Getuige begaf zich naar het vertrek der beschuldigde, waar de slavin
was overleden; hij zag niets bijzonders; eenige stukken hout in eene
kist onder den schoorsteen; zijne aandacht werd bijzonder getrokken
door een stuk hout, achttien duim lang, drie duim breed en ongeveer een
halve duim dik; hij mat het niet; de jury, met het onderzoek belast,
heeft het gemeten; het was van geene ligte houtsoort; hij meent dat
het van eikenhout was; er was eenig pijnboomhout en eenig gezaagd
eikenhout. De geneesheer Peter Porcher werd geroepen om het lijk te
schouwen, hij deed dit buiten tegenwoordigheid van den getuige.
Alvorens de getuige zijne plaats verliet, stond B. F. Hunt Esq.,
een der raadslieden van de beschuldigde, op en ving de verdediging
voor de jury aan, nagenoeg in de volgende woorden:
Hij zeide, dat de zaak, thans in behandeling, geheel nieuw was; of zij
goede of kwade gevolgen zou hebben, wilde hij niet voorspellen. Het
was voor de eerste maal, dat in dezen Staat eene vrouw van onbesproken
karakter en uit eene achtenswaardige familie als beschuldigde teregt
stond, en met de doodstraf werd bedreigd wegens feiten, die ontstaan
waren uit hare huiselijke betrekking tot haar eigen slaaf. Het was een
schouwspel troostvol en aangenaam welligt voor hen, die de instellingen
van ons land een kwaad hart toedroegen, maar dat bij ons slechts smart
en droefheid kon opwekken. Hij wilde het menschelijk gevoel niet tegen
de borst stuiten en eischen, dat de misdaad onstrafbaar zou worden
verklaard; maar eene regterlijke tusschenkomst tusschen den slaaf en
den eigenaar was eene zeer kiesche en gevaarlijke zaak. Het was voor de
eerste maal dat hij stond tusschen den slaven-eigenaar en den regter,
en zijne gemoedsstemming was verre van aangenaam. Het gold hier eene
gansch andere zaak dan doodslag door den eenen gelijke gepleegd op den
anderen. Tucht was noodzakelijk, waar slavernij bestond; en daarbij
kwam geen nieuw beginsel ter sprake. Het zelfde beginsel werd in
iederen Staat gevolgd; aan boord van een schip en in het leger, was
altijd aan den bevelhebber eene ruime magt over den ondergeschikte
gelaten. Beschuldigingen van minderen tegen hunne meerderen moesten
altijd met groote omzigtigheid worden onderzocht, en vooral, wanneer
hun wreedheid of misdaad jegens die minderen werd ten laste gelegd. Ten
gevolge der betrekking van den eigenaar tot den slaaf, bestonden bij
hen de gewone drijfveren tot moord niet, maar integendeel krachtige
redenen, die het van de zijde des eerste tegengingen. Moord werd
meestal gepleegd uit hebzucht of hartstogt. De meester won niets, maar
verloor veel door den dood van zijn slaaf; en wanneer hij opzettelijk
een slaaf het leven benam, moest meer dan gewone kwaadwilligheid hem
tot die daad geleid hebben. Het beginsel, waaruit de vroegere wet van
1740, die het dooden van een slaaf met boete en verlies van burgerregt
strafte, veranderd werd, was zeer betwistbaar. Zij was de wet van
onze voorouders; zij strookte met hunne staatkunde, was goedgekeurd
door hunne wijsheid, en werd onveranderd door hunne nakomelingen
gehandhaafd tot het jaar 1821. Dat beginsel was in ons regtswezen
ingeweven, ondanks de plannen, pogingen, en het schreeuwen van hen,
die maatregelen beraamden voor de verbetering onzer maatschappij,
waarbij zij geen belang hadden, en waarvan zij de instellingen niet
kenden, en wier bemoeijingen leidden tot de treurige tooneelen van
1822. Hier verwees hij naar de zienswijze van den kanselier Harper,
omtrent dit punt, die in zijne schoone en wijsgeerige Memoir on Slavery
zegt: "Het is een eenigzins zonderling verschijnsel, dat, terwijl er
in onzen Staat geene wet is, die op den moord van een slaaf hooger
straf stelt, dan eene boete, er toch, durf ik zeggen, ten minste tien
