DE MENSCHEN BETER DAN HUNNE WETTEN.

Daarom is het regt achterwaarts geweken en de gerechtigheid staat

van verre: want de waarheid struikelt op de straat, en wat regt is

kan er niet ingaan.

Ja, de waarheid ontbreekt er, en wie van het booze wijkt, stelt

zich tot eenen roof.

Jesaja LIX : 14, 15a.

Wij hebben nog eene bijzondere klasse van wetten te beschouwen.

Zoo vol wreedheid en meedoogenlooze gestrengheid is de slavenwet,--zoo

gruwzaam is de instelling, die daarin omschreven wordt,--dat er eene

menigte personen zijn, te edel en te regtvaardig om den slaaf alles

te ontnemen wat de wet hem onthoudt en ontsteelt.

Een edelaardig mensch is--in plaats van den armen slaaf te beschouwen

als een roerend eigendom, dood en zonder regten--geneigd in hem een

hulpeloozen jongeren broeder te zien of een weerloos kind, en hem,

op eigen gezag, die bescherming en die regten te geven, die de wet

hem ontkent. Een godsdienstig mensch, die, door zijne geloofsleer,

dat alle menschen broeders zijn, zijn Christen slaaf met hem als

één lid van Jezus Christus beschouwt--gelijk van ligchaam, gelijk

van ziel en beiden door Hem uitverkoren--kan hem niet gedoemd zien

om in onkunde te leven, buiten staat het geschreven woord te lezen,

en veroordeeld zijne kinderen te zien opgroeijen in dezelfde onkunde.

Van daar dat individuele menschlievendheid, in vele gevallen,

de slavenwet practisch van onwaarde zou doen zijn. Individuele

menschlievendheid zou den slaaf leeren lezen en schrijven, zou

scholen oprigten voor zijne kinderen, en in zeer, zeer vele opzigten

hem vrijmaken.

Men heeft voorzien waar dit toe leiden zou. Men heeft voorzien dat

het gevolg der opvoeding zou wezen algemeen verspreide kennis; dat

het gevolg dier kennis zou zijn, een bewustzijn van de regten als

mensch; en dat een onderzoek naar die regten als mensch noodlottig

zou wezen voor het stelsel. Men heeft ook voorzien, dat het voorbeeld

van belangeloosheid en edelmoedigheid in de vrijmaking, eene heilzame

besmettelijkheid zou bezitten, en eindelijk algemeen zou worden;

dat het voorbeeld van wel opgevoede en vrijgelatene slaven een

gevaarlijken naijver zou opwekken bij hen, die nog slaven waren.

Daarom heeft de slavenwet, die, zoo als wij reeds gezien hebben, in

de hoofdzaak al de barbaarschheden van die van het oude Rome omvat,

eene reeks van bepalingen, die wreeder zijn dan eenige bepaling,

die het oude en heidensche Rome ooit heeft gekend, bepalingen die

strekken om den slaaf de laatste bron van hoop af te sluiten--de

menschlievendheid van zijn meester. De meester in het oude Rome kon

zijn slaaf de opvoeding geven, die hem goeddacht, of hem vrij laten

wanneer hij wilde en de Staat trad niet tusschen beiden [14].

Maar in Amerika verbieden de wetten in al de slavenhoudende Staten ten

strengste, in de eerste plaats, de opvoeding van den slaaf. Wij zijn

niet voornemens al de bepalingen van dien aard mede te deelen, maar

eenige weinige treffende voorbeelden willen wij er uit aanvoeren. Onze

zegsman is weder de regter Stroud, onze bron, zijne schets van de

slavenwetten.

De Wetgeving van Zuid-Carolina nam in 1740 het volgende besluit.

