Na mij dus verpligt gezien te hebben op zoovele regtsgedingen te
wijzen, waarin de regtvaardigheid heeft moeten onderdoen voor de
wet, en de billijkheid en menschenliefde zijn teruggedrongen door de
grendels en sluitboomen der logica, rekenen wij ons gelukkig ook van
een regtsgeding te kunnen spreken, in Noord-Carolina gevoerd, waarin
de edeler aandoeningen van het menschelijk hart de grenzen der wet
hebben doen overschrijden, en waarvan de behandeling blijkt plaats
gehad te hebben door mannen, die zich niet schaamden in hun boezem
die gevaarlijke en onafhankelijke beweegkracht te voelen kloppen,
die men het menschelijke hart noemt; ofschoon, bij de mededeeling van
dat proces, treurige maar onvermijdelijke gewaarwordingen zich van onze
ziel zullen meester maken, omdat daaruit de publieke opinie blijkt, die
toestond dat op klaarlichten dag, in de hoofdstad van Noord-Carolina,
zulke mishandelingen op eene ongelukkige vrouw gepleegd werden. Het
publiek scheen zoo geheel doordrongen en overtuigd van de waarheid
der leerstellingen door den regter Ruffin verkondigd, dat de magt van
den meester absoluut moet zijn, dat het niet durfde tusschen beiden
treden, toen het arme schepsel, barrevoets en bloedend, aan den hals
van een paard werd voortgesleept, dat door de straten van Raleigh
draafde en vijf (engelsche) mijlen in het uur aflegde. Het scheen
ook dat de schrikkelijkste mishandelingen en gruweldaden, die men
zich denken kan, of waarvan men getuige kan zijn, aangezien werden
zonder dat men poogde ze te doen ophouden, door een aantal inwoners,
waaronder wij de namen der achtenswaardigste mannen aantreffen. Maar
het troost ons hier den procureur-generaal te hooren spreken, zoo
als het een mensch betaamt, want waarlijk er bestaat geene reden
om de vreeselijke werking van het slavenstelsel te ontveinzen en te
miskennen, of de weinig troostrijke en lenigende bepalingen er van,
zoo gering en onbeduidend die leniging is, op te vijzelen.
Wij nemen het verslag van het geding over, zoo als het medegedeeld
werd door den redacteur der National Era Dr. Bailey, een man, wiens
opregtheid en goede trouw boven alle verdenking verheven zijn, zoo
als iedere regel die hij schrijft reeds zelf getuigt.
De lezer moge bij den eersten aanblik verwonderd zijn, dat hij hier het
getuigenis van slaven vindt opgenomen, maar hij neme in aanmerking,
dat een slaaf de hoofdpersoon in het proces is, en het getuigenis
van slaven slechts van onwaarde is, wanneer het blanken geldt.
Een belangrijk regtsgeding.
Wij vinden in een der dagbladen van Raleigh (Noord-Carolina)
van den 5den Junij 1851 het verslag van een belangrijk geding,
in de voorjaars zitting van het Hoog-Geregtshof gevoerd. Mima,
eene slavin, werd aangeklaagd van moord gepleegd op haar meester
William Smith uit Johnstons County in den nacht van den 29sten
November 1850. De aanklager was Sidney, een slaaf van twaalf
jaren, die verklaarde dat in dien nacht hij en eene jonge slavin,
Jane genaamd, uit den slaap gewekt waren door het roepen van
hun meester, Smith, die juist t' huis was gekomen. Zij stonden
op en vonden Mima aan den hals van een paard gebonden, met twee
koorden, een om haar hals en een om hare handen. De verslagene
bragt haar in huis rukte het koord van haren hals en bond haar
aan een balk. Hij vroeg iets te eten, wierp haar een stuk brood
voor en na dit gedaan te hebben, sloeg hij haar op haar blooten
rug met een dik stuk hout, en bragt haar verscheidene slagen
toe. Korten tijd daarna begaf zich de verslagene naar buiten,
om eene zekere reden; getuige vergezelde en lichtte hem met eene
toorts en hoorde hem toen zeggen, dat hij "het met die gevangene
wel uit zou maken." Het licht woei uit en hij ging in huis om het
weder aan te steken. Hij vond daar Jane, maar de gevangene was
los geraakt en bevond zich daar niet meer. Terwijl hij de toorts
aanstak, hoorde hij buiten slagen vallen, en den verslagene twee
of drie malen roepen: "O Leah! o Leah!" Getuige en Jane gingen
naar buiten, zagen den verslagene in zijn bloed badende, werden
zeer bevreesd, liepen in huis en sloten zich op. Leah blijkt de
moeder van den verslagene te zijn geweest, en had hem twee jaren
geleden verlaten, omdat hij haar gedurig mishandelde.