moorden op blanken gepleegd worden tegen één op een slaaf. Wij gaan
zelfs verder: bij ons is de moord op slaven gepleegd zeldzamer dan
op ouders, kinderen en werklieden en andere wreede en onnatuurlijke
moorden in Staten, waar de slavernij niet bestaat. En toch meent men,
dat zij minder beschermd worden dan hunne meesters. De verandering
werd in de wet gebragt, om te gemoet te komen aan de meeningen en de
kreten van hen, die ten eenemale onbekwaam waren zich een begrip van
de zaak te vormen; en eene goede wet is zelden het gevolg van zulk
een geest bij de wetgeving. Uit het feit, dat ik aanhaalde, blijkt
genoeg, dat zij minder bescherming noodig hebben. Daardoor wordt de
jury minder geneigd tot schuldig verklaren, en op die wijze kan het
gebeuren, dat een schuldige aan alle straf ontsnapt. Veiligheid is
eene der schadeloosstellingen voor hun nederigen staat."
Dat was het oordeel van den kanselier Harper, omtrent dit onderwerp,
dat hij grondig had bestudeerd, en wiens zienswijze algemeen verspreid
is in Amerika en ook in Europa. Gelukkig, zeide hij verder, was
de jury, in dit land bekend met onze staatkunde en onze gewoonten
en zamengesteld uit mannen, te onafhankelijk en eerlijk om zich te
laten leiden door het gewoel en het geschreeuw daar buiten. Alles
was naar behooren in acht genomen; eindelijk waren thans de leden
van het Geregtshof vergaderd, bij hetwelk zijne cliënte hulp en
toevlugt gezocht had. De drempel van dat Hof was heilig; geene profane
stemmen drongen daar binnen door. De wet onderzocht de feiten door
de getuigen onder eede medegedeeld, en nu moest de stem zwijgen
dier zwakke teergevoeligheid en de ooren gesloten worden voor die
verzonnen bloedige en akelige verhalen, het voedsel voor ledige
hoofden. Hij waarschuwde de jury geen gehoor te leenen dan aan het
getuigenis van blanken, onder eede in de volle regtszaal afgelegd. Zij
konden geen getuigenis denken, dat niet van deze kwam. Daarvoor waren
zij gekozen, en hunne bekwaamheid stelde hen boven den invloed van
ongegronde beschuldigingen, die niet wettelijk bewezen waren, of van
die verhalen van buitensporige gruwzaamheid, gegrond op de verklaring
van negers, even slecht en boosaardig als valsch. Was het aan slaven
veroorloofd tegen hun eigenaar te getuigen, het zou den band verbreken,
die hen in vrede en eendragt zamenhield, en hen in staat stellen om
hunne meesters tot het slagtoffer te maken van hunne kwaadwilligheid
of wraakzucht. Men had het soms gezien, dat geheele benden hadden
zamengespannen om kapiteins van schepen van den schandelijksten moord
te beschuldigen, maar een regterlijk onderzoek had de valschheid dier
beschuldigingen aan het licht gebragt. De waarheid was in dit geval
verwrongen, en er was een moord gemaakt uit iets, dat slechts uit de
gewone huiselijke tucht voortvloeide. Er moest soms gekastijd worden,
wanneer er inbreuk op die tucht is gemaakt; en de mate dier kastijding
stond aan niemand ter beoordeeling dan aan den eigenaar zelf. Het
gebeurde in deze was droevig en ongelukkig, maar er bestond geen reden
om het leven te benemen. De eigenaar had geen geldelijk belang bij
den dood van zijn slaaf: die dood kon slechts het gevolg zijn van
buitensporige woede van den meester, die zijn eigen hart met leed
en rouw vervulde. Aan deze beschuldiging lag niets anders ten grond
dan een algemeen geloofd gerucht, voortspruitende uit een bewijs,
dat hier niet kon aangevoerd worden, het gevolg van die boosheid en
verdorvenheid, die leugen baart. De hoop op vrijheid, op verandering
van eigenaar, wraakzucht en zoovele andere redenen konden er bestaan,
die den slaaf aanzetten om zijn meester te beschuldigen; geloof te