"Vermits het leeren lezen aan slaven of het toestaan, dat zij zich

in het schrijven oefenen groote moeijelijkheden kan na zich slepen,

zoo wordt besloten, dat de misdaad om slaven te leeren schrijven of

hen als schrijvers te gebruiken, zal gestraft worden met eene boete

van honderd pond. Indien de lezer nu het schandelijke "beschermende"

besluit opslaat, dat in hetzelfde jaar door dezelfde Wetgevende

Magt genomen werd, zal hij zien dat dezelfde boete is opgelegd voor

het uitsnijden der tong, het uitsteken van een oog, het wreedaardig

schroeijen enz. van eenigen slaaf, als voor het onderwijs geven in het

schrijven! Hieruit volgt dus dat het onderwijs geven in het schrijven

en het uitsteken der oogen van een slaaf als even berispelijk moet

worden aangemerkt.

Opdat er toch geen twijfel overblijven zou omtrent de groote

hoofdbeginselen van het Amerikaansche staatsregt, en men ten

eenemale gevrijwaard zou wezen tegen de "groote moeijelijkheden"

die er zouden ontstaan, wanneer slaven lezen konden, werd in 1800

bepaald, dat bijeenkomsten van slaven, vrije negers enz..... ten doel

hebbende "verstandelijk onderwijs," op eene afgesloten of geheime

plaats geacht werden te zijn vergaderingen in strijd met de wet,

"de Ambtenaren van het openbaar gezag werden bevolen zulke afgesloten

plaatsen binnen te gaan, en de ongeoorloofde vergadering uiteen te

drijven, en naar goedvinden zulk eene ligchamelijke straf, mits niet

meer dan twintig geeselslagen, aan zulke slaven, vrije negers enz.,

te doen ondergaan als zij noodig oordeelden om hen voor het vervolg

van zulke ongeoorloofde bijeenkomsten af te schrikken."

Het Wetboek van Virginia wordt door eene gelijkluidende bepaling als

wij hier aanhalen versierd.

Het misdrijf een slaaf te leeren schrijven werd vroeger in Georgia

en Zuid-Carolina met eene geldboete gestraft. Maar de stad Savannah

schijnt die boete onvoldoende te hebben geacht om haar te beschermen

tegen die "groote moeijelijkheden," en eene aanhaling in het werk van

den regter Stroud, uit een nommer van The Portfolio leert ons, dat "die

stad een besluit genomen heeft, waarbij ieder die een kleurling, slaaf

of vrije, leert lezen of schrijven, of hem dit doet leeren, gestraft

wordt met eene boete van dertig dollars voor iedere overtreding; en

elke kleurling die eene school houdt, waarop men lezen en schrijven

leeren kan, gestraft wordt met eene boete van dertig dollars of eene

gevangenisstraf gedurende tien dagen en negen en dertig geeselslagen."

Ten tweede. Met betrekking tot de regten op het stuk van godsdienst:

De Staat Georgia heeft eene wet uitgevaardigd, "tot bescherming van

godsdienstige genootschappen, in de uitoefening hunner godsdienstige

pligten." Die wet eindigt, nadat zij verschillende zware boeten gesteld

heeft voor het verwekken van stoornis in eene bijeenkomst van blanken,

met de volgende woorden:

"Geene bijeenkomst of zamenscholing van negers zal, onder

voorwendsel van godsvereering, mogen plaats hebben, in strijd

met het besluit betreffende de patrols."

Dat besluit betreffende de "patrols," zoo als het medegedeeld is

door den redacteur van Prince's Digest, magtigt iederen vrederegter,

elke vergadering of elke bijeenkomst van slaven uit een te doen gaan,

die de rust verstoort van Zijner Majesteits onderdanen, en staat toe,

dat iedere slaaf in zulk eene bijeenkomst gevonden, onmiddellijk zal

gestraft worden, zonder verder proces, met vijf en twintig slagen op

den rug met eene zweep, een boomtak of een riem.

De geschiedenis der wetgeving op dit punt in Zuid-Carolina is zeer

belangrijk. In 1800 werd een besluit genomen, waarin gezegd werd:

Geene slaven, vrije negers, mulatten of mestizen mogen,

zelfs in gezelschap van blanken, vergaderen en bijeenkomen

voor verstandelijk onderwijs of godsdienstoefening, noch vóór

zonsopgang, noch na zonsondergang. Alle overheidspersonen,

sheriffs, enz., enz. worden hierbij gemagtigd enz. om zulke

vergaderingen uit een te drijven enz.