Smith lag sprakeloos en buiten bewustzijn tot dat hij den volgenden
morgen aan zijne wonden stierf.
Uit het proces bleek, dat Carroll, een blanke, die op ongeveer eene
mijl afstands van het huis des verslagenen woonde, en wiens vrouw
doorging voor een onecht kind van Smith, den morgen na den moord
in zijn bezit had eene door den Sheriff High, den vorigen dag aan
den verslagene ter hand gestelde kwitantie van gevangeniskosten
en eene nota van vijf en dertig dollars, die een zekere William
Price aan den verslagene verschuldigd was, en die Carroll korten
tijd later inde; zoo ook de gouden sleutels en cachetten van den
verslagene, terwijl nergens uit bleek op welke wijze Carroll in
het bezit van een en ander gekomen was.
De volgende verklaringen uit het getuigenverhoor bevatten zulke
verschrikkelijke feiten, die tevens zoo onteerend zijn voor hen,
die ze op klaar-lichten dag aanzagen, dat wij ze overnemen,
zoo als zij in het nieuwsblad van Raleigh vermeld zijn.
"De verdediging ving thans aan; de getuigen à décharge
werden gehoord (volgen de namen). Hunne verklaringen kwamen
in substantie hierop neder. In den voormiddag van vrijdag den
29sten November ll., haalde de verslagene de beschuldigde uit
de gevangenis te Raleigh, en bond haar een koord om haar hals
en vuisten; die koorden werden vastgemaakt aan den hals van
het paard. De verslagene vloekte hevig op de beschuldigde,
besteeg toen zijn paard en reed weg. Toen hij op de hoogte van
het Telegraphisch-bureau in Fayettestreet was, beval hij de
beschuldigde schoenen en kousen uit te trekken, vloekte weder
op haar en reed voort in snellen draf; hij reed de fabriek van
Peck voorbij, de beschuldigde scheen zeer onderworpen en gedwee;
hij sloeg daarop de straat ten oosten van het kapitool in, met
eene snelheid van vijf (engelsche) mijlen in het uur. Hij zette
zijn rit voort tot hij den hoek van Rock bereikt had, ongeveer
eene halve of drie kwart mijl van het kapitool. Verder bleek,
dat hij omstreeks vier ure na den middag het huis van Cooper een
van de getuigen bereikte, dat dertien mijlen van Raleigh ligt;
dat het zeer hard regende; dat de verslagene van zijn paard steeg;
dat hij het los liet staan en de beschuldigde met zich voerde;
dat getuige het paard van den verslagene naar stal bragt;
hij hoorde groot gedruisch in zijne woning; snelde daarheen,
zag zijn dochtertje, zeer beangst, buiten in den regen loopen;
ging naar binnen; de verslagene stak de beschuldigde in de oogen
en deze schreeuwde luid; hij deed hem ophouden; werd toornig en
verlangde dat hij heen zou gaan; verslagene verliet hem na eene
korte poos, een uur voor zons ondergang ongeveer; toen hij hem
verliet was de gevangene weder gebonden als vroeger; hare armen en
vingers waren zeer gezwollen; de touwen om hare polsen waren dun,
en diep in het vleesch gedrongen, dat ze bijna geheel bedekte;
dat, hetwelk als een lis om haar hals was geslagen, dikker;
de verslagene rukte bij tusschenpoozen aan die lis, die dan de
keel der beschuldigde digtkneep; zij was barrevoets en bloedde;
de verslagene werd, na het vallen van den avond, ongeveer zes
mijlen van zijn huis gezien, op een afstand van vier en twintig
of vijf en twintig mijlen van Raleigh."