hechten aan zulk eene beschuldiging zou gelijk staan met het verbreken
van alle banden der menschelijke maatschappij. Waar opzettelijke,
boosaardige moord was gepleegd, hetzij door man of vrouw, was de
toepassing der wet een pligt jegens God en den mensch; maar de jury
was dáár om te verhoeden, dat de onschuldige getroffen werd. De daad,
waarvan hier sprake was, was geen moord volgens de gewone wet. De
wet van 1740 was gebaseerd op het practisch gezond verstand onzer
oude planters, en de geest er van dreef nog boven. De wet van 1841
strekte, blijkens hare bewoordingen, slechts tot vermeerdering der
straf van hen, die bewezen werden een slaaf te hebben vermoord; en
dit was een zeer twijfelachtig blijk van grooteren maatschappelijken
vooruitgang. Maar, volgens de wet van 1821, moest de moord geschied
zijn opzettelijk en kwaadwillig en wanneer de slaaf straf verdiende,
moest de meester niet aansprakelijk gesteld worden voor iederen
duim dien hij buiten de grenzen zijner magt ging; of hij door dit te
doen een misdadiger was, zou de jury beslissen. De meester moest een
oproerigen slaaf bedwingen; en boos opzet, waardoor de kwaadwilligheid
moest bewezen worden, was een vereischte om den eigenaar volgens
de wet tot verantwoording te roepen. Hij maakte de jury indachtig
aan de woorden van Hem, die sprak, als niemand ooit heeft gesproken:
"Dat hij, die zonder zonde is, den eersten steen op haar werpe." Zij,
als slavenhouders, zouden welligt ook uitersten te betreuren hebben,
waaraan zijzelven zich schuldig hadden gemaakt. Hij was geenszins
verwonderd over de redevoering van den Procureur-Generaal, wiens
pligt het was elke zaak met gestrengheid te behandelen. Hij keurde
goed dat het onderzoek zou loopen 1o. over het feit van den doodslag
en 2o. over het karakter of de aanleiding tot die daad.
Het getuigenis der beschuldigde toonde ten duidelijkste aan,
dat de slavin een natuurlijken dood gestorven was, en niet een
gewelddadigen. Zij werd gekastijd met een wettig wapen; verkeerde
in ziekelijken toestand, zij was zenuwachtig en pijnlijk ten gevolge
harer straf, kortom in geen gewonen toestand. De zaak had zich zeer
natuurlijk toegedragen; het publiek was misleid door hersenschimmige
vertelsels, of het getuigenis van slaven, die bij de zaak belang
hadden. De negerin kwam in het vertrek harer meesteres; viel op den
grond; er werd haar een geneesmiddel gegeven; men veronderstelde dat
zij was ingeslapen,--zij was den doodslaap ingegaan. Om het wijze en
staatkundige der oude wet van 1740 aan te toonen (de schuldigverklaring
was onder beide wetten dezelfde, slechts de straf was bij de wet van
1821 veranderd) voerde hij aan, dat eene daad als deze, volgens de
gewone; wet, geen moord was; ook worden, volgens de gewone wet, niet
dezelfde bewijzen geldig verklaard als hier. "Daar wordt," zeide hij,
"moord verondersteld bij doodslag; dit is niet het geval wanneer het
een slaaf geldt. De wet van 1740 veroorlooft den meester, wanneer de
slaaf in zijne tegenwoordigheid is gedood en er geen blanke getuige
bij tegenwoordig was, zich van de beschuldiging te zuiveren door
een eed; en die zuivering is voldoende, ten zij klaarblijkelijk het
tegendeel is bewezen door twee blanke getuigen. Dit is juist wat de
beschuldigde gedaan heeft; zij heeft, zoo als de wet veroorlooft, door
zich op God te beroepen, zich gezuiverd. En haar eed is van kracht,
althans tegenover den laster van hare eigene slaven. Waaraan moet
meer waarde worden toegekend, aan de geruchten van anderen of aan
het voorschrift der wet, die door onze voorouders is ingesteld? Er
bestaat niet het minste stellige bewijs tegen de beschuldigde,
niets dan eenige waarschijnlijkheid; en eene vernuftig uitgedachte
redenering slechts kan tot eenig besluit leiden."