Deze bepaling schijnt min of meer nadeelig te hebben gewerkt op

de zedelijke belangen van de "slaven, vrije negers enz.," die

daarin worden genoemd; want, drie jaren later, werd op verzoek

van sommige godsdienstige genootschappen, eene "beschermende wet"

uitgevaardigd, die hun deze groote voorregten op het stuk van

Godsdienst verleende, waarbij bepaald werd dat het ongeoorloofd

zou wezen vóór negen ure eene vergadering te verstoren, waarin de

leden van eene godsdienstige gezindte van den Staat bijeen waren,

onder dien verstande, dat de meerderheid uit blanken bestond, of op

andere wijze hunne godsdienstoefening te belemmeren, "ten zij hij,

die dit deed.... daartoe gemagtigd ware, enz."

Ten derde. Het schijnt, dat vele meesters, die geneigd waren hunne

slaven beter te behandelen, hun hebben toegestaan, dat zij eenige

bezitting hadden, huisdieren voor eigen gebruik aankweekten, en,

wanneer zij eenige bekwaamheden bezaten, uit te gaan, zich te verhuren

en te arbeiden voor eigen rekening. Dit alles verbiedt de wet met

onverbiddelijke gestrengheid. Eene boete wordt den eigenaar opgelegd,

maar, met eene gestrengheid, die geheel in overeenkomst is met het

gansche beginsel der slavenwet, wordt die overtreding meer beschouwd

als eene overtreding van den slaaf dan wel van den meester; zoo dat,

wanneer de meester al edel genoeg is om zich niet te bekommeren om

de boete, die hem wordt opgelegd, hij toch terug gehouden wordt door

de vrees, dat hij zijn ondergeschikte daardoor nog grooter kwaad zal

berokkenen. Voor sommige gevallen zijn die wetten zoodanig ingerigt,

dat de diepst gezonkene en ellendigste wezens der maatschappij er

belang bij hebben haar te handhaven, daar zij hun de helft belooft

der waarde van hetgeen zij aanbrengen. Als een voorbeeld nemen wij

hier de volgende bepaling uit de wet van Zuid-Carolina over:

Het is den slaaf verboden eenige bezitting te koopen, te verkoopen,

te verhandelen, enz., zonder bevel van den eigenaar; en het is

hem niet geoorloofd eene boot, kano als anderzins te bezitten;

noch ten zijnen behoeve op te voeden of aan te fokken paarden,

hoornvee, schapen of varkens, op straffe van verbeurdverklaring

van al die bezittingen, enz. en van alle booten, kano's,

paarden, hoornvee, schapen en varkens. En aan ieder, wie ook,

is het veroorloofd aan zulk een slaaf al zulke bezittingen te

ontnemen en die over te leveren in handen van den vrederegter,

die het digtst bij de plaats woont, waar hij die bezittingen in

beslag genomen heeft. Die vrederegter zal zulk een persoon den

eed afnemen, dat hij waarlijk op de wijze, door hem verklaard,

in het bezit daarvan is gekomen; en indien gezegde vrederegter

overtuigd is, dat de in beslag neming geschied is overeenkomstig

de wet, zal hij het in beslag genomene verbeurd verklaren en het

in het openbaar verkoopen; zullende de helft der opbrengst dier

verkooping vallen aan den Staat en de andere helft aan hem of hen,

die het in beslag genomen heeft of hebben.

In vele andere Staten zijn de wetten gelijkluidend met deze, maar de

Staat Georgia telt nog een maatregel meer tegen dat geven van verlof

aan slaven, om zich tot eigen voordeel aan anderen te verhuren. Eene

boete van dertig dollars wordt den eigenaar opgelegd voor iedere

week, dat de verhuring geduurd heeft, ten zij het arbeidsloon voor

hem werd verdiend. De steden Savannah, Augusta en Sunbury maken

eene uitzondering.

In Virginia wordt, "wanneer de meester dan slaaf veroorlooft zich

uit te huren," de eerste beboet, de laatste gekastijd.