Waarom velde men het monster niet neder, en strafte men hem niet
voor zijne helsche wreedheid?
De Procureur-Generaal behandelde de zaak blijkbaar met tegenzin. De
verdediger toonde in de eerste plaats aan, dat de bewijzen
onvoldoende waren om de beschuldigde van de misdaad te verdenken;
ten tweede dat, wanneer het bij de jury boven allen twijfel vast
stond, dat de beschuldigde de daad volbragt had, er nog slechts
sprake kon wezen van manslag.
"Een enkele slag door den eenen gelijke aan den ander toegebragt,
gaf aan moord het karakter van manslag. Volgens de wet kon de
misdaad geen ander karakter hebben, wanneer zij gepleegd was in
eene plotselinge opwelling van toorn; maar voor dezelfde daad
gold, wanneer de betrokken personen meester en slaaf waren, een
andere regel. Dit was noodzakelijk om de tucht onder de slaven
te handhaven. De raadsman der beschuldigde beriep zich daarna
op autoriteiten en toonde aan, dat deze zaak geheel overeenkwam
met die, waarin vroeger uitspraak was gedaan, van den Staat
tegen Will."
Het beginsel, daarin uitgedrukt door den regter Gaston, luidt:
"Wanneer een slaaf, tot zelfverdediging, en onder omstandigheden,
die in hooge mate geschikt zijn om zijne vrees en woede op te
wekken, zijn opzigter of meester doodt, krijgt de moord, door
zulke omstandigheden, het karakter van manslag. De wreedheden
van den verslagene, ten aanzien der beschuldigde, waren tergend
en langdurend; zij zouden een barbaar getroffen hebben. De wilde
dorst naar bloed; maar de beschaving had hem niet die verfijnde
marteling geleerd, die hier gepleegd was."
Nadat de Procureur-Generaal de wet had toegelicht, maande hij de jury
aan het vooroordeel niet te omhelzen, dat de raadsman der beschuldigde
getracht had tegen den verslagene op te wekken (wiens handelwijze hij
als menschonteerend voorstelde) en zich daardoor niet te laten leiden
bij de beslissing, of de daad der beschuldigde misdaad was, ja, dan
neen, en welk karakter aan die misdaad moest worden toegekend. Hij
hoopte, dat de beschuldigde eene regtbank zou vinden, die ter goeder
trouw en onpartijdig te werk ging. Hij hoopte, dat iedere redelijke
twijfel in haar voordeel zou worden uitgelegd. Het was haar regt,
welk een nederigen rang zij ook bekleedde; hij vertrouwde in zich
evenmin de neiging te gevoelen, als zijne betrekking hem daartoe
het regt gaf, om voor de beschuldigde iets meer te vragen, dan hij
voor den rijkste en aanzienlijkste uit het gansche land van zijne
regters vragen zou; dat de jury zou oordeelen naar de bewijzen,
en de geschonden wet zou wreken.
Dit waren zeker edele gevoelens.
Na eene krachtige aanspraak van den regter Ellis, zonderde de jury
zich af, en keerde, na eene afwezigheid van verscheidene uren terug,
met de uitspraak: onschuldig. Wij zien zelfs niet, hoe zij nog konde
aarzelen, om terstond tot deze uitspraak te komen.
De correspondent, die dit verslag levert, zegt verder:
"Dit regtsgeding bragt de gemoederen van al de bewoners van den
omtrek in beweging, en hoewel het eene menigte menschonteerende
feiten aan den dag brengt, levert de uitslag van het proces toch
een bewijs voor de menschlievendheid en regtvaardigheid onzer
wetten, ten aanzien van die klasse der bevolking, wier toestand
dweepers in de Noordelijke Staten zoo ijverig trachten verkeerd
en overdreven voor te stellen, uit zelfzucht, woelziekte en
kwade oogmerken."
