algemeene vrijmaking
met zich. Indien de meester, door een toevalligen of kwaadaardigen
slag, zijn slaaf een oog of een tand ontnam, was deze door die daad
vrij. En volgens die wet mogt ook de slaaf, wanneer hij verdrukt werd,
ontsnappen, en, ofschoon het den eigenaar niet verboden was zich,
wanneer hij kon, weder meester van hem te maken, was het toch aan
ieder ander verboden hem daarin behulpzaam te zijn. Die wet maakte
daadwerkelijk de slavernij vrijwillig, en dit beoogde Mozes ook.
Mozes regelde de slavernij zoo als hij de veelwijverij en den oorlog
regelde; zonder ze uitdrukkelijk te verbieden, beperkte hij ze
zoodanig, dat zij verdween; in plaats van den vergiftigen boom om te
hakken, stak hij de wortels af en liet hem uit zich-zelven sterven. Er
bestaat een voorschrift ten opzigte van krijgsondernemingen, die
geheel en al in overeenstemming is met die wet omtrent gevlugte
slaven. Ware het Mozes doel geweest een oorlogzuchtigen geest onder
de Israëlieten te onderhouden, dan zoude wet voorbeeldeloos dwaas
zijn geweest; maar hij wilde dien geest fnuiken, en de oorlogen met
vreemde volken bijna onmogelijk maken. Daartoe was de wet inzonderheid
geschikt. De krijgsdienst werd daadwerkelijk geheel vrijwillig gemaakt,
even als de wet op de vlugtelingen de huisdienstbaarheid daadwerkelijk
vrijwillig maakte.
Die uitvoerige wet wordt gevonden in Deut. XX: 5-8. Wanneer men haar
naauwlettend leest, zal die overeenkomst met de wet op de vlugtelingen
terstond in het oog vallen. Juist wanneer het volk gereed stond om
slag te leveren,--juist op het oogenblik, dat de moed, van braven
zelfs, min of meer wankelt,--waren de legerhoofden verpligt aldus
hunne soldaten aan te spreken:
Deut. XX: 5-8. "Dan zullen de Ambtslieden tot het volk spreken,
zeggende: wie is de man, die een nieuw huis heeft gebouwd, en het
niet heeft ingewijd? die ga henen en keere weder naar zijn huis;
opdat hij niet misschien sterve in den strijd en iemand anders
dat inwijde.
En wie is de man, die eenen wijngaard geplant heeft, en deszelfs
vrucht niet heeft genoten? die ga henen en keere weder naar zijn
huis; opdat hij niet misschien in den strijd sterve en iemand
anders dien geniete.
En wie is de man, die eene vrouw ondertrouwd heeft, en haar niet
tot zich heeft genomen? die ga henen en keere weder naar zijn huis;
opdat hij niet misschien in den strijd sterve, en een ander man
haar neme.
Daarna zullen de Ambtslieden voortvaren te spreken tot het volk,
en zeggen: wie is de man, die vreesachtig en week van hart is? die
ga henen en keere weder naar zijn huis; opdat het hart zijner
broederen niet smelte, gelijk zijn hart."
Nemen wij nu in aanmerking, dat de Israëlieten bij uitsluiting een
landbouwend volk waren, dat krijgszuchtige partijen voornamelijk
bestaan uit jonge menschen, en dat door die wet ieder, die een huis
gebouwd had, dat hij nog niet had bewoond, of een wijngaard geplant
had, waarvan hij nog geene vruchten genoten had, of eene vrouw had
ondertrouwd, die hij nog niet tot zich had genomen, en ieder die
vreesachtig en week van harte was, naar huis mogt en moest gaan,--hoe
velen zullen er dan waarschijnlijk nog zijn gebleven? En wanneer nu
aan de legerhoofden, in plaats van hun krijgsmansvuur op te wekken,
door het voorspiegelen van eer en roem, bevolen werd nog eens en nog
eens te herhalen, dat zij waarschijnlijk zouden sneuvelen in den strijd
en nimmer huiswaarts keeren, en hun het vóór te houden, als of dit hun
eenig doel ware--moet men dan de geheele wet, als krijgswet, beschouwd,
niet belagchelijk achten--even belagchelijk als de bepalingen omtrent
weggeloopen slaven, in haar verste gevolgtrekkingen toegepast, als
slavenwet beschouwd, belagchelijk zijn?