In een vroeger besluit der Wetgeving van het orthodoxe en

presbyteriaansche Noord-Carolina, is het merkwaardig te zien, hoe

men door eene getrouwe handhaving dier wet tevens de Christelijke

liefdadigheid uitoefent. In één enkel, vernuftig uitgedacht,

besluit wordt het vergrijp tegen de maatschappij gestraft, de

vaderlandslievende aanbrenger beloond en de arme en noodlijdende

gevoed:

Alle paarden, hoornvee, varkens of schapen, die, ééne maand na

de uitvaardiging van dit besluit, aan een slaaf behooren of het

bewijs dragen dat zij het eigendom van een slaaf in dezen Staat

zijn, worden in beslag genomen en verkocht door County wardens en

door hen verdeeld, zijnde de eene helft voor de armen der County

en de andere voor den aanbrenger.

In Mississippi wordt de meester, die zijn slaaf toestaat katoen

voor eigen gebruik te kweeken, beboet met vijftig dollars; evenzoo

hij, die zijn slaaf laat uitgaan en arbeiden als een vrijgeborene,

of van wien het bewezen is, dat hij zijn slaaf heeft veroorloofd

eenigen eigendom, van welken aard ook, te bezitten.

Om te doen zien, hoe deze wet is uitgelegd door het hoogste

regtscollegie in den Staat Mississippi, herhalen wij hier een

gedeelte van eene uitspraak van den regter Sharkey, die wij elders

(zie pag. 135) meer in haar geheel hebben gegeven.

Onafhankelijk van de beginselen in vroegere regtspraken gelegd,

verbieden onze wetten den slaaf eenige soort van eigendom te

bezitten; en men mag aannemen, dat de bedoeling der wetgeving was

dat aan die bepaling de ruimste uitgebreidheid zou worden gegeven,

daar zij zelfs die eigendommen uitsluit, die hun waarschijnlijk

het eerst zouden worden geschonken, als: varkens, paarden,

hoornvee enz. De wet verbiedt het bezit van zulke eigendommen

niet, omdat zij gevaarlijk of schadelijk zijn, maar omdat zij het

onstaatkundig oordeelt dat slaven eenig eigendom, van welken aard

ook, zullen bezitten.

Wij hebben reeds gezegd, dat het verlof van den meester aan den slaaf

om zich te verhuren, door de wet beschouwd werd als eene misdaad

van den laatste; want de slaaf staat aan de straf bloot, niet de

meester. Dit blijkt uit den inhoud van eenige der bepalingen hierboven

medegedeeld of aangestipt. De volgende uitspraken van geregtshoven

in Noord-Carolina zeggen dit ook uitdrukkelijk.

139. Een vonnis, waarbij eene zekere negerin veroordeeld werd,

die zich verhuurde, in strijd met de bepaling der wet, enz., is

vernietigd, omdat niet in het oog was gehouden, dat haar meester

haar veroorloofd had uit te gaan, hetgeen een groot deel van het

misdrijf uitmaakt.

140. Volgens het eerste artikel der een-en-dertigste afdeeling van

Hoofdstuk V der Herziene Wetten, waarbij den meesters verboden

wordt slaven te huren, kan de meester niet vervolgd worden;

hem wordt slechts eene boete van veertig dollars opgelegd. Ook

volgens het tweede artikel kan hij niet worden vervolgd; daar

regtsingang verleend wordt tegen den slaaf, niet tegen den meester.

142. Om het misdrijf daar te stellen, in afdeeling 32 (Herziene

Wetten CCXI, § 32) genoemd, is het geen vereischte dat de slaaf

zijn tijd werkelijk verhuurt; het is genoeg, dat de meester hem

veroorloofd heeft te arbeiden als een vrijgeborene.

Dit is waarlijk wel het beginsel tot in zijne grootste uitgebreidheid

en verste gevolgtrekkingen gehandhaafd, dat de meester niet misdoen

kan. Maar het is in volkomen overeenstemming, zoowel met de letter

als met den geest en met de gansche strekking der slavenwet, die in

alles de magt van den meester op den voorgrond stelt en in alles den

slaaf verdrukt.