Dit misleidt het algemeen ten opzigte der wezenlijke reden, waarom het
slavenstelsel is af te keuren. Naar veler woorden te oordeelen, zou
men meenen, dat, wanneer in ééne week, geen twee of drie dozijn negers
gegeeseld of levend verbrand werden, de slavernij zooveel aanstoot niet
zou geven. Zij schijnen in het stelsel niets verkeerds te zien dan de
grove mishandelingen van het ligchaam. Zoo deze niet plaats vonden zou
het stelsel zoo erg niet zijn. Zij begrijpen niet dat eene marteling
gedurende twaalf uren van een arm slagtoffer, dat onder de handen van
een Souther doodbloedt, slechts het zinnebeeld is van die oneindig
wreeder marteling, waardoor de verhevene, onsterfelijke ziel, verminkt,
gebrand, gekneusd, ter neêr geworpen, vertrapt en gesmoord wordt door
de helsche magt der onverbiddelijke slavernij. En wanneer die marteling
heeft opgehouden en de ziel opwaarts is gestegen naar den Troon des
Gerigts, om daar als eene vreeselijke getuige op te treden, zal er
geen spoor in dat ligchaam zijn overgebleven, waaraan het als mensch
te herkennen is, niets dat zegt: "zie, dit was een mensch!"--Zoo zal
ook, wanneer de slavernij haar door de wet gebillijkte magt ten einde
toe heeft uitgeoefend op de ziel, en iedere sprank van menschheid,
eergevoel, eigenwaarde, liefde, geweten en godsdienstig gevoel heeft
uitgebluscht, er niets in de ziel zijn overgebleven, dat u toeroept:
"Dit was een mensch!" en het zal hoe langer zoo meer noodig zijn,
dat de regter gewigtige bewijsgronden aanvoert, om aan te toonen,
dat de slaaf een menschelijk wezen is.
Zulke buitengewone mishandelingen van het ligchaam, zulk misbruiken van
de magt, die de slavernij geeft, zijn betrekkelijk zeldzaam. Misschien
worden zij opgewogen door feiten, door de criminele regtspleging bij
andere volken aan het licht gebragt; maar in welke streek ter wereld
werden ooit zulke regtsgedingen gevoerd, door een volk dat zegt vrij
en christen te wezen. Hij, die de geschiedenis van Engeland kent,
zal ons welligt verwijzen naar de regtsgedingen, die daar onder
Jeffreys gevoerd werden. Een oogenblik nadenken zal hem overtuigen,
dat die regtsgedingen niet gelijk staan met de Noord-Amerikaansche
slavenprocessen. De vonnissen van Jeffreys waren de vonnissen van een
monster, dat gewelddadig de wetten verkrachtte en het regt stuitte,
om aan zijne eigene helsche inborst te voldoen. De bepalingen der
Amerikaansche slavenwet zijn, voor het grootste gedeelte, de uitspraken
van eerlijke en menschlievende mannen, die hun beter gevoel in den
boezem gesmoord hebben, om eene wreede wet toe te passen.
Onder Jeffreys werden de heiligste waarborgen bij de regtspleging
geschonden. Bij de Amerikaansche regtsspraken zijn alle vormen in acht
genomen. Hoe stuitend voor ons menschelijk gevoel die regtsspraken
ook zijn, zij waren slechts logische toepassingen der wet.