Regt, dat was al wat zijne cliënte vroeg. Zij gaf zich over aan
onpartijdige, bekwame mannen, en zij verheugde zich in dat voorregt,
omdat zij nu vertrouwde het regt te zullen verkrijgen, dat zij voor
zich-zelven zouden eischen.
De heer Deveaux werd niet weder gehoord.
Resumé van het getuigenverhoor onder eede.
Dr. E. W. North. (Attorney maant hem aan niets te getuigen wat hij
slechts bij gerucht weet). Getuige was de huisarts van mevrouw
Rowand; begaf zich den 6den Januarij, op verlangen van mevrouw
Rowand, naar het huis harer moeder, in Loganstreet; vond haar
beneden in de huiskamer; zij verkeerde in een zenuwachtigen en
overspannen toestand; was eene maand geleden eveneens geweest; had
haar toen zijne hulp verleend; zij sprak tot den getuige niet over
de slavin Maria; hij vond Maria op eene kamer in het bovengedeelte
van het huis, omstreeks ten een ure na den middag; zij was dood;
zij scheen ongeveer anderhalf uur vroeger gestorven te zijn;
zijne aandacht werd getrokken door een stuk pijnboomhout op eene
stellage of tafel in het vertrek; bovenaan was een groote knoest;
zoo Maria er mede geslagen was, moest het zware kneuzingen hebben
veroorzaakt; andere stukken hout lagen in eene kist, en daaronder
veel kleinere; het lijk lag in een hoek van het vertrek; het was
niet afgelegd; hij veronderstelde dat de slavin daar gestorven
was; de likteekenen op het ligchaam waren, naar het oordeel van
den getuige, weinig merkbaar; eenige schrammen op het gelaat;
hij vermeed opzettelijk eenig nader onderzoek; bespeurde wonden
aan het hoofd; sprak met mevrouw Rowand niet over Maria; verliet
het huis; het was op den 6den Januarij, den dag vóór dat de zaak
voor den regter kwam; kende de slavin vroeger, maar had nooit
over haar gepractiseerd.
Nader verhoor. De gezondheid van mevrouw Rowand was slecht,
zij was zenuwachtig; de slavin Maria was zwak en mager; een
plotselinge dood van zulk een persoon en in zulk een toestand
door eene beroerte of overspanning van het zenuwgestel niet
onwaarschijnlijk; haar plotselinge dood behoefde niet noodzakelijk
aan geweld van buiten te worden toegeschreven; had bij een vroeger
bezoek duivelsdrek voor mevrouw Rowand voorgeschreven; dit is een
zeer geschikt geneesmiddel voor zenuwaandoeningen; mevrouw bezat
geene ligchaamskracht genoeg om met de pijnboom-knods een slag
van eenige beteekenis te geven; mevrouw Rowand had vijf of zes
kinderen; de oudste van hen was groot genoeg om eenige stukken
hout uit het vertrek te dragen; er moest eene zware kneuzing
en belangrijke bloedstorting hebben plaats gehad om daaruit,
in dit geval, een gewelddadigen dood af te leiden; beroerte gaat
dikwijls gepaard met bloedstorting; er waren twee Maria's onder
de slavinnen.