Ten vierde. Belemmerende bepalingen bestaan er bijna in alle Staten

tegen de vrijmaking van slaven.

In vier Staten--Zuid-Carolina, Georgia, Alabama en Mississippi--kan

de vrijlating niet plaats hebben dan bij een speciaal besluit der

wetgeving van den Staat.

In Georgia wordt het misdrijf, bestaande in het vrijlaten van een slaaf

of van slaven op andere wijze en in anderen vorm dan voorgeschreven is,

strafbaar verklaard, volgens de wet van 1801, met eene boete van twee

honderd dollars, bij vonnis op te leggen; terwijl de slaven in ieder

opzigt en beteekenis even goed in den toestand van slaven blijven

als zij waren vóór zij werden vrijgelaten.

Voor hen, die gelooven aan maatschappelijken vooruitgang is het niet

van belang ontbloot te weten, dat eene wijziging in die wet van 1801 is

gebragt door de Wetgevende Magt van Georgia. In 1818 werd eene nieuwe

wet uitgevaardigd, die zoo als men zien zal, allezins de misbruiken

voorkomt, waartoe de oude aanleiding gaf. Daarin werd bepaald, met

een oneindigen omhaal van omschrijvingen en gelijkluidende termen,

als om den toegang ten eenemale af te sluiten tegen alle mogelijke

verkeerde uitleggingen, dat "elke uiterste wil, testament of acte

van erflating, zonder uitzondering, hoe ook ingerigt, overeenkomst,

contract, voorwaarde of welke andere acte ook geschreven of mondeling

medegedeeld, die gemaakt is en strekt tot het in vrijheid-stellen van

eenigen slaaf of slaven, of tot pogingen om in vrijheid te stellen,

middellijk .... of onmiddellijk, of zooveel mogelijk, zal verklaard

worden, te zijn van nul en geener waarde. En de schuldige, die dit

vergrijp tegen de rust van den Staat, in zulk eene acte vervat,

pleegt enz., en elk en een iegelijk, die daarbij betrokken is en

haar ten uitvoer legt of wil leggen, op eenige wijze of door eenig

middel wat ook, zullen onverbiddelijk gestraft worden met eene boete,

niet hooger dan duizend dollars."

Het zou ook eene groote onregelmatigheid in eene slavenwet zijn,

en strijdig met "de groote grondbeginsels" van slavenhoudende

Staten, wanneer de negers, die niet de vreeze Gods voor oogen hadden

maar aangezet en verleid waren door de inspraken des duivels [15],

zich schuldig maakten aan de misdaad, dat zij zich lieten vrijmaken,

ongestraft bleven; dienovereenkomstig bepaalt de wet dan ook zeer juist

en billijk, dat "elke slaaf of alle slaven ten wiens of wier behoeve

zulk een uiterste wil of testament enz. gemaakt is, in hechtenis zal

of zullen genomen worden, en wanneer zijne of hunne schuld bewezen is,

in het openbaar als slaaf of slaven zal of zullen worden verkocht;

de opbrengst van zulke slaven zal strekken," enz.

De regter Stroud geeft de volgende mededeeling van de wet in

Mississippi.

De vrijmaking moet geschieden bij eene geschrevene acte, een

laatsten wil of testament, enz., bezegeld en onderteekend door ten

minste twee geloofwaardige getuigen, of ter kennis gebragt van de

regtbank in de County of het district waar de vrijlater woont. Aan

de Algemeene Vergadering (General Assembly) moet het voldoende

bewijs geleverd worden, dat de slaaf eenige verdienstelijke daad

heeft verrigt ten voordeele van zijn meester, of zich in eenig

opzigt jegens den Staat verdienstelijk heeft gemaakt; al hetgeen

slechts tot het voorloopig onderzoek behoort, en niet van waarde

is voor dat een speciaal besluit van de Vergadering de vrijlating

bekrachtigd heeft; waarbij in aanmerking moet worden genomen,

zoo als reeds bepaald is, de regten der schuldeischers, en het

verpligte derde voor de weduwe.