Nog eens, vragen wij dus, in welke streek ter wereld werden ooit zulke
regtsgedingen gevoerd, door een volk, dat zegt vrij en Christen te
wezen? Wanneer werden ooit zulke argumenten aangevoerd? Waar werden
ooit zulke regtsbeginselen erkend? Werd er ooit in Engeland een
proces gevoerd als in Virginia dat van Souther tegen den Staat? Was
het ooit noodig in Engeland, dat een regter verklaarde, in strijd met
de meening van een lager geregtshof, dat de dood van een werkman,
ten gevolge eener marteling van twaalf uren, hem door zijn meester
aangedaan, moord was? Ging zulk eene uitspraak, indien zij ooit
mogt gevallen zijn, vergezeld van eene erkenning van het beginsel,
dat eene marteling, die niet met den dood eindigde, niet strafbaar
was? De schrijfster kent de Engelsche wetten niet genoeg, om dit
te durven beweren, maar eene stem in haar binnenste zegt haar, dat
zulk eene uitspraak geheel Engeland in oproer zou gebragt hebben; en
dat een proces als dat van Souther tegen den Staat nimmer zou zijn
vergeten. Maar het is waarschijnlijk, dat zeer weinigen slechts in
de Vereenigde Staten van dat proces ooit iets hoorden, of er ooit
van zouden gehoord hebben, ware het niet door den New-York Courier
and Enquirer als eene onbetwistbare proeve van de menschlievendheid
der wet aangehaald.
Het verschrikkelijkste der gansche zaak is, dat meer dan ééne
proeve van dien aard in een land moet plaats vinden, om de gansche
maatschappij, als één man, te doen gevoelen, dat zulk eene magt niet
in de handen der slavenhouders mag gelaten worden. Hoe vele wenscht
men nu, dat er nog gevoerd zullen worden? Hoe vele moeten er gevoerd
worden, vóór zij doen inzien, dat die grenzenlooze despotische magt
niet mag toevertrouwd worden aan een ieder? Indien de zoon of broeder
van één blanke op die wijze ware behandeld geworden, onder eene wet,
die voor werklieden gemaakt was, het geheele land van Louisiana
tot Maine zou niet gerust hebben, vóór die wet was veranderd. Men
vergeet, dat ook de zwarte een Vader heeft: Hij, die boven de wolken
troont, bij Wien de vorsten der aarde niets zijn, en bij Wien de
regtvaardigheid der wereld ijdelheid is. Hij heeft gezegd, dat,
"wanneer Hij den bloedvergieter straffen zal, ook het gejammer der
verdrukten niet door Hem vergeten zal worden." Dat bloed, dat met
zoo veel achteloosheid vergoten is, dat bloed, waardoor de regters
gewaad hebben, onverschillig en kalm, toen zij, in koelen bloede
beraadslaagden of er moord of manslag gepleegd was, Hij zal het
eenmaal in rekening brengen als het bloed van zijn eigen kind. Hij
"vergeet Zijne belofte niet, al is Hij geduldig en lankmoedig; maar
de dag der wrake zal komen en het uur der vergelding zal aanbreken."
Dan zal een andere Regter vonnis vellen, wanneer de Zoon des menschen
zal nedergedaald zijn in Zijne heerlijkheid. Dan zullen niet enkel
Souther en wezens als deze teregt staan, maar geheel het volk, Noord
en Zuid, zal voor Zijnen troon verschijnen, die het stelsel hebben
gehandhaafd en de wetten uitgevaardigd, die Souther maakten wat hij
was. Voor dien Regter zal ook het getuigenis van negers gelden, al is
het nu van onwaarde; en de regters, en de raadslieden, en de magtigen
en aanzienlijken, wanneer zij gedaagd worden voor dien vreeselijken
regterstoel zullen uitroepen: "Bergen valt op ons, heuvelen bedekt
ons voor het aangezigt van Hem, die op den regterstoel zit en voor
de vergelding des Lams."
De vergelding des Lams! Denk daaraan! denk dat Jezus Christus
tegenwoordig was, dat hij getuige was--een zwijgende getuige bij
ieder regtsgeding, die met kalmte de bewijzen toetste en de uitspraken
woog! En denk hoe lankmoedig Jezus was en met welk een onverstoorbaar
geduld Hij geleden heeft! Welk eene vreeselijke beteekenis heeft dat
woord lankmoedig! Wat zal de vergelding zijn, wanneer, na jaren van
lankmoedigheid, al dat onregt en al die verdrukking eindelijk door
Hem zal geoordeeld worden!