In antwoord. Mevrouw Rowand zou de knods hebben kunnen opnemen,
maar zou geen slag er mede hebben kunnen geven; zulk een stuk hout
zou den dood hebben kunnen veroorzaken, maar het zou kenteekenen
moeten hebben achtergelaten; zag den slaaf Richard; hij was
allezins in staat om zulk een slag te geven.
Dr. Peter Porcher. Was door den Coroner geroepen om het lijk van
Maria te schouwen; vond het in een keuken; het was het lijk van
eene zwakke en magere vrouw, gedeeltelijk afgelegd; hij had haar
van haar kleederen ontdaan; het ligchaam was door zweepslagen
gewond; het gelaat en de beenderen waren geschaafd; had de huid
er afgenomen; streek met zijne hand over het hoofd; geen been
gebroken; sneed, op verzoek van den Coroner, de borst open en
onderzocht de ingewanden; bevond die in normalen toestand; het
hart buitengewoon voor iemand van haar leeftijd; geene bijzondere
lucht; eenig onverteerd voedsel; geene ontsteking; nam de huid
van het hoofd weg en vond een belangrijke bloedstorting tusschen
die huid en de hersenpan; de huid was met bloed onderloopen;
vlak onder die huid vond hij de sporen van een enkelen slag,
boven het regter oor; ligtte daarna de hersenpan op; geen enkel
bloedvat gesprongen; onder de huid, die het kruinbeen bedekt,
had eene groote bloedstorting plaats gehad, het gevolg van eene
reeks van slagen op de kruin; het bloed had zich verspreid,
maar boven het oor was slechts een enkele plek; een knoop in een
riem zou daarvoor voldoende zijn geweest; eene opeenvolging van
slagen kon, bij eene zwakke vrouw, den dood ten gevolge hebben,
terwijl dit, bij eene sterkere, niet het geval zou wezen; zag geen
andere kenteekenen bij haar, waaraan de dood was toe te schrijven,
behalve die slagen.
Nader verhoor. Bij iemand als deze vrouw moesten die slagen,
naar alle waarschijnlijkheid, den dood veroorzaken; zij waren
niet van dien aard, dat zij een gewoon krachtig mensch zouden
dooden; getuige zag het lijk vier-en-twintig uren na den dood;
het was winter en zeer koud; geene ontbinding en de schouwing
kon dus uitgesteld worden; de kneuzing achter het oor kon het
gevolg zijn van een val, maar niet de kneuzing aan de kruin,
tenzij zij met het hoofd naar beneden was gevallen; kwam tot het
besluit, dat er meerdere slagen moesten gegeven zijn, door de
belangrijkheid der bloedstorting; het gevolg van een enkelen slag
zou zijn, dat rondom eene bepaalde plek het bloed verspreid was;
een enkele slag kon het geheele hoofd niet treffen, daar het
hoofd rond is; geen bloed in de hersenen; de zachtheid van de
hersenen was niet noemenswaardig; bij eene gewone ontleding zou
daarop geen acht zijn geslagen; pijn veroorzaakt somtijds eene
beroerte, die den dood ten gevolge heeft; het bloed tusschen
het vel en de hersenpan was blijkbaar kort geleden gestort;
vier-en-twintig uren konden naauwelijks eenige verandering te
weeg brengen; wist niets van den neger Richard vóór noch na het
onderzoek; de oorzaak van den dood is somtijds niet op te maken,
hoewel dit slechts zelden het geval is.
In antwoord. Schreef de zachtheid der hersenen niet toe aan
de slagen; zij was van weinig beteekenis en kon het gevolg van
ouderdom zijn; het was eenigermate een blijk van verzwakking van
geestvermogen bij hoogen leeftijd.