Hetzelfde voorloopig onderzoek naar verdienstelijke daden,

die beoordeeld en erkend moeten worden door de County-regtbank,

wordt vereischt volgens eene wet der Algemeene Vergadering van

Noord-Carolina; en alle slaven die in vrijheid zijn gesteld in strijd

met de bepalingen dier wet, worden in de gevangenis van den Staat

opgenomen, om later aan den meestbiedende te worden verkocht.

Maar de wet van Noord-Carolina stelt ook de deur open voor een

berouwvollen terugkeer, zelfs nadat de misdaad bewezen is: daarom

wordt den Sheriff gelast, vijf dagen vóór de verkooping van den

vrijgelaten neger, schriftelijk berigt daarvan te geven aan den

persoon die vrijgelaten had,

en, in de hoop, dat zulk een persoon door de knaging van zijn geweten

en het besef zijner schuld jegens God en de menschen, tot inkeer zal

zijn gebragt,

mag zulk een persoon, wanneer hij dit wil, zijne aanspraak op

den vrijgelaten neger doen gelden; bij gebreke daarvan, heeft

de verkoop door den Sheriff plaats, en een vijfde gedeelte der

netto-opbrengst wordt ter hand gesteld aan hem, die de aanklagt

gedaan heeft, en vier vijfden gestort in de Staatskas.

Wij moeten hier bijvoegen, dat wij slechts de wetten van die Staten,

wier wetgeving in dit opzigt het strengst is, als voorbeeld hebben

aangehaald. De wetten van Virginia, Maryland, Missouri, Kentucky en

Louisiana zijn veel minder belemmerend.

Een treffend voorbeeld, hoe onverbiddelijk de wet is tegenover de

edele voornemens van den een of anderen slavenhouder, zien wij onder

de regtspraken van den Staat Mississippi. De New-York Evening Post,

onder redactie van Mr. William Bryant, deelt de zaak zelve aldus

bekort mede. De omstandigheden, die daarbij voorkomen, vormen reeds

op zich zelf een roman.

Een zekere Elisha Brazealle, planter in Jefferson County in

Mississippi, werd door eene zware ziekte aangetast. Gedurende

zijne ziekte werd hij met de meeste zorg opgepast door eene

mulattin, zijne slavin, aan wier onverpoosde zorg hij gevoelde

zijn leven te danken te hebben. Hij was zoo zeer getroffen door

hare opofferingen, dat hij ze kort na zijn herstel naar Ohio zond

en haar eene goede opvoeding geven liet. Zij was bevattelijk en

maakte zulke snelle vorderingen, dat hij, na een tweede bezoek,

besloot haar te huwen. Hij liet de acte opmaken, waarbij hij haar

in vrijheid stelde, liet die registreren, zoowel in Ohio als in

Mississippi, en huwde haar.

Brazealle keerde met haar naar Mississippi terug, en na verloop

van tijd schonk zij hem een zoon. Slechts korten tijd daarna werd

hij ziek en stierf. Hij liet een testament na, waarin hij, na de

acte van vrijmaking vermeld te hebben, zijn voornemen te kennen

gaf, om de verdere stappen voor die vrijmaking vereischt te doen,

en schonk al zijne bezittingen aan zijn zoon, dien hij bij zijn

testament in vrijheid stelde.

Eenige arme verre bloedverwanten in Noord-Carolina, die hij niet

kende, en om wie hij zich niet bekommerd had, kwamen, bij het

vernemen van zijn dood, naar Mississippi en eischten in het bezit

te worden gesteld van zijne nalatenschap. Er werd eene vordering

ingesteld, en de zaak kwam voor den regter Sharkey, onzen nieuwen

consul te Havanna. Hij sprak daarin regt, en verklaarde in zijne

uitspraak de acte van vrijmaking een vergrijp tegen de zamenleving

en een verderfelijk en laakbaar voorbeeld. Hij verklaarde het

testament van onwaarde; wees de nalatenschap van Brazealle aan de

verre bloedverwanten toe, veroordeelde Brazealles zoon en zijne

vrouw, de moeder van dien zoon, weder tot slavernij en maakte hen,

als een deel der nalatenschap van den overledene, tot slaven van

de bloedverwanten uit Noord-Carolina.