Het is blijkbaar het doel dier krijgswet om een eind aan alle oorlogen
te maken; want, onder de heerschappij van zulk eene wet, moesten alle
oorlogsbenden uit vrijwilligers bestaan. Even duidelijk is het dat
de slavenwet strekte om de gedwongen dienstbaarheid te doen eindigen;
want, onder de heerschappij van die wet, moest de slavernij, in zeer
uitgebreiden zin, vrijwillig zijn--en dit was het juist wat de Wetgever
beoogde. Het is niet mogelijk dat men, om die verkeerde werking anders
uit te leggen, aan de wet eene meer beperkte beteekenis geeft, zonder
te gelijk aan te nemen dat het doel der Mozaïsche wetgeving was de
slavernij te doen voortduren, niet haar te beperken; en dit kan zeker
niet bewezen worden; want het tegendeel blijkt uit iedere letter.
Ik herhaal het dus nogmaals, noch uit de bewoordingen der wet, noch uit
het verband waarin zij voorkomt, noch in de geschiedenis der Mozaïsche
wetgeving op dit punt, is er iets dat de toepassing er van zou kunnen
beperken tot slaven, die van Heidensche meesters zijn weggeloopen;
maar elke overweging, elke wettige bron, leidt ons tot een lijnregt
tegenovergesteld besluit. Zulk eene beperking is de willekeurige,
ongegronde stet-voluntas-pro-ratione-veronderstelling van den uitlegger
en niets anders. De eenige zweem slechts voor eenig argument, dien ik
inzie, om die wet te beperken, ligt in het gebruik van het woord tot
u in het vijftiende vers. Men kan beweren, dat het voornaamwoord u
gebruikt is in een nationalen, niet in een individuelen zin, en doelt
op het ontvlugten van een ander volk naar de Israëlieten. Maar men zie
het voorschrift, dat onmiddellijk voorafgaat, en ga de beteekenis na
van het voornaamwoord u in het dertiende vers. Zeer blijkbaar hebben
de voornaamwoorden in deze voorschriften uitsluitend betrekking op
personen en moeten zij niet in collectieven of nationalen zin opgevat
worden; zeer zelden, zoo ooit, kan hun die beteekenis gegeven worden,
die volgens het argument verlangd wordt.
IIo. Men heeft gezegd dat het bevel: "gij zult de vrijheid verkondigen
door het geheele land aan al zijne inwoners," alleen betrekking had op
Joodsche slaven. Die veronderstelling is geheel gegrond op de meening,
dat de slaaf, volgens de Joodsche wet, niet beschouwd werd als persoon,
als een inwoner van het land en een burger van den Staat; maar wij
hebben juist bewezen, dat tot het heiligste verbond de houthakker en
waterdrager bepaaldelijk werden aangeduid, als even goed te zullen
ingaan als de meester; en het zou dwaas zijn te veronderstellen,
dat deze in eene wet die gerigt is tot alle inwoners van het land,
niet onder die inwoners begrepen werden.
Barnes staaft nog die meening door eenige bladzijden met aanhalingen
uit Joodsche schrijvers, die allezins den lezer van zijn werk
overtuigen zullen.
Uit een overzigt dus van al wat de Israëlitische slavenwet betreft,
blijkt dat de slavernij daar was een wijs en wel doordacht stelsel
van opvoeding en trapsgewijze vrijmaking. Geen redelijk mensch kan
er aan twijfelen of, wanneer dezelfde bepalingen van kracht werden
verklaard op de slavernij in Noord-Amerika, de Amerikaansche slavernij
weldra in ieder opzigt daadwerkelijk afgeschaft zou kunnen beschouwd
worden. Indien hieromtrent eenige twijfel bestaat--en nog gelooft
men dat de slavernij bij de Israëlieten de slavernij in Amerika
wettigt--welnu, men neme de proef om het Amerikaansche stelsel aan
het Israëlitische gelijk te maken, en dan zullen wij zien wat er het
gevolg van is.