Dr. A. P. Hayne stond, op verzoek van den Coroner, Dr. Porcher bij;
werd in de keuken gelaten; zag op den rug van het lijk sporen van
kneuzing, de armen waren gezwollen en uitgerekt; het ligchaam
was gewond; kneuzingen aan hoofd en nek; tusschen het vel en
de hersenpan uitstorting van bloed, aan de kruin en achter het
regter-oor; de hand was gebrand; de hersenen schenen in normalen
toestand; openden het ligchaam; vonden geene sporen van eene
kwaal in de borst of de ingewanden; schreef de bloedstorting toe
aan uitwendige beleedigingen door slagen, slagen met een dik,
breed en bot voorwerp; schreef den dood aan die slagen toe;
veronderstelde dat zij in staat waren den dood te veroorzaken,
daar de vrouw oud, zwak en vermagerd was.
Nader verhoor. Het zou den dood bij een jong en krachtig persoon
niet veroorzaakt hebben.
Het getuigenverhoor ten laste werd hier gesloten, en geene getuigen
à décharge werden opgeroepen.
Achtereenvolgens rigtten nu de raadslieden der beschuldigde en
de Procureur-Generaal het woord tot de jury. Die redevoeringen
als ook de beschuldiging van den regter zijn door ons uitvoerig
opgeteekend, maar tijd en ruimte ontbreken ons ze hier mede
te deelen.
De Regter O'Neall, wees toen in eene zeer welsprekende en
doorwrochte rede op de feiten; verdedigde de bestaande wet,
die de doodstraf stelde op het vermoorden van een slaaf; maar
verklaarde ten aanzien der wet, dat hij die van 1740 nog van kracht
achtte voor zooveel zij toeliet, dat een beschuldigde zich door
een eed zuiverde, ten zij klaarblijkelijk het tegendeel bewezen
werd door twee getuigen; en dat zij daarom, naar zijne meening,
verpligt waren tot vrijspraak; ofschoon hij het geheel aan hen
overliet, te verklaren of de beschuldigde schuldig was aan moord,
aan doodslag in drift of in plotselinge opwelling van hartstogt,
of dat zij onschuldig was.
De jury zonderde zich toen af en keerde na twintig of dertig
minuten terug met de uitspraak "Onschuldig."
Er zijn eenige uitdrukkingen vooral in het pleidooi van den advokaat,
die wel onze aandacht verdienen. Bij voorbeeld de volgende:
Gelukkig is de jury van dit land bekend met onze staatkunde en
onze gewoonten; en zamengesteld uit mannen, te onafhankelijk en
eerlijk om zich te laten leiden door het gewoel en het geschreeuw
daar buiten. Alles is naar behooren in acht genomen; en eindelijk
zijn thans de leden van het Geregtshof vergaderd, bij hetwelk
mijne cliënte hulp en toevlugt gezocht heeft. De drempel van dat
hof is heilig; geene profane stemmen dringen daar binnen door;
maar de wet onderzoekt thans de feiten.
Hieruit blijkt duidelijk dat het regtsgeding de publieke
belangstelling had opgewekt, en in die mate opgewekt, dat, ondanks
de onverschilligheid, die slavenhoudende Staten kenmerkt, rondom het
Geregtshof eene opgewonden menigte vergaderd was.
Uit eene andere zinsnede in dat pleidooi schijnt te blijken, dat er
vele slaven waren, die als getuigen konden optreden, wier getuigenis
geen zweem van twijfel meer zou overlaten. Waarom anders zou hij zoo
ernstig de jury daartegen waarschuwen.
Hij waarschuwde de jury ernstig, geen gehoor te leenen dan aan
het getuigenis van blanken, onder eede, in de volle regtszaal
afgeleid. Zij konden geen getuigenis denken, dat niet van deze
kwam. Daarvoor waren zij gekozen en hunne bekwaamheid stelde
hen boven den invloed van ongegronde beschuldigingen, die niet
wettelijk bewezen waren; of van die verhalen van buitensporige
gruwzaamheid, gegrond op de verklaring van negers, even slecht
en boosaardig als valsch.