De opperregter Sharkey verklaarde, na blootlegging der feiten,

dat de waarde der acte van vrijmaking het eenige punt ter beslissing

was. Hoewel, zeide hij, volgens de beginselen van regt, verbindtenissen

geldig zijn, wanneer zij zijn aangegaan, overeenkomstig de wetten

van het land, waar zij gesloten werden, behoeven die beginselen

niet gevolgd te worden, wanneer zij tot gevolgtrekkingen leiden in

strijd met de groote grondbeginselen van staatsregt. Wat die groote

grondbeginselen van staatsregt in Mississippi zijn, zal men kunnen zien

uit den inhoud der uitspraak, die wij hier in haar geheel laten volgen.

Passen wij die beginselen toe op de acte van vrijmaking. Wanneer

men daaraan waarde toekende, zou men in de eerste plaats handelen

in strijd met de erkende staatkunde en de stellige wet van den

Staat schenden.

De beginselen van een Staat blijken uit de wetgeving omtrent

een zeker onderwerp, en wij vinden, dat vrije negers schadelijk

geoordeeld worden, omdat het hun niet veroorloofd is, zich te

begeven naar of te blijven in den Staat. Slechts weinige regten

zijn hun toegestaan, en hunne misdrijven zijn aan strenge straffen

onderworpen. Zij moeten den Staat binnen dertig dagen, nadat zij

daarvan kennis hebben gekregen, verlaten, en in dien tusschentijd

borgstellen voor een goed gedrag: en diegenen van hen, die de wet

veroorlooft te blijven, moeten de bewijzen daarvan bij zich dragen,

of worden in hechtenis genomen. Men zou dus eene stellige wet door

de wetgeving uitgevaardigd, bepaaldelijk met het doel de bestaande

staatkundige beginselen te handhaven en de vrijmaking tegen te

gaan, schenden. Geen eigenaar kan zijn slaaf in vrijheid stellen,

dan door eene acte of testament, dat behoorlijk ter kennisse

is gebragt van het Geregtshof, en door aan de wetgeving het

bewijs te leveren, dat de betrokken slaaf eenige verdienstelijke

daad aan zijn meester heeft bewezen, of zich jegens den Staat

verdienstelijk heeft gemaakt; terwijl de acte geene waarde kan

hebben, dan wanneer zij door eene speciaal besluit der wetgeving

is geratificeerd. Wij gelooven, dat deze wet en dit beginsel van

staatsregt van te groot gewigt is voor de belangen onzer burgers,

dan dat men de niet naleving daarvan mag veroorloven.

Deze zaak toont onbetwistbaar aan, dat het contract zijn oorsprong

heeft in een vergrijp tegen de maatschappij en een verderfelijk

en laakbaar voorbeeld stelt. Maar bovenal schijnt het te zijn

ontworpen en ten uitvoer gebragt met het bepaalde oogmerk om de

gestrengheid der wetten van den Staat te ontduiken. De handelwijze

van partij om naar Ohio te gaan met de slaven en daar de acte

te passeren, en zijn onmiddellijke terugkeer naar dezen Staat,

bewijst dat doel op eene onloochenbare wijze. De wetten van

dezen Staat mogen niet in hare werking belemmerd worden door

een der burgers. Indien wij daaromtrent eenigen twijfel konden

koesteren, zou het regtsgeding aangehaald in I. Raudolph, 15,

ons de zekerheid daarvan geven.