Vergeten wij ook dat merkwaardige gezegde niet: "De waarheid is
hier verwrongen, en er is moord gemaakt uit iets, dat slechts uit
de gewone huiselijke tucht voortvloeit." De lezer herinnere zich nu
het getuigen-verhoor, waaruit blijkt dat de vrouw ruim vijftig jaar
oud was; dat zij oud en mager was; dat haar een reeks van slagen
op de kruin gegeven werden, een hevige slag boven het oor; en dat,
naar het oordeel van den heelmeester, deze slagen voldoende waren
om den dood te veroorzaken. En toch merkt de advokaat met zeer veel
koelbloedigheid aan, dat er moord gemaakt is uit iets, dat slechts uit
de gewone huiselijke tucht voorvloeide." Moeten wij daaruit afleiden
dat het slaan van eene zwakke oude vrouw op het hoofd, op die wijze,
een staaltje is der gewone huiselijke tucht te Charleston? Wat zou
men geantwoord hebben als eens een anti-slavernij gezind nieuwsblad
in het Noorden dit beweerd had? En toch deelt de Charleston Courier
deze bewering mede zonder nadere verklaring of ontkenning. Maar die
raadsman der beschuldigde gaat nog verder in de verdediging dier
huiselijke tucht. Er moest somtijds gekastijd worden, wanneer er
inbreuk op de tucht was gemaakt; en de mate dier kastijding stond
aan niemand ter beoordeeling dan aan den eigenaar zelf. Het gebeurde
in deze was droevig en ongelukkig." De advokaat neemt aan, dat het
gevolg van de slagen met een knods op het hoofd eener oude zwakke
vrouw "droevig en ongelukkig is." Het oude voorwerp was te zwak om
het te verdragen, en had zoo weinig achting voor den goeden naam
van haar meester en van de slaven-instellingen, dat zij stierf, en
op die wijze zijn gezin en de geheele maatschappij in ongelegenheid
bragt. Men moet dus uit die woorden opmaken, dat meestal, wanneer
oude vrouwen op het hoofd geslagen worden, zij sterker gestellen of
meer achting voor de slavernij hebben.
Nog zegt hij, "wanneer de slaaf straf verdient, moet de meester niet
aansprakelijk worden gesteld voor iederen duim, dien hij buiten de
grenzen zijner magt gaat," en eindelijk sluit hij met eene zinsnede,
die wel de meeste verbazing zal wekken. "Hij maakte de jury indachtig
aan de woorden van hem, die sprak als niemand ooit gesproken heeft:
Dat hij die zonder zonden is, den eersten steen op haar werpe! Zij,
als slavenhouders, zouden welligt ook uitersten te betreuren hebben."
"Wat bedoelt de advokaat hiermede? Wil hij zeggen, dat waarschijnlijk
alle gezworenen zich aan dergelijke daden hebben schuldig gemaakt,
en daarom, in deze zaak, niets hadden in te brengen? nam geen der
gezworenen de partij voor hen op! gevoelde niemand die aantijging? Uit
dat alles blijkt dat de jury er in berustte als in een algemeen erkend
iets; en de Charleston Courier neemt het over zonder commentarie, in
het verslag van een regtsgeding, dat, naar het voorgeeft "de wereld
zal leeren hoe de wet met haar schild der bescherming den blanke
zoowel als den nederigen slaaf beschut."
Eindelijk, letten wij wel op de uitspraak van den regter, die wet
is geworden in Zuid-Carolina. Welk punt wordt er door beslist? Dat
de eenvoudige eed van den meester, tegenover alle omstandigheden,
waaruit het tegendeel blijkt, hem kan zuiveren van schuld, wanneer er
sprake is van een moord op een slaaf gepleegd. En dit regtsgeding wordt
als eene proeve van onpartijdigheid en billijkheid der regtspleging
uitgebazuind! "Indien het licht dat in u is, duisternis is, hoe groot
is dan die duisternis!"