Wanneer wij aannemen, dat de waarde der acte afhangt van de wetten

in dezen Staat vigerende, dan behoeven wij niet meer te vragen of

zij van kracht is volgens de wetten van Ohio. Zoo zij daar geldig

is, zij kan hier toch van onwaarde zijn. De conclusie moet dus

wezen dat de neger John Monroe en zijne moeder nog slaven zijn

en een gedeelte uitmaken der nagelaten bezittingen van Elisha

Brazealle. Zij zijn niet in vrijheid gesteld door het testament;

want, zelfs wanneer de bepaling in dat testament voldoende daartoe

ware, is toch hunne invrijheid-stelling niet bekrachtigd door

een besluit der wetgeving. John Monroe, slaaf zijnde, kan de

bezitting niet als erfgenaam aanvaarden; en ik vrees dat het even

duidelijk is, dat men die niet voor hem kan besturen. Onafhankelijk

van de beginselen in vroegere regtspraken gelegd, verbieden

onze wetten aan slaven eenige soort van eigendom te bezitten,

en men mag aannemen, dat de bedoeling der wetgeving was, dat

aan die bepaling de verste uitgestrektheid zou worden gegeven,

daar zij zelfs die eigendommen uitsluit, die hun waarschijnlijk

het eerst zouden worden gegeven, als varkens, paarden, hoornvee

enz. De wet verbiedt het bezit van zulk een eigendom niet, omdat

het gevaarlijk of schadelijk is, maar omdat zij het onstaatkundig

acht dat slaven bezittingen van eenigen aard zullen hebben. Daaruit

volgt dat zijne erfgenamen regt hebben op de nalatenschap.

Daar de acte van onwaarde was, en de erfgenaam volgens testament

niet in het bezit der nalatenschap kon treden, zouden de erfgenamen

welligt aanspraak hebben op eene schadevergoeding, voor den

tijd dat zij haar niet bezeten hebben; maar als zoodanig kan

worden gerekend de renten en voordeelen, en het in bezit komen

der gansche nalatenschap; en ik zie dus geene reden waarom zij

weder eene vordering zouden instellen. De schadevergoeding is

ongetwijfeld grooter, dan de wet haar zou toekennen."

De opperregter Sharkey die dit vonnis velde, wordt door de Evening

Post als een der voornaamste mannen genoemd, die de strenge wet tot

stand bragten, waaronder deze gruwelijke wreedheid bedreven werd.

Niets toont krachtiger het onbeperkte despotisme aan van de

slavenwet over de edelste neigingen en oogmerken van den meester,

en de standvastigheid der geregtshoven om die gestrengheid tot

hare uiterste gevolgtrekkingen te handhaven, dan dit wreede vonnis,

waardoor een jongeling, die was opgevoed in de overtuiging dat hij

vrij was, en zijne moeder, eene vrouw die eene beschaafde opvoeding

genoten had, weder in de grondelooze diepte der slavernij gestort

werden. Wanneer men dit voorval als onderwerp van een roman of van

een treurspel genomen had, zou de wereld het uitgekreten hebben als

het toppunt van onwaarschijnlijkheid. Nu het in de geschiedenis der

regtspleging staat opgeteekend, is het slechts eene proeve van die

verschrikkelijke waarheid, verschrikkelijker dan de verdichting,

die ten allen tijde het noodzakelijk uitvloeisel zal moeten zijn,

in dezen vorm of in een anderen, van de werking van het slavenstelsel.

Deze beschouwing van het onderwerp is hoogst gewigtig en mag wel

ernstig overdacht worden door hen, die in den vreemde hun oordeel en

afkeuring slechts gronden op den persoon van den slavenhouder, meer

dan op het afschuwelijke van het stelsel zelf, dat de wet erkent. In

sommige slavenhoudende Staten schijnt het alsof de slavenhouder

slechts zeer weinig anders doen kan dan zijne slaven doorgaans goed

behandelen, tenzij hij trachtte de wetten te veranderen. Maar juist

daarin ligt de heiligste pligt van elken Christen in het Zuiden. Want

de wereld zoo min als God zal hem schuldeloos achten, die, met de

vrije verkiezingen tot zijne dienst, en de kracht om te spreken,

te schrijven en te beraadslagen, dat gedrochtelijke stelsel van

wettelijke gruwzaamheid van jaar tot jaar blijft dulden.

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 80 / 220 题